De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 21
Armmeesters zijn hier niet, alle de Gereformeerde armen worden door de Diaconen bedeeld, en de Roomsche armen door hunne eigene Arm- of Kerk-meesters, die te Ankeveen hunne aanstelling ontvangen—Wij dienen hier ook melding te maaken, van de heeren Hoofd-Ingelanden, reeds meermaals genoemd, die zes in getal zijn, en den tijtel voeren van Wel-Edele en Achtbare Heeren Hoofd-Ingelanden: alle de Heeren Ingelanden, die 20 morgen lands by één hier hebben liggen, zijn daar toe verkiestbaar: de Hoofd-Ingelanden blijven levenslang in die waardigheid, ten ware zij vertrokken, of geene bezitters meer bleeven van 20 morgen hier liggend land: in gevalle van vacatuure worden door de overige Heeren Hoofd-Ingelanden nieuwe Hoofd-Ingelanden gekoren; elk derzelve heeft zijne bijzondere Commissie; bij voorbeeld: de oudste is Dijkgraaf en heeft, nevens den daar op volgenden, ’t opzicht en bestuur over Kerk, Pastorij, Schoolhuis enz: twee anderen is ’t opzicht aanbevolen over ’t vreemd volk, ten einde dit te weeren, en op de inkomenden acht te geeven: terwijl dezelve alle belangrijke en voorkomende zaaken met elkander behandelen: zij hebben onder zig een’ Penningmeester, die als hun Secretaris en Rentmeester handelt—behalven de approbatie van den Predikant, hebben zij de aanstelling van Schoolmeester en Koster, Vroedvrouw enz. ’t opzicht over Vaarten, Wegen, Sluizen, enz.
Onder dit artijkel zouden men nog kunnen betrekken de wachthuizen, waarvan wij boven (bladz. 6.) gesproken hebben.
Voorrechten heeft ’s Graveland, voor zo veel ons bekend is, niet.
De
BEZIGHEDEN
Der inwooneren bestaan, gelijk boven reeds aangetekend is, voornaamlijk in het linnenbleeken, den landbouw en tuinderij; voords brengen de menigvuldige buitenplaatsen, alhier liggende, niet weinig toe tot den bloei van het dorp: ’t getal der linnenbleeken beloopt thans vijf-en-twintig—voor ruim een jaar geleden werd er ook een fabriek van vloertapijten te weeven aangelegen.
Veele ingezetenen leggen zig toe om voor eenige maanden in den zomer een gedeelte hunner huizen te verhuuren, onder den naam van optrekken, aan lieden van Amsteldam enz. welken geene buitens hebben, vooral aan zulken die ongesteld, of door eene geëindigde ziekte zwak zijn, of zwakke kinderen hebben: de lucht wordt er voor sommige ziekten en tot herstelling van zwakken zeer goed bevonden; veele ondervinden daarvan de beste uitwerking, doch voor teering en borstziekten wordt de lucht, om haare fijnheid, niet zo goed gehouden.
