De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 1
DE NEDERLANDSCHE STAD- EN DORP-BESCHRIJVER;
door L. VAN OLLEFEN.
III. DEEL. (Amstelland, Weesper Kerspel, Gooiland, de Loosdrecht enz:)
Het spinwiel, weefgetouw, de drokke Zeevaardij, De baggerbeugel, ploeg, de nutte melkerij, En vischvangst, doen ons Gooi- en Amstelland beschouwen, Wier staat en lot dit boek ons duidlijk zal ontvouwen.
te Amsteldam, bij H. A. BANSE, in de Stilsteeg. 1795.
INLEIDING.
BEKNOPTE BESCHRIJVING VAN AMSTELLAND IN ’T ALGEMEEN.
Ofschoon wij hier en daar in ons werk reeds iet van Amstelland in ’t algemeen gezegd hebben, ter oorzaake wij ons werk stukswijze, ja zelfs bij zeer kleine gedeelten in ’t licht doen komen, en des genoodzaakt zijn op deeze of geene plaats zo veel van een Land of district in ’t algemeen te zeggen, als tot het wèl verstaan der beschrijvinge van een bijzonder pleksken deszelven vereischt wordt, zullen wij echter, om aan onze gewoone orde in het zamenstellen van de boekdeelen des geheelen werks, te blijven beantwoorden, ook hier de in het hoofd deezer Inleiding gemelde algemeene beschrijving, laaten voorafgaan.
Wat dan vooreerst betreft de
LIGGING,
Van Amstelland, deeze kan gezegd worden te zijn grenzende ten noorden, of liever noord-oosten aan het IJ, ten oosten aan de Muiderban, Weesperkerspel, en de Bijlmermeir; ten zuiden, zuidoosten, en zuidwesten paalt het aan de Provincie van Utrecht; ten westen heeft het een gedeelte van Kennemerland: in onze beschrijving van Amstelveen, bladz. 2. tekenden wij reeds aan hoe Amstelland, door de rivier den Amstel, in twee deelen gescheiden, en aan de westzijde Nieuwer-Amstel, aan de oostzijde Ouder-Amstel genoemd wordt: gezegde rivier neemt zijnen aanvang omtrent drie uuren ten zuidwesten der stad Amsteldam, naamlijk aan de zamenvloejing der watertjens de Drecht, de kromme Mijdrecht, of Miert, loopende voorbij Ouderkerk in en door Amsteldam voornoemd, in het IJ.
De gezegde ligging is bepaaldlijk die van het Bailluwschap, dat niet verward moet worden mee het Dijkgraafschap, waarvan nader.
De eigenschap van den grond deezer Landstreek, hebben wij in onze gemelde beschrijving van Amstelveen reeds opgegeven, men voege nog bij het geen wij aldaar wegens de voordbrengselen van Amstelland gezegd hebben, dat er veel moes op gewonnen wordt, die men meestal te Amsteldam vertiert.
NAAMSOORPRONG.
Deeze moet zekerlijk gezocht worden in de ligging, naamlijk, gelijk wij gezegd hebben, ter wederzijde van de rivier de Amstel, betekenende de naam Amstelland derhalven, Land aan den Amstel gelegen; doch wat de oorsprong van den naam der rivier zelve, (Amstel,) aanbelangt, desaangaande vinden wij niets aangetekend.
OUDHEID.
In onze meergemelde beschrijving van Amstelveen, (bladz. 2.) zagen wij reeds hoe Amstelland van ouds niet behoorde onder de eigendommen van de Hollandsche Graaven, maar eene bijzondere Heerelijkheid van den huize Van Amstel was, en de Heeren, uit dit huis, worden reeds op het jaar 1019 genoemd, weshalven men kan bepaalen dat Amstelland reeds langer dan zeven en een halve eeuw onder dien naam bestaan heeft.
GROOTTE.
