De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 11

Chapter 113,604 wordsPublic domain

DIEMEN, dat om GYSBRECHT’s wraakzucht, onder ’t jok der Graaven kwam, Vaak een prooi van vuur en water, dikwyls ook van de Oorlogsvlam; DIEMEN mag nog, hoe ’t moest lyden, Door schoonheid en door trouw, ’t Batavisch hart verblyden.

Onder de Nederlandsche dorpen, zijn er zekerlijk maar weinig van welken, naar evenredigheid der grootte, zo veel kan gezegd worden, (ofschoon er bij anderen bijzonder weinig van gezegd zij,) als van dit vermaaklijk dorp; de inhoud der volgende bladzijden zal onze Leezers daarvan ten vollen overtuigen; zij zijn, als ik, denzelven verschuldigd aan de vriendlijkste mededeeling, die zekerlijk de ongeveinsdste erkentelijkheid vordert.

LIGGING.

Het ambacht Diemen, waarbij ook Diemerdam behoort, ligt in Amstelland, gedeeltelijk tusschen de ban van Amstelveen, en de Diemer- of Watergraafsche meir ten westen, de banne van Muiden ten oosten, en ten zuiden en zuidwesten aan de Bijlemer meir en de Groot-Duivendrechtsche polder: ’t ligt voords één uur van Amsteldam, zijnde ook eene Ambachtsheerlijkheid van die stad.

Over ’t algemeen is ’t geheele Ambacht zeer aangenaam gelegen: van den dijk af heeft men een schoon gezicht op Waterland, Amsteldam en Muiden, en aan de landzijde op de Diemermeir, Bijlemermeir, de steden Weesp, Naarden, Abcoude, Ouderkerk, en andere plaatzen.

De geheele Diemerban heeft laage darrige of venlanden, waarvan eenigen, die dijkplechtig zijn, reeds merkelijk tot verhooging van den Diemer Zeedijk zijn vergraven, en des niettegenstaande, liggen de laagste landen nog verscheide voeten hooger dan de bedijkte Diemer- of Watergraafsche meir.

Zeer waarschijnelijk zijn de landen in de Diemerban voor veele eeuwen bosschen geweest, (gelijk zulks op meer plaatzen van ons Vaderland het geval is,) dewijl men onder het graaven menigvuldige boomen ontdekt, die, om hunne taaiheid, alleenlijk tot rietdekkers werk gebruikt worden; zij liggen allen zodanig, dat men kan besluiten, dat zij door een storm en hoogen vloed uit het noordwesten, voor deeze ban altoos zeer gevaarlijk, losgespoeld en nedergesmeten zijn geworden.

Men ontmoet in deezen oord de vruchtbaarste moes- en schoonste weilanden, voor welken considerabele sommen betaald worden; er is in deeze banne ook zeer goeden jagt op watersneppen en eendvogels; sedert eenige Jaaren vindt men er ook veele haazen: de visscherij is er niet minder rijk; men vangt er ongemeen groote snoeken, de smaaklijkste baars, post, paling en carpers, alle welken door de liefhebbers verre boven anderen geschat worden.

Van ouds hebben door de Diemerban twee heerewegen geloopen, die nog in wezen zijn; de eene van de afloop naar Diemen, door Diemen en Diemerbrug naar Ouderkerk, en de andere van Diemerdam, langs den Diem, over de Vinkebrug, langs de Bijlemermeir en Gaasp, naar Weesp.

In dit Ambacht liggen nog twee zandpaden; een naar Muiden en een naar Weesp, op welken tolhuizen staan.

NAAMSOORSPRONG.

