De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 26

Chapter 263,580 wordsPublic domain

Deeze aangenaame rivier stroomt, beoosten Utrecht, uit den Rhijn noordwaards aan voorbij Zuilen, Maarssen, Breukelen, Loenen, Vreeland, Nichtevecht, Weesp, en een aanzienlijk aantal vorstlijke landhoven, en lustpaleizen, tot daar zij, door Muiden in zee stort.

Niet weinig wordt het gezicht van deeze schoone rivier veraangenaamd, als het oog er de prachtige zwaanen, met haare schitterend witte vederen [20], in ontmoet.

Wegens deszelfs

NAAMSOORSPRONG

Behoeft verder niets gezegd te worden, alzo de betekenis van den naam deszelfs oorsprong aanwijst: de polder Overvecht, ligt naamlijk over de rivier Vecht, voornoemd.

De grootte van den grond der polder is weder onder de grootte van geheel Weesper-kerspel betrokken.

Voords behoeft van dezelve niets meer gezegd te worden, alzo zij geheel niet bewoond wordt.

Onder de polder Overvecht, behoort ook die welke den naam draagt van

UITERMEER.

Waarvan mede niets, de verschillende artijkelen van ons plan betreffende, kan gezegd worden, voornaamlijk om dat dezelve ook onbewoond ligt, bestaande geheel de polder alleenlijk uit landerijen, die voor den hooibouw en de melkerij gebruikt worden; alleenlijk is aan het nabygelegen tolhek, geplaatst tusschen Weesp en de schans, (van welke straks nader,) een aangenaame en aanzienlijke herberg, die tevens eene uitspanning is.

De weg van Weesp, naar Uitermeer, of wel naar de straks te beschrijvene Uitermeersche schans, loopt langs den bevalligen Vechtstroom, en is ongemeen aangenaam, gelijk hij ook zeer wèl onderhouden wordt; ter wederzijde is dezelve begroeid, en ter linkerzijde meest al beplant met een dubbelde rij willige boomen; hier en daar, wordt aan die zelfde zijde het oog vergast op het gezicht van verrukkelijk schoone buitenplaatsen met hunne bevallige wooningen, en coupels meestal aan den weg gelegen; dit gezicht wordt afgewisseld door aangenaame weilanden, en op andere plaatsen door wèl onderhoudene en vlak geschorene, meer en minder hoog opgaande groene heggen: ter andere zijde wordt het gehoor der wandelaars gestreeld door het kabbelen der zilveren Vecht, waarin niet zelden veele zeilende vrachtschuiten het aangenaamste gezicht opleveren, of is dat gezicht, bij gebrek aan genoegzaamen wind, minder aangenaam, dan wordt dat verlies den wandelaar weder vergoed door het vrolijk gezang van de jaagers, die de gezegde kielen over den rug van den onbewogenen stroom heen sleepen: aan de boord der Vecht vindt men ook hier en daar voor de buitenplaatsen aangenaame met groen begroeide stijgertjens, die, vooral als er gezelschap in is, mede eene behaagelijke vertooning maaken.

Wij moeten voords hier nog aantekenen, dat onder de polder Uitermeer gelegen is de bovengenoemde bekende

UITERMEERSCHE SCHANS.

Waarvan wij, in navolging, deeze beknopte beschrijving kunnen geeven: „de Uitermeersche Schans dekt een sluis aan de Vecht, door welke het omliggende land beoosten de Vecht, voornoemd, onder water gezet kan worden—volgends het jaartal, ’t welk aan deeze sluis gezien wordt, schijnt zij in den jaare 1637 gebouwd; maar is, om het merkelijk verval, in den jaare 1747 vernieuwd: de schans is op den zelfden tijd veel verbeterd: aan de landzijde of den oostkant heeft zij een contrescharp, en breede graft; langs deeze graft loopt de rijweg naar Ankeveen en ’s Graveland: over de graft ligt een brug, over welke men in de schans gaat: alle vaartuigen, die uit de Vecht naar Gooiland vaaren, moeten door deeze sluis en schans heenen een zeker schutgeld betaalen.”

