De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 19

Chapter 193,633 wordsPublic domain

Zo weinig als van de naamsoorsprong des dorps geweten wordt, zo weinig wordt ook geweten van deszelfs stichting; dit is zeker, gelijk uit voorige handvesten en resolutien der oude Graaven en Hertogen blijkt, dat Hilversum mede een oud Dorp is, en het is hoogstwaarschijnelijk dat het zijn begin genomen heeft met herdershutten, terwijl de gelegenheid des lands allergeschiktst was voor de schaaphoederij: deze gedachte wordt alleraanneemelijkst gemaakt, door zekere gadering, welke hier éénmaal ’s jaars geschiedt, onder den naam van Schotgeld, en, dat bijzonder is, ’t geen elk betaalen moet, is uitgedrukt met zekere tekens, ’t welk in die oude tijden voor ieder duidelijk was—wat de grootte des Dorps betreft, de platte betimmerde grond wordt ten minsten op 50 morgen gesteld—de bebouwde gronden welken het Dorp omringen op 800 morgen, de gemeene weiden op circa 500 morgen; voords nog gedeeltelijk bouw- en gedeeltelijk wei land, aan onderscheidenen op erfpacht uitgegeven, zamen min of meer 500 morgen, behalven een zeer aanzienlijke streek, zogenaamde Maatlanden, gelegen onder de banne van Hilversum aan de Zuiderzee, welke zonder andere bemesting, dan die welken de zeevloeden ’s winters aanbrengen, jaarlijks aanmerkelijk grasgewas opleveren: eindelijk zullen de onbebouwde heigronden bijna 2000 morgen uitmaaken—Het getal der huizen wordt in de verpondingslijst van den jaare 1732 gesteld op 463. en daar dat getal op die lijst van honderd jaaren vroeger, (1632.) slechts 146 is, en er thans reeds 500 opstaan, waarbij nog eenigen, binnen weinig tijds gebouwden, gevoegd zullen worden, getuigt zulks van den ongemeenen bloei des dorps in de gezegde jaaren: deeze bloei heeft het onder anderen te danken aan de landbouwerij, waarvan wij boven reeds spraken; en die ongetwijfeld nog vrij aanzienlijker zoude weezen, ware het niet dat het bereiden van de heigronden ter bebouwinge, groote zwaarigheid inhadde, of liever groote moeite en kosten vereischte, en daarom te weinig voordgezet wierd: en wat zou het gevolg daarvan weezen? wat anders, dan dit zo heilzaame, dat er duizende handen, welken nu, door gebrek aan arbeid, in ledigheid verstijven, bezigheid, en de zamenleeving eene vrij meerdere hoeveelheid van landvruchten aangeschaft zoude worden; er zoude altoos nog genoeg heigronden, die geheel ongeschikt zijn ter bebouwinge, voor de weiding der schaapen overblijven—de ondervinding heeft tog, ook in deeze omtrek, geleerd, hoe de grond, wèl bearbeid en bemest, bijna nergens geheel ondankbaar is; (zie onze beschrijving van ’s Graaveland bladz. 15.)—Hilversum is zijnen bloei mede verschuldigd aan de weeverijen, welken aldaar sedert langen tijde zijn geweest.

De bewooners van dit Dorp worden begroot te bestaan op agt honderd huisgezinnen, waaronder Gereformeerden, Roomschen, Jansenisten, en zes-en-twintig Joodschen.

WAPEN.

Dit is een groen veld, en op hetzelve vier boekwijt-korrels.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

De Gereformeerde Kerk, welke hier in de eerste plaatst in aanmerking komt, is een gebouw van welks eerste stichting men niets weet; sommigen willen, dat dezelve van ouds een parochiekerk, en aan St. Vitus toegewijd was: in 1766 was de voorgaande Kerk, op slechts de muuren na, met het voornaamste gedeelte des dorps, door de vlamme verteerd geworden, (zie hier achter artijkel geschiedenissen:) het tegenwoordig gebouw, dat op zondag den 3 Julij 1768 ingewijd werd, door den toenmaaligen leeraar Johannes Wilhelmus van Yssum, is zeer net en in alles aan het oogmerk beantwoordende: het zelve is breed 49, en lang 74 voeten, behalven het choor, het welk breed 26, en lang 39½ voeten is—van binnen pronkt de kerk met een goed orgel, waar bij een orchest dat op twee nette colommen rust; hetzelve orgel is vervaardigd door Abraham Meere, orgelmaker te Utrecht: men vindt daar op 16½ Registers, 2 Clavieren, en een aangehangen pedaal, en is door den tegenwoordigen Leeraar, Gode en zijnen dienst toegewijd den 30 Julij 1788 [18]—binnen in de kerk vindt men voords een fraajen predikstoel, drie groote koperen kaarskroonen, noodige banken voor Regeering, Kerkenraad en andere persoonen, en meer dan 200 vrouwen stoelen, behalven nog een gedistingueerde bank voor den Bailluw van Gooiland, en 2 banken voor de Heeren van de buitenplaatsen van ’s Graavenland.

