De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 10

Chapter 103,734 wordsPublic domain

De buurt heeft, zegt men, haaren naam van buurt aan de Schulpbrug gekregen, door dat zij aan de brug van dien naam haar begin neemt; en deeze brug draagt den naam van Schulpbrug, naar de aanzienlijke herberg de Schulp, op den hoek van de Meir, bij die brug gevonden wordende.

Zij bevat verscheidene en aangenaame lustplaatsen en tuinen, die een bevallig gezicht opleveren, zo onder het wandelen langs den Weesperweg, als langs den Ringdijk van de Meir, en het bevaaren van derzelver ringsloot: er worden ook eenige fabrieken in gevonden: de bewooners zijn van den Gereformeerden, of van den Roomschen Godsdienst, die, daar er geene kerk in de buurt is, de Gereformeerden te Amsteldam, en de Roomschen aan de overzijde van den Amstel-stroom moeten te kerk gaan.

Ook andere Godsdienstige Gestichten zijn in deeze buurt, hoe groot in haar bevang, niet voorhanden: de kinderen, van beiderleien gezegden Godsdienst, gaan in het school van den Watergrafts meir, (zie onze beschrijving van dat aangenaame oord;) de Weezen worden door het Dorp Ouderkerk besteed, meestal, ten minsten zo veel mogelijk, bij de bewooners der buurt zelve; en de Armen worden mede door het gezegde dorp onderhouden.

De bezigheden der bewooneren, bestaan in verscheidenerleie handwerken; ook zijn er, gelijk gezegd is, eenige fabrieken; aan het begin der buurt, bij de Schulpbrug, woonen eenige visschers, een van deezen, heeft een gedeelte van den Amstel in pacht, de overige visschers vertieren de visch die in het Zwarte water, nabij de stad Zwol gevangen wordt, bestaande in baars, snoek, brasem, zeelt, en paling; zij markten alle te Amsteldam in de Nes, op de rivier vischmarkt, voor de St. Pieters poort: over het gezegde begin der buurte, zijn ook eenige weinige vischbanken, alwaar des zondags morgens, eene soort van markt gehouden wordt.

Van de Geschiedenissen deezer buurt, kan niets aanmerkelijks gezegd worden: in de jongstledene troubelen hebben de bewooners derzelve geen aanmerkelijk deel gehad; geen ander dan dat zij bij de gezegende omwenteling ook Pruissen hebben moeten inquartieren, en derhalven de gewoone overlast hebben geleden.

Aan het meergemelde begin der buurte, is eene vry goede herberg; voords vindt men in dezelve nog eenige weinige anderen, van minderen rang.

Aan hetzelfde begin kan men in de Weesper- en Muiderschuiten die van en naar Amsteldam vaarende daar voorbij komen, naar de gezegde steden vertrekken, of met het jagtjen in onze beschryving van de Diemermeir gemeld, naar Amsteldam, ook met het Overhaal schuitjen mede aldaar genoemd, naar den Utrechtschen weg, of andere zijde van den Amstel, alwaar men door de aldaar passeerende schuiten, weder verscheidene gelegenheden vindt, naar Utrecht, Tergoude, Delft, Rotterdam, en veele andere steden en dorpen.

Hier op kunnen wij voegelijk laaten volgen den Amsteldijk, zig uitstrekkende van den paal bij het tolhek tot aan de Overbuurt van Ouderkerk, langs welken eene menigte van buitenplaatsen en boerewoningen gevonden worden: bij het tolhek zijn nog twee paden, het Verwerspad en ’t Rustenburger pad, waarop mede veele plaisiertuinen liggen: langs het laastgemelde pad komt men aan de Wetering: de bewooners deezer paden leeven meest van de moezerij.

DE BUITENVELDERSCHE POLDER, OOK DE BUITENVELDERT GENOEMD.