De des kundigen houden de Uitermeersche schans (die thans door eenige invaliden bewaakt wordt,) voor ongemeen sterk, en waarvan derhalven in tijden van oorlog veel verwacht zoude kunnen worden, zo dezelve naar behooren verdedigd wierd: op dien voet stelde men er in onze jongstledene beroerten, waarin wij door de Pruissen aangevallen werden, ook groot vertrouwen op, wel weetende, dat het den vijand vrij wat zoude kosten, wilde hij die sterkte vermeesteren; dan ach! ook in dat vertrouwen heeft men zig te lijdig bedrogen; wel was de schans door militairen bezet, en met geschut voorzien; dan, op hoog bevel moesten zij dezelve verlaaten; ten minsten zijn de Pruisische Ruiters zonder slag of stoot de brug opgereden, en hebben dus het fort ingenomen.

Voegelijk kunnen wij hier nog een woord zeggen van

DE OVERMEERSCHE SCHANS,

Gelegen aan den Hinderdam, aan de westzijde van de Vecht, ruim een uur gaans van de stad Weesp: deeze ligt op een eilandjen, in het midden van de aangenaame Vecht meergemeld, zo dat men er rondsom kan heenvaaren: zij is in of omtrent den jaare 1747, ongemeen veel verbeterd—„In een kaart van 1619,” leezen wij, „wordt hier een dam getekend, die dwars door de Vecht lag, en met sluizen voorzien was: in deeze kaart vindt men geene sluizen te Muiden, zo dat men hier het water van de Vecht schijnt te hebben afgeschut; waaromtrent het maaken van de Uitermeersche sluis verandering schijnt ten wege gebragt te hebben.”

Tusschen de Uitermeersche Schans, en den Hinderdam, stond weleer het Huis ten Bosch, zijnde eene oude Ridder-Hofstede, aan den Huize van Ysselstein toebehoorende; doch wij kunnen zulks echter als geene bijzonderheid van deezen omtrek opgeeven, om dat er thans volstrekt niets meer van dat Huis voorhanden is: in den oorlog tusschen Hertog Filips van Bourgondiën, en den Bisschop van Utrecht, werd dit aanzienlijke Huis door het krijgsvolk van den Hertog geheel verwoest: evenwel schijnt men het daarna weder opgebouwd te hebben, aangezien men aangetekend vindt, dat de Franschen, in den oorlog van den jaare 1672 en 1673, hetzelve andermaal geheel hebben vernield.

HET DORP OUD-LOOSDRECHT.

OUD-LOOSDRECHT is ’t, dat de oogen streelt, Door schoon geboomt en vette weiden, Door uitzicht op bebouwde heiden, Maar meest door dat het steeds in diepe vrede deelt.

Oud- en Nieuw-Loosdrecht, en Mijnden, behooren onder eene zelfde Bailluagie, niettegenstaande zij, wat de Ambachtsheerelijkheid betreft, in onderscheidene Gerechten verdeeld zijn.

Oud- en Nieuw-Loosdrecht, zijn beiden eigenlijk slechts ééne Heerelijkheid, maar twee Parochiën, met twee kerken, eene oude, en eene nieuwe: echter zullen wij, in onze beschrijving, ingevolge de doorgaands plaatshebbende gewoonte, van de twee deelen dier Heerelijkheid als van twee dorpen spreeken, en ze Oud- en Nieuw-Loosdrecht noemen.

Niettegenstaande de beide Loosdrechten, (maar vooral Nieuw-Loosdrecht,) niet kunnen gezegd worden te bloejen, behoeven zij echter in wezenlijke middelen van bestaan nog niet voor andere dorpen van Gooiland, alhoewel die bloejende zijn, onder te doen; maar vooral dingen zij naar den prijs in de aangenaamheid van