Wat deeze betreft, alvoorens dezelve zo na mogelijk te bepaalen, moeten wij aantekenen, dat de grootte van Amstelland alleenlijk moet verstaan worden van het Bailluwschap van dien naam, waarvan wij ook eigenlijk thans spreeken: want het Hoogheemraadschap van Amstelland, (waarvan, gelijk gezegd is, straks nader,) beslaat eene veel grootere uitgebreidheid: onder het Bailluwschap dan behooren de volgende Ambachten, als dat van
Morgen. Roeden. Huizen.
Ouderkerk beslaande 3504 527 249 Amstelveen 4076 — 1167 Diemen en Diemerdam 1426 367 113 Waverveen [1] 114 450 93 ---- --- ---- Zamen 9122 M. 144 R. 1622 H.
behalven verscheidene Molens.
Men kan derhalven Amstelland, na genoeg, bepaalen te beslaan eenen grond van meer dan 9100 morgen groot; waarop 1600 huizen en veele molens gevonden worden.
De gemelde deelen, waaruit Amstelland bestaat, bevatten ieder weder eenige onderdeden, en wel als volgt:
Het Ambacht van
Ouderkerk, wordt verdeeld in de Ronde hoep, Groot Duivendrecht, Klein Duivendrecht, Holendrecht. Amstelveen, in de Buitenveldersche polder, de Amstelveensche of Middenpolder, de Bovenkerker polder, de Legmeer, voords in de buurten, Over Ouderkerk, Waardhuizen, Zwaluwen buurt, de Nes, de Overtoomsche of Heilige weg, tot aan het gebied van Amsteldam, de Noorddammer brug, en de Hand van Leiden. Diemen, in Diemen, Overdiemen, Diemerdam, en Diemerbrug: ten aanzien van de gadering wordt dit Ambacht ook verdeeld in de buurten: Bovenkerk, Buitenkerk, Overdiemen en Outersdorp, bij Zeeburg, of Jaap hannes. Waverveen, wordt verdeeld in drie polders, naamlijk de Gemeene polder, of Beoosten Bijleveld, de Hollandsche polder, en Benoorden de Zuwe.
De gezegde dorpen, hebben, ieder op zig zelf, hooge Jurisdictie, en zit de Bailluw van Amstelland te recht met Schepenen van ieder dorp, uitgenomen dat Waverveen, in ’t Crimineele, onder Ouderkerk behoort.
Het
WAPEN
Van het Bailluwschap van Amstelland, is denkelijk geweest dat van het geslacht van Amstel: voor het Hoogheemraadschap wordt gebruikt een rond wapenschild, met een keizerlijke kroon er boven; van achter hetzelve vertoonen zig de koppen, vleugels en pooten van een dubbelden arend: in het schild zijn geplaatst de wapens van Amsteldam, Weesp, Ouderkerk, Amstelveen, Diemen en Waverveen, als leden van het Hoogheemraadschap.
GEBOUWEN.
Hier onder moeten wij brengen het Gemeenelandshuis, staande op den dijk bij Jaap Hannis, niet ver van de IJperslooter sluis; wij hebben hetzelve in onze aantekeningen wegens Diemen, reeds ten breedsten beschreven: zie aldaar, bladz. 8. enz.
In Amstelland liggen verscheidene
SLUIZEN.
Van welken de voornaamsten zijn
De IJperslooter sluis } zie over dezelven gemelde onze beschrijving — Diemerdammer sluis } van Diemen. bladz. 9.
REGEERING.
De Graaflijkheid stelt over het Bailluwschap van Amstelland een’ Bailluw aan, zijnde thans (sedert 1787,) de Wel-Ed. Gestr. Heer Mr. Pieter Elias, Schepen en Raad in de Vroedschap der Stad Amsteldam, Bewindhebber van de O. I. Compagnie, enz. deeze vordert, als elders, recht van ’s Heeren wege, gelijk men zulks noemt, doch omtrent deeze Heerelijkheid is zijne regeering daarin bijzonder, dat bij geene algemeene vierschaar spant, over het geheele Bailluwschap, maar in ieder Ambacht der algemeene Heerelijkheid afzonderlijk, met de Schepenen des Ambachts, die aan hem wegens ’t Crimineele den eed doen, en wegens het Civile aan den Ambachtsheer: in de dorpen heeft de Bailluw niets omtrent de middenbaare of laage jurisdictie te zeggen.