Veelen oordeelen dat het Ambacht zijn’ naam ontleent aan een riviertjen, de Diem genaamd, welk oudtijds, vóór het droog maaken der Diemer- of Watergraafsche-meir, gedeeltelijk uit dezelve, door de Rijkersloot, nu de Weespervaart, de Bijlemermeir en Gaasp, zijn oorsprong nam, en door de Diemerdammersluis in het Y loosde; anderen echter, die het Ambacht niet Diemen, maar, volgends de oudste papieren, Deemen willen genoemd hebben, leiden dien naam af van de woorden De Mens, die dan den staat waarin dat land lag, als zijnde door overstroomingen en doorbraaken van één gerukt, en door de Diem in twee deelen gescheiden, te kennen geeven: „Wat van beide de waarheid zij”, voegt onze geëerde begunstiger er bij, „zal, vertrouwt men, niemand met zekerheid kunnen gissen”.

Wegens de stichting des Dorps, kan volstrekt niets gezegd worden, derhalven staat ons alleenlijk te spreeken van de

GROOTTE,

En om in deezen voldoende te kunnen zijn, moeten wij eerst aantekenen, wat de Ambachts-heerlijkheid in zig bevat.

Het Ambacht wordt dan, vooreerst, gedeeld in twee deelen, naamlijk Diemen en Diemerdam, (ook wel Diemendam genaamd,) liggende het eerste ten westen de Diemer- of Watergraafsche meir en de ban van Amstelveen, en het andere ten oosten de ban van Muiden, en worden gescheiden door het water den Diem: deeze verdeeling maken Hunne Edele Groot Mogenden, de Heeren Staaten van Holland en West-Friesland, sedert onheugelijke tijden, schrijvende niet aan die van den Gerechte van Diemen, maar van Diemen en Diemerdam.

Diemen wordt wederom in drie deelen gedeeld, als Outersdorp, Buitenkerk, en Bovenkerk, welk laatste gedeelte wederom onderscheiden wordt door Bovenrijkersloot en Benedenrijkersloot. Diemerdam werd oudtijds gedeeld in Diemerdam en Overdiemen, doch na dat Diemerdam op een klein gedeelte na is weggespoeld, begrijpt men door Overdiemen, Diemerdam mede, als ook de buurt de Vierhuijzen, die voormaals aan Overdiemen, vóór het graaven der vaart naar Muiden, gehecht was: op deeze wijze wordt de gaêring der dorps- en andere lasten gedaan, Outersdorp, boven gemeld, is eene zeer aangename buurt, waarin verscheide moestuinen, en wèltoegemaakte weilanden en plaisierplaatzen liggen; bij dezelven is een kerkhof voor de Hoogduitsche Joodsche Natie, die geene lidmaaten, of armoedig zijn: digt hierbij is een herberg, Zeeburg genaamd; voor dezelve ligt een steenen redout, alwaar de beesten voor rekening van het Oude Zijds Huiszittenhuis te Amsteldam worden ontscheept, en de varkens, door iemand van het Gerecht daartoe gesteld geschouwen: Jaap Hannes, daaraan grenzende, is thans een gedeelte land en dijk: het ontleent zijn’ naam aan een zeer groote buurt, weleer aldaar gelegen, doch die door een inbraak, in den vloed bedolven is, en waarvan men wil, dat het water, het Nieuwe Diep, zijn oorsprong voor het grootste gedeelte heeft.

Buitenkerk, of, zo als sommigen willen, Buiten de Kerk, is mede een zeer vermaaklijke en welvaarende buurt, waarin, behalven veele buitenplaatzen, boerderijen en herbergen, extra schoon wei- en moes-land wordt gevonden: buitendijks ligt nog een weiland, groot 61 morgen, 670 roeden, ’t geen ’s winters onder water staat, en daardoor gemest wordt.

Bovenkerk of Bovendekerk, is wel de aanzienlijkste buurt, vermits in dezelve verre de meeste huizen, plaatsen, en het beste land wordt gevonden; als mede om dat er de buurt Diemerbrug onder behoort: deeze buurt is in 1640 grootlijks aangegroeid, toen naamlijk aldaar de vaart naar Muiden en Weesp werd gegraven, en is, zo wegens haare ligging, als passage van rijtuigen en schepen, zeer vermaaklijk.

