De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 27
Van Oud-Loosdrecht, vereischt geene breede plaats: in het jaar 1672, (dat verschrikkelijke jaar voor geheel Nederland,) had het door den inval der Franschen zeer veel te lijden: sedert is er, voor zo verre ons bewust is, weinig van aanbelang voorgevallen: de bovengemelde gezindheid der bewooneren, in het staatkundige, heeft de dorpelingen in onze jongstledene beroerten weinig deel gegeven: wel hebben zij zig in den wapenhandel geoefend, toen die oefening Staatswijze geboden werd, in de ontstaane verschillen met den Keizer Joseph: toen de verdere woelingen der Patriotten voordgang namen, heeft men er ook nog, hoewel maar korten tijd, blijven exerceeren—bij den inmarsch der Pruissen, op hunnen doortogt naar Loenen, hebben de Loosdrechters hun een maand lang moeten inquartieren; en daar deeze lieden naar geene staatkundige gevoelens vroegen, hebben zij er ook verscheidene plunderingen aangericht; vooral heeft de plaats van de Wel-Edele Ambachtsvrouwe, in de Nieuwe Loosdrecht, hunnen moedwil ten sterksten moeten bezuuren.
Men vindt bij andere Schrijvers gewag gemaakt van een Huis te Loosdrecht, als eene bijzonderheid van deeze plaats; doch dit is, volgends onze ingewonnene berichten niet anders geweest dan een huis van den Ambachtsheer, ’t welk door den Heer Mr. Alewijn van Mijnden, reeds genoemd, om zijne bouwvalligheid is weggebroken, om op den grond daarvan het tegenwoordig aanzienlijk gebouw te plaatsen.
LOGEMENTEN,
Deezen zijn hier niet—De Hollandsche tuin bij het Rechthuis, en de Lindeboom, zijn de voornaamste herbergen; ook zoude men in dezelven kunnen overnachten, en er geen gebrek aan eene goede bediening hebben.
Verder vindt men er nog de herberg het Turfschip, en twee of drie herbergjens, alwaar men zig naar genoegen kan ververschen.
REISGELEGENHEDEN,
Van Pinxter tot 3 maanden daarna, vaart zondags een schuit van Loosdrecht op Amsteldam; voords ’t geheele jaar door, maandags, dingsdags, woensdags en vrijdags, ook dergelijk een schuit.
Vrijdags vaart van daar mede eene schuit op Utrecht—In gevalle van besloten water, rijdt er op de gemelde dagen een wagen op gezegde steden.
HET DORP NIEUW-LOOSDRECHT.
NIEUW-LOOSDRECHT, dat geheel in groen geboomt gelegen, Het oog des wandlaars, door natuurlijk schoon verrukt, Biedt zijn bewooneren nogthans geen ruimen zegen, Daar ’t algemeen verval het zeer gevoelig drukt.
Zeer verdeeld zijn de keuzen der vreemdelingen en ook der bewooneren wegens de aangenaamheid der beide Loosdrechten; deezen houden de Nieuwe anderen de Oude voor aangenaamer; voor ons, wij zouden voor de Nieuwe zijn, wat de vertooning over het geheel betreft; doch in de Oude zijn meer goede huizen, ook liggen er verscheidene buitenplaatsen in die in de Nieuwe niet voorhanden zijn, gelijk wij onder onze beschrijving van de Oude Loosdrecht reeds gezegd hebben.
Wat de
LIGGING
Betreft, deeze is over ’t algemeen in onze beschrijving van Oud-Loosdrecht opgegeven; alleenlijk kunnen wij hier nog bijvoegen, dat ter zijde af meer bebouwde akkers liggen, waarop de aardappelen, boekwijt, en graanen zeer wèl willen tieren—bepaaldlijk maakt de Nieuwe Loosdrecht, in het zuiden, een scheiding tusschen de Provinciën Holland en ’t Sticht; ten westen paalt zij aan Mijnden.