Oudtijds was er een Pluimgraaf over de zwaanen, en een afzonderlijke Rentmeester; de Bailluw voerde alleen het recht van de jagt, zo als thans over geheel Amstelland door hem wordt geëxerceerd.
Op wat wijze de Bailluw verkozen wordt, is in onze beschrijving van Diemen, bladz. 9. reeds gezegd.
Zie wegens de Regeering van het Watergerecht, vervolgends onder onze afdeeling, ten opschrifte voerende: Het Dijkgraaf- of, Hoogheemraadschap van Amstelland.
Van de
GESCHIEDENIS
Van Amstelland in ’t algemeen, hebben wij in onze beschrijving van Amstelveen, meergemeld, (bladz. 2.) reeds iet gezegd; thans zullen wij er breeder van spreeken: op het jaartal, onder ’t voorgaande art. Oudheid, genoemd, naamlijk 1019, vindt men wel, gelijk aldaar gezegd is, van de Heeren Van Amstel gemeld, doch niet in hoedanigheid van vrije bezitters der Heerelijkheid van hunnen naam, maar als Leenmannen der Utrechtsche kerk: in 1155 bezat Egbert van Amstel de Heerelijkheid van Amstel nog als zodanig, naamlijk als Leenroerig van Utrecht; hij werd, om zekeren twist met den Bisschop, gebannen, doch verzoende zig met hem op bevel van den Keizer, welke zoen echter weder tot nadeel van hem was, want daarin werd bepaald dat hij het geen hij in Amstel leenroerig bezeten had, nu slechts als Stedehouder des Bisschops zoude behouden: deezen zijn zoon, Gijsbrecht de Eerste, Heer van Amstel, vinden wij echter weder als Leenman van den Bisschop van Utrecht vermeld; onder de regeering van deezen moest Amstelland, om zijn gedrag in het bekende geval van Graave Lodewijk van Loon, veel lijden; want het werd om die reden in 1204, door de Kennemers, die den Amsteldijk doorgestoken hadden, met rooven en branden geheel verwoest; dit echter moesten zij naderhand door eene somme gelds boeten: na dien tijd vinden wij bestendig de Heeren Van Amstel, als Leenmannen van de Utrechtsche kerk, met betrekking tot hunne Heerelijkheid Amstelland, genoemd, tot op Gijsbrecht, van wien wij onder Amstelveen, ter bovengemelde plaatse, gesproken hebben, als deelgenoot aan den moord van Graave Floris, om welke reden zijne goederen een volstrekt eigendom van den Graaf werden; daarna is, gelijk wij ter gemelde plaatse ook zeiden, Amstelland nu eens een eigendom van de Utrechtsche kerk en dan weder van den Graave van Holland geweest: Graaf Jan van Avennes gaf ze (gelijk wij in onze meergemelde beschrijving van Amstelveen, bladz. 12. reeds zeiden,) aan zijnen broeder Guido van Henegouwen, naderhand Bisschop van Utrecht, doch na den dood van deezen, trok Willem, de zoon van Graaf Jan voornoemd, de Heerelijkheid weder aan Holland: in 1346 verklaarde Keizerin Margariet Amstelland nimmer van de Graaflijkheid te zullen scheuren, gelijk het sedert ook daaraan is gebleven—De verdere lotgevallen der Heerelijkheid in ’t algemeen, is vervat in die van de bijzondere deelen derzelve, aangetekend in onze beschrijvingen dier deelen, art. Geschiedenissen.
HOOG-HEEMRAADSCHAP van AMSTELLAND.
