De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 20

Chapter 203,697 wordsPublic domain

Niet lang na deezen brand, werden eenigen uit de Regeering van Hilversum afgezonden, om bij Hun Ed. Gr. Mog. verlof te verzoeken tot het doen eener collecte, welke gedeputeerden zig naar den Prins Erfstadhouder begaven, om zijne hooge intercessie in deezen te verzoeken, ’t welk hun door Zijn Doorl. Hoogheid niet alleen terstond beloofd werd, maar daar en boven ontvingen zij van Zijne Hoogheid, tot ondersteuning der ongelukkige ingezetenen, de somma van duizend ducaaten—weldra kreeg men verlof, om zig te mogen vervoegen aan de Regeeringen in de Steden en Dorpen, tot het verzoeken van vrijheid om eene collecte te doen, ’t geen bijna overal zeer wel geslaagd is: in Amsteldam alleen werd gecollecteerd ƒ 54605–19–2; in de gantsche provincie van Holland, bragt de collecte op eene somma van ƒ 100739–5–0; in de provincie Utrecht collecteerde men zamen ƒ 7560–:–14, dit gevoegd bij de voorgaande somme, bedroeg de generale collecte ƒ 108299–6–8: niet weinig hielp zekerlijk zulk een aanmerkelijke som, dan dezelve was echter niet toereikende tot eene volkomene vergoeding der schade, terwijl ieder, welke met eene beëedigde verklaring zijn verlies moest opgeven, en van de collecte profiteeren wilde, van elken gulden omtrent zes stuivers en zes penningen ontvangen heeft: gelukkig intusschen dat de zulken zig niet alleen verbinden moesten tot de opbouwing van hunne afgebrande woningen, maar ook dat hunne huizen, volgends de resolutie van gecomm. Raaden, met pannen gedekt moesten worden: eene wijze voorzorg voorzeker! daar tog de ondervinding in het jaar 1766 te Hilversum geleerd heeft, hoe de brand, doordien de meeste huizen met riet gedekt waren, niet te blusschen was, en men integendeel ten dien tijde sommige huizen, waaronder zelfs het koepeltjen der pastorij, om dat zij met pannen gedekt waren, schoon zij van alle zijden als omringd waren van de vlam, heeft kunnen behouden.

Verder wierd de Regeering van Hilversum tot opbouw der publieke gebouwen, nog toegelegd door hun Ed. Gr. Mog. gelijk wij verneemen uit het geestlijk comptoir, eene somma van tien duizend guldens—terwijl daarteboven de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland vrijdom vergunden, van ordinaire en extraordinaire verpondingen van de afgebrande huizen, voor den tijd van 20 jaaren, als mede van den impost op de grove waaren en rondemaat, van de materialen, welken niet alleen tot den opbouw van de kerk, pastorij, school en rechthuis, maar ook van de afgebrande huizen zouden worden gebruikt.

