De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 22
De
BEZIGHEDEN
Der dorpelingen alhier, bestaan voornaamlijk in de zanderijen; eene moejelijke arbeid, die door hen met 10 Schepen aan den gang gehouden wordt: veelen der afgezande landen zijn tot de bouwerij toebereid, welke nuttige taak nu ook verscheidenen der ingezetenen het sobere en slechts het hoognodige levensonderhoud verschaft, en de omliggende landstreek niet weinig verfraait: want hoogst aangenaam is tog het gezicht van wèl bebouwde en weelig groejende landen.
De geschiedenis van Bussem bevat, voor zo verre zij bekend is, of liever verteld wordt, niets van eenig aanbelang: wat onze jongstledene onlusten betreft, kan men zeggen, dat dit dorp daarin een gering deel gehad heeft: althans geen ander dan Gooiland in ’t algemeen.
Onder de
BIJZONDERHEDEN,
Welken te Bussem te bezichtigen zijn, behoort zekerlijk in de eerste plaats genoemd te worden het Kapelletjen, of Kerkjen, waarvan wij boven verslag gedaan hebben: voords zullen zij, die dit dorpjen gaan bezoeken, ’t zig niet beklaagen, zo zij de moeite neemen, om ook het nabij gelegen Oud-Bussem voorgemeld, te gaan bezichtigen; hetzelve is thans in de familie van den Heere Scherenberg: nog verdienen in oogenschouw genomen te worden, de tegen Oud-Bussem over liggende Landhoeve
BERGHUIZEN.
Als mede eene andere Landhoeve, genaamd
KOMMERRUST.
Van de beide laatstgemelde ongemeen schoone Landhoeven, die met gemaklijke huizingen voorzien zijn, vindt men de volgende lofspraak aangetekend:
„Deeze Hofsteden, die met een lange laan vanéén gescheiden zijn, zouden wij met recht de eerste verblijfplaats der schelle nachtegaalen mogen noemen; hier vindt men dreeven van Linden- Eiken- Iepen- en Berken-boomen, die het oog naauwlijks kan ten einde zien: de afgegravene heigronden, die thans in vruchtbaare akkers hervormd, en met wateren, hier en daar doorsneden zijn, bezoomen de voorzijden deezer hoeven, en leveren een onbelemmerd uitzicht, op de net beplante wallen van Naarden, ’t welk er even zo verre afgelegen is, dat het oog, zonder zig te vermoejen, hier op in het verschiet een aangenaam gezicht kan hebben.”
Niet verre van deeze lustplaatsen, is ook nog te bezichtigen, en der bezichtiginge overwaardig, de aangenaame hoeve,
KRAAILOO,
Dat met zijne heuvelen, dalen, akkers, en waranden, allerbevalligst gelegen is, en weleer eene buitenplaats uitmaakte, die ongemeen groot in haar beslag, en verrukkelijk in haare ligging was; dan, thans is dezelve in tweeën verdeeld, in eene zuidzijde, en noordzijde.
Niets zonderlings is het dat op dit dorp geene vreemdelingen komen logeeren; niets zonderlings is het derhalven ook, dat men er geene logementen vindt, zelfs zijn er geene herbergen, welken dien naam verdienen te draagen; bij een en ander dorpeling, kan men echter het noodige ter ververschinge bekomen.
Wat de
REISGELEGENHEDEN
Te Bussem betreft, afzonderlijke voor het dorp zijn er niet, met weinig moeite echter wandelt men van daar naar Naarden, en naar het een of ander nabijgelegen dorp, alwaar men ligtlijk gelegenheid ter verdere afreize vindt: ’t gebeurt ook wel, dat men eene gelegenheid aantreft om per rijtuig naar Naarden voornoemd, of naar Utrecht gebragt te worden, alzo de Heereweg tusschen die twee steden door Bussem loopt, en die weg nog al bereden wordt, ’t welk het dorpjen ook eenige levendigheid bijzet.