Diemerdam was oudtijds een dorp dat zig zeer verre in zee uitstrekte, en ’t is beweezen, (hoe zeer Wagenaar in zijne beschrijving van Amsteldam daaraan twijfele,) dat Diemerdam zo nabij aan Waterland was gelegen, dat men met een plank of pols van het eene naar het andere dorp konde komen; de Pastoor, die in Overdiemen de Capel bediende, was tevens Pastoor te Durkerdam; indien nu het water zo groot hadde geweest als thans, zou het voor dien man ondoenlijk geweest zijn om op beide plaatzen, bij alle gelegenheden, den dienst te kunnen waarneemen: tot den jaare 1787 was er in Overdiemen nog een vers voorhanden, gedrukt op wit satijn, en, ofschoon zeer oud, wèl geconserveerd, waarin de nagedachtenis van een’ Pastoor, die 40 jaaren Diemen en Durkerdam bediend had, eenige eer werd aangedaan.

Diemerdam had niet alleen zijn Capel, waarvan het land, waarop dezelve stond nog Capelleland genoemd wordt, maar was met verscheide huizen en boerderijen voorzien, welke alle door de watervloeden zijn verzwolgen: men vindt nog, dat in 1463, diverse morgens land bij de Diemerdammersluis lagen.

Van geheel Diemerdam is nog slechts één huis overig, dat op den dijk staat, en het huis Diemerdam genaamd wordt.

Overdiemen, weleer een zeer schoon gebuurte, waarin veele rijke menschen woonden, diverse fabrieken, scheepstimmerwerven, als anderzins waren, is thans zeer vervallen; eensdeels doordien sommigen dat quartier niet begeerden te bewoonen, anderdeels door het droogmaaken der Diemermeir, sterfte van rundvee, en laatstlijk om dat de Roomsche Kerk, die te Overdiemen in ’t midden van de buurt stond, naar Diemerbrug is verplaats geworden.

De buurt Vierhuizen, alzo genaamd naar zekeren Vierhuizen, is dat gedeelte van Overdiemen, het welk door het graven der vaart naar Muiden en Naarden daarvan is gescheiden: men vindt aldaar welgestelde lieden, schoone boerenplaatzen en landerijen; onder dezelve munt uit de van ouds bekende plaats van den Heere Kanter, Vinken-Hofstede genaamd.

Onder alle de bovenstaande districten telt men de volgende polders.

Oetwaaler polder, hierin ligt Diemen met Morg. 65 — Diemer polder — 334 — 71 R. De Bovenrijkerslooter polder — 334 — Diemerdammer polder — 29 — 350 R. School en Hopmans-polder — 195 — 500 R. De Gemeenschaps polder, voor zo veel onder Diemen behoort — 304.6 hond. 75 R. Buitendijksche polder — 61.6 hond. 70 R.

Morg. 1324.6 hond. 66 R.

In oude tijden was het Dorp veel grooter, doch in 1632 telde men slechts voor Diemen en Diemermeir 91 huizen; honderd jaren laater, (1732.) werden 113 huizen voor Diemen en Diemerdam op de verpondingslijsten gebragt, en in 1782 werd Diemen op 147 huisgezinnen en 477 ingezetenen gesteld, zonder de kinderen medeterekenen.

Het

WAPEN

Van Diemen is een groen veld, waarin een water verbeeld wordt, met drie bruine zwemmende eenden.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

