De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 24
De lotgevallen deezer Stad zijn, naar de echte bescheiden in ’s Lands Historien geboekt, de volgende. In den Jare 1204. wierd Weesp, om dat Amstel de zijde van Lodewijk Grave van Loon tegen Willem den Eersten hield, door de Kennemers, onder aanvoering van Wouter van Egmond en Albert Banjaard, in de assche gelegd, welk onheil haar 1356 door Bisschop Jan van Arkel na eene vierdaagsche belegering, voor de twedemaal berokkend wierd. 1374 nam de Utrechtsche Bisschop Arnold van Hoorne ter wraake van eenen geleden hoon door Albrecht van Beieren, en ter ontheffinge van een Jaarlijksche schuld van 3700 ponden, sints 1356, voor het Slot van Vreeland, de Stad in, en stelde haar onder een zwaare brandschatting. 1507 viel Weesp in handen van Karel van Egmond, Hertog van Gelder; zeer veel had zij toen te lijden, ’t welk voornamelijk veroorzaakt wierd, door dien zij geweigerd had bezetting in te neemen. De Geldersche, aan den eenen kant brand hebbende doen stichten, overrompelden ze aan de andere zijde, intusschen zich de Burgerij beijverde om den brand te blusschen.
In de Nederlandsche beroerten hield deeze Stad de zijde des Konings van Spanje tot in het Jaar 1577, wanneer op den 16 Januarij, door Schout, Burghemeesteren ende ghemeene Rade ende Vroedtschap tot Weesp, van wegens Weesp en Weesper-Karspel ghecommitteert wierden, die eersame Jan Gerritz Cuijp ende Hillebrant Govertz, om met den Prince van Oranje, als Stadthouder over Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt een verding aantegaan, het welk ook op den 29sten derzelver Maand wederzijds gesloten wierd: onder de articulen van dit verdrag zijn de voornaamste, de vrijheid der Religie, en de Stad en ’t Carspel met gheenen soldaten te bezwaaren, ten waare door hoochnodigsten nood, daer het welvaren der lande, alsulcks ware vereischende, ende dan ’t zelve geschieden tot gemeijne costen der Landen van Hollandt ende Zeelandt.
Niettegenstaande het evengemelde verdrag ontstonden er in 1579 reeds eenige verschillen tusschen de Roomschen en Onroomschen, welker eerstgenoemden op aandrijving der Regeering den Hervormden Godsdienst ondernamen te stooren; ’t welk ten gevolge had, dat de Staten van Holland, Willem Bardes, Burgemeester van Amsteldam derwaards zonden, die zeven Persoonen uit de Vroedschap, en drie daar van nevens den Secretaris en ouden Pastoor, behoudens Goed en Eer, ter Stad uitzettede. De straf der oproerigen beval hij aan den Schout en de Wethouderen. Dan de ballingen kreegen spoedig vrijheid om weder tot de hunnen te rug te mogen keeren.—Na dit voorval schijnt alhier de Godsdienstige vrijheid en verdraagzaamheid in hogen top geweest te zijn, ’t welk bij de Hervormden in andere Steden zeer veel opziens baarde, en waar over de beruchte Leidsche Hoogleeraar Saravia in 1587 zich voor Gemagtigden der Staten in vrij bitse bewoordingen uitliet.
Voor zo verre ons bekend is heeft deeze Stad in de Godsdienstige geschillen der vorige Eeuw geen deel gehad. Melding te maaken van oneenigheden met de Regeering en de Bailiuwen van Gooiland zou deeze beschrijving te langwijlig doen worden.
In den Jaare 1672 wierd deeze Stad met eenen vijandlijken inval der Franschen bedreigd, en onder brandschatting gesteld; dan de penningen, daar toe ingezameld, zijn nimmer afgehaald; en men zegt, dat daar voor, met goedkeuring der Burgerij, toen het keurig Klokkenspel, waar mede de Kerktoren noch heden pronkt, vervaardigd is.