In deeze polder zijn zeer weinige wooningen, boerderijen, en tuinen; het eenige dat daarvan gezegd kan worden, is dat er eene Roomsche kerk gevonden wordt, die bediend wordt door den Wel-eerwaarden Heere Everardus Bernardus Cramer: de bewooners deezer polder hebben door de Pruissen mede zeer veel geleden.

Hier bij moeten wij nog voegen den nieuwen weg, welke van het groote loopveld tot aan Amstelveen loopt; en langs welken eenige boerewoningen, even als aan den Bijlsenvelderschen weg gevonden worden: omtrent in het midden van deezen nieuwen weg ontmoet men de Karsselaan, welken naar de Karssebrug strekt, en verder naar Rietwijker oord, dat beide kleine gehuchten van boerenwoningen zijn, die kerklijk onder Amstelveen, doch wereldlijk onder Kennemerland behooren.

OVER-OUDERKERK

Is een kleine streek huizen, tegen over Ouderkerk gelegen, en onder Amstelveen behoorende: van dezelve valt al mede niets bijzonders aantetekenen.

Onder onze beschrijving van de buurten onder Ouderkerk behoorende, hebben wij gesproken van de eene zijde van

WAARDHUIZEN EN DE NES.

De andere zijde behoort onder Amstelveen; doch er is ook niets bijzonders van te zeggen, niet meer dan wij ter voorgemelde plaatse er van aangetekend hebben.

Het zelfde zij gezegd van de

ZWALUWE-BUURT,

Een gehucht niet verre van de Nes: er is eene Roomsche Kerk, sedert weinige jaaren in plaats van eene oude, die er een eind wegs van daan stond, gemaakt: zij wordt bediend door den Wel-eerwaarden Heere Mauritius Schultsz.

DE BOVENKERKER POLDER.

Deeze is voor eenige jaaren droog gemalen, en bevat thans weinige boerewoningen: de bewooners geneeren zig met de weierij en melkerij.

DE HAND VAN LEIDEN

Zo genoemd, om dat er een paal staat, met een hand er aan, die den weg naar de stad Leiden aanwijst; de bewooners van dit buurtjen hebben in 1787, door de Pruissen, almede veel moeten lijden.

Aan de

NOORDDAMMER BRUG,

Vindt men mede een buurtjen; doch ’t is van weinig betekenis.

Grooter is de

LEGMEER

Die zig uitstrekt van de Noorddammer brug, tot een quartier uur gaans van Cudelstraat, zijnde eene langte van anderhalf uur gaans; de bewooners bestaan meestal van de turfmaakerij.

NAAUWKEURIG VERSLAG VAN DEN JAMMERLIJKEN BRAND TE AMSTELVEEN,

In den nacht tusschen den 25 en 26 Junij, 1792.

Eerst leed het bloejend AMSTELVEEN, Door ’s vyands wreede spoorloosheên, Nu viel de vlam het aan, en trachtte ’t gantsch te sloopen— Beschouwer! zie den nood, en denk wat men kon hoopen!— GOD echter wenkte, en ’t vuur verloor zyn gloed en kracht— HY wenkt ook u—sta by!—dan wordt de ramp verzacht.

Te recht houden de Nederlanders de vuurnood en waternood, voor twee hoofdkwaaden, die den mensch kunnen treffen; anderen volken voegen er den oorlog wel bij; maar ’t schijnt dat de Batavieren, uit een inwendig gevoel van hunnen moed en voorbeeldelooze standvastigheid, zo veel gewigts, of liever zo veel ramps den oorlog niet toekennen, om dat zij ’t meer in hunne hand hebben denzelven te doen eindigen, tot hunnen roem te doen eindigen, blijft het alleenlijk aankomen op den vijand wederstand te bieden en hem zijne roekeloosheid te doen beklaagen; dat is, blijft het slechts aankomen om held te weezen; maar zo zij verraden worden, dan berokkent de oorlog hen zo veel en meer kwaaden als eenig volk ter wereld; zo veel, om dat zij den triumph des vijands als anderen moeten bezuuren, en meer, om dat zij in ’t hart gekwetst zijn, wonden zeker, welken bij den gevoeligen Batavier altijd blijven bloeden; ’t is daarom ten allen tijde voor bewezen gehouden dat men geen harten met grooter gevaar kan wonden, dat is uit hunnen staat van te vredenheid rukken, dan dat der Batavieren.... maar om wedertekeeren tot ons eerste gezegde: de Nederlanders houden de vuurnood en waternood voor twee kwaaden; het laatste, met reden, voor ’t ergste, om dat zij er meer aan onderworpen en minder voor bestand zijn; intusschen is de vuurnood mede een geessel die de diepste wonden kan achterlaaten.