LIGGING,

Kunnende met recht gezegd worden dat zij zig voor den wandelaar als een aardsch paradijs opdoen; waar hij de oogen ook heen sla, overal lacht het aangenaamste groen hem toe: de dorpen zijn indedaad eene ter wederzijde met huizen, of boerenwooningen bebouwde allée van wilgenboomen, van de belendene landen, door smalle en heldere wegslooten afgescheiden, zijnde meestal den zoom der gezegde landen ter rechterhand, mede met een rij zulke boomen beplant, waardoor men derhalven van die zijde bestendig eene dubbele rij boomen heeft; de bewoonde erven aan wederzijden liggen mede meest allen in ’t groen geboomte, en hebben hunne moes- en bloem-tuinen: nabij de kerken, zijn de getimmertens wel het meeste in behoorelijke orde; daar geen wooningen staan, wordt het oog verrukt door de heerelijkste weilanden, of de aangenaamste bebouwde akkers; ziet men ter linker zijde, (van Loenen af gerekend,) verder heen, dan wordt men gestreeld, door het gezicht van de bebouwde Gooische heide, (aangenaamst als de boekweit bloeit, of het goudgeel graan op de bevalligste wijze golft;) vooral aan dien kant alwaar men op Hilversum en deszelfs bebouwde omtrek ziet: het jagthuis van den Heere Van Loon, waarvan wij in onze beschrijving van ’t gezegde dorp, (zie bladz. 15) gesproken hebben, maakt, van hier gezien, ook eene aangenaame vertooning: in de Oude Loosdrecht, doch eigenlijk niet algemeen in het dorp, maar meest op den zogenaamden Veendijk, zijnde eene waterkeering, ziet men ter eene zijde niet dan uitgeveende plassen, en overal stapels gedekte turf, terwijl aan den anderen kant, eene lange rij meer en min gevulde turfschuuren staat; om welke reden men ook aldaar met geen brandende tabakspijp voorbij mag gaan, op de boete van drie guldens: deeze schuuren bevatten dikwijls een capitaal van veele duizenden: in dit gedeelte van Oud-Loosdrecht wordt de aandacht van den wandelaar, zo hij zijne wandeling niet op een’ zondag doet, bezig gehouden met het baggeren, of verder bereiden van de turf, aan den eenen kant; en aan den anderen met het inbrengen of uithaalen van dezelve in of uit de schuuren; met één woord niemand zal ’t zig beklaagen de beide Loosdrechten een bezoek gegeven te hebben.

Men verzekert dat zij van den dom te Utrecht af gezien, zig als een digte, langwerpige bosschaadje vertoon.

Oud-Loosdrecht ligt voords ten noorden aan Kortenhoef (in de Provincie Utrecht) en meer oostwaards aan ’s Graaveland, (in de Provincie Holland;) ten oosten heeft het, langs een kromme bogt, het gerecht van Hilversum, tot aan Tienhoven, en Breukelenveen; ten oosten paalt de Oude Loosdrecht, met Loenderveen, Oudover en Muieveld [21], aan Loenen, vanwaar ze door de Vecht wordt gescheiden: „In deeze strekking”, leest men te recht in den Tegenwoordigen Staat van Holland, „maaken de Loosdrechten een zeer langwerpigen bogt, die van binnen aan de westzijde voor het grootste gedeelte is uitgeveend, zo dat er niet anders dan smalle akkers of strooken lands zijn overgelaten, die nog jaarlijks uitgeveend worden.”

NAAMSOORSPRONG.

Deeze heeft de Heerelijkheid ontleend aan een watertjen aldaar stroomende, en dat den naam van Drecht draagt, (waarschijnelijk dat er weleer een overvaart, of veer op geweest is, zie onze beschrijving van Dord, enz. art. naamsoorsprong;) dat watertjen loost alhier in de hoofdrivier, des is ter deezer plaats de Loozing der drecht, (Loosdrecht:) de naamen van Oud en Nieuw, waarmede men gewoon is de beide deelen der Heerelijkheid te onderscheiden, zijn ontstaan door het aanleggen van een tweede of Nieuwe kerk, gelijk nader zal blijken.

STICHTING EN GROOTTE

De stichting van Loosdrecht, ligt thans geheel in het duister: wat aangaat de grootte, in de quohieren der verpondingen van den jaare 1632, vindt men de beide Loosdrechten begroot op 1807 morgen 300 roeden lands, en het getal der huizen op 221; in de quohieren van 1732, vondt men er slechts 1507 morgen en 200 roeden voor; doch de huizen worden integendeel bepaald op 372; derhalven 151 huizen meer, (zonder den korenmolen die er gevonden wordt,) waaruit men zoude mogen opmaaken, dat de beide dorpen in den gezegden honderdjaarigen tusschentijd, zeer wèl gebloeid moeten hebben: sedert echter is dien bloei merkelijk verminderd, en hun aanzien vrij wat vervallen, hoewel in de Nieuwe Loosdrecht meer dan in de Oude; (van de eerstgemelde desaangaande nader onder onze beschrijving van dezelve:) anderen bepaalen het grondgebied op wel 2950 morgen [22], zo land als water, welk water mede in de verpondingen moet betaalen, om dat het uitgeveende plassen zijn. In de Oude Loosdrecht liggen verscheidene aangenaame buitenplaatsen, waarin die het mede van de Nieuwe wint: zie onze beschrijving van dezelve.