MUIDERBERG.
Wie Zee en lomrig hout bemint, Op ’t bouwland zijn genoegen vindt, Met duinzand gaarne blinken ziet, Vergeete MUIDERBERG dan niet.
In het aangenaame Gooiland, beslaat zekerlijk geene onaanmerkelijke, noch onbevallige plaats, het dorpjen waarover wij thans onze leezers moeten onderhouden; te recht wordt van hetzelve gezegd dat men aldaar in een klein bestek beschouwt: „alle de veranderingen van Gooiland, van heuvelen zaai- en wei-landen, en bosschaadjen, benevens het gezicht op de Zuiderzee; ook ontbreekt het er geenzins aan bekoorelijke lusthoven?”
Al wat het oog verrukken kan; Vindt men hier bij elkander, Wat deel des gronds men ook betreed’, Het een is niet als ’t ander; Nu is ’t de ruime Zuiderzee, Dan duin, hier breede velden, Wier bloejend boekwijt, en wier graan, Den gunst des Scheppers melden; Gintsch is het welig kreupelbosch; Daar aangenaame dreeven; Al wat hier is kan ’s wandlaars oog En hart voldoening geeven.
Geen wonder derhalven dat het omliggende landvolk, niet alleen, maar ook de naaste stedelingen, als die van Naarden, Muiden, maar voornaamlijk de Amsteldammers, er zig eene buitengewoone genoegelijke uitspanning van maaken, een dagreisjen naar dit bevallig pleksken gronds te doen.
De
LIGGING.
Van Muiderberg, kan gezegd worden te zijn aan de Zuiderzee, een klein uur gaans ten Zuidoosten van Naarden, en een groot half uur ten noordwesten van Muiden—Schoon Muiderberg thans onder Gooiland gerekend worde, moet het evenwel omtrent vijf eeuwen vroeger onder Amstelland behoord hebben; want Graaf Willem van Henegouwen, de derde van dien naam onder de Graaven van Holland, beschrijft in eenen brief, gegeven in den jaare 1324, dit plaatsjen als gelegen in den Lande van Amstel, begiftigende de Capelle aldaar, (nu de kerk, waarvan straks nader,) met inkomsten uit de visscherij van de gezegde Lande van Amstel; hoe het echter in vervolg van tijd onder het Bailluwschap van Gooiland gekomen is, wordt, zo veel ons bewust is, nergens aangetekend. Uit het bovengezegde blijkt dat de grond van Muiderberg, hoewel over het algemeen zeer zandig, niet onbekwaam is ter beplantinge en bebouwinge met boomgewas, land- en veld-vruchten; de ligging is, over het algemeen, zonderling behaaglijk; ieder kan er zig naar zijnen smaak verlustigen, waarom het ook zeer bloejend mag genoemd worden, voornaamlijk ter oorzaake van de veelvuldige bezoeken die het, gelijk wij reeds zeiden, ontvangt; zeker, die des zomers de eenzaamheid zocht, zoude zig niet naar Muiderberg moeten begeeven; de strand der zee krielt er gemeenlijk van vrolijke gasten, die zig, wandelende, onder het aanheffen van een luchtig deuntjen vermaaken; of, bedaarder, maar meer verrukt, met hunne minnaressen over de gevoelens van hun hart kouten, en nu en dan, ter beantwoordinge van een zijdelings lonkjen, een kuschjen plukken, dat onder den ruimen hemel meer aangenaamheids ontvangt, en welks klank door het geruis der zee verdoofd wordt; hier zitten talrijke gezelschappen, of kleinere gezinnen in het warme zand, of op het frissche gras neder, en doen een genoeglijke en landlijke maaltijd, of stoejen, onderling dat de schateringen in de lucht wedergalmen; of drinken elkander een frisschen teug toe: is de zee niet ongestuimig, dan ziet men niet zelden en menigte mans en knaapen met ontblotene beenen, een goed eind wegs in dezelve ingaan, het geen eene aangename vertooning maakt; of ook gaan digt aan het woelend water de kinderen zig vermaaken met het verzamelen van de opwerpselen der zee, schattende somtijds een door het water glad geschuurd keitjen hooger dan zij eene wèl geslepene diamant zouden schatten; of een schelpjen hooger dan de onderlinge vriendschap, want zulk een schelpjen is in hunne oogen waardig genoeg om tot schreiens toe te kibbelen wie zig het gevondene zal benaderen, daar verscheidene handen er te gelijk naar uitgestrekt zijn geworden; met één woord, de vermaaken die te Muiderberg genoten worden zijn te talrijk om ze allen te beschrijven, en te vol gewoel om er een wèl geordend tafreel van te ontwerpen; allen helpen zij intusschen, zo als wij reeds zeiden, den bloei van het plaatsjen niet weinig bevorderen.