Weinig dachten wij vóór een kort verloop van dagen, toen wij onze beschrijving van Amstelveen, voor onze Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver, zamenstelden, dat wij door een der beschreienswaardigste rampen, die, vooral opgezetenen, kunnen treffen, gedrongen zouden worden, andermaal over dat plaatsjen te moeten spreeken—weinig dachten wij dat het grijze dorpjen, ’t welk wij toen van harten beklaagden wegens de doorgestaanen overlast van den triumpheerenden soldaat, nu onze traanen ten ooge zouden uitperssen, daar het, ten prooje gestaan hebbende aan den jammerlijksten vuurnood, een tooneel oplevert dat niet dan met de leevendigste ontferming beschouwd kan worden—een tweede reden, waarom men dat dorpjen voortaan met recht het rampspoedig Amstelveen mag noemen.

Na op maandag den 25 Junij, 1792, des avonds omtrent 11 uuren, de dorpbewooners na afgelopene bezigheden van den drokken dag, zig bereidden om door den slaap hunne vermoeide leden te verkwikken, en de veele omgelegene landlieden reeds in de diepste rust gedompeld lagen, werden de waakenden verschrikt, en de slaapenden gewekt, door het akelig gerucht dat er brand ontstaan was op de waschbleekerij van den Heere Dregman, te Amsteldam woonachtig, en waarom het opzicht op die gevaarlijke fabriek, meestal toebetrouwd was geworden aan de werklieden tot de fabriek behoorende; eene noodzakelijkheid, die, zo als de ondervinding herhaalde maalen geleerd, en waarvan zij ons thans weder te beklaagenswaardig overtuigd heeft, niet zonder bedenking is——onmiddelijk na verzekerd te zijn dat er waarlijk brand ontstaan was, wendde men de voorhanden zijnde hulp aan, doch te vergeefsch, het vuur dat door de aanweezende hevige brandstof geweldiger gevoed werd, dan het vermogen van ’t water, dat men aanbragt, konde keeren, nam tegen middernacht zodanig de overhand, dat men de klok begon te luiden, waardoor het geheele dorp, en elk die zig in den omtrek deszelven bevond, op de been kwam: een besef van den verren afstand der noodige hulp; het schrikbaarend gezicht van de woedende vlamme, in het stille, in het akelige uur van den nacht, alles werkte om zo te spreeken mede, om de harten met de knellendste vrees te vervullen; de wind was wel niet naar het dorp, maar evenwel hevig genoeg om de vlam tot de belendene huizen te doen overslaan, het geen de angst niet weinig vergrootte.