Wegens de naamsoorsprong, zie men onze beschrijving van Oud-Loosdrecht: Nieuw-Loosdrecht draagt ook nog den naam van de Zijpe.
Van de stichting en grootte, zie men mede onder Oud-Loosdrecht—In den tegenwoordigen staat van Holland, leezen wij: „in de Oude Loosdrecht, staan de huizen, ter wederzijde gedeeltelijk op boere werven, of afgebrokene akkers, naar de wijze der veendorpen; in de Nieuwe Loosdrecht staan zij veelal aan elkander gebouwd”, doch het tegendeel is waar; in de Nieuwe Loosdrecht liggen de huizen veel verder van elkander dan in de Oude: voords liggen zij meer in ’t groen, maar daarentegen zijn de wooningen ook kluiziger, en veelen zelfs zodanig vervallen, zo ingezakt, dat zij geheel wanstaltige figuuren maaken: onder de wooningen in de Nieuwe Loosdrecht zijn ook geene andere Buitens, dan dat van de Ambachtsvrouwe reeds gemeld.
Zie wegens het Wapen, Oud-Loosdrecht.
KERKELIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Vermits ook hier, even als te Oud-Loosdrecht alle de bewooners den Gereformeerden Godsdienst belijden, zijn er geene andere dan de Gereformeerde kerk voorhanden. In het reedsgemelde werk: Tegenwoordige staat van Holland, leest men, betreffende dit artijkel: „De kerk van de Oude Loosdrecht, is vrij ruim; doch oud, met een laag torentjen, zij wordt echter zeer wèl en net onderhouden; die van de Nieuwe Loosdrecht, is netter en nieuwer, en heeft een schoonen toren, met een goede spits, die van vrij verre kan gezien worden”: de toren is vierkant, hoog en zwaar, en het spits met leiën gedekt: in allen deelen beantwoordt het gebouw voords aan de berichten bij ons ingewonnen, naamlijk dat het nog de plaats der Godsdienst-oefeninge onzer Landgenooten van vóór de reformatie was, zo wel als de kerk van Oud-Loosdrecht, zodanig dat deeze de Parochiekerk was, en die van de Nieuwe Loosdrecht derzelver capel; gelijk zij dan ook weleer door de Roomschen genoemd werd, onze capelle van de Zijpe; men wil dat deeze capel omtrent den jaare 1400 gesticht zij: de toren heeft twee wijzerplaaten, waarop men het jaartal 1762 leest, zijnde het jaar waarin gemelde plaaten vernieuwd zijn.
Naast den ingang der kerk is mede één der reeds gemelde vier dorps-brandspuiten geplaatst, en tegen een der zijmuuren van het gebouw ziet men eene soort van open houten huisjen, ten dienste van den koster en schoolmeester wanneer hij, amtshalven, voor dorpelingen iet moet afleezen.
Rondsom de kerk is een kerkhof dat niets ongemeens heeft, niets anders dan, tegen een der muuren van die kerk aan, een vierkanten marmeren graftombe; hebbende echter geen ander cieraad, dan dat op het voorstuk deszelve is uitgehouwen, een gehelmd man, in boerschen of Oud-Hollandschen burger kleeding, hebbende een ijzeren stormhoed op: aan zijn linker arm heeft hij een schild, en in dezelfde hand een zwaard; in de rechterhand heeft hij een soort van hamer aan een langen stok die op zijn schouder ligt.
Inwendig heeft het gebouw niets bijzonders: alles is er zeer wèl en geregeld: de bank voor den Heere of Vrouwe der Heerelijkheid staat, even als in de kerk van Oud-Loosdrecht, recht tegen over den Predikstoel.
Het Schoolhuis is nabij de kerk, en is een gebouw aan het oogmerk beantwoordende.
De Pastorij is achter de kerk, en heeft een zeer grooten hof.