In 1748 wierd het huis van den Pachter Hogeveen, door eenige onverlaten, meestal vreemdelingen, geplunderd en afgebroken.
Toen in de jongste onlusten de zucht tot Wapenoefening door gantsch Nederland veld won, was deeze Stad ook daaromtrent niet gevoelloos. Een Genootschap van Wapenhandel door eenige bijzondere persoonen reeds in November 1783 opgericht, doch nimmer door de Wethouderschap gewettigd, waar van de geachte Schrijver van het Vervolg op de Vaderlandsche Historie van Wagenaar, 8ste Deel, verkeerd onderricht is, was van eenen korten duur, vermits Heeren Burgemeesteren zulks, om bijzondere redenen, afkeurden: wordende de Schutterij in betere orde gebragt, welke langzamerhand tot dien luister steeg, waarin zij in 1786 en 1787. de bewondering der kenneren wegdroeg.
Bij het formeeren van het Cordon van de Maaze tot aan de Zuiderzee, kwam alhier op den 2den October 1786 in Guarnisoen het 2de Bataillon van Onderwater, sterk 350 Mannen, ’t welk ter versterking van de Forten Uitermeer en Hinderdam, bij beurtverwisseling, Detachementen afzond.—Op den 16 September 1787, bij gelegenheid van het verlaten der Stad Utrecht, kwam hier ter versterking in Guarnisoen, een Bataillon van het Regiment Amsteldam (waardgelders).—Den volgenden dag verscheen een Detachement Pruisische Cavallerij voor de Poort, doch vlugtte weldra op het alarm dat binnen de Stad gemaakt wierd. De volgende dagen rukten ter verdediging der Stad noch verscheide Bataillons Infanterij, benevens een aantal Cavallerij binnen. Alles wierd ter Defensie in het werk gesteld. Dan op den 23sten September des morgens ten half vijf uuren wierden door een gewapend Kofschip, dat op de Vecht lag, seinschoten gedaan; het gantsche Guarnisoen vloog in de Wapenen, en welhaast vielen de Pruisische troupen de Stad aan de Oost, Zuid en Westzijde gelijktijdig aan, doch wierden genoodzaakt met verlies aftewijken.—Op den 26sten wierd op hooge order de Stad aan de Pruisische troupen ingeruimd, hebbende de brave en achtingwaardige Commandant G. van de Poll, met den Generaal Majoor Von Kalkreuth, eene capitulatie gesloten, waar bij onder anderen, de uittocht van het Regiment Dragonders van Bijland, het Bataillon van Bijland Infanterij, het Bataillon van het Regiment Walons van van de Poll, en het Detachement Artilleristen met alle Krijgseer toegestaan, en aan de Stad Weesp, aan derzelver Burgerije en aan een ieder hoofd voor hoofd in ’t bijzonder de onbepaaldste bescherming beloofd wierd: de getrouwe naarkoming daar van, heeft dien Pruisische Veldoversten toen de achting der Weespenaaren doen wegdragen.——Ingevolge de geslotene Capitulatie kwam des avonds van dien dag een Detachement Pruisschen post vatten, trekkende den volgenden dag het Hollandsch Guarnisoen met slaande trom en vliegende Vaandels uit. Zedert dien tijd tot den 8sten October zijn wij met een talrijk Guarnisoen, dat somtijds uit 13 à 1400 man bestond, bezwaard geweest; dan waar van de overgave van Muiden en Diemerbrug ons merkelijk verlichtte. Den 21sten December wierd hier geïnquartierd één Compagnie van het Pruisisch Regiment van Woldeck, onder Commando van den Hopman von Siegroth, welke den 2 Mai 1788 door een Detachement Zwitsers van Maij wierd afgelost. Sints dien tijd is Weesp tot heden met krijgsvolk bezet gebleven: zijnde in alle deeze omstandigheden niemant der Burgeren met eenige Militairen belast geweest, daar de nooitvolprezen Stads-regeering dezelve in ledigstaande huizen en pakhuizen eene geschikte verblijfplaats bezorgde.