De Kerk van Diemen was eertijds een Parochie-Kerk, aan de H. Maagd opgedragen, die er des ook als Patronesse werd gevierd; deeze Pastorie werd beurtlings door den Paus en de Proost van Oudmunster vergeven: ’t gebouw is zeer oud, staande in het Dorp, dat, gelijk gezegd is, voorheen veel grooter was: rondsom dezelve stonden een menigte huizen, die door de brand weggeraakt zijn: de Kerk was oudtijds met een Orgel en schoone Capellen voorzien, van welke thans één tot een Consistorie en Kerkmeesters Kamer dient; het gewelf, waarvan nog eenige duistere overblijfsels zijn, is beschilderd met de verbeelding van eenige aloude voorzeggingen, en van de vervulling derzelver in de persoon des Zaligmaakers: het gebouw is zeer ruim doch oud, en dreigt, gelijk de toren, die al eenige voeten overhangt, intestorten: de grond van de Kerk, dienende tot begraaving der lijken, is vóór den tijd der reformatie voor allerheiligst gehouden, en veele menschen uit Amsteldam kochten, om die reden, aldaar de graven voor ongemeen hooge prijzen: de klokken, die in den toren hangen, zijn (zo men zegt,) door den Paus zelven gewijd, waardoor ieder goed Roomschgezinde, in gevalle van afsterving, dezelven, veel langer dan op andere plaatzen, laat luiden.

Rondsom de Kerk is een zeer groot Kerkhof, op ’t welk, dewijl men ’t, gelijk gezegd is, voor zeer heilig houdt, veel begraaven wordt, zo van bewooners dier banne als van elders.

Achter dit Kerkhof stond weleer een huis voor den Predikant; dan, dewijl het zelve zeer vervallen was, en geene huizen daarbij stonden, is het afgebroken; in den jaare 1770 is op den kerkweg naar Diemen, een nieuwe Pastorie gezet, voorzien van een zeer groote tuin: dit huis heeft beneden vier, en boven zes kamers, allen zeer net beschilderd, gestucadoord en behangen, behalven een zeer groote zolder en vliering; naast hetzelve is een huisjen getimmerd, dienende zo tot een tweede keuken, als tot berging van goederen.

Diemen werd in 1595 met Ouderkerk gecombineerd, en had met hetzelve één’ Predikant; in 1607 werd Daniel Plancius, als eerste en bijzondere Predikant voor Diemen, bevestigd.

De Roomsche Kerk, die, in den jaare 1786, van Overdiemen naar de Diemerbrug verplaatst werd, is een schoon gebouw, welks wederga zeker zelden op het platte land gevonden wordt, daar bij staat een huis voor den Pastoor, met een groote tuin, alles aan de fraaiheid der Kerk beantwoordende: deeze Kerk is aan St. Pieters banden toegewijd.

Het Schoolhuis van deeze ban, staat te Diemen, en is, even als de Kerk, een zeer oud gebouw.

De Predikant van deeze plaats behoort onder het Classis van Amsteldam, wordt door den Kerkenraad genomineerd, en door den Ambachtsheer geapprobeerd.

Bij vacature van een’ Schoolmeester, worden door het Gerecht en den Predikant eenige Schoolmeesters gehoord en geëxamineerd; het Gerecht maakt als dan alleen een drietal, en geeft hetzelve den Ambachtsheer over, om daaruit een’ Schoolmeester te nomineeren.

Men vindt aan de Diemerbrug nog een Schoolmaitres, die de kinderen slechts spelden en leezen leert.

In Overdiemen was weleer een school, waarna de plaats Schoolpolder genoemd werd, dan door verval dier buurt is het school weggeraakt.

Een Arm- of Wees-huis is in het Ambacht niet voorhanden: de ongelukkige voorwerpen, waarvoor men zulke huizen aanlegt, worden aldaar bij de opgezetenen besteed.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

In de eerste plaats moet onder dit artijkel geteld worden het Gemeenelands huis, waarin de gedeputeerde Waarsluiden, thans Hoogendijks-Heemraaden, vergaderen: hetzelve staat op den dijk bij Jaap Hannis, niet ver van de Yperslootersluis, en wordt bewoond door een’ Opzichter, die bij voorschrevene Heeren aangesteld wordt: het is een schoon gebouw met twee vleugels, en werd in 1726 herbouwd: in den voorgeevel staat

A I C De fret I bato VI furore ar Cendo agrIs t Ven DIs ag It Vr

’T voorhuis van het gebouw is van boven en ter wederzijden gestucadoord, en prijkt, behalven met een Nephtunis op zijn’ wagen, met de wapens der Provinciën Holland, Utrecht, en dertien steden en plaatzen, uit welken de Hoogedijks-Heemraaden zijn gedeputeerd: aan elke zijde ziet men een ruim vierkant vertrek.

