De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 2

Chapter 23,755 wordsPublic domain

De overdragt des Lands door Goedela aan Grave Floris den Vijfden, (zie hier voor,) geschiedde voor een rente van 25 ponden wettig Utrechts geld, jaarlijks, ten eeuwigen dage op St. Maartensdag, te betaalen aan de Abtdisse in den tijd: en deeze rente moet mede nog huiden ten dagen uit de gewezene Graaflijkheids Domeinen betaald worden.

GESCHIEDENISSEN.

Gooiland is in vroegere eeuwen meermaals van den eenen bezitter aan den anderen overgegaan, bij wegschenking, of tegen eenen bepaalden prijs, bij wijze van verkoop, over welke verwisseling van eigenaar het land dikwijls aan verregaande twisten en verdeeldheden is blootgesteld geweest.

Andere verschillen zijn ook alhier menigvuldig voorgevallen om de landscheiding, naamlijk met het Sticht van Utrecht, van welken omtrent den jaare 1719 nog een voorbeeld geweest is, want in dien tijd is de nieuwe landscheiding, waarvan wij hier voor spraaken, bepaald.

INHOUD.

Amsteldam. 1. Ouderkerk. 2. Buurten onder Ouderkerk. Amstelveen. 3. Buurten onder Amstelveen. Amstelveen in brand. 4. —— —— herbouwd. 5. Diemen, en buurten daaronder. 6. Diemer- of Watergraftsmeir.

{ Waverveen. 7. { Waveren, Botshol en Ruigewilnisse.

Muiden. 8. Naarden. 9. Huizen. 10. Blaricum. 11. Laaren. 12. Hilversum. 13. ’s Graveland. 14. Bussem. 15. Muiderberg. 16. Weesp. 17.

{ Weesperkerspel. { Bijlemer. { Bijlemermeir.

{ Gaasp. { ’t Gein. { Overvecht. { Uitermeir. { Uitermeirsche Schans. { Overmeirsche Schans.

Oud-Loosdrecht. 18. Nieuw-Loosdrecht. 19. Mijnden.

N.B. De plaatsen waar nommers bij staan, hebben Gereformeerde Kerken, en zijn in ons werk afgebeeld: voords zijn allen die in een strik besloten zijn, op een zelfd blad beschreven.

DE STAD AMSTELDAM.

Europa’s wonderstad, aan ’t breede Scheeprijk IJ, Schatkamer van geheel de zeven Nederlanden, Der kunsten kweekschool, en Vorstin der Zeevaardij, Die de armen steeds bedeelt met nooit gesloten handen: Europa’s wonderstad, is ’t roemrijk Amsteldam, Dat uit een Visschersbuurt zijn eerst beginsel nam.

Niet zonder huivering slaan wij de hand aan eene beschrijving, die, om volledig genaamd te mogen worden, eenige zwaare boekdeelen kan beslaan, daar wij om aan den aart van ons werk te voldoen, slechts weinige bladzijden daartoe durven voor ons neemen; wij zullen derhalven alles slechts kunnen aanstippen, en evenwel behoort dat aanstippen op zodanig eene wijze te geschieden, dat de reiziger daaraan genoeg hebbe, om Amsteldam, met de behoorelijke voorloopige kennis van hetzelve, te gaan bezoeken—wij hebben hier derhalven de toegeevendheid van onze kundige leezers noodig, en ofschoon de hoop op dezelve ons niet tot zo verre kunne bemoedigen, dat wij onze huivering daardoor zouden gevoelen verdwijnen, streelt ons echter de gezegde hoop genoeg, om rustig te beginnen:

LIGGING.