Wat aangaat de
GESCHIEDENISSEN,
Van het vermaaklijk ’s Graveland, wij vinden daarvan, behalven het geen wegens den aanleg des dorps (zie hier voor, bl. 5.) gezegd is, het volgende aangetekend:
„Het dorp gevoelde in den jaare 1672, zo wel als Hilversum en de Loosdrechten, de inlegering der Franschen, die er tot den jaare 1673 verbleeven, en er veele baldaadigheden pleegden; zij verwoestten voornaamlijk de Hofsteden van den Lieutenant Admiraal Cornelis Tromp, en die van zijn Gemalinne, Vrouwe Margaretha, Baronnesse van Raaphorst, welke lustplaatsen naast elkander gelegen waren; het heerelijk geboomte werd er uitgeroeid, en het landhuis van den Admiraal, werd genoegzaam ten gronde toe gesloopt; alles wat kostelijk en ten cieraad der gebouwen diende, werd verbroken, weggevoerd, verkocht of vernield, en eindelijk werd ook het Landhuis van des Admiraals Gemaalinne in brand gestoken, waardoor het in een puinhoop ter neder stortte; maar deeze ramp, hoewel schadelijk, was tevens oorzaak dat de lusthoven, voornaamlijk die der Gemalinne van den Admiraal, in een heerelijker luister hersteld geworden zijn; gelijk het deftig Trompenburg nog heden getuigt, in welks herstelling en nieuwe opbouw de grootdaadigheid van den Admiraal allezins doorstraalt: het huis, rondsom in eenen vijver gebouwd, is vorstlijk, en rijst uit het water als een kasteel, pronkende met eenen schoonen koepeltoren, onder welks bevang zig een fraaje agtkante zaal, van ongemeene ruimte en pracht van bouwkunde en cieraadjen vertoont: in vier uitstekken van deeze zaal, waarvan het eene tot den ingang dient, zijn de schepen afgebeeld, waarmede de Heer Tromp de overwinning tegen verscheidene natien behaald heeft: rondsom in de koepel is alles zeer heerelijk beschilderd, en de andere vertrekken ontdekken niet minder den grootmoedigen geest van den zeeheld: de plantaadjen beantwoordt aan de deftigheid van het huis, en is in laatere dagen nog vergroot, door één’ van haare volgende bezitteren, den Heere Jacob Roeters, op wiens zoon en naamgenoot, deeze lustplaats bij ervenisse is afgedaald”: de overige lusthoven op dit Dorp zijn ieder in zijne soort niet minder aanzienlijk, en zijn een tourtjen derwaards dubbeld waardig.
Wat heeft de eenigzins ervaren Nederlander, op het zien van de gezegde bevallige lustplaats van den waardigen Vaderlandschen Zeeheld, Cornelis Tromp, niet een ruim veld voor zig, om zijne gedachten te laaten weiden over den staat des Lands ten dien tijde, gezien bij dien van heden!—hadde Nederland thans dergelijke Zeehelden op zijne weinige kielen, het zoude welhaast ondervinden, dat zulke mannen zig zelven voor te waardig houden, om zeediensten als de tegenwoordige te doen: ’t was een Tromp, die met een vloot van een-en-zeventig oorlogschepen tegen de Engelschen optoog; ’t was de vijand toen onmogelijk, zo als men, laas! thans ziet gebeuren, eene geheele vloot Hollandsche Koopvaarders, met haare convooi-schepen, (twee in ’t getal) wegteneemen—in ’t jaar 1652, begeleidde men omtrent driehonderd koopvaarders, met bijna zeventig oorlogschepen van den Staat; drie van de Oostindische Compagnie, behalven de branders, en ander klein vaartuig; toen, derhalven, mogt Nederland eene geduchte zeemogendheid genoemd worden, en wat is het nu?—in 1653 sloeg men tegen de Engelschen, niettegenstaande men derdehalf honderd Koopvaarders onder zijn geleide hadde, en men overwon; in de beschrijving van dien vreezelijken strijd, voorgevallen omtrent Poortland, kan men zien wat men toen van de Nederlandsche helden te wachten hadt: een gedeelte dier beschrijving zegt: „Hier vielen de masten buiten boord, gints ging het wand aan flenters; daar kraakten de ribben, en suisden de kogels door de zeilen heen; aan een anderen kant hechtte een boegspriet in de hoofdtouwen; daar enterde een zijn’ vijand, en vloog met het verdek in de lucht; hier wemelde een zieltoogende in ’t water, en gaf zijne laatste snikken zonder gehoord te worden; gints dobberde een op gescheurde dennen, of haalde het hoofd onder bebloede golven: ’t gekerm der gekwetsten, verdoofd door het gieren der kneppels, koevoeten, gloejende schuiftangen, getakte morgensterren, en draadkogels, ontzettede de aanvallers te minder: onder een dikke rook flikkerde telkens de bliksem van ’t aangestoken buskruid; ’t licht scheen verbaasd gevlugt te weezen, terwijl de dood in een damp rondom snorde; Boulongues bergen sidderden voor den donder der kartouwen, en Poortland beefde; kortom de strijd was zo ijsselijk, dat er nooit schrikkelijker schouwspel geweest is”——toen wist men over ’t algemeen van geen wijken; toen kende men geene andere belangens dan die van ’t vaderland; en die zig niet dapperlijk weerde werd gewis, zonder aanzien van persoon, met den dood gestraft.