Een Wees- of Armen-huis is te Nieuw-Loosdrecht niet; de weezen en armen worden er bij de ingezetenen besteed, en zo de regeering al eenig gebruik van het weeshuis in de Oude Loosdrecht begeert te maaken, moet hetzelve, bij wijze van besteeding, betaald worden.
Wegens de wereldlijke gebouwen, staat ons hier niets aantetekenen: zie dit zelfde artijkel onder onze beschrijving van Oud-Loosdrecht.
KERKELIJKE REGEERING.
Deeze is even als te Oud-Loosdrecht voornoemd: de Predikant is thans de Wel-Eerwaarde Heer Reinier Swierink.
Daar voords de wereldlijke regeering mede dezelfde is als die van Oud-Loosdrecht, kunnen wij ons ook, wat deeze betreft, aan de meergemelde beschrijving van dat dorp gedraagen; hetzelfde zij gezegd van de voorrechten. Het zogenaamde Loosdrechter bosch, waarvan wij onder Hilversum gesproken hebben, kan als eene bijzonderheid aangemerkt worden.
De
BEZIGHEDEN
Der bewooneren zijn hier eenigzins onderscheiden van die waarmede de bewooners van Oud-Loosdrecht zig geneeren.
De veenderij heeft hier weinig plaats, maar te meer, (wegens de voorraad van wei- en bouw-landen,) de melkerij, hooiteelt, en bouwerij—Weleer, en zelfs nog voor ruim 20 jaaren, waren in de Nieuwe Loosdrecht veele lakenweeverijen, doch sedert zijn dezelven allen te niet geraakt, het geen niet weinig tot het verval van dit gedeelte der Heerelijkheid heeft toegebragt: de weinige weeverijen van Hilversumsch streept, die er nog gevonden worden, zijn van niet veel betekenis en mogen den naam van fabrieken niet draagen, alzo zij slechts voor eigen vertier, en dat niet veel zegt, aan den gang gehouden worden: het spinnen van wol en vlas, wordt hier nog wel bij veelen ter hand gehouden, doch verschaft voor eenen aanhoudenden arbeid slechts een sober bestaan, te meer treffende voor de inwooners om dat hun vooruitzicht niet op beteren stand uitloopt: tot gezegde spinning worden de meisjens van zeven of agt jaaren gebruikt; deezen verdienen daarmede 8 of 8½ stuivers in de week; de armoede der ouderen noodzaakt hen hunne kinderen voor dien geringen prijs te leenen, en dezelven daardoor te berooven van den tijd waarin zij behoorelijk leezen, schrijven enz. zouden kunnen leeren.
De
GESCHIEDENIS
Deezes dorps heeft niets afzonderlijks met die van de Oude Loosdrecht: er zijn, dat ligt te begrijpen is, even lang al te Oud-Loosdrecht, Pruissen geinquartierd geweest, en dezelven hebben er grouwzaame plonderingen aangericht; vooral op het Buiten van de Ambachtsvrouwe, gelijk wij onder Oud-Loosdrecht reeds aangetekend hebben.
Logementen zijn in de Nieuwe Loosdrecht niet, en slechts eene herberg van eenig aanzien dat tevens eene uitspanning is; hier en daar vindt men een pleisterplaatsjen van geringen stand.
Eindelijk zijn de reisgelegenheden dezelfden als in onze beschrijving van de Oude Loosdrecht zijn opgegeven.
HET AMBACHT EN DORP MIJNDEN.
Voegelyk kunnen wij hier de beschrijving van dit kleine Ambacht laaten volgen, alzo het met Loosdrecht, onder een zelfde Bailluage behoort, gelijk wij hier voor reeds gezegd hebben: Tekkop, dat gewoonlijk bij Mijnden beschreven wordt, brengen wij onder Woerden.
