De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 25
De grootte hebben wij niet te weeten kunnen komen, niet anders dan dat de ringdijk die er om gelegen is, en derhalven de Meir in zijnen omtrek, beslaat eenen weg van drie uuren gaans, gelijk wij boven reeds zeiden.
Dewijl het droogmaken deezer Meir, met geen wenschlijken uitslag bekroond is geworden, en de bewooning derzelven, of liever van den ring, gelijk wij ook reeds zeiden, zeer gering is, zijn hier ook noch kerklijke, noch wereldlijke gebouwen voorhanden, en daar de weinige bewooners van den ringdijk, rondsom de meir, crimineel en civil voor de rechtbanken van Amsteldam of Weesp betrokken worden, (echter heeft de meir haar eigen Bailluw en Dykgraaf, Schout en Secretaris,) en wij derhalven in ons artijkel regeering ook niets te zeggen hebben, blijft ons weinig meer aantetekenen, dan wegens de
VOORRECHTEN
Van de bewooners van den ringdijk, die door het instorten van modder reeds goede gronden binnensdijks aangewonnen hebben; daarin bestaande naamlijk dat zij gerechtigd zijn tot dezelfde gronden, als de bebouwers van de Watergraafsmeir; zie onze beschrijving van die Meir, Art. Voorrechten.
De Ingelanden van de Meir, hebben, volgens gemaakte overeenkomst, ook vrijheid van in de meir te mogen visschen, niettegenstaande de verpachting derzelve, waarvan nader.
BEZIGHEDEN.
Ingevolge het gezegd aanwinnen van land, door het plempen van modder, bestaan de bezigheden van de bewooners der Meir, of liever van die van den ringdijk in moestuinderijen en melkerijen; geen van beiden zijn echter talrijk, om dat de ring niet dan op ruime afstanden bewoond wordt—de Meir zelve wordt voords door de steden Amsteldam en Weesp, ten gemeenen voordeele verpacht, thans voor eene somme van duizend guldens, waarbij nog ruim vierhonderd guldens aan onkosten van knechts, schuiten, en netten moet gerekend worden; indien wij voords verzekeren dat die verpachting nog aanzienlijken winst opbrengt, zal men kunnen besluiten tot de overvloed van visch welke in dat water gevangen moet worden: de voornaamste visch die er gevangen wordt is paling, baars en karper; de laatste wordt er meest door de Jooden opgekocht; de baars door de visschers aan de Schulpbrug, en de paaling wordt grootendeels door den pachter zelven alomme gesleten.
GESCHIEDENIS.
Wij hebben reeds gehoord dat niet geweeten wordt hoe deeze Meir, zo wel als de Bijlemer zelve, na de Heeren van Amstel dezelve aan den Bisschop van Utrecht hebben moeten afstaan, weder aan de Graaflijkheid van Holland is gekomen, dit is zeker dat zij er aangekomen zijn, reeds sedert den jaare 1622, want toen werd er van de Staaten van Holland en Westfriesland octrooi verzocht en ook verkregen om deeze Meir te mogen bedijken, droog te maaken, en in eigendom te mogen houden, op eene erkentenis van duizend guldens jaarlijks; een verlof dat in de daad in ons Land wel zonder erkentenis mogt gegeven worden; aangezien het gevaar waarmede deeze en dergelijke streeken het Land over ’t algemeen dreigen—de gezegde duizend guldens jaarlijks zouden verdeeld worden over de morgentalen van de bedijkte Meir, mits de Ingelanden wier landen in de bedijking zouden betrokken zijn, (zie hier voor de Beschrijving van de Bijlemer, art. Grootte,) te vergenoegen en op zodanige voorwaarden van bestuuring over de drooggemaakte landen, als meesttentijds bij het bedijken van meiren of waterplassen verzocht wordt, midsgaders vrijdommen van lasten voor eenige jaaren—dit groote en nuttige werk, had ook waarlijk zijnen voordgang, en dat niet alleen, maar ook zijn goed gevolg, zodanig naamlijk, dat de Meir in den jaare 1627 droog geweest is; als wanneer door de onderneemers of Ingelanden aan de Heeren Staaten van Holland en Westfriesland verzocht werd om het Hooge, Middenbaare en Laage rechtsgebied over de drooggemaakte landen te mogen oefenen, dat hun ook geredelijk toegestaan werd; in gevolge van welke vergunning de drooggemaakte landen, zo lange zij bestaan hebben, ook hunnen eigenen Baljuw hebben gehad; en wel tot den jaare 1702, toen (tusschen den 5 en 6 April,) eenen hevigen storm, den ringdijk der Meir zodanig van het buitenwater deed lijden, dat dezelve doorbrak, en de geheele droogmaak weder in een Meir deed veranderen; dat is bijna in die gedaante waarin wij dezelve nog heden ten dage zien.