’T was een Tromp, die daarna den Staaten wel dorst zeggen dat hij met tegenzin weder in zee ging, om dat men verzuimd had hem andermaal van genoegzaame schepen te voorzien; en ’t was Holland, die voor zig alleen besloot niet minder dan dertig kloeke oorlogschepen te laaten bouwen, en toen men zag dat de Staaten den oorlog tegen Engeland niet naar behooren behartigden, schroomde men niet zig op de ernstigste wijze daarover uittelaaten: ’t is tog zo: gehoorzaam zwijgen geldt alleenlijk als ’t schuitjen van den staat goed gestuurd wordt; maar wordt het op ’t riet aangejaagd, dan is zwijgen zig schuldig maaken aan den ondergang van zig zelven en anderen.
In 1656 lagen er op de rede voor Dantsich, onder veele andere Nederlandsche Oorlogschepen, vier-en-twintig voor Amsteldam alleen—in 1664, bragt Tromp, met twee-en-twintig oorlogschepen de Oostindische retourvloot in de Vaderlandsche havens—in ’t volgende jaar liep hij met zijne vloot, tegen de order van Heeren Gecommitteerden, binnen, om dat de Capiteinen niet getrouw gediend hadden, en niet behoorelijk gestraft waren—zulke mannen hadden verdiensten genoeg om geen ontzach te hebben voor slechte bestuurders.
In 1666, liepen, de even beroemde de Ruiter en Tromp, in zee met een vloot van een-en-negentig Schepen, gewapend met vier duizend, zeven honderd en zestien stukken, en bemand met twintig duizend vier honderd en twee-en-zestig koppen, waarmede men niet minder dan vier dagen lang tegen de Engelschen sloeg.
De zeeheld, waarde leezer! wiens nagedachtenis bij u op het zien van zijn lusthuis zekerlijk bij uitneemendheid verlevendigt, was (niet tegenstaande men hem ten lasten legde, dat hij den Prins van Oranje te zeer toegedaan was,) zulk een Vaderlander, als er thans maar weinigen gevonden worden; een Vaderlander, die (in 1673,) toen het weder op een vechten zoude gaan, en nu tegen de Engelsche en Fransche vlooten tegelijk, voor het aangezichte van God, en des met een gerust hart, vrij van alle veinzerij, tegen zijne schepelingen dorst zeggen, dat zij om zig in den strijd vroomlijk te kwijten, een voorbeeld moesten neemen aan zijn persoon; dat hij het niet behoefde te doen om eenig genot; maar alles wat hij deed voordkwam uit enkele liefde voor zijn bedrukt Vaderland; het geen tot zodanig een nood was vervallen, dat er, om het voor het uiterste gevaar te behoeden, eene spoedige herstelling vereischt werd; dat die liefde hem weder te scheep had doen treeden, om zijn Vaderland te helpen beschermen en handhaaven; willende zijn leven er liever voor opofferen, dan de oude vrijheid in slaavernij te zien verkeeren en de Nederlanders den hals onder het jok van een vreemde Mogenheid te zien buigen: „Wij hebben” zeide hij, „een rechtvaardigen God, en een rechtvaardige zaak; laaten wij ons daarop vertrouwen; ik twijfel niet indien gij u altezamen gedraagt als eerlijke lieden, of ’t zal wèl gaan”—De rechtvaardigheid van eene zaak waarom gestreden wordt geeft zekerlijk een held moed; want dan durft hij op den bijstand van God hoopen——beklaagenswaardig volk dat in eenen onrechtvaardigen oorlog op den slagtbank gebragt wordt!.... ja wat zou men, bij ’t herdenken aan Nederlands voorgaande tijden, en Nederlands voorgaande helden, niet al door zijn hoofd kunnen haalen!