Wat betreft de
LIGGING
Van Mijnden, hetzelve paalt met zijn rechtsgebied ten noorden aan de Drecht, onder onze beschrijving van Oud-Loosdrecht reeds genoemd, en welk water uit Loosdrecht naar de Vecht stroomt, en Mijnden, van die plaats afscheidt: ten oosten heeft Mijnden de Nieuwe-Loosdrecht, ten zuiden het Gerecht Breukelen-veen, dat onder de Provincie van Utrecht behoort, en ten westen wordt het door de rivier de Vecht voornoemd afgescheiden van dat gedeelte van Loenen het welk onder de gemelde Provincie behoort.
De grond bestaat meestal uit laag wei- en hooi-land; de kleinte van grond, de afgezonderdheid van ligging, het getal van ingezetenen, zo wel als de afgelegenheid der wooningen, doet er zulk eene buitengewoone stilte heerschen, dat een stedeling, aan het drokke gewoel gewoon, er zig weldra verveelt.
Van den
NAAMSOORSPRONG,
Deezes Ambachts zijn ons geene berichten ter hand gekomen.
STICHTING EN GROOTTE.
Van den aanleg of de stichting des dorps of van het Ambacht zijn even weinige berichten voorhanden; men zou intusschen mogen gissen, dat het van een zeer ouden datum kan weezen, want het Huis te Mijnden, (waarvan nader onder ons artijkel bijzonderheden,) wil men dat reeds in den jaare 1227 gesticht zoude weezen. Wat het tweede gedeelte van dat artijkel in onze gewoone orde van beschrijven betreft; Mijnden is niet groot; het bevat, volgends de voorhanden zijnde quohieren der verpondingen, slechts 296 morgen en 100 roeden lands; het spreekt derhalven van zelf, dat ’er ook niet veele huizen onder kunnen behooren: op de vroegere verpondingslijsten vindt men er niet meer dan 3 voor aangetekend; doch op de lijsten van den jaare 1732, staan er 20 huizen voor, waaronder eenige buitenplaatsen, en sedert zijn dezelven weinig vermeerderd.
Het wapen van dit Ambacht zijn vijf goudene, en vier zwarte dwarsbalken, over het kruis doorsneden met twee roode balken.
Onder ons artijkel
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN,
Kunnen wij, Mijnden betreffende, niets betrekken; een kerk is er niet; de ingezetenen behooren kerklijk onder Loenen; gelijk ook aldaar hunne Weezen verzorgd worden, zo dat er ook te Mijnden geen Weeshuis is; er is mede geen Armenhuis of Dorpschool.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Deeze zijn alhier geene anderen dan het Rechthuis, waarin tevens herberg gehouden wordt, en niets bijzonders heeft der beschrijvinge waardig: het staat aan de Mijnder-sluis.
Uit het voorgemelde blijkt dat te Mijnden geene afzonderlijke kerklijke regeering plaats heeft.
En wat betreft de
WERELDLIJKE REGEERING.
Daaromtrent hebben wij in onze beschrijving van Oud-Loosdrecht, onder het artijkel wereldlijke regeering [23] reeds gezegd dat Mijnden en de beide Loosdrechten, sedert lang als onverdeeld door een zelfden Ambachtsheer bezeten worden, niettegenstaande zij in de daad afzonderlijke Ambachtsheerlijkheden zijn; ook zeiden wij reeds dat zij uit dien hoofde dezelfde Schout en Secretaris hebben, het welk echter naar goedvinden van den Ambachtsheere of Vrouwe in den tijd geschiedt, gelijk wij in onze beschrijving van Oud-Loosdrecht mede reeds hebben aangetekend: Mijnden heeft voords drie Schepenen en een’ Buurtmeester, alle ter aanstellinge zo als die Schepenen van Loosdrecht: (Zie Oud-Loosdrecht art. wereldlijke regeering.)
Verder vinden wij wegens de Wereldlijke Regeering van Mijnden nog uit medegedeelde berichten, het volgende aangetekend.