Intusschen kwamen, op het grouwzaam geluid der noodklok, die van Ouderkerk met de hun mogelijke hulp, toeschieten; ook kwam men van den kant van den Overtoom, met twee spuiten, door paarden getrokken, aan, met dien wel ijverigen, maar echter in dit geval te traagen spoed, welken de afstand en de moeielijkheid van den weg toelieten—de twee spuiten aan Amstelveen behoorende, waren nu wel aanmerkelijk versterkt, maar de vlam was intusschen te veel in woede toegenomen, om zig door zo gering eenen tegenstand te laaten bedwingen [10]; dezelve was nu reeds geweldig dat het scheen, het dorp was aan zijn jongste oogenblik genaderd: allertreffendst en hartbreekendst was het geschrei van weêrelooze vrouwen, en jammerende kinderen, die, als van zinnen beroofd, in hun schamel nachtgewaad door het dorp dwaalden, terwijl zij hunne geringe bezitting door het vuur zagen verteeren; ieder dak dat, nu van zijne binten ontbloot, ieder stuk branden hout dat nederstortte, deed de vlam op de akeligste wijze verheffen, en met het verheffen van de vlam werd ook het geschrei en gekerm heviger, terwijl men met luider stemme God om genade en bijstand bad.

Loflijk zeker kweeten zig zo wel de tot hulp aangekomen manschap, als de inwooners zelven, dan hun vermogen was niet toerijkende; het was reeds één uure na middernacht, toen de vlam het hevigst woedde, en zij werd niet gestuit voor dat 13 à 14 Wooningen, eenige Schuuren, een Kolfbaan, en aanzienlijk veele goederen tot assche verteerd waren: onder de afgebranden huizen telt men mede het Armehuis, waarin zo wel Lutherschen en Roomschen als Gereformeerden opgenomen worden [11]; in dat huis was nog voor slechts 3 weeken een meisjen van 9 jaaren oud besteed, het welk dit jammerlijk onheil met den dood heeft moeten bekoopen: nog te zeer vreemdeling in het huis zijnde, is zij, (zo gist men,) in ’t zelve verdwaald, en de vlam heeft haar verrascht; zij is onder de puinhoop van daan gehaald, geheel verbrand, en als zamengebraden; de voetjens waren gantschlijk verteerd, en de ingewanden lagen bloot: in dien jammerlijken staat is het deerelijk voorwerp, eenige dagen lang, in de Dorpskerk te zien geweest.

Zo dra de vlam zo verre voordgeslagen was, dat men ook het Armehuis voor verloren hield, werden, trouwens in de grootste, hoewel tevens verschoonelijkste confusie, de Kinderen na een ander verblijf overgebragt; zes van de Gereformeerden, verplaatste men in het Diaconie-weeshuis, en eenige Roomschen werden in de naastgelegenste omtrek bij particulieren gebragt, terwijl het de Suppoosten van ’t huis toegestaan werd, hun intrek in het Rechthuis te mogen neemen.

De gemelde Wooningen, door den ijsselijken vuurgloed vernield, (het Armehuis niet mede gerekend,) verstrekten ter herberginge van zeventien huisgezinnen, welken, staande het woeden der vlamme allen gevoeld hebben, wat het menschlijk hart pijnlijks gevoelen kan: op éénmaal van alles beroofd; op éénmaal in de diepste armoede gedompeld te worden, dat zeker is een lot het welk men door geene wijsbegeerte kan verzachten; ook moeten wij tot lof van onze tijd- en vooral van onze stad-genooten zeggen, dat zij zig in deeze akelige omstandigheid wederom gedragen hebben, en nog gedragen, zo als zij zig in zulke en dergelijke omstandigheden meermaals gedroegen, en zo als het waare Christenen betaamt—zij geeven met eene milde hand; de toevoer voor de ongelukkigen is zeer aanzienlijk, zo dat deezen reden hebben om zig, in ’t midden van hunnen jammerlijken toestand te verheugen, daarover dat de Menschlievendheid hunne ontvangene wonden zo minlijk verzacht.