L. Smids, in zijn Oorlogend Europa, bladz. 126, stelt de voorgemelde tijd van volbragt werk, wegens deeze droogmaaking, vier jaaren laater, naamlijk in 1631; hij zegt naamlijk: „Tusschen den 5 en 6, (April 1702,) hadt men bij nacht eenen droevigen watersnood, rondsom Amsteldam, tot aan Haarlem en Edam, Utrecht en Amersfoord, zijnde de dijken bij Muiden weggespoeld, en de Bijlemermeir, tusschen Diemen en Gaasp, anno 1631 bedijkt, nu weder gantsch overspoeld:” ongetwijfeld moet dit verschil der jaartallen gebragt worden, tot den tijd der voltooide droogmaaking, en den tijd dat de in die droogmaak aangehoogde gronden bebouwbaar waren.
„Dit ongeval,” leezen wij, „is aan de landen deezer bedijkinge te vooren nogmaals overgekomen, in den jaare 1672, (gelijk wij in onze beschrijving van de Diemer- of Watergrafts-meir mede aangetekend hebben; zie aldaar) „toen de nabijheid der Franschen de Regeering der Stad Amsteldam deed oordeelen dat het tot haare veiligheid noodzaaklijk was, alle de landen die digt omtrent haar gelegen waren, onder water te zetten: dit ongemak scheen men tot weering van den vijand geduldig te lijden, en zig op nieuw de droogmaaking te getroosten; maar na de laatste doorbraak, in 1702, hebben de Ingelanden nimmer eene volstrekte uitmaalinge van het water in deeze Meir ondernomen: dit was ongetwijfeld de oorzaak”, vervolgt onze schrijver, „dat de steden Amsteldam en Weesp, zekerlijk tot behouding der onderlinge gemeenschap, te raaden geworden zijn de Bijlemermeir te aanvaarden, op zodanige voorwaarden, als zij met de eigenaars zouden verdragen; waartoe deeze twee steden met elkander eene overeenkomst aangingen, den 20 November des jaars 1702; waarbij vastgesteld werd dat van wederzijde voor de helfte in de onkosten zoude gedragen worden, tot het herstellen van den dijk, en het droog- of dras-maalen van de Meir, als mede tot het jaarlijks onderhouden van den dijk, met het geen er toe behoorde van molens als anderzins; waartoe wederom de voordeelen wederzijds ter helft zouden genoten worden van de tollen, vogelkooi, visscherij, ’t riet- en gras-gewas van den dijk, en wat verder ten nutte zoude kunnen komen.”