Wat het uitwendige des gebouws betreft, het pronkt met een spitsen toren, en staat op een groot kerkhof dat met een’ muur omgeeven is: in deezen muur, tegen over den ingang van de kerk, is een vry aanzienlijk ijzeren hek, tusschen twee vierkanten steenen pijlaaren: boven op de pijlaaren staat, op die aan de linkerzijde, het wapen van Holland, en op het andere het dorpswapen bovengemeld; beiden door leeuwen gehouden: op het voorste vlak der pijlaaren, boven aan, is, ter eene zijde, uitgehouwen een schip, en ter andere zijde een wereldkloot: onder het schip leest men den naam van Jan Jansz. Perk, en onder de wereldkloot, Japje Rijkse Nagel: deeze waren echte lieden, en hebben het gezegde hek aan de kerk geschonken: zijnde hetzelve in den brand van 1766 onbeschadigd gebleeven.

Terwijl wij thans van kerk en kerkhof spreeken, kunnen wij niet af tevens melding te maaken van de nieuwe buitenbegraafplaats, welke hier ter plaatse gevonden wordt; en zeker niet weinig ten bewijze dient, hoe de ingezetenen deezer plaatse wel te leiden zijn, indien men voorzichtiglijk handelt, en den weg van overreding met hun inslaat: dit heilzaame werk heeft zijn volkomen beslag gekreegen, en ’t geen niet weinig verwondering baart bij hen die weeten, hoe het grootste deel der ingezetenen den Roomschen Godsdienst is toegedaan; allen, zonder onderscheid, hebben een bijna veertienhonderdjaarig vooroordeel weeten afteleggen, door hunne lijken niet meer binnen het Dorp en de Kerk, maar buiten hetzelve te laaten begraaven——Deeze begraafplaats ligt even buiten het Dorp; derzelver lengte is 354, en breedte 66 voeten Rhijnlandsche maat; zij is omringd met eenen muur, 6 voeten boven den grond; de ingang van deezen buitenhof is in het midden voorzien van een ijzeren hek, op welks pilasters de woorden Gedenkt te sterven, geleezen worden: tegen over dit hek vindt men een graf- of gedenk-naald op eenen kleinen heuvel van groene zooden: op de grafnaald ziet men, behalven een doodshoofd en twee schinkels in eene nis geplaatst, deeze inscriptie: Het stof keert weder tot aarde, gelijk het geweest is, en de geest weder tot God die hem gegeven heeft, en daar onder Salomon——De toegang tot deeze stille rustplaats der dooden is, als eene alléé, beplant met een dubbelde rei van ijpen- en sparren-boomen, terwijl alles in de volkomenste orde, en zo zindelijk gehouden wordt, dat ook deeze buitenbegraafplaats, liggende tusschen het golvend koorn, in veele opzichten, naar eenen hof gelijkt; zij staat onder bijzonder opzicht van eenen Opziener en Boekhouder—Op den eersten dag van het jaar 1793 heeft men ’t eerste lijk aldaar gebragt, waarbij Regeering en Kerkenraad adsisteerden; en van dien tijd af, tot heden toe, heeft men alle de lijken op deeze nieuwe begraafplaats geborgen; terwijl de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland niet alléén vrijheid hadden gegeeven om de graven der kerk te sluiten, ieders graf of graven op deeze buitenhof te verplaatsen, maar ook gaven zij dispensatie, van het geen Art. 15 van de ordonnantie op het middel van trouwen en begraaven, in dato 26 October 1695, is gestatueerd, zo dat van de lijken van buiten naar Hilversum vervoerd wordende, niet meer dan ééns, en wel ter plaatse van het overlijden, ’s Lands recht behoeft betaald te worden——onderscheidene graven zijn reeds aan aanzienlijke lieden, buiten deeze plaats, verkocht, en er doet zig niet weinig hoops op, of deeze begraafplaats die vooral om deszelfs hooge ligging (daar men veilig stellen mag dat zij meer dan 30 a 40 voeten boven het water ligt) boven anderen, welke in ons Vaderland gevonden worden, verre te verkiezen is, zal weldra hoe langer hoe meer van elk gezocht worden——Digt bij de grafnaald, ziet men een graf, met een groote zerk, waar op de naam van Jan Abraham Dedel, 1793—De conditien, waar op men recht tot een graf kan bekomen, benevens het bericht, worden, behalven hier ter plaatse, ook te Amsteldam, (gratis,) uitgegeven bij de Boekverkoopers W. Holtrop in de Kalverstraat, D. en J. Dol, in de Oudenbrugsteeg, en H. Brongers over de Beurs—welk rechtgeaart Vaderlander wenscht deeze plaats, met zulk eene nuttige inrichting, niet van harten geluk! en wie, die slechts eenige menschenliefde in zijn binnenste koestert, verlangt niet hartlijk, dat men, vooral in volkrijke plaatsen in ons Vaderland, aan zulk een heilzaam werk eens eindlijk de handen slaan mag——en gaan Regenten met hun goed voorbeeld voor, weldra zal men dan ook, gelijk wij vertrouwen, ondervinden, zo als men hier te Hilversum ondervonden heeft, dat de ingezetenen niet zo gehecht zijn aan voorouderlijke gewoonten en vooroordeelen, of zij zijn, wanneer men hun op eene bescheidene wijze het wanvoegelijke en schadelijke onder ’t oog brengt, ook in staat om dezelve te bestrijden en te overwinnen.