Bij dit huis behoort een spatieuse tuin, die in 1789 merkelijk vergroot is, door het aankoopen van de plaats Ruimzicht, daar nevens gelegen.

Men vindt in Diemen nog een herberg, die aan particulieren behoort, en het Rechthuis genoemd wordt: deeze herberg, die weleer het Ambacht toebehoorde, was oudtijds het Rechthuis: men ziet er nog verscheide oude wapens van het Gerecht: het plagt voorzien te zijn van een boejen, die thans weggeraakt is.

Voor dit huis staat een justitiepaal: des zomers wordt dikwijls rechtdag gehouden, doch des winters aan de Diemerbrug.

Bij gezegde brug, aan de Weespervaart, ontmoet men een nieuw aangelegd kerkhof voor lieden die niet in de kerken begraaven willen worden: het zelve is geplaveid met groote zerken, en afgesloten door een schoon hek, met doodshoofden versierd: dit kerkhof, heeft een privilegie, inhoudende, dat al wie van buiten deeze Jurisdictie daarop begraven wordt, slechts éénmaal het landsrecht behoeft te betaalen.

Er liggen twee sluizen aan den Hoogendijk; als de IJperslooter sluis en Diemerdammer sluis, de eerste wordt voornaamlijk onderhouden door Amsteldam.

Bijleveld voor ¼ in de lasten, Proosdij ¼ in de lasten.

Doch wordt weder door vier districten gedragen naamlijk:

Zevenhooven, Mijdrecht, Wilnis, Uithoorn.

Amstelveen ¼ Ouderkerk ¼

Deeze sluis lag reeds in 1413: bij dezelve behoort de visscherij in het Nieuwe diep.

De Diemerdammer sluis, anders genaamd, de Sluis van Claas Jacobsz., in het jaar 1599 gemaakt, wordt voornaamlijk onderhouden door Weesp.

Weesper Carspel (waar onder ’t Gein, de Gaasp en de Bijlemermeir behooren,) Diemen, Abcoude, Nigtevegt, Overdiemen.

Oudtijds plagt hier nog een sluis te liggen, die men noemde de Kost verloren sluis, doch van weinig nut zijnde, is zij gestopt en vernietigd.

REGEERING

Dezelve bestaat, volgends de conditie van verkoop, uit de Bailliuw van Amstelland in het Crimineele; een Schout Civil.

Zeven Schepenen, die zo wel den eed aan de Bailliuw in het Crimineele, als in het Civile aan den Ambachtsheer doen.

Zes Buurtmeesteren die over de gaêring en dorps omslagen zitten, en een Secretaris.

De Bailliuw van Amstelland wordt geëligeerd door Hun Edele Groot Mogenden, uit een drietal, dat Burgemeesteren der stad Amsteldam overgeeven: Schepenen nomineeren in Januarij veertien persoonen, den Gereformeerden Godsdienst toegedaan, en uit dezelven kiest de Ambachtsheer den 2 Februarij, zeven tot Schepenen: gemeenlijk worden er twee, die het voorige jaar gediend hebben daar onder gekozen, edoch volgends de koopconditien van de Ambachtsheerlijkheid, staat zulks aan den Ambachtsheer: de Schout en Secretaris wordt gesteld door Burgemeesteren der stad Amsteldam, als Ambachtsheeren.

Buurtmeesteren kiezen op voorsz. datum, twaalf persoonen waar van zes tot Buurtmeesteren, door den Ambachtsheer, verkozen worden: somwijlen laat de Ambachtsheer één’, ook wel twee van het voorige jaar aan blijven.