Deeze is in Amstelland, en kan bepaalder gezegd worden te zijn, drie uuren gaans beoosten Haarlem, agt uuren ten noordoosten van Leiden, en even zo veele uuren ten noordwesten van Utrecht, op een laagen, weeken, moerassigen veengrond, die echter onderscheidene beddingen heeft: sommigen willen dat de lucht er ongezond is, echter zijn er naar evenredigheid geen meer zieken, of sterven er geen meer menschen dan in eenige andere stad van Nederland: men heeft er zekerlijk gebrek aan zoet water, (ofschoon ’t er weleer, vóór het verwijden der zeegaten, geweest zij,) doch het wordt er ten dienste der brouwers, en der verdere ingezetenen, bij overvloed van Weesp ingevoerd, door middel van groote waterschuiten; ook zijn alle de huizen van regenbakken voorzien, en zijn er bovendien sedert eenige weinige jaaren, van stads wege, op de markten en opene pleinen groote bakken aangelegd, die bestendig vol zoet water gehouden worden, met welk aanleggen, men nog werkelijk voordgaat, zo dat voortaan, het gebrek aan drinkbaar water, (een gebrek dat ter deezer stede bij koude winters al vrij nijpende plag te weezen,) niet meer te duchten is.

Aan de noordzijde wordt de stad bespoeld door het beroemde IJ: de breede rivier de Amstel loopt midden door de stad, en deelt dezelve in twee deelen, de oude en nieuwe zijde genaamd: voords is de stad alomme doorsneden met aanzienlijke, minder breede, en ook veele zeer smalle graften, waarin ten bedwang van het veele water, verscheidene schutsluizen liggen; er zijn ook veele zwaare buitensluizen, waardoor het land, rondsom de stad, onder water gezet kan worden: over het geheel draagt Amstelland met alle recht den eernaam van wereldberoemde Koopstad: C. Huijgens, heeft van haar wel mogen zeggen,

Hoe komt gij, gulden veen! aan Hemels overdaad? Pakhuis van Oost en West! heel water en heel straat! Tweemaal Venetie, waar’s ’t eind van uwe wallen? Zeg meer: zeg, vreemdeling! zeg liever niet met allen: Roem Romen, prijs Parijs, kraai Cairo’s heerlijkheid, Die dieplijkst van mij zwijgt, heeft allerbest gezeid.

Aan alle zijden, uitgenomen aan den IJ-kant, is de stad omgeven met eene breede watergracht, hechten en hoogen muur, en verdere wallen, in welken zes-en-twintig wèl geregelde en bemuurde bolwerken gelegd zijn: rondsom de stad liggen ook een goed aantal batterijen, van fraai geschut voorzien: in den gezegden muur zijn vijf groote en drie kleine poorten: de eerstgemelden zijn de Haarlemmer poort, de Leidsche, de Utrechtsche, de Weesper en de Muiderpoort; de kleinen, die alleenlijk openingen in den muur genaamd mogen worden, zijn het Zaagpoortjen, het Raam- en het Weterings-poortjen.

NAAMSOORPRONG.

Al vroeg, men wil in 1200, werd een dam gelegd, in de rivier de Amstel, (ter plaatse, of nabij de plaats, die nog de dam genoemd wordt,) ter weeringe van het water; deeze kreeg den naam van Amsteldam, dat is, dam van, of, in den Amstel, en dien zelfden naam heeft de stad, van tijd tot tijd rondsom dien dam gebouwd, behouden; sommigen spelden Amsterdam, naar een ouder taalgebruik, toen men de meening van dam van, of, in den Amstel, uitdrukte, door het woord Amstelredam, waarvoor men thans zou kunnen zeggen Amstelerdam.

STICHTING EN GROOTTE.

Veel wordt er getwist over den tijd waarin men zoude kunnen zeggen dat Amsteldam haar begin genomen heeft, ons bestek verbiedt, ons daarmede optehouden: tusschen 1177 en 1200, had het beruchte geslacht van Van Amstel, nabij den dam bovengemeld, een slot, en men mag vaststellen dat omtrent dien tijd eenige visschers zig rondsom hetzelve hebben nedergezet, alzo zij aldaar goede gelegenheid voor hunne kostwinning vonden; de bloei deezer kostwinning heeft die lieden van tijd tot tijd, na het uitstaan van zwaare rampen, in binnenlandsche kooplieden doen veranderen; hunne welvaart heeft anderen herwaards gelokt, en op die wijze is Amsteldam, uit die kleine beginselen, tot zulke eene verbazende koopstad geworden: onder ons art. Geschiedenissen, zullen wij bepaalder van haare aanmerkelijke vergrooting spreeken: in haar geheel bevat zij meer dan 892 morgen 568 roeden.