De pastorij is in een zeer goeden staat, dezelve is een zeer spacieus gebouw van den jaare 1767, met een goede tuin er achter; en, daar het woonverblijf van den Predikant, vóór den geweldigen brand van 1766 kort bij de kerk en toren was, bijna zonder eenig uitzicht, is de tegenwoordige pastorij geplaatst voor aan den weg, die naar ’s Graaveland, Soestdijk enz. leidt, en om de menigvuldige passage een alleraangenaamst uitzicht heeft.

Het Schoolhuis ligt aan de andere zijde der kerk; en is in alles aan het oogmerk beantwoordende.

Op het dorp is voords een vrij aanzienlijk weeshuis, in 1786, door den braaven Amsterdammer, de Heer H. Hovie, om zijne onbepaalde menschlievendheid en mededeelzaamheid aan de armen zo bekend als bemind, opgericht; het getal der inwooners van dit huis, zo ouden als jongen, is tegenwoordig 71, waar onder er bijna 50 zijn, voor welken de voornoemde menschenvriend betaalt; terwijl zijn Ed. verder op allerleie wijze in den nood van dit huis voorziet—Dit weeshuis wordt geregeerd door 2 Regenten en 2 Regentessen, die eene vader en moeder onder zig hebben.

De Roomschen hebben er eene goede statie, die bediend wordt door een’ Pastoor en een’ Kapellaan: de Pastoor is thans de Wel Eerwaarde Heer Wilhelmus Holscher——de Roomschen moesten te voren hunnen godsdienst buiten de plaats verrichten, en gingen daar toe meestal naar Laren of Bussem, doch in den jaare 1784 den 23 September hebben zij, op verzoek, permissie bekomen tot het bouwen eener kerk [19], ’t welk een groot en fraai gebouw is—naast het kerkgebouw ziet men de pastorij, zijnde zeer net betimmerd, en met allerleie gemakken voorzien—achter het huis en kerk ligt een zeer schoone moestuin, fraai bosch en engelsche tuin——het getal der Roomschen alhier, zo oud als jong, wordt bepaald op 18 a 1900 zielen.

Ook is hier een talrijke Janseniste gemeente, die op 700 leden berekend wordt: deeze wordt mede bediend door een’ Pastoor, en een’ Kapellaan, zijnde thans Pastoor de eerwaardige, Heer J. B. E. Gijselinck: de kerk is ook een net gebouw, en in alles aan het oogmerk beantwoordende, de Pastorij is een tamelijk goed huis, waar achter een redelijk goede tuin.

De Jooden hebben te Hilversum een kleine maar zeer nette Sijnagoge, (’t welk zekerlijk voor een dorp iet zonderlings genoemd mag worden:) dezelve pronkt met een aartig torentjen, doch zonder klok daarin: deeze sijnagoge is ingewijd, 21 Augustus 1789.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

Het rechthuis is hier niet, gelijk op veele andere dorpen, met een herberg vereenigd; het maakt van binnen en buiten een zeer goede vertooning, en is kort na den brand van het jaar 1766 opgebouwd: van vooren heeft het een hoge stoep, die aan wederzijde elf treden heeft, en met een ijzere leuning voorzien is—in ’t midden ligt een’ gang, ter wederzijde van welken de noodige kamers gevonden worden; boven ieder vertrek vindt men met vergulde letteren, voorwien hetzelve geschikt is—beneden is de wooning van den Dienaar der Justitie; het vertrek voor de Nachtwacht (die hier zo wel des zomers als ’s winters gehouden wordt) en eindelijk de Gijzelkamer—het gebouw is rondom voorzien met engelsche schuifraamen—boven op de lijst van den voorgevel staat het Hilversumsche wapen: het gebouw pronkt voords met een torentjen, waarin ook een klok hangt.