Onbegrijpelijk is het dat zulke beklaagenswaardige gebeurtenissen, die zeker op het platte land van onze Republiek niet zeldzaam zijn, (immers hebben wij binnen weinige jaaren, de dorpen Westmaas en Amstelveen, door den geessel des vuurs kort na elkander allerjammerlijkst zien teisteren?) ’t is onbegrijpelijk, zeggen wij dat dergelijke gebeurtenissen nog niet kunnen doen besluiten tot het daarstellen van reddingsmiddelen, in zulke gevallen alleen dienstig zijnde, als een behoorelijke voorraad van water, en een toereikend getal van brandspuiten—elders in ons werk hebben wij daartoe, naar ons oordeel, den besten raad aan den hand gegeven, dan, wij hebben het genoegen nog niet mogen hebben dat dezelve ingevolgd is, althans niet in het voornaamste gedeelte daarvan; wel zijn op het eene en andere dorp, meerdere en betere brandspuiten aangelegd; maar nog nergens heeft men voorraad van water aangeschaft; dit nu aanwezig zijnde, zal men niet ligtlijk weder een geheel dorp, of het grootste gedeelte deszelven, door het vuur zien verteeren; immers is zulks zelden, of liever nooit, het lot der steden? een voorbeeld daarvan verstrekt het digtbebouwd Amsteldam; hoe zeer geheel de stad als maar één eenige wooning schijne te weezen, zo dat er meestal tusschen huis en huis, zelfs de lucht niet kan doordringen, wordt echter, hoe zwaar een’ brand er ook moge ontstaan, nooit meer dan het erf waarop het ongeluk voorvalt, door het vuur verteerd; en dit zoude ook op het platte land gebeuren, ware het dat men de benoodigde middelen daartoe aanschafte: wat Amsteldam aangaat; treffender voorbeeld, ten bewijze van ons gestelde, zoude niet aangevoerd kunnen worden, dan dat van den overal bekenden eisselijken brand in den Hollandschen Schouwburg; ene oceaan van vuur, geweldiger dan ergens bij menschen geheugen heeft plaats gehad, was echter niet vermogend om de aangevoerde en te werk gestelde brandspuiten te overheerschen; de werking van deezen triumpheerde op het geweld des vuurs, tot zo verre, dat volstrekt geen van de belendene huizen, waarvan de Schouwburg echter rondsom geheel digt omgeven was, een prooi der vlamme werd; de schouwburg, ja, brandde ten gronden toe af, maar niet meer!

In de jongstledene beroerten heeft Hilversum mede zijn deel gehad; ook hier heeft men Pruissisch krijgsvolk gekregen: eerst rukte de avantgarde aan: men zegt, dat even voor derzelver intrek, door een van het genootschap van Wapenhandel ’t welk ook hier gevonden werdt, of door eenen anderen, geschoten was, en dat dit ten gevolge had dat de Pruissen, dit gehoord hebbende, hierom op drie huizen der voornaamste, die zeer voor den wapenhandel ijverden, aanvielen, welke huizen weldra met de goederen die daarin gevonden werden, grootlijks werden vernield: hier op volgde omtrent 5000 man, zo kavallerij als infanterij, onder commando van den Grave van Van Lottum, welk krijgsvolk, zo lang Naarden zig nog niet had overgegeeven, niet ver van Trompenberg zig gelegerd had, zijnde het hoofdkwartier aan het einde der Gooische vaart; na de overgaaf van Naarden, zijn een groot aantal Pruissische soldaaten bij de burgers, geduurende eenige weeken, geinquartierd geweest.

Verder gedragen zig de ingezetenen, hoe zeer in denkbeelden verschillende, zeer wèl.

BIJZONDERHEDEN.

Hier onder, kan men thans plaatsen het jachthuis van den Hr. Pieter van Loon, Oud-schepen der Stad Amsteldam, ’t welk zijn Ed. voorleden jaar op den top van den berg, die doorgaands Hoorneboek genaamd wordt, geplaatst heeft; dit huis heeft het ruimst en alleraangenaamst uitzicht, ’t geen men zig immer verbeelden kan; zelfs het nabijgelegene zogenaamd Loosdrechtsche bosch, is niet in den weg, terwijl men over alle boomen heen ziet—het huis vertoont een Burgt, wordt in een Gotischen smaak opgeschilderd, en geeft, zelfs op een grooten afstand, eene aartige vertooning.

Verder vindt men hier nog een buitenplaats van de Hr. Arntzenius, Advocaat te Amsteldam, welke in het jaar 1793 is aangelegd: het voornaamste uitzicht van het huis, is op zijde naar den kant van Hilversum, over de uitgestrekte bouwlanden en heide.