Een Hoog-Heemraad van Amstelland, wordt door den Ambachtsheer gesteld, ’t geen gemeenlijk de Schout Civil is.

Schout en Schepenen hebben, als Heemraaden het recht om den zeedijk te schouwen, en de binnenwegen te doen opmaaken, in welk recht zij van tijd tot tijd zijn gemaintineerd, tegen de meening van de zulken die hen daarin zochten te turbeeren: thans echter hangt er over het opmaaken der binnenwegen, voor den Hove Provinciaal, een proces, tusschen dit gerecht en poldermeesteren van de School- en Hopmans-polders.

Nog heeft men een Dijk-Collegie onder de benaaming van Dijkgraaf en Hogendijk-heemraaden van de Zeeburg en Diemerdijk, wier amt is, den dijk die door Schout en Schepenen van Diemen geschouwd is, nateschouwen, en te belaaken, en voords een directie te voeren over het hout en ijzer van den beplaaten dijk, doch dit hout en ijzer is thans weggenomen, en in deszelfs plaats zijn steenen gelegd: het Collegie bestaat uit den Bailluw van Amstelland, als Dijkgraaf, den jongsten Burgemeester der stad Amsteldam, één uit Muiden, Weesp, één uit Weesper Carspel, één uit Loosdrecht, één uit Loenen, Kroonenburgs gerecht, één uit het Sticht van Utrecht, één uit Kortenhoef, één uit Breukelen gezeten in Johans Gerechte van Nienrode, één uit Abcoude, en één uit Nichtevecht: dit Collegie is ad vitam, en heeft een’ Secretaris en Boden.

VOORRECHTEN.

In de eerste plaats heeft het Gerecht een privilegie van het schouwen van den hoogen Zeeburg Diemerdijk, in gevolge diverse privilegiën.

En om de beesten op dezelve weidende te schutten.

Het recht van de jagt is mede aan den kooper van deeze Heerlijkheid gegeven; voords het recht van parate executie.

De kooper heeft de eigendom van de Diemerbrug, en het recht om van alle schuiten enz. tol te vraagen.

Het Gerecht heeft privilegie van de Op- en In-gezetenen tot onderhouding van het dorp, eenig geld te mogen vraagen, ’twelk eertijds neusgeld genaamd word, doch nu volgends privilegie van 1755, dorps kosten heet. De Ingezetenen kunnen vonnis haalen te Amsteldam, in gevolge ’t privilegie van Hertog Albrecht, de dato 15 Maart 1387 (1388.)

Het Gerecht heeft het voorrecht om de gevangenen te Amsteldam in de boejen te laaten brengen, en die aldaar in de gewoonlijke verhoorkamer te verhooren.

BEZIGHEDEN

Oudtijds bestond dezelve in schepen te maaken; er stond weleer een kruidmakerij, op de plaats waar naderhand de traankokerij is geweest: te Diemen woonden groote reders in de walvischvangst; er waren wasbleeken, een wolwasserij: voords waren de opgezetenen voor het grootste gedeelte karnmelksboeren en visschers, thans is de landbouw, en groenboerswerk, hunne hoofdbezigheid.

De boeren brengen ’s morgens hun melk na de stad om ze aldaar uitteventen.

GESCHIEDENISSEN

Diemen welk eerst aan den Bisschoplijken stoel van Utrecht, en daar na aan de Graaven van Holland leenroerig was, werd weleer door Heer Gysbrecht van Amstel bezeten, die in den jaare 1225 het zelve, benevens Muiden en Weesp, met de tollen en visscherijen, voor altijd van Bisschop Otto den Tweeden van Utrecht, voor dertig ponden ’s Jaarlijks verkreeg, en even daarin, als in alle andere dorpen van Amstelland, het gebied voerde; dan in den jaare 1296, mede deel gehad hebbende aan den moord van Graaf Floris den Vyfden, en deswegen buitenlands moest vlugten, werd Diemen met alle dorpen in Amstelland, verbeurd verklaard, en der Graaflijkheid van Holland ingelijfd; waarin het tot den 18 October 1731 is gebleven, als wanneer de stad Amsteldam het zelve voor een somma van ƒ 10300 van de Staaten van Holland kocht en verleid op de Heer Gerrit Corver, Heer van Velsen, Burgemeester der stad Amsteldam.