Lof, nimmer zwijgende lof zij u, braave Nederlanders! toegezwaaid, voor deeze uwe christelijke medelijdendheid; gaat op dat ingeslagen pad voord; gij zijt tog verzekerd, dat ieder penningsken, ’t welk gij aan de ongelukkigen uitrijkt, bij uwen hemelschen Vader op, dikwijls verdubbelden, winst uitgezet wordt——en gij, Patriotten! gij die u den naam van Vaderlanders tot eene eere rekent; u voegt het vooral, de ongelukkigen te toonen dat gij waarlijk Patriotten zijt—herdenkt wat Amstelveen heeft geleden, toen uw vermogen, met uw moed, te kort schooten, om het te beveiligen voor het lot dat ingenomene plaatsen gemeenlijk ondergaan—heeft men van u gezegd:

In ’t hart verhief zig moed; en in het manlijk wezen, Tot op dit oogenblik door Pruisens volk miskend, Stond Hollands oudste merk, Standvastigheid te leezen, Die als ’t de nood vereischt door duizend kogels rent.

Nu, uwe mededeelzaamheid ondervonden hebbende, voege men er bij:

In ’t hart verhief zig deugd, en in ’t bedrukte wezen, Waaraan men in den ramp Civilis nakroost kent, Stond het Bataafsche merk, Menschlievendheid te leezen, Die den noodlijdenden, zo ruim verkwikking zendt.

AMSTELVEEN HERBOUWD.

Gulhartig Medelijden Moog’ niet van smart bevrijden, Het lenigt echter smart, Verstrekt ten balsem voor ’t verdrukt of zuchtend hart: Werd Amstelveen van ’t vuur als woedende aangegrepen; Zat menig dorpeling in diepe smart benepen; Het schetsjen dat men hier beschouwt, Toont hoe door Medelij ’t verbrandene is herbouwd.

Daar wij alles wat mogelijk is toebrengen, ter volmaakinge van onzen Nederlandschen Stad- en Dorp-beschrijver, met welken wij zulk een onvoorbeeldig genoegen geeven, hebben wij niet kunnen afzijn nogmaals onze aandacht te vestigen op het Dorp Amstelveen, om het te beschouwen, zodanig als het zig thans bevindt—eer het zo vermaaklijk Dorpjen door den noodlottigen brand, tusschen den 25 en 26 Junij des jaars 1792, geteisterd was, hebben wij in ons bovengemeld werk, eene uitvoerige beschrijving, en naauwkeurige afbeelding van hetzelve geplaatst; daarna, bij gelegenheid van gezegden brand, ook eene beschrijving en afbeelding van dat jammerlijk voorval gegeven, bij wijze van aanhangzel aan gemelde eerste beschrijving, immers dit aanhangzel behoorde tot de historie des Dorps, gelijk hetzelve dan ook met een ongemeene graagte ontvangen is——thans, nu de verbrande erven tot zo verre weder herbouwd zijn, dat men verwachten kan dat er verder niet van belang meer aan gedaan zal worden, zouden wij het gedeelte van ons werk, Amstelveen betreffende, niet volkomen kunnen noemen, indien wij onze geëerde Intekenaaren en verdere tijdgenooten [12], ook niet eene beschrijving van de wijze der gezegde herbouwinge mededeelden——’t was dan met dat oogmerk dat wij Amstelveen onlangs een bezoek gaven, en de ons aldaar medegedeelde informatiën, maaken, met de aantekening van ’t geen wij in oogenschouw genomen hebben, den hoofd-inhoud van de tegenwoordige weinige bladzijden uit.

Alvoorens echter de hand daaraan te slaan, moeten wij nog een enkel woord zeggen van het loflijk gedrag onzer tijdgenooten omtrent de ongelukkige dorpelingen, wier haven en goed een prooi der vlamme geworden waren; onze beschrijving van den brand volgde te kort op het voorval zelf, dan dat wij toen reeds zouden hebben kunnen boeken, dat geen waarvan de tijd de juiste waarheid eerst moest openbaaren; wel wisten wij toen reeds, dat vooral onze stadgenoten hunne nijvere handen niet slooten voor de ongelukkigen; de faam verbreidde welhaast hun loflijk gedrag in deezen; dit tekenden wij ook aan; maar thans kunnen wij er meer bepaaldlijk, meer met zekerheid van spreeken; thans zijn wij overtuigd, dat het nakroost van Civilis getoond heeft, hoe het in hun charakter één der hoofdtrekken van ’t charakter eens rechtaarten Bataviers, nog bewaard heeft; dat vooral de Patriotten, in beantwoording van onze oprechte aanmaaning [13], in deezen getoond hebben den naam van Vaderlanders zig tot eenen eernaam te rekenen; dat zij den ongelukkigen overtuigd hebben, waarlijk Patriotten te zijn; en zeker, Amstelveen lag te onuitwischbaar in hun hart en hoofd geprent, dan dat zij ongevoelig omtrent hetzelve zouden hebben kunnen weezen.