Nu gaan wij over tot de
REISGELEGENHEDEN.
Dagelijks gaan en komen er vijf Schuiten naar en van Amsteldam.
De Veerschuiten van Hilversum, ’s Graveland, de beide Loosdrechten, Nederhorst (den Berg), Nichtevecht, Vreêland en anderen varen hier door naar en van Amsteldam.
’s Weeklijks des Vrijdags vaart, in den Zomer, een Schuit op Utrecht, ’t welk des Winters alle veertien-dagen geschiedt.
De Veerschepen van Arnhem, Wageningen, Rheenen, Wezel en anderen passeeren langs de Vecht voorbij deeze Stad.
LOGEMENTEN.
De Roskam. De Eendragt. De Oude Prins, benevens eenige anderen voor den minvermogenden Reiziger.
ALGEMEENE BESCHRIJVING VAN WEESPER-KERSPEL.
Eenige landen of polders, rondsom Weesp gelegen, is men gewoon zamentetrekken, onder de benaaming van Weesper-Kerspel, en dit Kerspel verdeelt men weder in vier deelen, die men den naam geeft van Stokken, zijnde naamlijk,
1.) Bijlemer, 2.) De Gaasp, 3.) Het Gein, en 4.) Overvecht, waaronder Uitermeer.
LIGGING.
Deeze is, gelijk gezegd is, rondsom Weesp; zijnde over het algemeen eene zeer aangenaame landsdouw, voorzien van goed wei- en moes-land, aangenaame wandelingen, en alle landlijke schoonheid; gelijk dan ook des zomers, een tourtjen, naar een of ander gedeelte van dit Kerspel, eene geliefde uitspanning is voor de naastbijgelegene stedelingen, met naame voor de Amsteldammers.
De
GROOTTE
Van dit Kerspel wordt op de quohieren der verpondingen bepaald op, 2207 morgen, 550 roeden lands; in den jaare 1632, telde men in het geheele Kerspel 124 huizen, en na honderd jaaren, naamlijk in 1732, werden in de lijsten der verpondingen voor dat Kerspel 153 huizen gebragt.
Het
WAPEN
Van Weesper-Kerspel, is hetzelfde als dat van de Stad Weesp.
REGEERING.
Het Kerspel heeft een afzonderlijk rechtsgebied met de gezegde Stad; welk rechtsgebied echter nu en dan oorzaak van eenige verschillen geweest is, tusschen Burgemeesteren der Stad Weesp voornoemd, en de ingelanden van het Kerspel, welke verschillen echter van geen gevolg van aanbelang geweest zijn.
Thans zijn de vier bovengemelde stokken, waarin Weesper-Kerspel verdeeld wordt, geschikt onder twee rechtbanken; waarvan de Bijlemer alleen één, en de andere drie stokken, naamlijk de Gaasp, het Gein, en Overvecht met Uitermeir de andere rechtbank uitmaakt: in beide spant de Hoofdofficier, (zijnde thans de Wel-Ed. Gestr. Heer, Mr. Gerrit Corver Hooft, Bailluw van ’s Graaveland, Drossaart en Castelein van Muiden, Bailluw en Dijkgraaf van Naarden en Gooiland, Hoofdofficier van Weesp, enz enz.) met den Stedehouder en Schout, en zeven Schepenen, de Hooge Vierschaar, welke Schepenen ook met den Schout, of Stedehouder der stokken, of van het Kerspel in ’t algemeen, (zijnde eigenlijk een substituut van den Hoofdofficier voornoemd, en dezelfde persoon die het Schoutsamt over de stad Weesp waarneemt,) aan hun hoofd, in ’t civile vonnissen—de tweede gemelde rechtbank, die naamlijk uit drie Stokken zamengesteld is, heeft mede zeven Schepenen, van welken de Hoofdofficier voornoemd, volgends resolutie der Staaten van Holland en Westfriesland, van den 20 Maart des jaars 1663, gehouden is in het eene jaar vier Schepenen te kiezen, die in de Stokken woonachtig zijn, bij welken hij als dan drie anderen, (want alle de zeven Schepenen gaan jaarlijks af,) uit de ingelanden voegen mag, die geen vaste woonplaatsen in de Stokken hebben; in het andere jaar moet hij drie Schepenen van de zeven kiezen in de Stokken woonachtig zijnde, wordende de overige vier uit de ingelanden er bij gevoegd.