Ten deezen opzichte beslaat Amstelland, gelijk reeds gezegd is, een vrij ruimer grond, dan met betrekking tot het Bailluwschap zelf: de weg langs welke de schouw over de wateren, die het recht hebben om over Amstelland uittewateren, vinden wij bij Wagenaar, (en waarmede onze ingewonnene berichten, desaangaande, overeenkomen,) beschreven te gaan „van Amsteldam af, langs den Heiligen of Overtoomschen weg, de Veendijk of Amstelveenschen weg, door Amstelveen over de nieuwe sluis in de Bovenkerkerpolder, langs den Bovenkerkerdijk, tot aan de Hand van Leiden; van hier de Legmeerlaan op, tot aan de Noorddammerbrug; verder langs den Noordveenderdijk naar en door Kudelstaart, tot aan en door Kalslagen, van waar de ring heen loopt langs den Bilderdammercade, en over het water de Drecht, langs den Wassenaarschen polderdijk, naar en door Nieuwveen, alwaar de ring gebroken wordt door een brug, en weder vervolgt langs de Nieuweveensche vaart, en voords over den Zeevenhovenschen weg, naar Zevenhoven; van daar naar Noorden; van Noorden naar Slikkendam, en langs de Hollandsche Meent naar het Woerder Verlaat; van dit Verlaat strekt de weg langs de Hollandsche Kade, die tot aan den Ouden dam, en voords met verscheidene keeren tot door Teccop, en langs Gervershoop loopt, tot aan de westzijde van de watering de Bijleveld, langs welke de ring voordgaat tot aan den Broe- of Brenidijk; zig van dien dijk over een voetpad keerende, door ’t oude land, naar Harmelen, en voords tot aan en over het Haanwijker sluisjen, gelegd in den Haanwijker dam, tot over den Rhijn, en over deezen stroom naar Haanwijkerdam, en de Haanwijker kade; langs deeze benevens de Kattenbroeker kade, ter zijde de landen van Haanwijk, Bijleveld, Reijers-koop, Kattenbroek en Mastwijk, tot aan den IJsseldijk, niet verre van Montfoort, en langs deezen, daar zij heenen loopt, ter zijde van het zuidelijkste gedeelte van Mastwijk en Agthoven, tot aan den Meerendijk, en noordwaards langs denzelven, tot aan de Leidsche vaart, of Ouden Rhijn; nevens welke de ring de zuidzijde heenen loopt tot aan den Heldam, daar hij zig noordwaards keert, loopende ten westen van de Heikoper watering, door Kockingen tot aan Joostendam, en verder langs de Portengensche kade, tot aan de Rondeveensche polderkade, daar de weg van den ring te rug keert, door ’t achterste en voorste bosch, en zig uitstrekt tot over den dam Ter Aa, tot aan de kromme Angstel, die met de nieuwe vaart bij Nieuwersluis, onder den schouw behoort tot aan den Indijk, en zoo verre deeze dijk loopt tot aan de westzijde van de Vecht, door Nichtevecht, Weesp en Muiden, daar de ring door den Muider- of Diemer Zeedijk gesloten wordt, tot aan Amsteldam toe.”
De Bailluw van Amstelland, is tevens algemeen Dijkgraaf, en kiest, ingevolge eenen last van Keizer Karel den Vijfden, uitgedrukt in eene handvest van den jaare 1553, jaarlijks zes Hoog-Heemraaden, naamlijk uit de Gerechten van Amsteldam, Weesp, Ouderkerk, Amstelveen, Diemen en Waverveen, ieder één, ten einde met twee of drie derzelven, den bovengemelden ring van de gemeene waterschutting van Amstelland te schouwen, onverminderd de schouwen, die de Schouten en Ambachtsheeren in hunne districten hebben, en bij ons ieder op haare plaats aangetekend zijn, onder ons art. Wereldlijke regeering: thans echter worden gezegde Hoog-heemraaden van Amsteldam en Weesp, gesteld door Burgemeesteren en Regeerders der gemelde Steden respective, en die van Ouderkerk, Amstelveen, Diemen en Waverveen, ingevolge de verkoopconditien der Ambachtsheerelykheden onder Amstelland, door derzelver Ambachtsheeren.