Het getal der bewooneren van geheel de Heerelijkheid wordt begroot op omtrent 800, die allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn, dat zekerlijk iet zonderlings is.

Het

WAPEN

Der beide Loosdrechten is vier zwarte en vier zilveren dwarsbalken over kruis doorsneden met twee rood- en wit-geruite balken.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Dewijl, gelijk wij gezegd hebben, alle de inwooners der Heerelijkheid van den Gereformeerden Godsdienst zijn, worden er ook geene andere kerken gevonden, dan die van de gezegde gemeente: de Oude kerk, dat is de kerk van de Oude Loosdrecht, is een klein gebouw, ofschoon er honderden menschen in opkomen; van binnen heeft het, ingevolge deszelfs aanleg, even weinig pracht als van buiten; alles intusschen is van binnen zeer net; boven ééne der portaalen is eene gallerij voor de Weezen, enz.: thans hangt boven die gallerij, een vlag, van talrijke voeten vierkant, met een lijst, en in het midden een groote oranjeboom, in een groene bak, zodanig als men dezelven gemeenlijk in de Orangeriën geplaatst vindt; ter eene en andere zijden van die bak, leest men de woorden vivat Oranje! (er zijn ook in Oud-Loosdrecht maar weinige lieden, van dezulken die men Patriotten noemt:) ter wederzijde dier vlagge hangen nog twee kroonen, gevlogten van kunstbloemen en orangeappelen: aan het andere einde der kerke, tegen over de gezegde vlag en kroonen, hangt thans nog eene vlag, maar van minder aanzien; er is geen orangeboom op gepenseeld; alleenlijk leest men in derzelver midden mede, vivat Oranje! Deeze sieraadjen hebben, ten tijde der omwending van zaaken in ons Land, in het openbaar gediend.

Wat verder het ruim van deeze kerk betreft, alles is daarin aan het oogmerk voldoende; de predikstoel is zeer net zamengesteld, zo ook de Regeeringsbanken en verdere mannengestoelten: de bank voor den Heere, of de Vrouwe der Heerelijkheid, staat vlak tegen over den predikstoel: het ruim is voords naar gewoonte, met vrouwegestoelten bezet: er hangt ook, (op de gallerij waarvan boven gesproken is,) een op paneel geschilderde lijst van de Predikanten die sedert de reformatie, de Oud-Loosdrechtsche Gereformeerde Gemeente bediend hebben: aanmerkelijk is het dat de laatste Roomsche Priester ter deezer plaatse ook de eerste Gereformeerde Predikant aldaar geweest is: zie nog iet wegens de kerken van Loosdrecht met betrekking tot den tijd vóór de Reformatie, onder Nieuw-Loosdrecht, ditzelfde art.

Het doophek, en verder al het inwendige der kerke is zeer zindelijk, en wordt wèl onderhouden: het ruim wordt door vijf kaars-kroonen verlicht: er is geen orgel in.

De vloer van het ruim der kerke gebruikt men nog, ingevolge de oude, dat is onverlichte tijden, om er in te begraaven: de gezegde grond is zamengesteld uit grafzerken, waaronder wij er echter geene gevonden hebben der aandacht waardig.

Buiten om de kerk ligt, naar gewoonte, een kerkhof, dat genoegzaam groot is, en vrij net genoemd mag worden; aan een van de hoeken deszelven is eene soort van grafkelder, bijna twee voeten boven de oppervlakte van den grond verheven, en met een’ zwaaren blaauwen zerk gedekt; op dezelve staat geene inscriptie; ook is ’t alleenlijk eene grafplaatse, gekozen door iemand die begeerde na zijnen dood in een zeer stil oord te liggen: op het zelfde kerkhof is ook één der dorpsbrandspuiten geplaatst: vier zijn er in geheel de Heerelijkheid.

De kerktoren die aan het eene einde der kerke eenige voeten hoog, vierkant uit het dak rijst, is in den jaare 1783 veel vernieuwd, en bij die vernieuwing, in zijn vierkant verkleind; op dat vierkant staat een spits, dat met leien gedekt is—in één der zijden van het vierkante ondergedeelte van den toren is een wijzerplaat, waarop men het jaartal 1791 leest, welk getal alleenlijk het jaar aanwijst waarin dezelve is opgeschilderd.