Het getal der huizen in Amsteldam en haare Voorsteden, (die mede zeer aanzienlijk zijn,) werd in den jaare 1740 begroot op 26,317; waarbij sedert nog een aanzienlijk aantal gevoegd zijn (voornaamlijk op het Weesperveld,) gelijk er thans nog van tijd tot tijd anderen aangebouwd worden—men schat het getal der ingezetenen op ten minsten 241,000, waaronder van allerleien Godsdienst gevonden worden, gelijks straks onder ons artijkel Kerklijke en Godsdienstige gebouwen zal blijken.

WAPEN.

Weleer was dit een koggeschip; boven de oudste afbeeldingen van hetzelve, ziet men ’t wapen van Holland; boven de laateren dat van Henegouwen, wordende hetzelve gehouden door een’ Henegouwer, den Graaf of een Wapenkoning verbeeldende; thans is het wapen der stad een zwarte paal, belegd met drie zilverene kruisen op een rood veld; zijnde hetzelve gekroond met eene keizerlijke kroon, in gevolge een’ gunstbrief van Maximiliaan, gegeven in den jaare 1488.

KERKLIJKE EN WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Deezen zijn in de daad zeer menigvuldig, en allen bezienswaardig: de eerste die ons hier voorkomt is de Oude Kerk der Gereformeerde Gemeente, zijnde een zeer oud en deftig gebouw; ’t is onzeker door wie en wanneer dezelve gesticht zoude weezen; waarschijnelijk is zij de eerste Kerspelkerk van Amsteldam geweest; zeker is het dat zij reeds in 1372 aanwezig was: zij is van ouds voor een proefstuk van bouwkunde gehouden; ’t is een deftig kruisgebouw, beslaande in de lengte met den aanzienlijken toren 300, en zonder den toren binnenswerks 249 voeten; zij rust op 42 groote pijlaaren: behalven eenige fraai geschilderde glazen, pronkt zij van binnen met de Grafsteden van den Veldmaarschalk Paul Wirtz: binnen het ruime choor, staat een marmeren gedenktafreel, ter eere van den Schout bij nacht Willem van der Zaan; een dergelijk gedenkteken is er opgericht voor den Admiraal Jacob van Heemskerk; een ander voor den beroemden Zeeheld Cornelis Janszoon, bijgenaamd het Haantjen; en deezen worden nog overtroffen door de uitmuntende grafsteden van de Vice-Admiraalen Abraham van der Hulst en Isaak Zweerts: een Capelletjen hier nabij staande, nog een overschot van den Roomschen tijd, is door Cornelis de Graaf, Burgemeester van Amsteldam, tot eene cierlijke grafstede verbouwd, zijnde de ingang door een fraaje koperen deur gesloten: verder zijn in deeze kerk twee orgels, waarvan echter slechts één, naamlijk het groote, gebruikt wordt: de predikstoel is bezienswaardig, gelijk mede de overige gestoelten, enz.: het ruim wordt onder den avondgodsdienst, door vijf groote en twaalf kleinere kaarskroonen verlicht.

Van buiten heeft het gebouw niets aanmerkelijks dan de toren, waarop een doorluchtig houten spits staat, zijnde hetzelve kunstig in- en uit-gebogen: hij is in 1565, na agt jaaren arbeids, voltooid geworden: zijne geheele hoogte bedraagt een tal van 240 voeten: er hangt een kunstig uurwerk en klokkespel in: voor weinige jaaren toonde men aan deezen toren, wat de kunst vermag; hij werd naamlijk voor een goed gedeelte onderschraagd, om het onderste te vernieuwen.