Den 24 Augustus des jaars 1703 volgde hierop eene overeenkomst tusschen de gemelde steden Amsteldam en Weesp, ter eener, en de Ingelanden van de Meir ter andere zijde, waarbij de steden gemagtigd werden, tot alles wat ter behoudenisse van den dijk, en tot bewaaring van den boezem der Meir zoude mogen dienen, als mede om van binnen om den dijk modder of andere stoffen te brengen, drijfbalken te leggen, enz. alles zonder tegenspraak van de Ingelanden, die echter in tegendeel de molen aan zig zouden houden, en ieder van hun zijne huizen en getimmerten, om daar naar welgevallen mede te mogen handelen: ook zouden de Ingelanden bovendien de visscherij over de geheele Meir behouden; maar wat betreft den dijk zelven, het genot daarvan, mits er geene beesten over moesten loopen, voords ook het riet- en gras-gewas, rondsom de geheele Meir, zou verdeeld worden tusschen de meergemelde twee steden ter eener, en de Ingelanden ter andere zijde, iedere partij voor de zuivere helft: de gezegde steden zouden voords niet gehouden zijn te draagen in de schulden en eisschen, loopende ten lasten van de Ingelanden.
Ten aanzien van het droogmaalen der Bijlemermeir, is sedert niets meer voorgevallen, dan dat men door het instorten of plempen van modder (waarvan wij reeds iet zeiden,) langzaamerhand land aanwint; ’t is te hoopen dat deeze moejelijke taak van tijd tot tijd voordgezet zal worden; en ’t is te berekenen dat het mogelijk is, door dat middel, ofschoon niet binnen weinige jaaren, de breede waterplas onder bedwang te krijgen, niet alleen, maar zelfs haar gevreesd vermogen zodanig te verzwakken dat zij, om zo te spreeken, het hoofd voor den ijver des arbeids zal moeten onderhaalen, en het water in vruchtbaar land veranderd zal worden, zonder de zwaare onkosten van uitmaalinge.
Geene andere
BIJZONDERHEDEN,
Zijn hier voorhanden, dan op den ringdijk, niet verre van het Bijlemer rechthuis, een boerewooning, die in den groote doorbraak van den jaare 1702, waardoor alles overstroomd, en weggespoeld is, alleen is blijven staan; en in die woning nog een teken aan één der wanden van dezelve, aanwijzende hoe hoog het water, bij gelegenheid van die doorbraak, gestaan heeft.
Onze artijkels reisgelegenheden of logementen hier niet te passe komende, kunnen wij onze beschrijving van de Bijlemermeir sluiten.
DE GAASP.
In onze voorgaande beschrijving van Weesper-kerspel in ’t algemeen, tekenden wij reeds aan, dat hetzelve verdeeld wordt in vier Stokken, (zie aldaar bladz. 1:) de eerste dier Stokken, de Bijlemer, (alléén eene rechtbank hebbende,) is door ons reeds beschreven, thans moeten wij onze navorschingen en medegedeelde berichten, nopens de overige drie stokken, (zamen tot een rechtbank behoorende,) en die zo veele polders zijn, nog aantekenen, en wel eerst die van de polder de Gaasp, boven gemeld.
Wat betreft deszelfs
LIGGING.
Deeze kan eenvoudiglijk bepaald worden te zijn ten westen van de stad Weesp, langs een’ stroom, denzelfden naam voerende: de ligging der polder over het algemeen is zeer aangenaam, en volstrekt geheel landlijk, als zijnde maar weinig bebouwd.
NAAMSOORSPRONG.
Deeze polder waarvan wij thans spreeken ontleend haren naam van den gezegden stroom, (de Gaasp;) doch bij wat gelegenheid de stroom zelf dien naam gekregen heeft, hebben wij nergens kunnen ontdekken—men vindt hem ook den Gaasop genoemd.