„Het klein getal van ingezetenen, gaf in den jaare 1567, aanleiding tot eene schikking, waarbij vastgesteld werd, dat in de Ambachtsheerlijkheid van Mijnden, recht en gerechtigheid zoude geoefend worden, bij den Schout en drie gezworene Heemraaden, die aldaar jaarlijks gemagtigd werden, tot schouwing van de dijkaadjen en wateringen: deeze Heemraaden zouden als Schepenen den eed doen, in handen van den Ambachtsheere: volgends het verzoekschrift tot deeze schikking, welke door den Hove van Holland werd goedgekeurd, geschiedde dezelve, om dat de Gebuuren, die met den Schout te recht moesten zitten, maar elf in getal waren, en onder deezen vier broeders; ook waren zij alle schamele lieden, die dagelijks hun brood moesten gaan winnen, en derhalven op de rechtdagen niet passen.”
Zie wegens de voorrechten, ons volgend art. bijzonderheden.
De BEZIGHEDEN
Der bewoneren van Mijnden, zijn geene anderen dan de hooiteelt en de melkerij; en welke beide takken van bestaan, hun nog maar maatiglijk het benoodigde kunnen verschaffen.
Van de
GESCHIEDENISSEN
Deezes Ambachts is almede niets der aandacht waardig aantetekenen: de weinige bewooners die er gevonden worden hebben geen deel genomen in de verdeeldheden; waardoor ons lieve Vaderland sedert eenige jaaren is geschokt geworden.
BIJZONDERHEDEN.
Onder deezen kunnen wij brengen eenig bericht van het Huis te Mijnden, waarvan wij hiervoor reeds melding maakten; het bedoelde bericht, vinden wij geboekt in de volgende bewoordingen:
„Ten noorden van de Drecht, niet verre van de Mijndersluis, door welken alle vaartuigen van de Loosdrechten naar de Vecht moeten, is, ten oosten deezer rivier, een ruig begraasde puinheuvel, die, gelijk men nog eenigzins kan ontdekken, met graften omvangen is geweest: deeze is het eenig overblijfzel van het huis te Mijnden, dat vrij groot schijnt geweest te zijn, en, volgends de gedaante der steenen, die men hier weleer vondt, doch merkelijk verminderen en verdwijnen, eene hooge rondheid moet gehad hebben; men wil dat het in den jaare 1227 gebouwd zij, door Ægidius, één der Heeren uit den Huize Van Amstel: ook is het vrij klaar dat de Heeren Van Mijnden, uit het geslacht der Heeren Van Amstel afstamden: de tijd der verdelging van dat huis, en bij welke gelegenheid dit gebeurde, is onbekend.”
Dit huis geeft het recht tot beschreven te kunnen worden in de Ridderschap; het heeft ook verscheidene achterleenen die verheft moeten worden, alwaarom over dezelve ook een Stadhouder aangesteld wordt.
Onder dit artijkel kunnen ook betrokken worden de aanzienlijke lustplaatsen, welken aldaar gelegen zijn, voornaamlijk tusschen de Weere of Landscheiding der Provincie van Holland en Utrecht—ééne der gezegde lustplaatsen, schijnt den naam van Weerestein, naar de gemelde Weere of landscheiding te draagen.
LOGEMENTEN
Zyn hier eigenlijk niet.
Het Rechthuis is eene goede herberg.
REISGELEGENHEDEN
Zijn te Mijnden mede niet, men moet zig te voet of met rijtuig van daar naar één der nabijgelegene plaatsjens begeeven, om de vereischte reisgelegenheid te vinden.
AANTEEKENINGEN
[1] De Ambachten van Waveren, Botshol, en Ruigewilnissen worden door sommigen onder Amstelland begrepen, om dat zij met hetzelve een zelfde Bailluw hebben, (en waarom wij dezelven ook in dit Deel van ons werk hebben getrokken,) doch er zijn voorbeelden dat de gezegde Ambachten een’ afzonderlijken Bailluw gehad hebben; „ook,” zegt een onzer geëerde begunstigers, „wordt in den aanstellings-brief van den Bailluw, van dezelven, als byzondere districten gewag gemaakt.”