De verdere gedeelten der geschiedenissen van ’s Graaveland bevatten niets bijzonders; in onze jongstledene troubelen is het wel niet geheel vrij gebleven, echter heeft de geest der beroeringe er geene sterke tooneelen aangerecht; waarvan de oorzaak moet gezocht worden, daarin, dat er geen Genootschap van Wapenhandel geweest is, want daar zulk een Genootschap plaats gehad heeft, is bij de gezegende omwenteling de woede ook doorslaandst geweest—hoe zacht het lot van ’s Graveland intusschen geweest zij, is er echter nog geplunderd: Pruissische soldaaten zijn er eigenlijk wel niet geinquartierd geweest; maar zij hebben zig eenigen tijd, digt bij het dorp, op de Hilversumsche heide gelegerd, en aldaar moest hen dagelijks, ook door ’s Graveland, proviand bezorgd worden.
Onder de
BIJZONDERHEDEN.
Kunnen betrokken worden, de gebouwen hier voor beschreven; voords, en met voorkeur, de veele Hofsteden welken men er aantreft, en waarvan wij boven reeds gesproken hebben.
De tegenwoordige bezitters of huurders dier hofsteden zijn thans de volgende Heeren en Vrouwen: als
De Heer Blom, de Heer Meijnet. ——— ’t Hoen, ——— G. W. Dedel, Mevrouw Hop, geb. Bicker, ——— Hilkes. De Heer M. Alewijn, ——— Hodshon. Mejuffrouw Dedel, ——— Statius van Rhee. De Heer H. Hovij, ——— M. Straalman. ——— C. Zorn, ——— G. Corver Hooft. ——— Fabricius, ——— M. Backer. Mevrouw De Leeuw, ——— Van der Wall. De Wed. Mogge van Haamstede, ——— Schol.
De meeste deezer plaatsen komen achter aan de Gooische Heide uit, en hebben aldaar de schoonste uitzichten, zijnde aan verscheidene Heeren van ’s Graveland achter hunne lustplaatsen een gedeelte der gezegde Gooische Heide uitgegeven, waarvan door hen goed bouwland is gemaakt, waarop men vooral rogge en boekwijt, doch ook andere graane teelt: dat een en ander vermeerdert de wandelingen en veraangenaamt het dorp, vooral na dat door de Heeren M. Straalman en G. Corver Hooft voor twee jaaren op de bebouwde heide een schoone breede laan van eikenboomen is aangelegd, die zig uitstrekt van de Hilversumsche vaart tot aan den gemeenen weg van ’s Graveland op Hilversum, en des bijna zo lang is als de helft des dorps, zo dat nu de eene helft des dorps van alle zijden beplant is, en door schoone laanen eene zeer aangenaame wandeling en rijweg verschaft.
REISGELEGENHEDEN.
Van ’s Graaveland vaaren geene andere schuiten als alle dagen één, behalven saturdags, op Amsteldam: zondags vaaren er des zomers drie, en ’s winters twee derwaards: dagelijks, behalven zondags, komt een schuit van Amsteldam terug.
Alle vrijdagen vaart van ’s Graveland een schuit op Utrecht, die des saturdags terug komt.
HERBERGEN.
Deezen zijn,
Het Rechthuis, reeds gemeld. — Wapen van ’s Graveland. Ook nog bij Cornelis ten Dam, alwaar de Amsteldamsche schuit afvaart.
Voords zijn aan de Stichtsche zijde, even op ’t Sticht, doch vlak aan ’s Graveland
De Zwaan. — Eendragt. — Prins van Friesland.