De afzonderlijke
GROOTTE
Van den grond, in den eigenlijken omvang van de Gaasp, staat op de quohieren der verpondingen over Weesper-kerspel in ’t algemeen niet aangetekend; gelijk ons dan ook niet bericht is hoe veel huizen in deeze polder gevonden worden: behalven die woningen, liggen er in Gaasp nog eenige buitenplaatsen, die echter van weinige betekenis zijn: de eenige voornaame is die welke met den naam van Reigersbroek pronkt; zijnde deeze de naam van een lusthuis met zijn ongemeen ver uitgestrekt bosch daarbij, ’t welk de Heeren van Amstel, in hunnen tijd, in deezen oord hadden, waarop zij hunne Officieren onder de benaaming van Meesters, of Bewaarders van den Reigerbossche stelden; men wil dat dit huis en bosch in den grooten watervloed van 1421 verzwolgen zouden weezen, ter staavinge van het welk zij, onder anderen, de boomen die jaarlijks in den ruimen omtrek van dit oord nog opgegraven worden, bijbrengen.
Het gezegde getal van huizen in de Gaasp, zoude men echter nog drie hooger kunnen stellen, indien men daaronder betrokke de drie watermolens, in de polder voorhanden zijnde om het overtollige water uittemaalen: thans echter zijn dezelven van geenen dienst, alzo de landlieden aldaar zig onderwerpelijk moeten getroosten dat het polderwater tot eene gevaarlijke en werkelijk nadeelige hoogte rijze, vermids de molenaars van gezegde watermolens, bevel ontvangen hebben, volstrekt niet te maalen, tot nader order; men kan naamlijk goedvinden de binnenwateren door ze bovenmaatig te doen zwellen, gereed te houden tot het aanstellen van bejammerenswaardige inundatiën, daartoe aangemoedigd door de aannaadering van het magtige Fransche volk—’t is echter zeer te vreezen.... maar wij mogen niet vreezen, naamlijk niet in ’t openbaar; ’s Lands vaderen, hartlijk begaan met den toestand hunner onderhoorigen, begeeren, hoogst edelmoedig, het pijnlijke der vreeze voor zig alleen te houden, en vorderen niets anders dan eene stille, eene, in zekere opzichten, zorgelooze onderwerping.
Het wapen van de Gaasp, kan gezegd worden dat van Weesper-Kerspel te weezen, gelijk zulks ook omtrent de overige stokken van dat Kerspel plaats heeft.
Kerklijke of wereldlijke gebouwen zijn hier geheel niet voorhanden, derhalven kunnen wij vervolgends ook onder ons artijkel, kerklijke regeering niets brengen: zie wegens de weezen en armen het artijkel regeering in onze beschrijving van Weesper-Kerspel in ’t algemeen, de bewooners moeten voords te Abcoude of te Weesp ter kerke gaan: zie omtrent het schoolgaan onder onze beschrijving van ’t Gein—wat voords de wereldlijke regeering betreft, van deeze is reeds onder onze gemelde algemeene beschrijving van Weesper-kerspel gesproken.
De
BEZIGHEDEN
Van de weinige lieden die bepaaldlijk kunnen gezegd worden de Gaasp te bewoonen, bestaan alleen in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landen worden bebouwd.
GESCHIEDENISSEN.
Onder dit artijkel van ons algemeen plan, zouden wij, wat de Gaasp betreft, even als van eenige andere voorgaande iet aantetekenen hebben, ware het niet dat het deeze polder ook geheugde hoe in onze nog plaats hebbende, en zelfs hand over hand toeneemende, onlusten, meest al geboren uit eene zucht voor de Vrijheid, die bij de waare en braave Nederlanders, welken van den loflijken aart hunner voorvaderen niet ontaart zijn, (en waaronder gerustlijk alle de bewooners van de Gaasp betrokken mogen worden,) volstrekt onverwinnelijk is; ware het niet, zeggen wij, dat deeze polder ook de baldaadigheid, of liever wreede woestheid van den Pruissischen Soldaat hadde moeten bezuuren: bij de overstrooming van een aanzienlijk gedeelte van onzen vrijen grond door de bedoelde Vorstlijke benden, waarvoor de Vaderlandsche burgerhelden hebben moeten goedvinden te wijken, ontvingen die van de Gaasp ook hun aandeel van dezelve ter inquartieringe, en hebben er niet weinig overlast van geleden, zonder naderhand eenige schadevergoeding ja zelfs zonder het geaccordeerde teergeld in zijn geheel ontvangen te hebben, zo dat zij vrij mogen zeggen:
Soldaat zij vijand of zij vrind, Hij neemt wat hij kan krijgen, Doet door geweld den klaager zwijgen, Hij is zijn welvaart moê, die zulk een gast bemint.