De andere rechtbank, naamlijk die van de Bijlemer, heeft vijf Schepenen, die mede jaarlijks afgaan, en waarvoor door den Hoofdofficier, meergemeld, vijf anderen verkozen worden; op dezelfde wijze als van de voorgaande Stokken, (zamen de tweede rechtbank uitmaakende,) gezegd is: ’t eene jaar drie inwooners, en twee ingelanden, en het andere jaar twee inwooners en drie ingelanden.
Beide rechtbanken, dat is geheel het Kerspel, heeft één Secretaris, die tevens Secretaris van Weesp is.
Voords worden de beide rechtbanken van het Kerspel, bediend door éénen Bode, die door den Bailluw wordt verkozen.
„Ten aanzien van het Schoutsamt,” leezen wij, en welke aantekening gemaakt is uit berichten, den aantekenaar medegedeeld, „is gebeurd, dat de Bailluw van Gooiland, als Hoofdofficier van Weesper-Kerspel, in den jaare 1541, eenen anderen Schout dan die van Weesp over het Kerspel aanstelde; doch Burgemeesteren dier stad, vielen hierover klagtig, aan den Hove van Holland, en bij uitspraak werd vastgesteld, dat dit amt door denzelfden persoon zou worden bekleed.”
„De Ridder Hooft, als Hoofdofficier van Weesp en Weesper-Kerspel, had, in den Jaare 1632, eenige moejelijkheid, met die van het Kerspel, over het aanstellen van eenen Secretaris; alzo de huislieden eenen anderen Secretaris over hunne gerechten wilden aangesteld hebben; maar hierin is geene verandering voorgevallen.”
Alles wat wegens de verdere artijkelen van ons plan, nopens Weesper-Kerspel in het algemeen, gezegd moet worden, hebben wij onder onze beschrijvingen van iederen Stok in ’t bijzonder aangetekend.
Wees- of Arm-meesters, worden in dit Kerspel in iederen Stok afzonderlijk aangesteld; de weezen worden in de Stad Weesp in de Weeshuizen bezorgd, en armen, die er komen, worden door de Arm-meesters bij de opgezetenen, ieder in zijnen eigenen Stok, besteed.
DE BIJLEMER.
Wat aanbetreft de
LIGGING,
Van deezen Stok, van Weesper-Kerspel (welke stok verdeeld wordt in Oost- en West-Bijlemerpolder) kan gezegd worden te paalen ten oosten aan het Gein, ten noordoosten aan de Gaasp, en ten noordwesten aan de Bijlemermeir.
NAAMSOORSPRONG.
Hiervan kan niets met zekerheid gezegd worden, ten minsten voor zo verre ons bekend is: het draagt ook den naam van Bijlemer-broek, of, naar eene oudere spelding Bijlemer-brouk; ook Bijlemermeir-brouk, en eenvoudiglijk Bijlemer: in zekere oude brieven wordt het ook Windelmerebroke genoemd, hetwelk, volgends het geen Commelijn ons verzekert, op Bijlemer-broek of de Bijlemer toegepast moet worden.
GROOTTE.
Daar de grootte der vier Stokken van Weesper-Kerspel zamengenomen opgegeven worden, (gelijk wij hiervoor ook gezien hebben,) is de grootte van iederen Stok niet afzonderlijk te bepaalen: de Bijlemer intusschen, ofschoon van ouds niet zeer groot geweest zijnde, was echter uitgestrekter vóór de bedijking der Bijlemermeir, dan thans na die bedijking; alzo met dezelfde bedijking, eene menigte van de Bijlemer-landen in de bedijking getrokken zijn.