HET DORP BUSSEM.
Pronkt Nederland met trotsche steden, Slechts uit een kleen begin ontstaan, Het zag Verval, (thans weêr aan ’t woeden,) Ook andre plaatsen nederslaan: Hij, bij wien zeggen juist niet geldt, Zie BUSSEM, hem hier voorgesteld.
’T is zekerlijk waar dat de Nederlandsche dorpen, in verscheidene opzichten, met elkander overeenkomen; niet wat de tekening van dezelve betreft, want het eene is in gedaante of ligging dikwijls zeer verschillend van het andere; daar het eene een aardsch paradijs gelijkt, waarin niet dan landlijk schoon heerscht, en in welks bevang, of ook in welks environs, de Natuur onze oogen op de alleraangenaamste wijze verrukt, en door die verrukking onze ziel streelt; daar dit dikwijls omtrent het eene plaats heeft, is het andere doods of als een kerkhof; daar het eene op de woeligste wijze bloeit, de vrolijkheid er alomme heerscht, en het genoegen op de aanzichten der inwooneren dartelt, is het andere een beklaagenswaardig treffend voorbeeld van verval, op ’t gelaat van welks inwooneren de kwijning geschilderd staat, en die geene andere vertooning maaken, dan van lieden, welken onder de wreedste verdrukking een jammervol leven naar het graf sleepen: is deeze opzichten, zeker, is er onder de Nederlandsche dorpen niet zelden een zeer aanmerkelijk verschil, maar groote overeenkomst heerscht er in de opgave en beschrijvingen van hunne openbaare gebouwen; van hunne kerklijke en wereldlijke regeeringswijze; van hunne historie, (dit laatste vooral wanneer de beschrevene dorpen in een zelfd oord liggen;) van de middelen huns bestaans, als anderzins; doch Bussem, het dorpjen, waarmede wij onze leezers thans nader bekend zullen maaken, is, zo niet in alle de gemelde opzichten, echter daarin geheel van alle de andere Nederlandsche dorpen onderscheiden, dat het wel eene kerk heeft, doch waarin sedert bijna derde half honderd jaaren geenen dienst gedaan is; ook blijkt uit het gebouwetjen zelf, (’t welk wij straks nader zullen leeren kennen,) dat de gemeente, toen dezelve op het dorp nog bestond, maar zeer klein moet geweest zijn.
Wat vooreerst betreft de
LIGGING
Van Bussem, deeze is in het landlijk Gooiland, op de alleraangenaamste, en op de verrukkelijkste wijze, gelijk het dan ook de eer wegdraagt van het schoonst gelegen dorp van geheel Gooiland te weezen.
Waar ook de landsvriend hier beschouwende oogen sla. Hij vind alomme stof, Tot prijzen van Gods milde gunst, Tot onbepaalden lof.
Bussem ligt voords een half uur gaans van de Gooische Hoofdstad Naarden.
In den Schaarbrief wegens de Meente, van welken brief wij onder Laaren gesproken hebben, leezen wij wegens Bussem het volgende: „De stad Naarden, waar onder Bussem, ten opsichte van het Schapenweyden sorteert, (des blyvende derselver verdeeling der Neng, huur of genot, en soo ook nu de Heyden als van ouds, en thans nog genoten werd,) sal genieten:”
„Van den nieuwen Amersfoortschen weg af, tot aan den ouden Utrechtschen weg, die uyt Bussem loopt, al het veld ten noordwesten van Langehul gelegen, en van den voorn. Utrechtschen weg en Langehul aldaar, royende suydelijk tot op den Oosthoek van het Heyveld, dat wylen den Heer Burgemeester Henrik Ricker van de stad Naarden heeft bekomen, ter plaatse alwaar Oetgenslaan uyt ’s Graveland loopt, al het veld ten noordwesten en westen van deselve roying gelegen, strekkende al het selve van de gemeene royingen tot aan de Bussemer bouwlanden, tot aan de Hilversumsche weyde, en ook doorgaands tot aan het van ouds bekende Naarderveld, waarvan de Wed. den Heer Drossaart Bicker, den Heer Dedel, de Erve van de Vrouwe van Ankeveen, de Heer Van der Nolk, de Wed. de Heer Boomhouwer, de Heer Sautyn, en de Heer De Leeuw, thans eygenaars zijn; behoudens aan Hilversum, niet alleen eene vrye drift voor hunne Koppels Schaapen, soo na weyde als na het veld genaamd het Luyegat, over de heyde gelegen tusschen den Clisbaanschen weg, (die uyt het midden van Bussem naar Hilversum loopt,) en ’s Graveland, maar ook de vryheid om ’t selve heyveld met hunne Schaapen mede te mogen beweyden.”