Hoe zeer de Pruissen zig verstouten op lauren, in deeze zonderlinge expeditie bevochten, te roemen, is het echter onwederspreekelijk waar, dat zij dapperen tegenstand gevonden hebben; zij ontmoetten mannen van moed, zodanig als zij nog nimmer ontmoet hadden: zo geheugt ons gehoord te hebben, hoe elders een detachement cavallerij van de Hollanders, ter recognosseering uitgezonden, een detachement Pruissen, ook paardevolk, ten gemoete kwam: één van deezen, de Hollanders, op vertellingjens, verachtende, reedt uit het gelid, hun al tartende tegen; hier op verzocht één der Hollanderen verlof om deezen snorker het hoofd te mogen gaan bieden; hij kreeg verlof en gaf zijn paard de spooren; welhaast geraakten partijen aan den dans, met dat gevolg, dat het paard van den Hollander doodgeschoten werd; de ruiter sprong, in den val van ’t paard, in een nabuurige sloot, en daarin staande, vattede hij den karabijn, en schoot den Pruis van het paard, waarna hij uit den sloot kwam, op het vijandlijk paard steeg, en in triumph in zijn gelid wederkeerde——zeker, zulke dappere daaden, verdienen bij gelegenheden vereeuwigd te worden.
Bijzonderheden zijn in deeze polder niet aanwezig, gelijk er ook geene reisgelegenheden, of herbergen, veel min logementen, voorhanden zijn: aan het eind van de Bijlemer, of begin van de Gaasp, ligt de aangenaame herberg, Gaasperzicht, waarvan wij onder de Bijlemer reeds gesproken hebben.
HET GEIN.
De
LIGGING
Van deezen anderen stok van Weesper-kerspel kan zekerlijk niet genoeg geroemd worden, en een onzer voorhanden zijnde schrijvers zegt des veel te weinig wanneer hij het Gein, (of, gelijk men ook wel schrijft, Gein, of Gijn,) bekoorlijk noemt, en daar bijvoegt, „Dit is zekerlijk één van de aangenaamste wegen, die men vinden kan; buitenplaats aan buitenplaats; de eene schooner dan de andere; en ’t geen er mij zeer voldoet, de weg is zo geheel somber, zo stil, des de ligging der plaatsen zo geschikt voor gevoelige zielen.”—Het Gein is een verrukkelijk paradijs, dat men in oogenschouw moet neemen om van deszelfs bekoorelijke ligging een denkbeeld te kunnen vormen, gelijk het dan ook voor een goed gedeelte van het jaar duizenden lieden uit den omtrek, voornaamlijk Amsteldammers, Weespers, en Abcoudenaars tot zig lokt, om onder deszelfs lommerig geboomte een uurtjen van uitspanning doortebrengen.
De eigenlijke ligging kan gezegd worden te zijn ten zuidwesten van de rivier welke dien naam draagt, en de stad Weesp, op den afstand van een half uur gaans; strekkende het Gein voords tot aan het rechtsgebied van Abcoude.
Wat de
NAAMSOORSPRONG
Betreft, deezen moet gezocht worden in den naam van gezegde rivier, (het Gein,) die het district zo ongemeen veraangenaamt; voords vindt men weder nergens eenig verslag van de gelegenheid bij welke die rivier den naam van Gein bekomen heeft.
De
GROOTTE
Of uitgebreidheid van den grond betreffende kan ook niet afzonderlijk opgegeven worden; het getal der huizen, (de fraaje hofsteden daaronder betrokken,) die eigenlijk kunnen gezegd worden in de polder het Gein gelegen te wezen, is niet groot.