REISGELEGENHEDEN,

Zondags vaaren 2 schuiten van hier naar Amsteldam, ’s morgens circa elf uuren; en ’s avonds ten 9 uuren: Dingsdags en Donderdags ’s morgens ten elf uuren naar dezelfde stad, van waar zij wederom afvaren, Maandags, Dingsdags, Woensdags en Vrijdags, ’s middags ten half een uur, liggende deeze schuiten te Amsteldam op de Binnen-amstel tusschen de Halvemaansbrug en Groeneburgwal: ook vaart er een schuit naar Utrecht, Vrijdags morgens ten elf uuren, die Saturdag te rug komt en ten half elf uuren niet ver van de Jacobie brug, afvaart: bij besloten water, rijdt Zondag en Donderdag ’s middags van het dorp een wagen op Amsteldam, en van daar terug.

Jammer is het voor zulk een volkrijke plaats, dat de schuit niet verder komen kan, dan tot omtrent een quartier uurs van het Dorp af, van waar de goederen die zij overbrengt, per as verder naar het Dorp moeten vervoerd worden—voor eenige jaaren trachtte men dit ongemak te verhelpen, door eene vaart verder heen te graaven, en men was waarlijk reeds tot op 200 roeden na aan het Dorp genaderd, dan dit heilzaam werk moest gestaakt worden, door eene Resolutie van Hun Ed. Mog. die de afzanding van Naarden met kracht wilden doorzetten, ter meerdere versterking dier vesting, en daarom het verder afzanden bij Hilversum verbooden—meer dan ééns heeft men op de opening der zanderij wederom op het vriendlijkst aangedrongen, en eindelijk heeft men nu, doch onder gewigtige bepalingen, als onder anderen, om het zand niet voor ballast te mogen vervoeren, wederom tot de zanderij permissie bekomen, waarmede men dit jaar dan ook reeds eenen aanvang genomen heeft, doch wij twijfelen om meer dan ééne reden, of het volgend geslacht zig nog wel zal kunnen verheugen met de vaart tot aan haare plaats te zien; behalven de bovengenoemde schuiten, rijden ook nog tweemaal in de week, en wel woendags en saturdags morgens een vrachtwagen op Utrecht, die op dezelfde dagen te rug komt: verder rijdt er visa versa een wagen, Dingsdags morgens op Weesp, Woensdags op Muiden, Donderdag op Naarden: Donderdag en Saturdags middags komt een kar van Amersfoort die op dezelfde dagen retourneert—’s winters bij beslooten water passeert door deeze plaats ook een postwagen van Amsteldam op Zwol, en te rug.

HERBERGEN.

Deezen zijn te Hilversum de volgenden: De jonge Graaf van Buuren. ’T Bonte Paard. Van mindere qualiteit zijn. ’T Hilversumsche Veerhuis. De Koorndraager. De Reizende Man. Het roode hart. De twee eerstgemelden zijn vrij aanzienlijke Logementen, en ook Uitspanningen.

HET DORP ’S GRAVELAND.

Het hofrijk ’S GRAAVELAND, geheugt den schelmsten nijd, Geheugt den woesten aart van ’s Krijgs bezoldelingen, Herinnert ons held TROMP, die, aan ’s Lands dienst gewijd, ’S Lands vijand op de Zee, stoutmoedig dorst bespringen; Dit onvoorbeeldig Dorp, beroemd door bleekerij, Zet Gooiland eer en luister bij.

Het zeer vermaaklijk Gooiland, roemt met reden op het aangenaam dorp, zo even genoemd; en het welk te meer bewondering verdient, daar niet langer dan eene eeuw geleden, nog niets van deszelfs fraai bestond; want men vindt het ten dien tijde beschreven, als onlanden, vullingen, (verlatene veenen, voegen eenigen daarbij, doch onze geëerde correspondent in deezen, zegt desaangaande: „immers schijnt men hier niet te weeten, dat hier, vóór den aanleg van ’s Graveland, zulke veenen geweest zijn:”) uitgedolvene en moerassige plaatsen, die meest niet anders dan biezen, hei en andere wilde ruigte voordbragten; deeze eigenschap vergelijkende bij de schoonheid waarmede het thans prijkt, verstrekt ten bewijze wat de vruchten zijn van eene arbeidzaame verbeterende hand.