’T is omtrent deeze plaats, omtrent dit dorpjen, dat, naar ’t gevoelen van eenigen, Graaf Floris de Vijfde, door de zamengezworenen is omgebragt; (zie onze beschrijving van Naarden, Art. Geschiedenissen,) ’t geen anderen, doch verkeerdlijk, willen, dat op het Muiderslot zoude geschied weezen, ’t geen echter van de beste Historieschrijvers wordt tegengesproken, in navolging van welken de Puik-dichter Antonides van der Goes, in zijnen Y-stroom, bladz. 108, ook zegt:
Toen Velzen, zoet op wraak, met zijne vloekgenooten, Den Graaf, zijn’ wettig Vorst, den dolk in ’t hut dorst stooten, En Gooiland verwen met het bloed van zijnen Heer.
Woorden die allerduidelijkst te kennen geeven dat, volgends den Dichter, ’s Graaven bloed den Gooischen bodem, (niet den grond van deeze of geene kamer in het Muiderslot,) geverwd heeft.
NAAMSOORSPRONG.
De naamsoorsprong van Muiderberg, wordt voegelijk afgeleid, (ook is er geene andere bedenking over te maaken,) van de daar nabij gelegene stad Muiden, en de naastaanliggende hoogte; welke, voor zo verre die waarop het dorp ligt betreft, en met betrekking tot de doorgaande vlakke eigenschap van ons Land, den naam van berg verkregen heeft, als vrij hoog zijnde, en boven allen die rondsom liggen uitsteekende; deeze hoogte, of berg, nu (bij Muiden liggende,) zal dan den naam van berg van Muiden of Muiderberg verkregen hebben, en voords het Dorp ook met dien naam benoemd weezen.
STICHTING EN GROOTTE.
Wie Muiderberg eigenlijk gesticht of aangelegd zoude hebben, daarvan zijn geene bescheiden voorhanden: oud moet het zekerlijk zijn, uit aanmerkinge van den reeds gemelden Giftbrief van Graave Willem van Henegouwen, geschreven in den jaare 1324; want daarin wordt het, gelijk wij gezien hebben, reeds gespeld.
Wat de grootte betreft, volgends de lijsten der verpondingen van den jaare 1632, stonden er toen 34 huizen, doch honderd jaaren laater, in 1732, bedroeg dat getal niet meer dan 28 huizen; weshalven het in de gezegde honderd jaaren, 6 huizen verminderd is; thans zijn er weder 6 minder, naamlijk slechts 22, het welk zeer ligtlijk het geval van dergelijke, schoon bloejende, dorpjens kan worden, want die bloei bestaat gemeenlijk in niet meer dan in eene genoegzaame broodwinning der bewooneren, ofschoon het daarom anderen, elders woonende, niet geraaden zij, zig aldaar met er woon te komen nederslaan, alzo zij welligt alles wat zij nog hadden verteerd zouden hebben, aleer zij gelegenheid kreegen om door hun toedoen den bloei des dorpjens te vermeerderen, en derhalven zig zelven in eenen bloejenden staat te bevinden.