Zo dra men van den schrik eenigzins bekomen was, werden er schikkingen beraamd, om eenig herstel van de geledene schade te verkrijgen; men kent den menschlievenden aart der Nederlanderen; ook openbaarde dezelve zig weldra, in het toezenden van veelerleie middelen ter vervullinge van de algemeene behoeften der menschen; geld en goed, spijs en drank, alles werd in grooten overvloed aangevoerd, vooral uit het nabijgelegen Amsteldam: duizenden zakten van allen kanten af, om ooggetuigen van de verwoesting te zijn; om hunne traanen met die der lijdenden te mengen, en hunne milde handen ter vertroostinge te openen; op dat nu de giften, uit onkunde, niet te ongelijk uitgedeeld mogten worden, werden er hier en daar bossen gesteld, en in dezelven werd zo ongemeen rijklijk geofferd, dat men ze verscheide keeren daags, en dat verscheide dagen na elkander, moest ledigen: de Magistraat van Amsteldam veroorloofde eene collecte binnen zijne muuren, ten voordeele van de ongelukkige dorpelingen, en het daarbij ingezamelde was, zo men zegt, niet minder dan eene som van drie-en-twintig duizend Guldens; men voege daarbij het ingekomene op het Dorp zelf, en men zal zekerlijk kunnen gelooven, dat er een ongemeen aanzienlijke som gegaderd moet weezen.