[2] Van deezen naam Heilige stede, draagt ook de Heilige weg zijnen naam, om dat vóór de uitlegging der stad aan die zijde, het volk van ’t platte land langs dien weg, herwaards, de Heilige stede kwam bezoeken.
[3] Het draagt den naam van Prinsenhof, om dat het in 1594 bekwaam gemaakt werd ter logeeringe van Prinsen, en andere voornaame persoonaadjen, die zig dikwijls in Amsteldam bevinden.
[4] Hoe het omtrent dat dorp gegaan is, hebben wij in ons blad dat over hetzelve handelt, breedvoerig genoeg aangetekend, om er verder hier van te kunnen zwijgen.
[5] Wij bedoelden met dit zeggen, dat de verwachting van den moed, maar vooral van het beleid der verdedigers niet groot heeft kunnen weezen, uit aanmerking van den aart hunner omstandigheden; ’t waren tog slechts burgers, wel geoefend in het handelen der wapenen, maar niet geoefend in den krijg: de handwerktuigen werden verwisseld met de wapenen; de vredige plaats der broodwinning met het oorlogsveld; de koopman lag de pen neder, en vattede den staf van commando op, als bevelhebber in eenen bloedigen krijg: en tegen een geoefend volk, een volk dat zig onder de oorlogende Europeêrs eenen naam verworven heeft: en deeze stille burgers deeden wonderen; toonden Batavieren te zijn; toonden onverschrokken te durven staan, als ’t aankwam op de verdediging van Land en Volk!—zeker hunne omstandigheid behoort vooral in aanmerking genomen te worden, wil men geen gevaar loopen van hunnen behaalden roem te kort te doen.
[6] Men heeft zelfs verteld, ja wat verteld men niet al! en hoe dom denkt men wel dat de Duitsche soldaat zou weezen! sommige van hun hadden zig van de Nederlandsche Patriotten een denkbeeld gemaakt, als waren het zekere wonder-verschijnselen in de Natuur; zekere menschen, of gedaante van menschen, met vleugelen; die overal, door het geheele land heen rondgierden: verscheidene maalen, zegt men, is in den beginne door hen gevraagd of zij nu niet haast die Patriotten zouden zijn? ofschoon zij er reeds door onthaald waren geworden.
[7] Dit is een schoon gebouw, behoorende aan de Thesaurie der stad Amsteldam: alle vaartuigen, die er passeeren, moeten er aanleggen en tol betalen.
[8] Om deeze reden stellen sommigen ook niet dat Holland zijnen naam zoude ontleend hebben van deszelfs laage (Holle) ligging, maar van de menigte bosschen (Holt, hout) die er gevonden worden.
[9] Deeze paal was in den jaare 1793 een zeer oud en onaanzienlijk stuk houts, ten gezegden jaare is er een fraaje ronde steenen paal in de plaats gezet, bovenaan rondsom denzelven leest men 100 Gaarden, zijnde de uitgestrektheid van het gebied van Amsteldam, boven op den paal staat een fraaje bewerkte kroon, ook pronkt hij met de wapens van Amsteldam en Amstelland, en laager staat het voorgemelde jaartal der vernieuwinge MDCCXCIII.
[10] In het blad van onze Stad- en Dorpbeschrijver, voorgemeld, handelende over West-maas, en welk blad thans op de pers is, hebben wij opzettelijk over den staat van het Brand-wezen ten platten Lande, gesproken: God, die de harten kan bestuuren, geve dat het den gewenschten invloed, en uitwerking hebbe.
[11] Men zie over dit en de andere Kerklijke en Wereldlijke Gebouwen van Amstelveen, het blad van onzen meergemelden Beschouwer, ’t welk over dit dorp handelt.
[12] Ofschoon onze Stad- en Dorp-Beschrijver, volstrekt niet afgeleverd wordt dan aan de Heeren Intekenaaren op denzelven, hebben wij echter de beschrijving van den brand ook buiten intekening gedebiteerd; en vermids niemand van gezegde Intekenaaren zich daaraan heeft gestoten, oordeelen wij, ook omtrent dit blaadjen, als tot de beschrijving van den brand behoorende, die vrijheid te mogen gebruiken.