Het wapen is dat van het geheele Kerspel.
KERKLIJKE GEBOUWEN
Zijn hier weder niet voorhanden; de ingezetenen (waaronder Gereformeerden, Lutherschen, en Roomschen gevonden worden,) moeten te Weesp of Abcoude ter kerk gaan: evenwel kan men onder dit artijkel brengen het School: ’t welk in deeze polder, nabij de Geinbrug gevonden wordt, en vrij aanzienlijk is: het is een Buurt-school; (om ’t deezen naam eens toetekennen,) dat op een tractement van ƒ 150 ’s jaars begeven wordt, voor welk tractement de Meester de Weezen en kinderen van arme ingezetenen voor niet in zijne school moet ontvangen, (doch men verzekert dat er sedert jaaren herwaards zulke kinderen niet geweest zijn,) terwijl de ouders der overige kinderen hem een zeker leergeld moeten betaalen: dit inkomen (dikwijls van meer dan 70 kinderen,) gevoegd bij het geen deeze man verdient met het lesgeeven aan de kinderen dier Grooten, welken den zomer in het Gein op hunne buitenplaatsen doorbrengen, verschaft hem een zeer goed bestaan—de kinderen uit de Gaasp gaan ook hier ter school.
Wereldlijke gebouwen zijn hier weder niet voorhanden, en wegens de wereldlijke regeering zie men onder dat artijkel onzer voorgaande algemeene beschrijving van Weesper-kerspel.
De
BEZIGHEDEN
Der bewooneren van het Gein bestaan voornaamlijk in de melkerij, geene der aldaar voorhanden zijnde landerijen wordt bebouwd, voords woonen er, bij gelegenheid van de meergemelde Hofsteden, eenige tuinlieden; ook vindt men er verscheidene van die ambachtslieden, wier verrichtingen in de burgerlijke zamenleeving onontbeerelijk zijn, als Timmerlieden, Schoenmaakers, Kleeremaakers, en dergelijken: er is ook een Chirurgijn.
Van de
GESCHIEDENISSEN
Van het Gein, zij hetzelfde gezegd als van die van de Gaasp voorbeschreven: onder de inwooneren zijn veele Staats- of Vaderlands-gezinden, welke van de Pruissen in 1787 grouwzaam veel hebben moeten lijden; zelfs de vrouwen, die deezen volgden, hebben zig in dien omtrek zonderling onderscheiden, in het wegneemen van de kleederen haarer sexe, die zij voor de hand vonden; vooral hebben deze rustherstellers aan de fraaje buitenplaatsen groote schade toegebragt—men verhaalt, dat die van de Stadhouderlijke partij, welken in het Gein gevonden worden, bij het aannaderen der Pruissen, hunne beste goederen zamengebragt hadden, op eene der aldaar gelegene buitenplaatsen, wier eigenaar voor een ijverig Stadhoudersgezinden bekend was; zig om die reden verzekerende dat gezegde hunne goederen aldaar wel veilig zouden weezen; doch toen de Pruissen er zig bevonden, en hunne gewoone bezigheden ter hand namen, ondervond men tot ongemeen groot harteleed, dat zij niet vooraf onderzochten tegen wie, of vóór wie der bewooneren zij eigenlijk opgezonden waren, nemaar dat zij, zonder eenzijdigheid, aanvielen op alles wat hun voor de hand kwam; want onder anderen werd de bedoelde buitenplaats door hen geheel uitgeplonderd, waarbij zij derhalven verscheidene vliegen in één klap medenamen.