Van de ƒ 60, welken de dorpen jaarlijks aan de stad Naarden voor deze meente moeten betaalen, geeft Huysen en Bussem zamengenomen,
ƒ 20:- Laaren - 10:- Hilversum - 20:- Blaricum - 10:- ------ Zamen ƒ 60:-
NAAMSOORSPRONG.
Van deeze is in geene voorhanden zijnde schriften, voor zo verre ons bekend is, iet optespooren, ook zijn onze navorschingen, ter plaatse zelve, deezen aangaande geheel vruchtloos geweest; de lieden die het bewoonen, zijn niet, gelijk sommigen zeggen dat zij zijn, zulke afgetrokkenen, welke men naauwlijks tot spreeken kan krijgen; zeker, zij brengen hun leven niet in eene zonderlinge eenzaamheid door, maar oefenen sterke conversatie, en zijn bij uitzondering vriendlijk; er zijn goede denkers onder hen, en ook groote liefhebbers van leezen, gelijk er dan ook, naar evenredigheid van het plaatsjen, veele boeken voorhanden zijn, intusschen weinige bescheiden van het dorp zelf; de tegenwoordige staat des dorps is voords veel te oud, dan dat er overleveringen wegens eenen vroegeren staat plaats zouden kunnen hebben.
Niets dan, gelijk gezegd is, kunnen wij onzen leezer mededeelen van den naamsoorsprong deezes kleinen maar aangenaamen dorpjens: zeker is het ondertusschen, dat er in vroegere tijden nog een ander Bussem geweest is, gelijk de naam van Oud-Bussem heden nog bewaard blijft, in eenen aanzienlijken landhoeve, een half uur beoosten de Stad Naarden gelegen; dit gewezene Oud-Bussem droeg in zijnen tijde ook den naam van Hoog-Bussem; gelijk het dorpjen waarover wij thans spreeken, eigenlijk Laag-Bussem heet; waaruit dan misschien niet zonder waarschijnelijkheid het gevolg zoude kunnen getrokken worden, dat de beide Bussems weleer van veel grooter aanzien zullen geweest zijn; dit echter, hoe waarschijnelijk het ook gemaakt zoude kunnen worden, doet niets uit tot den naamsoorsprong, deeze is en blijft even duister.
STICHTING EN GROOTTE.
Zo geheel in de vergetelheid bedolven als de naamsoorsprong van Bussem is, zo geheel niets kan ook wegens het eerste gedeelte van dit artijkel onzes plans, de stichting des dorps, gezegd worden: nergens vindt men daarvan eenige bescheiden.
Wat de grootte betreft, ook deeze vindt men niet aangetekend, noch de morgentalen, noch het getal der huizen waaruit het bestaat; en hierop gronden de Schrijvers van den Tegenwoordigen staat van Holland de gissing, dat dit dorp in vroegeren tijds, als een voorstad van Naarden aangemerkt zal geworden weezen.