Het
WAPEN
Van de Bijlemer, als een bijzonderen Stok van Weesper-kerspel, is hetzelfde als van geheel het Kerspel, hetwelk, gelijk wij gezien hebben, ook hetzelfde is als van de stad Weesp.
Wegens ons artijkel Kerklijke en Godsdienstige Gebouwen, kan, betreffende de Bijlemer, niets aangetekend worden; de Bijlemers, zijn wel van drieërleien kerkgemeenten, naamlijk, Gereformeerden, Lutherschen, en Roomschen, doch geen van allen heeft in den Stok, kerk of school; de Gereformeerden moeten te Diemen of elders te kerk gaan; de Roomschen hebben eene nadere gelegenheid, naamlijk aan de Diemerbrug, alwaar eene Roomsche kerk gevonden wordt, gelijk wij ten zijner plaatse aangetekend hebben; en de weinige Lutherschen welken er zijn, gaan naar Amsteldam om het nachtmaal te houden, terwijl zij hunnen gewoonen Godsdienst bij de Gereformeerden te Diemen waarneemen.
Dewijl in de Bijlemer ook geen school gevonden wordt, zijn de opgezetenen aldaar verpligt hunne kinderen, in welken Godsdienst zij opgetrokken worden, naar het dorpschool te Diemen te zenden; aan de Diemerbrug is wel een schooltjen, doch zulks is slechts geschikt voor zeer kleine kinderen: deeze ongelegenheid, met betrekking tot het hoogst nuttig onderwijzen van de jeugd, heeft ten gevolge dat er eene diepe onweetendheid onder de Bijlemers gevonden wordt, waarom het wel te wenschen ware, dat daarin door het aanleggen van een algemeen school voor den Stok zelven, voorzien wierde: ligtlijk verstaat men dat het de kinderen niet toebetrouwd kan worden, zo ver van huis, als Diemen gelegen is, ter schoole te gaan: alwaarom zij gemeenlijk ten minsten reeds den ouderdom van agt of negen jaaren bereikt hebben, eer zij het onderwijs van eenen meester kunnen gaan bijwoonen, en op deeze jaaren zijn zij al bekwaam om hunne ouders in de beroepsbezigheden, bestaande voornaamlijk in melkerijen en tuinderijen, eene behulpzaame hand te bieden, waarvan dan ook niet zelden het gevolg is, dat zij des zomers daartoe gebruikt worden, dewijl het zomerwerk van den landman in ’t algemeen, veele arbeidzaame handen, en die onophoudelijk bezig zijn, vereischt: een groot gedeelte van den zomer blijven de kinderen derhalven uit de school, voornaamlijk dezulken, wier ouderen niet vermogend genoeg zijn om de benodigde handen in huur aantestellen, ’t welk intusschen het geval van de meesten is, want weinige Bijlemers kan men gegoede landlieden noemen—de zomer dus sukkelende, wat het schoolgaan betreft, doorgebragt hebbende, gaat het des winters nog erger, ter oorzaake van de guurheid des saisoens, en de onbruikbaarheid der verre wegen; voeg hier bij, een leven zonder eenige gezelligheid, ieder gezin geheel afgezonderd in zijne hut opgesloten, dewijl de wooningen bijna een quartier uurs van elkander gelegen zijn; en ouders die meestal dezelfde of dergelijke opvoeding gehad hebben; wat anders kan dan het gevolg weezen dan eene beklaagelijke onweetendheid?—dat de domme berisper van zijne naasten, die stelt dat alle onweetendheid eigenschuldig is, (zulke zotte berispers zijn er; die genoeg zamenleeving heeft, is er zo wel als wij van overtuigd,) dat deeze zeg ik, zulke en dergelijke streeken onzes Lands, als waarover wij thans spreeken, bezoeke; dat hij de bewooners derzelven onbevooroordeeld raadpleege, en hij zal wel rasch zien, is hij anders niet willens blind, hoe geheel onschuldig het is dat er menschen gevonden worden, bij welken de hoogste onkunde, en bijgeloovigheid, (want deeze is tog een gevolg van een onverlicht oordeel,) heerscht—noch geoefende menschen, noch boeken, worden in de zeer bepaalde zamenleeving der Bijlemers gevonden; hoe zou er dan eenige verlichting kunnen plaats hebben?