Men verhaalt, dat de Pruissen eenen bijzonderen haat tegen de Geinbewooners betoonden te hebben, ter oorzaake dat, op donderdag den 20 September, drie dagen voor hunnen aanval op Weesp, zekeren Huisman, met naame Hendrik de Ruiter, door twee van Abcoude komende Pruissische Officieren, op eene listige wijze, naar de sterkte dier stad aan de voor hun liggende zijde gevraagd zijnde, verzekerd had, dat er, voor zo verre hij wist, aan dien kant geen geschut lag (zijnde hetzelve er eerst op vrijdag den 21 gebragt,): toen zij nu des zondags den 23 op Weesp aantrokken, deeden zij daadlijk onderzoek naar zijn wooning, en noodzaakten hem in den nacht hen den weg te wijzen; ’t welk hij tot aan de Geinbrug toe deed: dan, in hunne verwachting bedrogen zijnde, dreigden zij, bij hunne retraite, diens huismans wooning in de brand te steeken, en sleepten hem den daaraan volgenden avond, onder een aanhoudend slaan en stooten, naar het Hoofdquartier aan de Nichtervechter Kade, alwaar weldra zijn vonnis wierd opgemaakt, daarin bestaande, dat men hem, zonder forme van proces, aan een’ boom zoude ophangen, ten spiegel van anderen, die mogelijk in hunnen overmoed zouden durven besluiten, zijn voetspoor in het misleiden van krijgslieden, die als vrienden in hun Land kwamen, te volgen: evenwel heeft men deezen Huisman, op zijn eigen verdediging, en de getuigenis van zijne buuren, dat hij zig nimmer met eenige Staatkundige geschillen bemoeid had, en voor een eerlijk man bij hen bekend stond, ontslagen, onder die voorwaarde, dat hij, het tegendeel bevonden wordende, weder naar den commandeerenden Officier zou gevoerd worden, en het bedreigde vonnis zou moeten ondergaan.
Onder ons artijkel
BIJZONDERHEDEN,
Kunnen wij, voor het Gein, brengen de meergemelde aanzienlijke Hofsteden, allen, bij gelegenheid, der bezichtiginge overwaardig: de voornaamsten zijn die van
den Heere Lepeltak. ———— Elias, Burgemeester te Amsterdam. ———— Boers, ———— Asschenberg. ———— Abcouw. Mevrouw Walland. den Heere Mendes da Costa. ———— Meints. ———— Verryn, en die van ———— De Clercq.
De
REISGELEGENHEDEN
Zijn deezen: men kan met de Weesper schuit naar Weesp, of naar Amsteldam; aan de Geinbrug kan men er uitstappen; er vaart ook een schuit van Weesper-kerspel, op Amsteldam; behalven de gewoone beurt, in de week, vaart zij ook des zomers, op zondag avond, omtrent ten half zeven uuren van de Geinbrug af: de Schippersplaats daarvan, wordt bij vacature door den Gerechte begeeven.
De
HERBERGEN,
Die in ’t Gein gevonden worden, zijn
De Vijfhoek, en ’s Lands Welvaaren
Van veelen wordt de eerstgemelde herberg, het rechthuis genoemd, schoon zij zulks in geenen deele zij; alleenlijk heeft zij dien naam verkregen, om dat voor de puie van dezelve gemeenlijk alle waarschouwingen en ordonnantien van Poldermeesteren, en dergelijke openbaare aankondigingen aangeplakt worden.
OVERVECHT.
De
LIGGING
Van deeze polder, is ten oosten van de Stad Weesp, en ten noord-oosten van de aangenaame rivier de Vecht, niet onaartig door de zoetzingende Willink, de eigenschap van blank toegekend; daar hij zegt:
Nu vloeit de blanke vecht in vreê, En schuurt met haare zoete dreeven, De Muiderschutsluis door in zee, Om met het pekelnat te paaren; Nu bruischt zij langs dat luchtig oord, Daar zij op net beschaafde zangen, En zuiver heldendicht bekoord, Blijft aan des Drossaarts maatklank hangen, In twijfel of zij stil zal staan, Of op die toonen verder gaan.