Het gezegde Collegie vergadert gemeenlijk op de eerste maandagen in Maart, Mei, Julij, September, en November; ook wel tusschentijds, zo dikwijls de Dijkgraaf goedvindt hetzelve te beschrijven in ’t vertrek van Heeren Burgemeesteren der stad Amsteldam, en over judicieele zaaken in de kamer van Heeren Commissarissen van de kleine zaaken derzelver stad.——Het heeft zijn eigen Secretaris en Bode.
Wegens het Dykcollegie, dat nog in Amstelland voorhanden is, zie men onze beschrijving van Diemen, bladz. 11.
Dit Collegie vergadert gewoonlijk op den 12 en 13 Mei, den 24 en 25 Julij en 17 Augustus, dat de Schouwdagen zijn, als mede op den 1 September: des zomers wordt de vergadering gehouden in het Gemeenelandshuis aan den dijk, bij Jaaphannes, alwaar, een Castelein is, die mede ’t opzicht over den dijk heeft; als de wegen derwaards, des winters, onbruikbaar zijn, vergadert het Collegie te Amsteldam in een der Doeles of een ander voornaam Logement ter dier stede.
De dijk waarover dit Hoog-Heemraadschap het bewind heeft, is van de grootste aangelegenheid voor Amstelland, Muiden en Weesperkerspel, enz.: als dezelve doorbreekt, of doorgestoken wordt, overstroomt het platte land van Utrecht, tot boven Breukelen en Portengen toe: kort voor den jaare 1509 schijnt dezelve op twee plaatsen doorgebroken te zijn geweest: in 1598 en 1675 mede op twee plaatsen; in 1702 ter lengte van ruim 31 roeden; in laatere jaaren is hij dikwijls in groot gevaar van doorbraak geweest: om het nut dat hij doet, zijn er door ’s Lands Graaven, en vervolgends door de Staaten van tijd tot tijd breede handvesten en voorrechten vergund, wegens ondersteuning van gelden uit ’s Lands Casse ter versterkinge van denzelven: na de plaag van het paalgewormte, is hij ongemeen versterkt; „een werk,” lezen wij, „’t welk aan arbeidsloon, aard, plempen van zand, puin, het heiën van een regel paalen, enz. vijfmaal honderd negen-en-dertig duizend, agt honderd, vier-en-negentig guldens gekost heeft.”
Bij sommigen, onder anderen in den Tegenwoordigen staat van Holland, vinden wij dit Collegie mede Hoogheemraadschap genoemd; doch in onze beschrijving van Diemen hebben wij reeds doen zien, dat de beheering aan dat Collegie niet is toegestaan over den geheelen dijk, en dat zij des zouden kunnen doen en handelen als het Hoogheemraadschap van Amstelland kan doen: „hetzelve”, voegt men in aan ons gunstiglijk toegezondene berichten daarbij, „hetzelve is bepaaldlijk ingesteld tot beschouwing van het ijzer- en houtwerk dat toen aan den dijk was, en de Graaf zegt met zo veele woorden in zijn privilegie, dat zo lang men IJpesloot, (dat toen beplaat wierd, en des niet de geheele dijk,) met ijzer en hout houden zou, dat zo lang die schouw zou duuren; doch zo dat weggenomen wierd, zou de schouw dood en te niet zijn—naderhand is wel dat Collegie gemagtigd, om den geheelen houten dijk te beschouwen, doch dit privilegie werd onder hetzelve verband gegeeven—nu het hout weg is, is des dat geheele Collegie te niet, en heeft niets meer als eene superintendentie over het schouwen, dat Diemen en Muiden doet; bij resolutie van 1678 is dit Collegie genaamd een Hoogendijk-Heemraadschap, en hetzelve mag niet vergaderen dan met den Bailluw van Amstelland, die het hoofd is—men kan met geene mogelijkheid sustineeren”, gaat onze begunstiger voord, dat het Collegie van Zeeburg en Diemerdijk, een tweede Hoogheemraadschap is, hoe zeer sommigen het daarvoor trachten te debiteeren; dit Collegie is zelfs subject aan het Hoogheemraadschap van Amstelland——misschien zal men zeggen: „in plaats van het hout en ijzer zijn nu de steenen”, (zie onze beschrijving van Diemen, bladz. 12.) „en hierover voeren die Heeren echter hun gezach; ’t is waar dat zij zulks doen; maar ’t is ook waar dat zij er eigenlijk geen recht toe hebben: toen het paalwerk van den worm werd doorvreeten, verzocht dat Heemraadschap van de Staaten de magt en de faculteit te mogen hebben om den dijk met steenen te beleggen; de Staaten permitteerden zulks; dan toen zij vroegen om de beheering, schouw, enz. is zulks, als strijdende met de privilegien, afgewezen; derhalven hebben zij desaangaande geen gewettigd gezach, oefenen het tegen rechte, en houden hetzelve tegen Diemen staande, waarschijnelijk wel weetende dat die plaats, (want Muiden stoort zig aan den geheelen dijk niet meer,) geen gelds genoeg heeft om dat proces voltehouden, niettegenstaande het van tijd tot tijd zijn hoofd opricht, en zijn recht defendeert.”