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Het eenige dat wij onder dit artijkel kunnen aantekenen, is het Rechthuis van de Bijlemer, staande aan het begin van het grondgebied, van den kant van het Weesper-tolhek gerekend; het is een net vierkant maar klein gebouw, hetwelk echter niets bijzonders aan zig heeft, zo min van binnen als van buiten: er staat een aartig klein torentjen op, waarin een klok, die van binnen getrokken wordt: dezelve wordt geluid bij gelegenheid van eene of andere gerechtlijke afleezing.
Voor het huis staat een geesselpaal, die echter, volgends verzekering der oudste ingelanden, bij geen menschen geheugen gebruikt is geworden; ook maakt men in dit rechthuis geen gebruik van gevangenhouding; zo er al eens een gevangene is, wordt dezelve te Weesp in bewaaringe gezonden; zelfs wordt het Rechthuis niet gebruikt tot het vergaderen der Regeering over de Bijlemer; voorheen geschiedde zulks wel; doch sedert zitten de Regenten over deezen Stok, op het Stadhuis te Weesp, als leden van Weesper-kerspel.
Ons artijkel regeering kunnen wij hier met stilzwijgen voorbijgaan, alzo wij hetzelve in ’t artijkel van dien naam onder Weesper-kerspel verhandeld hebben.
Van voorrechten der Bijlemers, vinden wij nergens iet bijzonders aangetekend.
De
BEZIGHEDEN
Bestaan, gelijk gezegd is, in het kweeken van moes, en in melkerijen: het moes wast er bijzonder goed, voornaamlijk kool en peulvruchten.
Wat de
GESCHIEDENISSEN
Van deezen Stok van Weesper-kerspel in ’t bijzonder betreft; deeze bepaalen zig hoofdzaaklijk bij die van de Bijlemermeir, waarvan straks nader.
En wat aangaat onze jongstledene gebeurtenissen, uit de gelegenheid van den grond, in Weesper-kerspel naamlijk, dat is nabij Weesp, is te besluiten dat de Bijlemer daarvan niet bevrijd is gebleven; voor zig zelve echter zoude het daarmede niet te doen gehad hebben; niet verder als wat betreft het overlastig doortrekken van de Pruissen, van den kant van Weesp naar Amsteldam; doch daar dat doortrekken tegenstand geboden werd, viel er ook vrij wat meer te doen.
De gewapende burgers, naamlijk, waakzaam op de zaak die zij aangenomen hadden te verdedigen, en voor overval van buiten beducht, hadden eene sterke batterij gelegd even door het Weesper-tolhek, aan het begin van de Bijlemer; ’t sprak derhalven van zelf dat de Pruissen, bij hunne aannadering van Amsteldam, hier geen vrijen doortogt hadden, en den tegenstand gewaarwordende bragt hun oogmerk het wegnemen van denzelven noodzaakelijk mede; er volgde derhalven eenen aanval, die echter ook met mannenmoed beantwoord werd; de Pruissische kogels vloogen in menigte door de wooning van den tollenaar, en een ander belenden het Raadhuis staande boerehuis; (waarvan de blijken, in de nieuwe ingezetten stukken muurs nog duidelijk gezien worden;) terwijl de Patriotten niet nalieten den vijand in gelijke taal te beantwoorden; doch men weet hoe deezen hebben moeten goedvinden, den Pruissen den doortogt toetelaaten, het geen ten gevolge had dat de bewooners aldaar, die echter meest, op eenige knechts of meiden na, de wijk naar Amsteldam genomen hadden, niet weinig overlast leeden, vooral van die manschappen welken hun als bezetting gelaten werden: de bewooners der huizingen, die, gelijk wij gezegd hebben, gevlugt waren, werden in hunne wooningen terug geroepen, onder de bedreiging dat anders hunne geheele nagelatene bezitting, (men kan in dergelijke gelegenheden niet alles, dikwijls verre het minste, medeneemen,) aan de genade en ongenade van den soldaat overgegeven zoude worden: aan dit bevel werd gehoorzaamd; en de manschap werd bij de bewooners geïnquartierd: één van allen, eene weduwe, moest er niet minder dan zeven-en-twintig bergen, en de kost geeven; een gezelschap waarover zij, (volgends haar eigen zeggen,) op verre na niet voldaan is, en weshalven zij ook geen verlangen heeft om andermaal zulk een huishouden onder haar dak bijtewoonen—vermids voords den aanmarsch op Amsteldam vervolgd werd, en voor de Bijlemer, of den bodem van dat gebied, niet meer te vreezen was, kwamen de opgezetenen, met het gezegde vrij.