Diemen is zeer dikwijls door hooge watervloeden overstroomd, en ongelukkig geworden.

Bij den Juliaans vloed, van 1164, werd deeze ban gantschlijk overstroomd; de meeste bewooners werden met schuitjens van de daken hunner huizen gehaald, terwijl een groot gedeelte door het water werden verzwolgen.

1219 trof dit Ambacht het zelfde ongeluk, en honderden van menschen verdronken.

1477, is het Land door een doorbraak in den dijk geïnundeerd, en daarin verscheide waalen gespoeld.

1509 brak de dijk door, en Amsteldam leed bij deeze doorbraak zeer veel.

1516 en 1530, brak de dijk weder en op verscheide plaatsen door, waardoor het land onder water gezet werd.

1570 braken bij eenen sterken springvloed, uit het noordwesten, dertien gaten in den Diemerdijk, zettende niet alleen gantsch Diemen, maar ook gedeeltelijk Amsteldam onder.

Diemen is mede van tijd tot tijd zeer ongelukkig geworden door den oorlog, zijnde het geheele Ambacht meermaals niet alleen door het krijgsvolk afgeloopen, maar de opgezetenen ook geplunderd, en geheel geruïneerd.

In het jaar 1572 werd door het staats krijgsvolk onder den Graave Van der Mark, het dorp Diemen gedeeltelijk, met de kerk, afgebrand.

1573 verschanste Sonoi zig bij Jaaphannes op IJpersloot, en liet veele der landerijen ruïneeren, om die schansen te maaken: stak eindelijk bij Jaaphannes den dijk door: daar na werd hij uit zijn schans verdreven, en een groot gedeelte huizen door het geschut en de vlammen geruïneerd.

1576 werd Diemen mede door het krijgsvolk afgelopen, en het weinige dat overbleef geroofd.

1610 was het water zo hoog, dat het over den dijk liep, Diemen overstroomde, en alle de kelders te Amsteldam, tot aan de Warmoesstraat onder water zettede, terwijl een gat van eenige roeden in den Diemerdijk scheurde.

1621 waaide al het paalwerk van den dijk omver, en het water liep als een zee er over, en inundeerde het land.

1651 brak de Diemerdijk weder door, het water inundeerde Diemen, de Diemermeir, en liep te Amsteldam tot aan den Dam: 1665, 1675 en 1682, werd Diemen weder overstroomd.

Diemen is tweemaal een prooi van het vuur geweest, de laatste keer in 1652, wanneer het Schoutshuis, benevens eenige huizen van particulieren zijn afgebrand, deezen vuurnood heeft ook verscheide privilegie-brieven verteerd.

1702 braken andermaal verscheide gaten in den dijk, en zettede het land onder water.

1717 vloeide het water over den dijk, en inundeerde de polders.

In 1732 kwam er in het paalwerk ook het bekende gewormte, dat al het zelve doorknaagde, en den dijk in het uiterste gevaar bragt.

Dikwijls na, en vóór deeze tijden zijn er hooge vloeden geweest, die geheel het Ambacht dreigden ondertezetten, doch door God ’s goedheid en door menschlijke hulp, werd het gevaar gekeerd; zo als nog korts geleden in de hooge vloeden van 1790 en 1792.

1787 heeft het dorp eerst door de troepen van den Staat en naderhand door den inval der Pruissen, voor welken het land geïnundeerd was, veel geleden.