Men schat het getal der inwooneren op omtrent 200, die, uitgenomen eenige weinige Roomschgezinden, allen van den Gereformeerden Godsdienst zijn.
Het schatbaar land onder het district van Muiderberg behoorende, wordt begroot op niet meer dan honderd en vijftig morgen.
Een wapen heeft dit dorpjen niet.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Dit Artijkel van ons plan betreffende kunnen wij, het tegenwoordige dorpjen aangaande, niet anders noemen dan de kerk, want Wees- of andere Gods-dienstige Gestichten zijn er niet voorhanden: de Weezen worden er bij de inwooners besteed.
Van binnen is de kerk zeer zindelijk, doch ook zeer eenvoudig, hebbende volstrekt niets dat men kan zeggen een cieraad te weezen; ook is er geen orgel in.
Derzelver vertooning van buiten, maakt zeer geloofwaardig het geen men er van aangetekend vindt, naamlijk dat het nog de capel zoude zijn welke de Roomschen in vroegere eeuwen aldaar gehad hebben; zij heeft in alles de gedaante van een capel, vooral van vooren; men gaat tot den ingang, (er is ook maar één ingang aan) door een laantjen van boomen, waar achter het bovenste gedeelte van de kerk zig verbergt: men wil dat dit gebouw gesticht zoude weezen, door den reeds meergemelden Graaf Willem van Henegouwen, de derde van dien naam; doch, en het geen van zelf spreekt, als eene capel, welke bij de Reformatie van binnen tot het oefenen van den Gereformeerden Godsdienst is toebereid.
Thans staat op het gebouw een vierkante toren, zijnde van boven geheel plat; evenwel is dezelve zodanig niet altoos geweest; er heeft, zelfs nog in de tegenwoordige eeuw, een spits op gestaan, doch hetzelve is er door een’ stormwind afgewaaid, en sedert is er geen ander spits op gezet.
Niettegenstaande de gemeente te Muiderberg altijd slechts bestaan hebbe uit omtrent 50 ledemaaten, heeft zij echter sinds het jaar 1687, haar eigen Predikant, zijnde sedert 17 Augustus, van den jaare 1783, de Wel-Eerw. en bij zijne gemeente zeer geliefde Heer, Kristiaan Johan Fruitier, behoorende onder de Classis van Amsteldam.
De eerste Predikant alhier was Nicolaas Bassecour, bevestigd den 17 Augustus 1687, en hem werdt den 13 October van het zelfde jaar, één Kerkraad, één Ouderling, en één Diacon toegevoegd, door een commissie uit de Classis van Amsteldam: in het jaar 1698, is zijn Wel-Eerw. beroepen te Schiedam—Voords hebben de volgende Predikanten alhier gestaan:
Geerard Midlum, is bevestigd den 27 April 1698, en beroepen te ’s Graaveland 1706.
Petrus de Bye, is bevestigd den 30 Mei 1706, en hier overleden, den 14 Julij 1726.
Roeland van Thiel, is bevestigd den 2 Febr. 1727, en heeft van zijnen dienst vrijwillig afgestaan 1747.
Jan Rijser, is bevestigd den 28 Jan. 1748, en emeritus geworden in Sept. 1780.
Carolus Pantekoek, is bevestigd den 29 April 1781, en op collatie vertrokken naar Niërvaart, gezegd de Klundert.
De Pastorie is een vrij goed, en aangenaam gelegen gebouw.
Het Schoolhuis voldoet mede allezins aan deszelfs oogmerk.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Onder dit artijkel kunnen wij niet anders brengen, dan het Rechthuis, dat voor 3 jaaren een ruime Herberg was; doch sedert in een schoone lusthof is veranderd.
KERKLIJKE REGEERING.
Deeze bestaat sedert den 14 November, 1687, uit den Predikant, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen.
Er zijn ook 2 Kerkmeesteren, die, in gevalle van afsterven, door Schout en Schepenen verkozen worden.