[13] Zie onze beschrijving van meergemelden brand, bladz. 4.
[14] Zie onze beschrijving van den brand, bladz. 2.
[15] Onze geëerde Correspondent in deezen, zwijgt van de volgende omstandigheden des dorps: wij hebben echter geloofd, om de volkomenheid onzes werks te bevorderen, dezelven hier te moeten inlassen.
[16] Dit grondgebied werd door Keizer Otto den Tweeden geschonken aan zekere Abdisse Goedela, waarvan het den naam bekwam van Goedelaland, dat is het land van Goedela; deeze naam, (Goedelaland,) is door de zo vermogende klankverbastering veranderd, eerst in Goeiland, en daarna in Gooiland.
[17] Dit Trompenbergjen zegt men, zijn’ naam ontleend te hebben van den Hollandschen Admiraal Tromp, ten wiens gebruike men het zelve had afgestaan; en sommigen beweeren dat op deszelfs top door hem een coupel gebouwd is: men weet dat die dappere Held zijn hofstede in het nabijgelegen ’s Graaveland had: (zie onze beschrijving van dat dorp).
[18] Het vorige orgel was mede door den brand verteerd,—meer dan 20 jaaren had men zig zonder zulk een nuttig kerkinstrument beholpen——dan, den 28 Jan. 1786 werd bij de Regeering deezer plaatse geresolveerd, om een plan tot goedmaaking der kosten voor een nieuw Orgel voor de gemeente ter tekeninge te leggen, ’t welk met het goed voorbeeld der Regenten, zulk een gewenschten uitwerking hadt, dat men weldra in staat was gesteld om een nieuw Orgel te laaten vervaardigen.
[19] Deeze Kerk is ingewijd den 4 Julij 1786, zijnde toen de eerste predikatie daar in gedaan door den Eerw. Heer Paulus Beyleveld, Pastoor te Vleuten.
[20] Aanmerkelijk is het, dat deeze beesten, nu eerst uit het ei gekomen, weldra de grootte van de oude verkrijgen; doch tot hunne verwisseling van vederen zijn zij graauw van kleur; eerst bij dat verwisselen krijgen zij veeren zo ongemeen wit als waarmede de ouden pronken; even aanmerkelijk is het, dat zij zingen als zij den dood voelen naderen, waarom men ook gewoon is, het laatste vers eens dichters, zijn Zwanenzang te noemen: de zededichter Claas Bruyn, deeze eigenschap der zwaanen op de vroomen toepassende, heft daarvan dus aan:
Laat de zwaan zijn lijkzang hooren, Met een lieffelijk geluid, Daar hij ’t leven meê besluit, Vroome zielen, uitverkoren, Om te heerschen op Gods throon, Slaan dus ook hun’ laatste toon. Ja zij zingen met de klanken Van het welbewust gemoed, Schoon het sterflot op hun woed’; Dit ’s het lijkdicht van die kranken: „Kom, o Jesus! al ons lust, „Haal ons in uw zachte rust, enz.
[21] Oudover en Muieveld zijn gehuchten, gerechtlijk onder Loosdrecht, doch kerklijk onder Loenen behoorende, (de Oude- en Nieuwe-dijk, welke laatste aan Breukeleveen grenst, behoort onder de Parochie van Oud-Loosdrecht:) zij bevatten niets der aantekeninge waardig, en worden schaars bewoond, niettegenstaande er verscheidene buitenplaatsen in gevonden worden: Loenderveen is eene polder, mede onder Loosdrecht behoorende; doch dezelve is bijna geheel uitgebaggerd.
[22] Eenige onzer ingewonnene berichten spreeken zelfs van over de 3000 morgen.
[23] Zie aldaar ook wegens het Hooge Rechtsgebied.