De Nieuwe Kerk, mede dezelfde gemeente toebehoorende, was weleer aan de H. Maria en Catharina toegewijd; men stelt haare stichting omtrent den jaare 1408 of 1414, door zekeren Willem Eggaert, Heer van Purmerende, of door anderen met hem: op den 23 April des jaars 1421, des korten tijd na haare stichting, brandde zij, met een groot gedeelte der stad, geheel af: in 1645, geraakte zij andermaal in brand, en zo geweldig, dat slechts den buitenromp bleef staan: is 1648 was zij reeds weder genoegzaam bekwaam om er den kerkdienst in waarteneemen: uit het midden van haar dak rijst een klein torentjen; reden waarom men bij haare laatste opbouwing bedacht was om er een aanzienlijken toren naast aan te plaatsen; doch daarmede tot zekere hoogte gekomen zijnde, liet men het werk steeken; sommigen willen om eene ontdekte zakking, anderen om dat men nu eerst begreep dat die toren den spreekenden luister van het belenden staande stadhuis zoude verminderen; tot nog voor weinige jaaren is het onderstuk van dien toren blijven staan, en was bekend onder den naam van Onvolmaakte toren; het stond op boogen, waaronder men kon doorgaan, ook naar een der ingangen van de kerk; doch sedert is het gezegde stuk weggenomen.

Deeze Gereformeerde Nieuwe Kerk is een overheerelijk kruisgebouw, lang 315, en breed 210 voeten, rustende op 52 hardsteenen zuilen: sommige haarer glazen zijn fraai beschilderd; en zij wordt des avonds verlicht door 5 groote en 12 kleine koperen kaarskroonen: er is een groot en kunstig orgel in, rustende op bonte marmeren Corinthische colommen; de deuren die er voor zijn, zijn prachtig beschilderd: behalven het groote is er ook nog een klein orgel, dat zeer helder van geluid is: de predikstoel is een ongemeen meesterstuk der beeldhouwkunde; zo is ook het koperen afschutsel van het ruime choor, en dat op eenen marmeren voetstuk rust, overheerelijk fraai, en der beschouwinge waardig: ten einde van het choor ziet men de ongemeen prachtige graftombe van den beroemden Zeeheld De Ruiter: aan één der zijden van het ruim der kerk, achter den predikstoel, is de overheerelijke grafstede van Jan van Galen: de Zee-capitein David Zweers, heeft in deeze kerk mede eene grafplaats: Joost van den Vondel, de Prins der Nederlandsche Dichteren ligt ook alhier begraven, uitwijzens eene urna, voor eenige jaaren, ter eere zijner nagedachtenisse, in een nis, in één der pijlaaren daartoe uitgehouwen, geplaatst.

De Zuider Kerk behoort onder de Amsteldamsche kerken van laateren datum; zij werd in 1611 volbouwd, schoon aan den toren nog wel drie jaaren langer gearbeid is: het middendak, dat hoog boven de zijdaken uitsteekt, wordt gedragen door tien zwaare pijlaaren van blaauwen steen: dat er geen choor bij is, verstrekt onder anderen ten bewijze dat zij den Roomschen tijd niet geheugt: de toren, die zeer cierlijk is, is 237 voeten hoog; in denzelven is een fraai uurwerk en klokkenslag; voords wordt het ruim onder den avonddienst door verscheidene kaarskroonen verlicht, het geen mede in alle de andere kerken plaats heeft, waarom zulks hier ééns vooral gezegd blijft: de Zuider kerk heeft voords van binnen niets aanmerkelijks, even weinig als de Wester kerk, zijnde anders ééne der fraaiste kerken van Amsteldam: in den jaare 1620 werd de bouw van deeze begonnen, (er stond vóór dien tijd slechts een loos, waarin de Godsdienst verricht werd;) in 1631 was zij voltooid; de toren echter eerst in 1638; deeze is ongemeen fraai, en overtreft in hoogte alle de torens der stad; van den grond tot aan het kruis toe bereikt bij bijna 300 voeten; van boven pronkt hij met den keizerlijken kroon van ’t Amsteldamsche wapen: er is ook een fraai, uur- en speel-werk in; de groote slagklok die de heele uuren slaat, weegt meer dan 15.000 pond.