WERELDLIJKE REGEERING.
Deeze is als op de andere dorpen van Gooiland: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw en de Schepenen van Gooilands Hoofdstad, Naarden, de Civile rechtbank wordt gespannen door Schout en Schepenen, zijnde deeze laatsten vijf in getal.
Voords zijn alhier mede twee Buurtmeesters en twee Kerkmeesters: van den eerstgemelden gaat jaarlijks één af.
De Schepens worden verkozen door den Bailluw, uit een nominatie van een dubbeld getal, gemaakt door den Schout en Buurtmeesters: aan de nieuw verkozene Schepenen staat de verkiezing van den Buurtmeester, die voor dat jaar aankomt; zie boven.
Voorrechten heeft Muiderberg, voor zo verre ons bewust is, niet.
De
BEZIGHEDEN
Der bewooneren, zijn meestal de landbouw, waartoe zij, gelijk wij hiervoor reeds zeiden, goede gelegenheid hebben: het zaajen van boekwijt en rogge, en het pooten van aardappelen, gaat er zeer sterk: voords vindt men er eenigen van die werklieden welken in de burgerlijke zamenleving volstrekt onontbeerelijk zijn.
Wat aangaat de
GESCHIEDENISSEN,
Van Muiderberg, de beschrijving van deezen vereischt geene breede plaats: in de oorlogsrampen van Muiden en Naarden, heeft het zeer waarschijnelijk zijn deel gehad, ofschoon wij desaangaande niets bijzonderlijks vinden aangetekend; alleenlijk is het optemaaken uit den aart dier rampen, zodanig zijnde, dat zij zig maar zeldzaam, of liever nooit, aan een klein plekjen gronds bepaalen, maar altoos eenen ruimen omtrek inneemen; de bewerkers dier rampen zijn Vorsten, deezen zegt men, niet ten onrechte, schoon tot hunne schande, hebben lange armen, en zulks wordt in tijden van oorlog met nadruk gevoeld; als hunne armen gewapend zijn, rijken hunne zwaarden mijlen ver; en slaat men het oog op hunne laaghartige huurelingen, die vijanden van alle menschlijkheid, zeker, dan is het nog minder te bewonderen dat de rampen des oorlogs, zig nimmer bij een klein pleksken gronds bepaalen; de gezegde vorsten-slaaven, zijn over het algemeen losbandige booswichten, uitgehongerde raaven, die onder den dekmantel van rechten des oorlogs, hunne harten met gruwelen, en hunne maagen met geroofde beeten vullen, gelijk zij ook niet zelden hunne beestachtige lusten voldoen ten koste van de eer veeler braave vrouwen en maagden—is er immer een tijd geweest waarin zulks dagelijks ondervonden wordt, ’t is de tijd dien wij beleeven; door geheel Europa woedt en plundert de schenzieke en hoogst verachtelijke soldaat.... doch welhaast wordt veelligt de dag geboren, (sommigen meenen zelfs de eerste morgenschemering daarvan reeds te bespeuren,) waarop alle vorst, alle soldaat.... dan op dien toon voordgaande, zouden wij de eigenlijke paalen van ons plan overschreiden.
Door het vuur heeft Muiderberg, voor zo verre wij hebben kunnen naspooren, nooit veel geleden; ook niet door het water; want ofschoon het nabij de zee gelegen zij, heeft de goeddoende en altijd zorgende Natuur het dorpjen, door middel van vrij hoog duin tegen de woede van dat element beveiligd.
„In den jaare 1673 hadden de Franschen,” dus luidt een gedeelte der historie van dit dorp, „zig op Muiderberg verschanst en batterijen opgeworpen tegen die van Muiden, welke stad zij toen onder hunne magt hoopten te krijgen; zij werden echter van daar verdreven, door verscheidene uitleggers op de Zuiderzee, die van Amsteldam gezonden werden, en door vlotschuiten met kanon waarvan men drijvende batterijen maakte, die hen van de vaart tusschen Muiden en Naarden zo benaauwden, dat zij op den 6 Junij van ’t gemelde jaar opbraken, en hunne onderneemingen lieten vaaren.”