KERKLIJKE REGEERING.

De Gereformeerde Gemeente te Hilversum uit meer dan 900 menschen, zo oud als jong, bestaande, wordt bediend door éénen Predikant, zijnde thans de Wel-eerwaarde Heer Fredericus Ham, behoorende onder de Classis van Amsteldam: de Kerkenraad bestaat uit den Predikant voornoemd, 2 Ouderlingen en 2 Diaconen, waarvan jaarlijks één Ouderling en één Diacon afgaat, en door anderen vervangen worden; ook zijn hier twee Kerkmeesters, waarvan ’er jaarlijks één afgaat.

WERELDLIJKE REGEERING.

Deeze is even als op genoegzaam alle de Gooische dorpen: de Hooge Vierschaar wordt er gespannen door den Bailluw met de Schepenen van Naarden; voords bestaat de civile Regeering in den Schout en vijf Schepenen; er zijn ook twee Buurtmeesters, en 4 Raaden, welke laatsten gewoonlijk uit elk quartier van het Dorp gekozen worden; de Schout, en de jongst in dienst zijnde Buurtmeester, stellen ieder een getal van vijf persoonen, uit welk tiental, door den Bailluw vijf nieuwe Schepenen, in plaats van die in het voorgaande jaar geregeerd hebben, verkozen worden, welke vijf nieuwe Schepenen, onder den eed gebragt zijnde, eenen nieuwen Buurtmeester, in plaats van den oudsten in dienst zijnde, verkiezen—vervolgends gaat men over tot het verkiezen van vier nieuwe Raaden, eenen Kerkmeester, enz.

Het schijnt dat het Dorp Laaren weleer met Hilversum onder een zelfd Gerecht behoord heeft; immers in 1423 kreegen die van Hilversum een handvest van Hertog Jan van Beiëren, waarin hij niet alleen aan den Bailluw het recht geeft, om, jaarlijks, op Vrouwendag, vijf Schepenen voor Hilversum te kiezen, maar tevens ook spreekt van eene banscheiding te maaken tusschen Larenkerspel en Hilversum; „doch de Schepenen van beiden deeze Kerspelen zouden zamen de breuken berechten in het Gooiland, terwijl de beesten, waardoor misbruik in het bosch gebeurd was, verborgd zoude worden bij goeddunken van Schepenen in den Dorpe, daar de eigenaar woonachtig was, en Schepenen van Hilversum zouden hun eigen Land en hunne Meente- of Gemeente-weiden keuren, en berechten, gelijk die van Laaren voormaals plagten te doen.”

Dit is zeker, (voegt onze geëerde begunstiger daar bij,) dat Hilversum met Laren in het kerklijke te vooren is gecombineerd geweest; de scheiding is geschied in 1605.

VOORRECHTEN.

De Hilversumsche gemeente verkiest zelve haaren Leeraar——de regeerende Kerkenraad, vereenigd met de laatst afgegaane Ouderling en Diacon, formeert een twaalftal, en daar uit een nominatie van vier Predikanten, uit welk viertal, door de mans ledemaaten, in de kerk daar toe bijeenvergaderd, eenen nieuwen Leeraar verkozen wordt——of men de zogenaamde Buurtspraaken, ook als een bijzonder voorrecht kan aanmerken, kan niet zeker gezegd worden, maar dit weeten wij uit onderscheidene aantekeningen, die daarvan ter deezer plaatse nog voorhanden zijn, dat voortijds in gewigtige gevallen, vooral dan wanneer het op de kasse des Dorps aankwam, ’t zij door den Bailluw, ’t zij door de Buurtmeesters, het volk geraadpleegd werd, hoe daar in te handelen, terwijl de gemeente zonder onderscheid van godsdienst, in de kerk werd bijeenvergaderd, waarin de zaak voorgesteld en met meerderheid van stemmen daar omtrent gehandeld wierd.