Het besef van die aanzienlijkheid der ingezamelde somme, maakt ook eenigen der dorpelingen, of liever de dorpelingen over ’t algemeen, zeer te onvreden over de reeds voltooide herbouwing: de Hemel weet hoe men op het denkbeeld gekomen is, dat de penningen niet behoorelijk.... wij veroorloven ons niet desaangaande meer natevertellen; dit mogen wij zeggen, dat de eigenaars der verbrande woningen, zo verzekert men desaangaande, te weinig vergoeding gekregen hebben, om het dorp weder zulke aanzienlijke gebouwen te schenken als het vóór den brand had; hunne eigene beurzen waren tot het geen hun aan de ontvangene vergoeding, daartoe nog ontbrak, niet toereikende, en derhalven hebben zij moeten besluiten, om, bij wijze van spreeken, een hutjen te bouwen daar een huis gestaan heeft—dit nu zou in alle gevallen mogelijk zeer natuurlijk hebben kunnen weezen; maar in deezen opzichte denkt men er zeer onaangenaam over, uit aanmerking van het besef, gelijk wij reeds zeiden, dat men heeft van de capitaale som welke voor de herbouwing van het dorp gecollecteerd is—hoe jammer is het, dat er zulke denkbeelden bij de ingezetenen, met betrekking tot hunne bestuurderen, plaats hebben!—en hoeveel te meer jammer is het bij de Nederlanders, daar zij geheel geen grond, vasten grond, voor zulke booze opvattingen kunnen aanvoeren—wat denkbeeld zou men moeten maaken van een Nederlandsch Volksbestuurder, in welke classe hij moge staan, al ware het ook in de minste, die harts genoeg zoude hebben, of liever geweetenloos zoude kunnen zijn, om, ter bevorderinge van zijn eigen belang, of van dat zijner vrienden, den ingezetenen te bederven!—hij zou den naam van mensch niet mogen draagen, en althans dien van Nederlander niet waardig zijn—Is er een land waarin recht en gerechtigheid in de harten der Bestuurderen huisvest; waarin de penningen, uit de beurzen des Volks aangebragt, naar behooren geadministreerd worden; ’t is in Nederland; en geen wonder! een Regent is aldaar alleenlijk bestuurder van zijnen landsbroeder, geen Souverain Vorst over een onderworpen Volk; wel is Nederland eene Souverainiteit, zo wel als de magtigste Alleenheerscher die op Aarde bestaat; maar Regenten en Volk maaken zamen den Souverain uit; want deezen worden jaarlijks uit geenen verkozen, en keeren ook, na afloop van hunnen amtstijd in den boezem van geenen weder, ’t welk bij een Souverain Monarch geen plaats heeft; de Regent is derhalven slechts handhaver der wetten, en daar geen wetten zijn volgt hij het besluit van veele verlichte en braave mannen, derhalven het besluit der wijsheid; hoe zoude een volk in zulk een Land, onder zulk een regeeringsbestuur, dan onderdrukt of benadeeld kunnen worden?—Zeker het doet ons van harten leed, dat er zulke denkbeelden, als wij boven wegens Amstelveen aanstipten, bij den Nederlander plaats hebben, zij zijn hoogstnadeelig aan de algemeene rust—derhalven, waarde Landgenooten!.... maar waaraan noem ik u!—gij zijt in ’t algemeen thans de voorwerpen mijner bemoejingen niet—gij inwooners van Amstelveen! gelooft toch, wat denkbeeld gij ook van de ingezamelde penningen moogt opgevat hebben—gelooft toch, dat die penningen naar de voorschriften van deugd en reden geadministreerd, en uitgedeeld zijn—hoe zou ’t mogelijk kunnen weezen, dat eenig bewindsman, met giften van menschlievendheid en medelijden, kwalijk zoude handelen?

Wat hier intusschen ook over gedacht worde, dit is zeker, dat het dorp Amstelveen door den brand veel van zijnen ouden luister verloren heeft; want de herbouwde huizen zijn ongelijk veel minder, dan zij waren die door het vuur verteerd zijn—men telt niet meer herbouwden dan zeven, een zeer kleine smeederij, een niet minder kleinen stal, en een werkplaats voor een’ schilder: allen zijn zij laage daken, daar onder anderen, vóór den brand, één, waarin herberg gehouden wordt, een capitaal gebouw van verscheide verdiepingen was: nog zijn onder gezegde laage daken twee, welke ieder over twee woningjens strekken.

’T geen waarbij het nog meer in aanzien verliest, is, dat men besloten heeft het verbrande Armehuis niet weder optebouwen; des mist Amstelveen thans boven den gemelden luister van particuliere gebouwen, ook een der Godsdienstige gestichten.

De waschbleekerij van den Heere Dregman, alwaar het vuur zijnen aanvang genomen had [14], wordt ook niet weder opgebouwd, ’t geen zekerlijk zeer goed mag genoemd worden, om het gevaar, ’t welk zulk een fabriek vergezelt, evenwel is ’t ook waar, dat een Dorp niet weinig in zijn aanzien verliest, wanneer er een gantsche fabriek van daan gaat.

Zie daar, waarde leezers! ’t geen ik oordeelde bij mijne bladen over Amstelveen te moeten voegen, om ze een volkomen geheel, dat Dorp betreffende, te doen uitmaaken—nog kan ik daar bijvoegen, dat men thans ten einde des Dorps aan het sluisjen, een batterij vindt, ter wederzijde van de brug aangelegd, tegen de Franschen, om dezelven, indien ze tot zo ver waren gekomen, te keeren, en Amsteldam voor hun legergeweld te dekken—deeze batterij schiet vijf stukken.

HET DORP DIEMEN.