Te Oud-Loosdrecht is ook een goed Weeshuis, voor 3 jaaren eerst gesticht, en ’t welk tevens voor een Armenhuis verstrekt; dat niet alleen, maar er worden ook in opgenomen, geleerd, gekleed en gevoed, zulke kinderen, wier ouders onvermogend bevonden worden om hen te voeden; indedaad een zeer loflijk gebruik, en voornaame oorzaak dat er, hoe min vermogend de bewooners over het algemeen ook zijn, geene bedelaars gevonden worden—de arme lieden en kinderen leiden in dit huis ondertusschen niet, gelijk op veele aanzienlijke plaatsjens het geval is, een lui, geheel werkeloos leven; integendeel, zij worden allen te werk gesteld, aan het spinnen van wol; er worden ook netten gebreid, en andere bezigheden verricht, zo dat er over het algemeen eene geduurige loflijke arbeidzaamheid plaats heeft: alle de voordeelen daarvan komen aan het huis.

Het Schoolhuis is een gebouw dat slechts redelijk aan het oogmerk beantwoordt.

De Pastorij staat tegen over de kerk, is zeer spatieus, en van goeden aanzien; er is geen ruimen hof achter, maar de Predikant heeft achter de kerk een groote moestuin, ten zijnen dienste.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Deezen zijn geene anderen dan het Rechthuis, dat voor beiden de dorpen dient, en gebouwd is op derzelver kerklijke scheiding: ’t is mede in alle deelen aan het oogmerk beantwoordende, doch heeft niets bijzonders der beschrijvinge of bezichtiginge waardig: daarin echter is het van de rechthuizen op veele Nederlandsche dorpen onderscheiden, dat het niet tevens een herberg is; er mag ook, volgends ordonnantie van de Staaten, niet in getapt worden, zelfs niet aan de Regeering der dorpen.

Op eenige voeten afstands van het huis, aan de overzijde van den weg, staat een kaak, geplaatst in het midden van een cirkel-rond en van gebakken steen gemetzelde voet, ten minsten vier voeten hoog boven den grond, en wel zes voeten diameters; maakende des rondsom den paal eene soort van rond steenen schavot: in gevalle van rechtsoefening, wordt voor het Rechthuis een schavot opgericht.

KERKLIJKE REGEERING.

Deeze bestaat uit den Predikant, (de verkiezing van welken staat aan den Heere of de Vrouwe in der tijd, zonder eenige voorafgaande nomminatie,) zijnde thans de Wel-Eerwaarde Heer Huibert van den Bijlaardt, behoorende onder de Classis van Amsteldam; voords uit twee Ouderlingen en twee Diaconen, waarvan jaarlijks één Ouderling en één Diacon afgaat, die door anderen vervangen worden, staande de verkiezing derzelven aan den kerkenraad.

WERELDLIJKE REGEERING.

Loosdrecht heeft in alles eigen recht, crimineel en civiel, zo wel van pleidoojen als halsrecht.

Het hooge rechtsgebied over dit, als het andere deel van het Bailluwschap, zo als wij die deelen, bladz. 1 opgegeven hebben, wordt geoefend door den Bailluw, zijnde thans de Wel-Ed. Gestrenge Heer, Mr. Johannes Petrus Thierens, die aangesteld wordt door zijne Doorl. Hoogh. den Stadhouder, uit de nominatie van een drietal, door de Staaten van Holland en Westfriesland gemaakt: hij zit te recht met de dorpschepenen: voorheen had de Bailluw de vrijheid om voor zig afzonderlijke schepenen crimineel te benoemen en in den eed te neemen; doch daarover een proces ontstaan zijnde, is hij, in gevolge de uitspraak op dat proces, voor omtrent zes jaaren gedaan, verpligt, de dorpschepenen in der tijd, ook voor het crimineele in den eed te neemen: hij wordt in zijnen aanstellings-brief ook genoemd Bailluw van Loenen Holland, met welken naam men gewoon is Loenen Kroonenburgs-gerecht te benoemen—uit aanmerking van dien tijtel, „is voormaals,” leezen wij, „aan de zijde van den Bailluw van de Loosdrechten, begreepen dat hem het oefenen van jurisdictie, op het grondgebied van Loenen Kroonenburgs-gerecht toekwam, waarover weleer, tegen den Heere van Kroonenburg of deszelfs Bailluw, proces is aangevangen, doch sedert geruimen tijd niet vervolgd geworden, zo dat de Bailluw van Loenen Kroonenburgs-gerecht, in de bezitting van dat recht is gebleven:” in gevolge het werkelijk hangen van ’t gemelde proces gaat de Bailluw, voor de Loosdrechten verkozen zijnde, ook nog naar Loenen Kroonenburgs-gerecht om zig aldaar in zijne waardigheid van Bailluw te doen erkennen; doch wordt als dan geweigerd.