De

LIGGING

Van dit dorp, maakt, met deszelfs landstreek, het westlijkste gedeelte van het aangenaame Gooiland uit; zijnde hier de grensscheiding tusschen Holland, en ’t Sticht, eenige voeten ten westen van de ’s Gravelandsche vaart, die naar de Loosdrecht heenloopt, en ook tot op een half uur afstands naar Hilversum; (men zie onze beschrijving van dat dorp).

NAAMSOORSPRONG.

Deeze is zeer zeker niet ver te zoeken; de naam zelf brengt zijnen oorsprong mede; de landen, zo woest en onbebouwd als zij ten bovengemelden tijde nog lagen, behoorden aan ’s Lands Graaven, zonder onder het bijzonder bestuur van eenige andere dorpen van Gooiland te weezen, en derhalven gaf men hun den onderscheidenden naam van ’s Graaven landen, waarvan men bij verkorting ’s Graaveland, of ’s Graveland gemaakt heeft.

STICHTING EN GROOTTE.

Van hoe slechten aanzien deeze landen ook waren, moet de grond echter van zodanigen aart geweest zijn, dat zij voor het bebouwen goede vruchten beloofd hebben; want omtrent den jaare 1625 waren er lieden die zulks begeerden te onderneemen; ten welken einde zij zig keerden tot de rekenkamer van de Gravelijkheids domeinen, met verzoek om die dorre gronden, welken men toen, gelijk gezegd is, den naam van Onlanden gaf, voor zekere erkentenisse te mogen bekomen: de rekenkamer voornoemd wees de verzoekers naar de Staaten van Holland en Westvriesland; aan welken de onderneemer, toen aan hun hoofd hebbende zekere Mr. Jan Ingel, zig ook keerden, met verzoek van ’s Graaven landen, die geheel onbebouwd lagen, te mogen benaderen, op zulk eene wijze als zij met de rekenkamer zouden kunnen overeenkomen, en om tevens voor zeker getal van jaaren, zodanige voorrechten en vrijdommen te mogen genieten als gemeenlijk bij den aanleg van nieuwe landen of bedijkingen worden vergund, benevens het recht van Ambachtsheerelijkheid over den grond, die hun zoude worden toegestaan: dit hun verzoek werd hun ook, onder eenige bepaaling, ingewilligd, en voor die inwilliging, zouden zij, jaarlijks, aan de Graaflijkheid, (want nimmer heeft de Graaflijkheid iet, hoe gering van waarde, afgestaan zonder belooning,) moeten betaalen tien stuivers voor ieder morgen lands; welke belasting volgends octrooi van den Jaare 1636 is veranderd op de elfde schoof: (dit is volgends onze Autheuren, over Gooiland handelende; doch onze begunstiger boven bedoeld, zegt in zijne berichten, ons vriendlijke, medegedeeld, dat men te ’s Graveland meede geene kundschap van die elfde schoof draagt.)—„De ingelanden,” dus leezen wij elders, „verkregen toen ook het civile rechtsgebied, om, met raad van den Bailluw van Gooiland keuren te mogen maaken, en hunne landen te laaten berechten door een’ Schout en Schepenen, bij den Bailluw uit de ingezetenen te kiezen; blijvende het crimineele ter berechtinge van de vierschaar der stede Naarden.”—Op deezen voet dan sloeg men handen aan ’t werk, om de landen aftegraaven, en ter bebouwinge bekwaam te maaken: dan, zulks stak de omliggende dorpen, voornaamlijk Hilversum, in de oogen; zij vreesden door den aanleg van dit nieuwe dorp benadeeld te zullen worden, en deeze eigenbaat ging zo verre, dat de arbeiders der onderneemeren geduurig door de ingezetenen van de bedoelde dorpen, in hun werk gestoord werden, niet alleenlijk met hunnen arbeid te vernielen, maar zelfs rees die naijver zo hoog, dat zij met scherp op de gezegde arbeiders schoten, waardoor niet zelden eenigen, vooral van de graavers, gekwetst werden; men pleegde omtrent hen ook allerleie moedwilligheid, niettegenstaande ’s Lands Staaten daar tegen verscheidene plakaaten lieten uitgaan, niet alleen, maar ook de arbeiders in hunne verrichtingen lieten beschermen door een compagnie ruiters en voetvolk—deeze loontrekkers zijn zeldzaam van eenigen dienst, wanneer de gemoederen in onrust gebragt zijn; soldaaten kunnen alleenlijk tegen soldaaten bestand weezen, maar tegen burgers welken in hunne rechten meenen te kort gedaan te zijn, vermogen zij niets; hunne loon-slagen hebben den aandrang niet van de vrijwillige slagen van vergramde burgers—Zonder thans te onderzoeken in hoe verre de ingezetenen van Hilversum en de andere omliggende dorpen, in deezen gelijk hadden, blijft echter het gezegde een onwederspreekelijke waarheid; een waarheid welke door alle gezachvoerders in ’t oog behoorde gehouden te worden, ofschoon de droevige ondervinding leere, dat zij dezelve telkens weder op nieuw veronachtzaamen, waardoor hun gezach een ongenezelijke krak krijgt, en de zetels aan het waggelen raaken.