Bij de omwending in onzen burgerlijken staat, heeft Muiderberg zeer veel geleden: door de Pruissen zijn alle buitenplaatsen grootlijks, en Rustrijk, die van den Heere Abbema, ook de Pastorij, geheel en al geplunderd: verscheide weken hebben veele oude lieden en kinderen zig in de open lucht moeten ophouden, om derzelver schreeuwende mishandelingen te ontvlieden: wij mogen intusschen niet vergeten aantetekenen dat de ingezetenen aldaar meest de Patriotsche partij toegedaan waren, en zij zig, op last der Heeren Staaten van Holland en Westvriesland, ook in den wapenhandel geoefend hebben.
Onder de
BIJZONDERHEDEN,
Van dit dorpjen, behooren twee kerkhoven, het eene reeds in de voorgaande eeuw aangelegd voor de Hoogduitsche Jooden, van welken hier doorgaands honderd in het jaar begraven worden; het andere is, sedert een jaar aangelegd, voor de Lutherschen van ’t Oude licht; doch tot heden toe heeft niemand hier eene rustplaats voor zijn overschot verkozen.
Het voornaame logement waartoe de voorgemelde buitenplaats van den Heere Abbema gemaakt is, verdient mede eene bijzonderheid genoemd te worden, uit aanmerking van de zonderling grootsche aanleg, (waarvan mogelijk in geheel het Vaderland, geen voorbeeld voorhanden is,) zo wel als van de kleinte van het dorpjen, alwaar dezelve gevonden wordt; doch wanneer men aanmerkt dat de Grooten reeds vóór dien aanleg gewoon waren zig op Muiderberg te komen verlustigen, en ook dat er verscheidene buitenplaatsen rondsom liggen, allen welken geduurende het zomersaisoen bewoond worden, dan komt de verkiezing van dien aanleg niet zo geheel bijzonder voor; men konde tog vooraf op voldoend vertier staat maaken, om reeden van hetgeen wij zo even zeiden; want dat vertier moet ook alleen slechts van de Grooten komen, de burger schrikt op het zien van den prachtigen aanleg, zodra hij het woord Logement er voor leest: vooral is deeze plaats eene bijzonderheid, wegens de aanmerkenswaardige echo die men aldaar heeft, en welke veele vreemdelingen derwaards lokt; de Edele Heer Willem Hooft, te Amsteldam, heeft er den zeer geleerden Heere Martinet, nagenoeg de volgende beschrijving van medegedeeld—men vindt er een ouden muur in een halve cirkelronde gedaante, zeven voeten hoog gebouwd, met een schuinse rollaag, die men op één voet mag rekenen; de middenlijn deszelven beloopt op honderd en negen voeten binnenswerks: vijftien voeten ten noorden achter deezen muur staat eene hegge, die twee of drie voeten hoog boven denzelven uitsteekt, en eenige roeden verder vindt men hooge boomen; wanneer men nu vóór deezen muur gaat staan, dan ziet men tusschen beiden eenen platten beplanten grond, en achter zig heeft men eenen anderen halven cirkel van latwerk, waartegen eenig geboomte is opgeleid, zijnde de afstand van het middenpunt des muurs tot dat van het latwerk, van honderd twee- en twintig en een halven voet Amsteldamsche maat.
Indien men zig nu plaatst op den afstand van drie- en- vijftig voeten van het middenpunt des muurs, en een ander zeventien voeten ten westen bezijden den eerstgemelden gaat staan, en dan zacht of hard, geheele versen spreekt, beantwoordt de echo dezelven, niet achter elkander, maar elk afzonderlijk, één voor één: dan, het verwonderlijkste van alles is, dat de stem of de echo niet schijnt terug te komen van den muur, maar uit den grond, zeer juist alle woorden nabaauwende.