De Kerk is binnenswerks 168 voeten lang en 97 voeten breed; in 1687 werd er een fraai orgel in gemaakt: voords is het geheele gebouw een kunststuk van Architectuur, ofschoon er van binnen niets aanmerkelijks in te zien zij.

De Noorder Kerk is een gebouw van den jaare 1620; zij is een fraaje kruiskerk; van binnen heeft zij vier gevels, die ieder van onderen 92 voeten breed zijn: zij pronkt met een aartig torentjen, ter hoogte van 54 voeten, zijnde ook voorzien van een slag-uurwerk: van binnen wordt haaren omtrek gesteld op 70 passen: het kruisgewelf rust op vier geweldig zwaare colommen; zij heeft verder niets bijzonders; ook is er geen orgel in.

De Oude zijds Capel, eertijds St. Olofs capel genaamd, wordt van sommigen voor de oudste kerk der stad gehouden; ja eenigen brengen haar reeds tot het midden der elfde eeuw: in 1646 is zij merkelijk vergroot: van binnen heeft zij almede niets bijzonders, van buiten pronkt zij met een net torentjen, waarin een uurwerk is: boven een der ingangen ziet men een menschen geraamte, doodshoofden en beenderen, uit welken eenige korenairen wassen: daar onder leest men in de Latijnsche taale, de woorden: hoop des anderen levens.

De Nieuwe zijds Capel die mede van zeer oude datum is, droeg weleer de naam van Heilige stede, [2] naar zeker mirakel aldaar omtrent het midden van de veertiende eeuw gebeurd, blijvende er alstoen (zegt men,) een gewijden ouwel midden in de vlamme ongeschend; thans is deeze capel geen onaartig kerkjen, zijnde vercierd met een fraai orgel, dat in 1636 vernieuwd werd; er staat een klein spits torentjen op, waarin een slaand uurwerk: op bepaalde kerktijden wordt hier ook in de Hoogduitsche taale gepredikt.

De Gasthuis Kerk, is een gedeelte van het oude Nonneklooster, Ter Leliën, ’t welk onder eene menigte andere kloosters hier ter stede weleer stond: het ruim bestaat uit een langen smallen elboog, ter wederzijde van gallerijen voorzien.

De Ooster Kerk, en Eilands Kerk, waren omtrent den jaare 1660 slechts houtene loozen; de eerstgemelde stond toen bij het gewezene willige rasphuis, en werd reeds in 1671 ingewijd; doch de andere is eene loos gebleven tot in 1736: ’t zijn beide kleine maar zeer geschikte gebouwen; op ieder staat een aartig torentjen met een slag-uurwerk; doch zij hebben verders niets aanmerkelijks: er zijn ook geene orgels in.

Eindelijk is er nog de Amstel Kerk, dat een hecht vierkant hout gebouw is, omtrent den jaare 1670 voltooid: het is honderd voeten lang, en even zo breed: het dak rust van binnen op 16 houtene stijlen: de grond is met geele klinkers belegd, zo dat er niet in begraven wordt, gelijk in de andere kerken geschiedt.

De Fransche of Waalsche gemeenten hebben ter deezer stede twee kerken, den naam dragende van Oude, en Nieuwe Waale Kerk: de eerste was voorheen de kerk van ’t Pauline klooster, en werd in 1409 gesticht; in 1661 werd zij merkelijk vergroot en verbeterd: zij heeft niets ongemeens, maar er is een goed orgel in—De Nieuwe Waale Kerk, is slechts van hout opgeslagen; zij was weleer een stads schermschool; doch werd in 1686, bij gelegenheid van de overkomst veeler Fransche vlugtelingen, tot eene kerk verbouwd—Donderdags avonds houden de Waalen in de Wester Kerk gebed.