Niettegenstaande alle de gezegde hinderpaalen, werd de arbeid zo spoedig voordgezet, dat reeds in den jaare 1634, de akkers konden gekaveld worden, en derhalven mag men de stichting des dorps tot dien tijd brengen: sedert is deeze grond tot een allerverrukkelijkst oord en een pronk van geheel Gooiland geworden; in een kleinen omvang, ontmoet men er zeer aangenaame gezichten van lommerrijk geboomte, vruchtbaare zaai- en wei-landen, heiden, water, veengronden, en veele aanzienlijke buitenplaatsen; waarvan straks nader.

Wat voords aangaat het tweede gedeelte van het tegenwoordige artikel in ons plan, naamlijk de grootte van ’s Graveland; ten gemelden tijde was de bereide grond groot, 555 morgen en 28 roeden Rhijnlandsche maat.

Volgends de lijst der verpondingen van den jaare 1732, stonden toen te ’s Graveland 119 huizen, welk getal in 1734 één meer (120) was; sedert is dat getal aangewassen tot ruim 140, die bewoond worden door meer dan 200 huisgezinnen; twee derden van welken van den Gereformeerden Godsdienst zijn; slechts weinigen zijn Luthers, en de overigen meest Roomsch: de huizen, in zo verre zij niet tot lusthuizen, of boerewooningen dienen, staan allen aan de westzijde van de plaats, strekkende zig bijna een uur gaands in de langte uit; aan de oostzijde vindt men niet anders dan schoone weilanden, en, gelijk gezegd is, heerelijke lustplaatsen: de erven der wooningen liggen tot aan de ’s Gravelandsche vaart: de gemelde bouwing van de dorpbuurt, naamlijk aan eene zelfde zijde, moet geschieden, zo lang er plaats in de langte van ’s Graaveland overblijft: aan die zijde zijn ook veele linnenbleekerijen, welken goed water uit de vaart hebben, en, gelijk bekend is, zeer geroemd zijn; men verzekert dat het linnen, ’t welk te ’s Graveland gewasschen en gebleekt wordt, in zindelijkheid en witheid, de behandeling op de bleekerijen buiten Haarlem niet alleen evenaart, maar zelfs dikwijls overtreft—uit het gezegde blijkt dat de aanleg van ’s Graaveland derhalven zeer regelmaatig, strekkende zig het grondgebied aan de zijde van Naarden, van den hoek aan de noordzijde, genoegzaam in eene rechte lijn tot voorbij de Hilversumsche vaart, langs eenen weg, (gelijk gezegd is, bijna een uur gaands lang,) die ter wederzijde beplant is met eene dubbelde rei van hooge en schoone eiken en andere boomen.