De beide Loosdrechten en Mijnden, schijnen gemeenlijk als eene enkelde Ambachtsheerelijkheid aangemerkt te worden, doch zij zijn het niet, ieder is in de daad eene afzonderlijke Ambachtsheerelijkheid, niettegenstaande zij sedert lang, als onverdeeld, een zelfden Schout en Secretaris hebben; dit echter staat ter keuze van den Ambachtsheere of Vrouwe, (thans Vrouwe S. M. van de Poll, Douariere, wijlen den Wel-Ed. Gestrengen Heere Mr. Z. H. Alewijn van Mijnden, in leven President Schepen en Raad in de Vroedschap der stad Amsteldam,) die ook Mijnden een anderen Schout en Secretaris kan geeven; vermits de aanstelling aan dezelve staat, zo wel als van Schout en Secretaris van Loosdrecht.

In het civile, wordt Loosdrecht in ’t gemeen beheerscht door den Ambachtsheere of Vrouwe in der tijd, met zeven Schepenen, naamlijk drie uit Oud-, drie uit Nieuw-Loosdrecht, en één uit Muieveld, of uit Oudover: deezen worden aangesteld, zonder eenige voorafgegane nominatie, door den Heer of Vrouwe; aan wien het ook staat om dezelven naar goedvinden wegens getal of tijd te doen afgaan of aanblijven; derhalven is er, Schepenen betreffende, geen bepaalde tijd van verandering.

Voords zijn er twee Weesmeesters, die tevens Armmeesters zijn, en niet jaarlijks afgaan: zij hebben almede hunne aanstelling van den Ambachtsheer of Vrouwe; die ook de aanstelling heeft van de Schoolmeesters, in de beide Loosdrechten: deezen zijn tevens Kosters, Voorzangers en Doodgraavers.

De Schepensbank wordt bediend door één’ boden: ook hebben Bailluw en Schout zamen één’ diender, die mede door den Ambachtsheer of Vrouwe aangesteld wordt.

Onder de

VOORRECHTEN

Van Loosdrecht kan men tellen, dat het, behalven de algemeene voorrechten van Gooiland, halsrecht heeft, gelijk er dan ook een buitengalg gevonden wordt.

Een voorrecht van den Ambachtsheer is dat hij preferent is in het in huur neemen van het Rechthuis, (thans bewoond door den diender;) hetzelve is een dorpgebouw, waarvan de huurpenningen derhalven in ’s Dorps casse komen.

Nog heeft de Ambachtsheer korentiendens, en tienden van de aardappelen die aldaar gewonnen worden.

BEZIGHEDEN.

Voor eenige jaaren was in de Oude Loosdrecht eene vrij aanzienlijke porcelein-bakkerij, doch dezelve is van daar naar den Amstel verplaatst geworden; waardoor het dorp niet weinig heeft verloren.

Er worden eene en andere handwerken, in de zamenleeving onontbeerelijk, geoefend; doch de hoofdbezigheid der bewooneren van dit gedeelte der Heerelijkheid, is het baggeren van turf, en vermits, zo wel het baggeren zelf, als het af- en aan-voeren van de turf, veele schepen en schuiten benoodigd maakt, houdt zulks op het dorp ook het scheepmaakers-handwerk aan den gang.

Voor iedere morgen gronds die in de Loosdrechten uitgebaggerd zal worden, moet de aanneemer ƒ 300 guldens geeven, (inleggen, zegt men aldaar;) voor dat geld wordt een Obligatie gekocht, en uit de interessen van deeze, betaalt de Heer of Vrouwe in der tijd zig de bepaalde verponding: het geen er overschiet wordt den aanneemer ter hand gesteld—Onder Loenerveen is dat inleggeld ƒ 400, om dat aldaar uit de interessen ook nog het molengeld betaald moet worden.

Er zijn in Oud-Loosdrecht ook veele visschers die hun sober bestaan in de uitgeveende plassen vinden—anderen, echter niet zeer veelen, leeven van den landbouw, van het rietgewas, of de melkerij; dit heeft nog meest plaats aan het Leeg-eind des dorps, zo als de Loosdrechters het noemen, en dat dien naam draagt, om dat het aan geen van beide zijden huizen, maar alleenlijk weilanden heeft.

GESCHIEDENIS