De Engelsche Presbijteriaanen, hebben hunne kerk op het Begynenhof in de Kalverstraat—weleer hadden de zogenaamde Brouwnisten nog eene kerk in de Barndesteeg, die naderhand ook tot de Episcopaalen gebruikt werd, doch sedert eenigen tijd is deeze gemeente bijna geheel verdweenen.

De Roomschen hebben zo binnen de stad als even buiten de poorten, een groot getal kerkhuizen; behalven dat eenige voornaame leken nog Capellen in hunne eigene huizen hebben: sedert weinige jaaren heeft deeze gemeente verlof verkregen om buiten de Raampoort, een eigenlijke kerk te bouwen, dat een zeer net, en allezins aan het oogmerk voldoend gebouw is—In de Roomsche tijden had dezelfde gemeente hier ter stede, behalven de kerken die thans door die Gereformeerden gebruikt worden, nog verscheidene anderen, allen welken tot andere einden geschikt zijn geworden; op den hoek van de Vrouwensteeg stond er een die in huizen veranderd is: wat verder op den Nieuwendijk was de St. Jacobs Capel, die mede in huizen veranderd is, behalven het torentjen, dat tot voor nog maar weinige jaaren boven de daken uitstak en door Kerkmeesteren van de Nieuwe Kerk moest onderhouden worden, om dat de goederen van de gemelde Capelle aan die kerk gemaakt zijn: sedert is het gezegde torentjen afgebroken.

De Lutherschen hebben tot op onzen tijd hier ter stede slechts twee kerken gehad, de Oude, en de Nieuwe; beiden zijn zeer ruime gebouwen, kunnende, vooral wegens de gaanderijen die er boven elkander in gemaakt zijn, veel volks bevatten.—De Nieuwe is een zwaar cirkelrond gebouw, waarvan de kap gedekt is met koperene plaaten, door Karel den Elfden, Koning van Zweeden, aan deeze kerk geschonken: in iedere deezer kerken is een fraai orgel, en beiden, vooral de Nieuwe, zijn bezienswaardig—Na dat deeze Gemeente onlangs door een duisteren twist eene scheuring ondergaan heeft, en verdeeld is geworden in die van het Oude-, en die van het Nieuwe-licht, of wel is het eerstgemelde gedeelde bekend, bij den naam van De Herstelde Gemeente, is er nog eene Luthersche Kerk (naamlijk voor de uitgewekenen, of de Herstelden,) alhier gebouwd, ter plaatse alwaar het Dolhuis gestaan heeft: ’t is een ruim gebouw, doch zonder eenigen cieraad.

De Remonstranten hebben hier ter stede een aartig kerkjen, op de Keizersgracht bij de Prinsenstraat: er is een goed orgel in.

De volgende zijn de Doopsgezinde Kerken: van de Vereenigde Vlaamsche- en Waterlandsche, het Lam, dus genoemd naar eene brouwerij van dien naam welke er weleer stond: De kerk bij de toren, om dat zij bij de Jan Roodepoorts toren staat; langen tijd heeft deeze den naam van de Spijker gedragen, om dat zij gebouwd is op eene plaats alwaar weleer een spijker-pakhuis stond: De Zon, behoorende aan de afgezonderde Vlaamsche Doopsgezinden: alle deeze kerkjens zijn wel klein, maar echter aan het oogmerk zeer voldoende: weleer hadden de oude Vlaamingen nog een kerk, De Kruikjens, dus genoemd naar een herberg van dien naam daar naast staande; en de Vriesche Doopsgezinden eene andere, De Arke Noachs genaamd; doch beiden zijn niet meer in wezen.

De Collegianten vergaderen boven ’t weeshuis dier Gemeente, op de Keizersgracht over den gewezenen schouwburg.

Nabij de Remonstranten Kerk, hebben de Kwaakers eene vergaderplaats, kenbaar aan een’ driehoek, die boven den ingang staat.