Alles is te ’s Graveland in eene zeer goede orde, ’t welk de ingezetenen te danken hebben aan verscheidene keuren, daartoe van tijd tot tijd gemaakt, zo ten aanzien van de gemeene wegen en vaarten, als tot rust der ingezetenen, en tot weeringe van allerleie vechterijen en baldaadigheden; ook is er zeer goede orde gesteld op het brandblusschen, (eene zaak voorwaar van het hoogste aanbelang,) waartoe thans twee goede brandspuiten worden onderhouden—„Tot verdere veiligheid,” leezen wij elders, „worden ook alle onbekende bedelaars en marskraamers geweerd; bij nacht wordt er de ronde gedaan, waartoe iederen nacht” (van November tot half Maart) „elf” (thans twaalf,) „persoonen de wacht hebben, en in drie” (thans vier,) „wachthuizen bescheiden zijn:” (en alle uuren de ronde doen,) „alle manspersoonen, agttien jaaren oud en daar boven, moeten zig hiertoe laaten gebruiken; doch het staat vrij zijn wacht aan een ander der medgezellen aantebesteden.”

Het

WAPEN

Van dit aanzienlijke en beroemde dorp, is een gekroonde trapgans, op een zilveren veld.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

Het eerste dat hier in aanmerking komt, is de Gereformeerde kerk: van de Gooische of Hilversumsche zijde, en haren stand gerekend naar de breedte of diepte des dorps, staat zij ten westen; doch van den gemeenen weg, en de zijde der huizen te zien ten oosten, en omtrent in ’t midden van het dorp, op een zeer belommerd kerkhof: zij is wel niet groot, maar echter zeer net gebouwd; is een kruiskerk met leiën gedekt, en heeft een klein vierkant torentjen, met uur- en slag-werk voorzien: van binnen heeft zij voords niets aanzienlijks, naamlijk niets bijzonders der aantekeninge waardig; dit alleenlijk kunnen wij ’er nog van zeggen, dat zij thans te klein is voor de Gemeente die sedert haaren aanleg aanmerkelijk grooter is geworden.

De grond van de Kerk, van het Kerkhof en de Pastorij, is bij den aanleg der kerk afgegeven van de hofstede Hilverbeek, die achter het gebouw ligt.

Den 7 julij 1658, werd in de toen volbouwde kerk ’t eerst het woord Gods gepredikt, en daar door dit Godshuis ingewijd, door twee gedeputeerden van de Classis van Amsteldam, naamlijk Menso Johannis, Predikant aldaar, en Johannes van Sanen, Predikant te Huizen: vervolgends werd de predikdienst waargenomen door den Predikant en gerecommandeerden Proponent van gemelde Classis van Amsteldam, tot dat, op eenstemmig advis der Heeren, zo Hoofd- als Gemeene-Ingelanden, en goedvinden van alle de Ledemaaten, door meergemelde Classis, op den 22 Sept. 1659, beroepen, en door Heeren Hoofd-Ingelanden goedgekeurd werd, Cornelius van Midlum, die op den 2 Novemb. daar aan volgende, zijn Leeraarswerk begon.

Er is voords te ’s Graveland geen Weeshuis, de Weezen worden bij de burgers besteed: zie wegens de armen, bladz. 9.

De Pastorij is voor ruim 20 jaaren geheel vernieuwd, en is thans één der schoonsten uit de Provincie Holland.

Van het Schoolhuis zoude men iet dergelijks niet kunnen zeggen—In het school bevinden zig dagelijks, door elkander gerekend, ruim 100 kinderen, en veelen van die gaan aldaar voor rekening van eenige weldaadige bewooneren der lustplaatsen, welken op die wijze, min vermogende ouders, die niet van de diaconie bedeeld worden, de huishoudelijke lasten helpen draagen.