REISGELEGENHEDEN.
Naamlijk directen, zijn hier niet voorhanden; men kan zig te voet naar de Diemerbrug, of naar Weesp enz. begeven, alwaar men de gewoone reisgelegenheden dier plaatsen kan waarneemen.
HERBERGEN.
Gaaspzicht, bij de Bijlemerbrug aan ’t begin van de Gaasp, zijnde tevens eene uitspanning; andere Herbergen zijn er niet van eenig aanbelang, of welken dien naam verdienen te draagen, niettegenstaande men hier en daar gelegenheid vinde om zig te kunnen ververschen.
DE BIJLEMERMEIR.
De nabijgelegenheid van deeze Meir bij de Bijlemer, veroorlooft ons hier de beschrijving derzelve te laaten volgen.
Men kan haare
LIGGING
Bepaalen te zijn, ten noordwesten en ten westen van de Bijlemerlanden, en ten noorden van Weesper-kerspel, zijnde voords omtrent een quartier uur gaans ver van de Watergrafts- of Diemermeir: het is een waterplas van goede drie uuren in den omtrek.
Dewijl deeze Meir, na droog geweest te hebben, weder tot eene waterplas geworden is, gelijk wij nader zullen verhaalen, is de gelegenheid derzelve op verre na niet zo vermaaklijk als die van de Diemer- of Watergrafts-meir; zo aangenaam als eene wandeling om den ring van deeze is, zo onaangenaam is zulk eene wandeling rondsom de Bijlemermeir: op verre afstanden van elkander liggen eenige bouwerijen en melkerijen, waardoor de gezegde wandeling allerlastigst eenzaam wordt: de ring ligt geheel woest, en heeft, met één woord, niets aangenaams.
Vermaaklijkst nog is de wandeling naar den Meirkant, door het groenland, zo als men aldaar spreekt, dat is door de bebouwde landen binnensdijks gelegen: vóór de overstrooming bovengemeld, moet, volgens overleveringen, deeze droogmaak geene onaangenaame wandelplaats geweest zijn; men verhaalt, onder anderen dat er een laan gelegen heeft, van het Weesper-tolhek, dwars over de meir, tot aan Abcoude.
Men wil dat deeze Meir, benevens de geheele Bijlemer, weleer die landen geweest zijn, die de Heeren uit den Huize van Amstel, aan den Bisschop van Utrecht hebben afgestaan, in den zoen van den Jaare 1285; „Doch hoe deeze landen”, zeggen de schrijvers van den Tegenwoordigen staat van Holland, „naderhand weder aan de Graaflijkheid van Holland zijn gekomen, weeten wij niet te zeggen.”
De
NAAMSOORSPRONG,
Kan niets anders gezocht worden, dan in de nabijheid van de Bijlemer, zeggende den naam van Bijlemermeir, de Meir die bij de Bijlemerlanden, gelegen is.
AANLEG EN GROOTTE.
De aanleg moet, en het geen van zelf spreekt, niet anders verstaan worden, dan van het bedijken der Meir, hetwelk, (benevens het uitmaalen der plasse,) zijn vollen beslag had in den jaare 1627, gelijk nader verhaald zal worden.