Om evenwel onzen Leezer iet van de gezegde grootte te kunnen opgeeven, hebben wij op de plaats zelve, desaangaande onderzoek gedaan, en is ons aldaar bericht, dat het dorp bestaat uit 47 huizen, die men kan zeggen bewoond te worden door 73 huishoudens, zamen, (kinderen mede gerekend,) geene 200 menschen uitbrengende.
Niemand onzer Leezers, het reeds aangetekende wegens Bussem overwogen hebbende, zal zig verwonderen, als wij hem zeggen, dat dit dorp geen eigen wapen heeft.
Van de
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Van Bussem zouden wij mede niets aantetekenen hebben, ware het niet dat het ledig staande kerkjen, hiervoor reeds genoemd, aldaar aanwezig ware.
Dit Kerkjen dan, dat geen ander aanzien heeft dan dat van een klein Kapelletjen, is een allereenvoudigst gebouwetjen, het geen door deszelfs kleinte en door zijne bouworde, den beschouwer verwonderd doet staan; te meer wanneer men er ingaat, en zig dan voorstelt hoe Bussem eens de tijd beleefd heeft, dat in den zeer engen omtrek van zulk een kerkjen, openbaaren dienst gedaan werd: het is van binnen niet meer dan 26 voeten lang, en 18 voeten breed; het dient thans ter bergplaatse van eenig oud hout als anderzins.
Evenwel is dat zelfde zeer eenvoudig kerkjen, weleer van binnen nog veel eenvoudiger geweest, want thans is in het ruim geplaatst het wèl onderhouden werk van een uurwijzer, waarmede het houten torentjen, dat op het kapelletjen staat, pronkt; dit, zo wel als de overige armlijkheid van het gebouwetjen, maakt hetzelve thans in de daad der bezichtiginge waardig.
Voords hangt in het gezegde houten torentjen een klok, die op den middag, als het eetenstijd is, geluid wordt, ten dienste der dorpelingen, welken, in het veld werkende, en zonder deeze waarschouwing, op de aanspooring van hunne maagen t’huiswaards keerenden, ligtlijk te vroeg of te laat zouden komen.
Men wil, dat in den jaare 1655 of 1656 voor het laatst de Godsdienstoefening in het gezegde kerkjes gehouden zoude weezen.
De Gereformeerden welken te Bussem woonachtig zijn, en niet meer dan vijf huishoudens uitmaaken, (voor nog geen vijftig jaaren geleden waren er maar twee of drie,) moeten te Naarden of elders ter kerke gaan.
De overige inwooners zijn allen den Roomschen Godsdienst toegedaan, en deezen hebben op het dorp ook een Kerk, die mede wel klein, maar echter zeer net is: deeze Gemeente wordt aldaar bediend door den Priester van Naarden, zijnde thans de Wel-Eerwaarde Heer Johannes Nyhoff.
Onder dit artijkel moeten wij voords nog betrekken het Schoolhuis, dat naar evenredigheid van het dorp is, en waarin gemeenlijk niet meer dan dagelijks 20 kinderen verschijnen; er is op het dorp slechts één kind van Gereformeerde Ouderen; en dit neemt met de Roomsche kinderen, zonder eenige stoorenis, het dorpschool bovengemeld, waar.
Andere Godsdienstige Gebouwen zijn te Bussem niet aanwezig.
Wereldlijke gebouwen zijn er geheel geenen, even weinig bestaat er, en het geen uit het aangetekende wegens den staat der Godsdiensten van zelf volgt, geene kerkelijke regeering.
Een wereldlijke regeering kan mede niet gezegd worden te Bussem te zijn; de hooge Vierschaar wordt er, even als op alle andere Gooische dorpen, gespannen door den Bailluw, en de Schepenen van Naarden; voords moeten de ingezetenen in het civile, ook voor de civile Regeering van Naarden voornoemd, te recht staan.
Wegens ons artijkel voorrechten, kunnen wij, Bussem betreffende, mede niets meer aanteekenen, dan het geen hiervoor uit den Schaarbrief reeds gedaan is.