In de Houttuinen vergaderen de Hernhutters: ook hebben de Persiaanen hier ter stede een net kerkjen; er is ook nog een kleine en nette Grieksche Kerk; op de Oudezijds Voorburgwal; schuin over de Oude Kerk.

De Portugeesche en Hoogduitsche Jooden, hebben er voords ieder eene aanzienlijke sijnagoge, die, vooral de eerstgemelde, der bezichtiginge van den vreemdeling overwaardig zijn.

Ofschoon nu in de meeste Gereformeerde Kerken, zo wel als in de Oude- en Nieuwe van de Lutherschen, (naamlijk aan het Nieuwe licht behoorende,) begraaven worde, (die van het Oude licht hebben zig een kerkhof op Muiderberg verkozen; zie onze beschrijving van dat dorpjen;) zijn er echter hier ter stede nog vijf groote kerkhoven, aan afgelegene oorden der stad: de Jooden hebben er drie buiten de stad; één te Ouderkerk, één te Muiderberg, en één nabij Zeeburg.

Zijn de kerken te Amsteldam, gelijk gebleken is veelen, de verdere Godsdienstige Gestichten zijn er nog veel talrijker: wij zullen de voornaamsten met een enkel woord aanstippen.

Het St. Pieters Gasthuis, dat zijnen naam ontleent van één der Gasthuizen welken weleer hier ter stede waren, komt eerst in aanmerking: het was in oude tijde de Kloosters der Oude en Nieuwe Nonnen: alles wat hierin gevonden wordt is ongemeen aan het oogmerk voldoende; het heeft zijne eigene bakkerij en brouwerij, ook is er de stads Apotheek in geplaatst: even binnen de groote poort is een Beiërt, alwaar de bedelaars en arme vreemdelingen drie nachten om niet kunnen logeeren, ontvangende des avonds en morgens ook spijs en drank.

Het tegenwoordige Verbandhuis, ook in het Gasthuis zijnde, was weleer het Pesthuis, dat omtrent den jaare 1616 van daar naar buiten de Leidsche poort verplaatst, en te klein geworden zijnde, in 1630 weder verplaatst werd, daar het thans nog gezien wordt, mede buiten de Leidsche poort, een goed stuk wegs landwaards in gelegen: in 1732 is het geheel verbrand; doch ’t werd terstond weder herbouwd, juist 200 voeten lang en breed, en rondsom met een graft omgeven: ter zijde heeft het een eigen kerkhof, waarop ook sommigen met den dood gestraften begraven worden—Toen het Dolhuis weggenomen zoude worden, ter bouwinge van een kerk voor de Herstelde Luthersche Gemeente, werd aan dit huis een ruimen vleugel gebouwd, die thans voor een Dolhuis dient.

Het Oude Mannen- en Vrouwen-huis, staande naast het Gasthuis: dit werd gebouwd uit een loterij, door de Wethouderschap in 1600 opgesteld: het staat op een gedeelte gronds van ’t Oude Nonneklooster, is een zeer royaal gebouw, en allezins bezienswaardig: het is niet aangelegd voor armen maar begunstigden, die er een aangenaam leven leiden; zij moeten bij het inkomen eenig huisraad, doch voor hun eigen gebruik, medebrengen—in 1605 werd in hetzelve een put gegraven van 232 voeten diep; bij welke graaving men onderscheidene beddingen gronds vond; onder anderen ter diepte van 72 voeten, één voet molm, en niet veel voeten dieper veele schelpen en zeehoorentjens—voor weinige jaaren is dit gebouw, aan de eene zijde, (op de Kolveniers burgwal,) met een fraajen steenen poort vercierd: de doorgang vandaar naar de Oude zijds achterburgwal is overdekt, heeft aan de eene zijde uitzicht door veele schuifraamen op de opene plaats of ’t bleekveld van ’t huis, en aan de andere zijde winkelkasten, die aan galanteriekramers enz. verhuurd worden.