De Lutherschen en Roomschen welken te ’s Graveland zijn, hebben op het dorp geene vergaderplaatsen; de Roomschen gaan te Ankeveen, een klein uur van daar, te kerk; zij behooren onder die parochie; en de Lutherschen behooren onder de kerk van Weesp; alwaar zij echter alleenlijk het avondmaal gaan houden, neemende voords den openbaaren Godsdienst bij de Gereformeerden op hun dorp waar.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Hier van valt weinig aantetekenen; het rechthuis wordt, volgends eene gewoonte op veele dorpen plaats hebbende, gehouden in een herberg.

KERKLIJKE REGEERING.

De Gereformeerden te ’s Graveland (thans ruim 230 ledemaaten uitmaakende, zonder daaronder te betrekken dezulken die des zomers, op hunne lustplaatsen woonende, met hunne dienstboden daar den openbaaren Godsdienst bijwoonen, en veelen van welken er ook ’t avondmaal houden; deeze ledematen) worden bediend door één’ Predikant, zijnde thans de Wel-Eerwaarde en zeer geleerde Heer Nicolaas Govert van Blijenburg, Jerph. Benj. Fil., behoorende onder de Classe van Amsteldam.

Den 27 julij 1660, werd door den toenmaaligen Predikant, met behulp van twee nabuurige Predikanten, eenen Kerkraad aangesteld, bestaande uit twee Ouderlingen en twee Diaconen; uit welk getal de Kerkenraad nog bestaat: elk jaar wordt door de Predikant en verdere Leden des Kerkenraads, een Ouderling en een Diacon gekoren, in plaats van twee anderen die afgaan: noch Gerecht, noch Hoofd-Ingelanden, hebben met deeze verkiezing iet te doen: ook heeft de Kerkenraad de vrije beroeping van eenen Predikant, doch de approbatie geschiedt door Heeren Hoofd-Ingelanden, aan wien de Kerkenraad den beroepenen, met verzoek van goedkeuring, voorstelt; terwijl ook bij die zelfde Heeren, vooraf handopening tot het maaken van eene nominatie en ’t beroepen eens Predikants daar uit, verzocht moet worden: op deeze wyze werdt in ’t jaar 1705, in plaatse van den (op te vooren gezegde manier door de Classis van Amsteldam, beroepen) overledenen Predikant Cornelis van Midlum, beroepen deszelfs zoon, Gerard van Midlum, Predikant te Muiderberg; en vervolgends in ’t jaar 1726, H. J. Elzevier; in ’t jaar 1746, Antonius van der Os, die in ’t jaar 1748, door de Gereformeerde gemeente van Zwol beroepen werd; doch vervolgends tot de Doopsgezinden is overgegaan en thans nog by dezelve te Saandam Leeraar is: in ’t jaar 1748, werdt beroepen Willem Lobé, sedert het jaar 1779 rustend Leeraar: in zijne plaats werdt beroepen Willem Leendert Krieger, thans Predikant in ’s Graavenhaagen; in ’t jaar 1787, is beroepen Henricus Johannes van Wijck, thans te Nijmegen Predikant, en in deszelfs plaats in ’t jaar 1786, de tegenwoordige Leeraar, reeds gemeld.

WERELDLIJKE REGEERING.

Boven hebben wij reeds gezien dat het crimineele rechtsgebied over ’s Graveland, staat aan de vierschaar der stad Naarden.

Vervolgends bestaat de civile rechtbank uit den Schout, (die zijne aanstelling ontvangt van den Bailluw van Gooiland) en vijf Schepenen: ter jaarlijksche verkiezinge van de laatstgemelden, wordt door den Schout en aanwezende Schepenen eene nominatie gemaakt van een dubbeldtal, en deeze nominatie wordt ter verkiezinge gezonden aan den Bailluw van Gooiland, voornoemd; het eene jaar worden ’er 2 en het andere 3 gekozen, die voords 2 jaaren aanblijven.

Er zijn verder Brand- en Wees-meesters, benevens een Bode civil.