BEKNOPTE BESCHRIJVING VAN GOOILAND IN ’T ALGEMEEN.
Van deeze aangenaame oord onzes Lands, is de
LIGGING.
Grenzende ten Noordoosten aan de Zuiderzee, ten oosten aan de Provincie van Utrecht: „alwaar,” leezen wij, „de landscheiding van dien kant begint aan den mond van de Eem, en Westwaards voordgaat tot een zekeren paal, de Leeuwenpaal genaamd, en van daar langs de Heerlijkheden van de Eemnessen, Baren en Zoest, waarvan het door eene gegravene greppel, de Gooiengraft genoemd, wordt afgescheiden van het sticht van Utrecht, rajende deeze graft weinig minder dan in eene rechte lijn, van den Leeuwenpaal, af, op de St. Maartens, of Doms toren van Utrecht, en verder door eene gegravene landscheiding, en verscheidene paalen, waarop aan den eenen kant het Hollandsche, en aan de andere het Stichtsche wapen staat, tot aan den hoek bij de Drie steenen, aan Maartensdijk, alwaar dezelve een’ hoek maakt, en westwaards voordloopt: hier grenst Gooiland insgelijks ten zuiden aan de Provincie van Utrecht, tegen een gedeelte van Maartensdijk, Agttienhoven, Westbroek, en een gedeelte van Tienhoven, tot aan het Rechtsgebied van de Loosdrechten, langs welke het ten westen grenst tot aan Kortehoef, onder het sticht, en langs de ’s Gravenlandsche of Gooische vaart en Kortehoef, benevens het Stichts Ankeveen, tot onder den Ankeveenschen polder onder Holland, daar Gooiland door den Looidijk bepaald wordt, en westwaards heen strekkende, den Ankeveenschen polder onder Weesper-kerspel ten zuiden heeft; dat, nevens den rechtsban van Muiden heenengaande, het Bailluwschap van Gooiland ten westen van Muiderberg aan de Zuiderzee bepaalt.”—In de laatste overeenkomst (wegens de Grensscheiding,) tusschen Holland en Utrecht, wordt de landscheiding ten zuiden begreepen te gaan rechtstreeks tot aan de Vecht, zo dat de Loosdrechten, Mynden, Hollandsch loenen, en Loenderveen in deezen ook onder Gooiland begreepen worden, echter worden zij niet door den Bailluw van Gooiland beheerscht.
De grond van dit vrij uitgebreide land is hoog, zandig en overal niet even vruchtbaar, doch in onze volgende beschrijvingen van de bijzondere deelen van Gooiland zal overvloedig blijken, wat noeste arbeid, in het bereiden van eenen onvruchtbaaren, tot eenen vruchtbaaren grond vermag; in die bijzondere beschrijvingen spreeken wij ook voldoende over de aangenaame verscheidenheid van gezichten, die Gooiland oplevert.