Deeze echo is aldaar ontdekt voor bijna zeventig jaaren, toen de Heer Homoet eigenaar dier plaatse was, en bij gelegenheid dat men eene ligusterhegge uitroeide: intusschen is het zeker, dat in het Vaderlandsch Treurspel, Gerard van Velzen, in het jaar 1613 in ’t licht gegeven, reeds gesproken wordt van het verstoord gebeente van dit cirkelrond, en van de echo, bij gevolg is deeze muur, (waartoe gemaakt weet men niet, mogelijk tevens tot eene begraafplaats,) en dus ook deeze overschoone echo, al vóór honderd een- en- dertig jaaren, bekend geweest, die daarna in het vergeetboek geraakt kan zijn, toen deeze hofstede, uit de eene hand in de andere overging, tot dat men, de ligusterhegge uitwerpende, dezelve toevallig ontdekte.
REISGELEGENHEDEN.
Deezen zijn als die van Muiden, want van Amsteldam met de schuit tot daar gekomen zijnde, vaart men met de Naarder schuit tot de Hakkelaarsbrug, alwaar men uitstapt om verder naar Muiderberg te wandelen—Terug gaat men weder, of naar Muiden, of naar de Hakkelaarsbrug voornoemd, en zo verder op Amsteldam.
’T is voor een vaderlander nog al niet onaangenaam, aan gezegde brug te moeten uitstappen, alzo hij aldaar vergast wordt op het zien van de Stolp, de landlijke retraite, van den nu zaligen onwaardeerbaaren Burgervader Hendrik Hooft Danielsz., nog het voorwerp van aller braaven achting, en die op dat buitenverblijf zijnen hoogen ouderdom sleet, onder de aangename streelingen van een voldaan geweeten, niet alleen, maar ook van de hoop, van vóór zijn’ dood zijn vaderland, en met nadruk zijne geliefde Amstelstad nog eenmaal gelukkig te zullen zien.
LOGEMENTEN,
Deeze zijn geene anderen dan de reeds gemelde plaats van den Heere Abbema; voords zijn er nog twee herbergen van mindere rang.
DE STAD WEESP.
Zo lang de Zilvren VECHT uw boorden blyft besproeien, O WESOP! en Natuur u met haar schoon vereert. Zo lang de Koopmanschap in Nederland zal bloeien; GENEVER, en door Oost en Westen word begeerd.— Zo lang de Naneef TROUW op hogen prys zal stellen, Hoort Gy, MYN VADERSTAD! uw naam met blydschap spellen.
B. P.—
Onder de geene stem in Staat hebbende Steden van Holland, is Weesp geenzins eene der geringste, zo wegens derzelver oudheid, vermaardheid als vermakelijke ligging aan de Rivier de Vecht; een half uur ten Zuidwesten Muiden; omtrent twee uuren ten Westen Naarden; ruim twee uuren ten Zuidoosten Amsteldam, en ruim vijf uuren ten Noorden Utrecht.
NAAMSOORSPRONG.
Bij de Geschiedschrijvers vind men wegens den Naams-oorsprong niets zekers geboekt. Dat deeze Stad haren naam van de Usipeten ontleenen zoude, luid al te fabelachtig, om daar aan geloof te slaan. Dat zij dezelve aan eenen Here de Wesopa, die aldaar een Kasteel, van dien naam, zou gesticht hebben, verschuldigd is, is even onzeker, en dat zij om haren geduurigen kloekmoedigen tegenstand door haare vijanden, leenspreukig, Wespe of Wispe zoude genoemd zijn, hier voor is geen’ den minsten grond te vinden: ’t zij ons genoeg dat er in Holland een Steedje is, dat Wezop of Weesp genoemd word, bij welke laatste benaming het thans allermeest bekend is.
STICHTING EN GROOTTE.