Onder de heuvelen die er gevonden worden, zijn de voornaamsten:
De Kooltjens of Tafelberg, waarop een ronde tafel van blaauwe steen geplaatst is, in welken 60 naamen van steden, dorpen, gehuchten, sloten en heerehuizen, ieder volgends den streek alwaar men ze zoeken moet, (ten dienste van den reiziger,) zijn ingehouwen, en van welken ook het meeste gedeelte, bij helder weêr, kan gezien worden.
De Seisjensberg.
De Leeuwenberg.
Het Trompenbergjen; zie van dit onze Beschrijving van Hilversum.
Behalven de Gooische bosschen waarvan in onze meergemelde stukswijze beschrijving gesproken is, vondt men weleer op deezen grond het Gooierbosch; doch hetzelve is geheel verdweenen, alhoewel de landstreek daaromtrent nog den naam daarvan draagt.
Van den aart der lieden welken deeze aangenaame landstreek bewoonen, hebben wij in onze beschrijving van Hilversum bladz. 2. reeds gesproken.
Wegens de
NAAMSOORSPRONG
Zie men onze beschrijving van Naarden.
De Oudheid van Gooiland blijkt uit het geen van deszelfs Naamsoorsprong, ter zo even aangewezene plaatse, gezegd is: het geen wij aldaar wegens de Abtdisse Goedela gemeld hebben, moet gebragt worden tot omtrent den jaare 1280; doch anderen willen dat Gooiland reeds omtrent den jaare 970, door Keizer Otto den Grooten, aan Wichman, Graave van Zutphen zou afgestaan weezen, in gevolge waarvan dit land dan nu al ruim 800 jaaren bekend geweest is.
GROOTTE.
Deeze bepaalt men, op meer dan 6700 morgen lands, Rhijnlandsche maat, waarvan 4579 morgen voor de heigronden worden gerekend.
Wegens de Meenten of Gemeene weiden, onder de gezegde heigronden gevonden wordende, zo wel als wegens de Erfgoejers daarop betrekking hebbende, zie onze beschrijving van Laren, Hilversum, enz.
Het bewoonde gedeelte van den gezegden uitgebreiden grond van Gooiland bevat
Naarden, Huizen, Blarikum, Laren, Hilversum, ’s Graaveland, Bussem, Muiderberg.
Het
WAPEN
Van Gooiland is dat van de stad Naarden.
Algemeene Gebouwen van geheel het Land, zijn hier niet voorhanden, waarom wij van ons art. wegens die Gebouwen kunnen zwijgen.
En wat betreft ons art. Regeering, men zie met betrekking tot de Gemeene weiden onze voorgemelde beschrijving van ’s Graaveland, voords ons art. Regeering in de bijzondere beschrijvingen van ieder deel van Gooiland——er is ook een Houtvester over deezen oord in ’t algemeen.
VOORRECHTEN EN VERPLICHTINGEN.
Onder dit artijkel zouden wij moeten brengen het geen wij ter boven genoemde plaatsen van de Erfgoojers gezegd hebben, doch hetzelve aldaar naar vereisch opgegeven hebbende, kunnen wij er hier van zwijgen.
Uit kracht van bedingen bij één der overdragten waaraan Gooiland onderworpen geweest is, gemaakt, liggen de Gooilanders onder de verpligting van eene Koptiende; daarin bestaande dat alle land het welk ééns bezaaid is geweest, den Houtvester moet geeven zeker getal van koppen of maaten, naar den inhoud der tiendeboeken, waarover binnen de twaalf nachten van kersmis in ieder dorp zitdag wordt gehouden; en moet ieder zijn aandeel aldaar komen betaalen, in graan zelf, of in geld: tot het stellen van den prijs worden Burgemeesters van Naarden jaarlijks verzocht, en genieten daarvoor zes Guldens: die binnen de twaalf nachten voornoemd niet betaalt, verbeurt dubbeld, (dit noemt men sluiën;) die drie jaaren lang sluit, diens land vervalt geheel aan den Tienden Heer, of Houtvester.