Eindelijk moeten wij hier nog melding maaken van het voorrecht der Hilversummers op het stuk der Erfgoojers, (zie onze beschrijving van Laaren:) de Hilversumsche meent of weide ligt aan de Noordzijde van ’s Graaveland, is groot, gelijk wij boven zeiden, circa 500 morgen, door de runderpest, welke weleer zo streng hier te land woedde, was dezelve in merkelijk verval geraakt, dan thans is dezelve in een veel beteren staat, terwijl men daar op niet zelden 600 beesten telt, ’t geen een beter inkomen tot onderhoud oplevert——ieder erfgoojer, hier woonende, heeft het recht daar op te mogen brengen 5 koejen, en een paard, en voor ieder beest, betaalen zij, alle onkosten door elkanderen gerekend, twee guldens——volgends resolutie op Stad en Landen genomen, hebben de Hilversummers, tot herstelling van hunne in vorige jaaren zo vervallen meente, de vrijheid, om van de inwooners der andere Gooische Dorpen, doch Erfgoojers zijnde, jaarlijks eenige veersen en pinken aanteneemen.

Over deeze meent zijn gesteld twee Schaarmeesters, die, terwijl hier een molen op deeze meent gevonden wordt, ook wel Molenmeesters genoemd worden—deeze menschen hebben het opzicht over de molen, merken het vee, ’t welk op de meent gebragt wordt, en ontvangen de penningen, waarvan zij jaarlijks voor de Regeering des Dorps verantwoording doen moeten.

Verder heeft men hier 4 Bekeurders, die vooral het opzicht hebben over de gemeene gronden, om wel toetezien, dat hiervan door niemand eenig misbruik gemaakt worde: oudtijds werden deeze menschen boschbewaarders genoemd, onder welke benaaming zij nog jaarlijks worden aangesteld, zekerlijk om dat zij in vorige eeuwen het opzicht gehad hebben over een zeker bosch, gelegen tusschen de bouwlanden van Hilversum en de landen van Maartensdijk, het welk geschat wordt groot geweest te zijn 314 morgen; doch welk bosch bijna geheel reeds verdweenen was, in het begin der zeventiende eeuw———zonderling is het, dat thans hiervan geen overblijfsel meer gevonden wordt, echter heeft de landstreek, die tegenwoordig bergachtig en met heide begroeid is, nog den naam van Goojerbosch behouden.

BEZIGHEDEN.

Deezen bestaan voornaamlijk in de weverijen—vóór het jaar 1766 werden hier meestal lakenweverijen gevonden, die voor rekening liepen van Amsteldamsche Kooplieden, dan thans zijn dezelve geheel vervallen—de ingezetenen zijn niet onvernuftig in het uitvinden, van dat geen ’t welk tot hun bestaan dienen kan; bijzonder houdt men zig thans op met het weeven van zogenaamd Hilversumsch wit en gestreept—sinds eenige jaaren is men ook hier met goed succes begonnen met het weeven van gang-kleeden en karpetten, welke fabriek meer en meer toeneemt—ook vindt men hier een fabriek van Doorniksche kleeden, en Schotsche tapijten, waar mede de gebroeders Reijn niet weinig roems behaald hebben, terwijl de Oeconomische Tak van Haarlem, tot aanmoediging, eerst per el, ’t welk gedebiteerd werd, twee stuivers, daar na één stuiver geschonken hebben, het geen binnen weinige jaaren eene somma van meer dan drie duizend gulden bedragen heeft—welke fabriek tot nog toe met goed gevolg aan den gang is; als mede die van éénen Petrus Haan, die sinds 2 a 3 jaaren dezelve fabriek begonnen, en ook voorleden jaar in de vergadering van den Oeconomische tak niet weinig roems behaald heeft—men telt hier 76 fabrikeurs, en men rekent dat er ruim 500 getouwen aan den gang zijn—in meer dan ééne droevige omstandigheid van ons dierbaar Vaderland, waarin elders fabrieken kwijnden, zijn de Hilversumsche fabrieken boven anderen voorspoedig gegaan, dan, indien het oorlog nog lange moet blijven voordduuren, is er reden om te vreezen, dat dezelve ook wel rasch aan het kwijnen geraaken zullen; en hier door zoude niet alleen deeze plaats, maar ook eenige omliggende, eenen gevoeligen slag worden toegebragt, terwijl te Amersfoort voor die van Hilversum, veel wol gesponnen wordt, in de omliggende Dorpen katoen, en bijzonder te Laaren het hair, waarom ook van daar bijna ieder dag een vrachtwagen komt, waarmede de specie gehaald, en het afgewerkte t’huis gebragt wordt—men vindt hier ook aan het einde der Gooische vaart een loojerij, die niet onvoorspoedig is—verder telt men hier 60 a 70 boerderijen.

GESCHIEDENISSEN,

Deezen vinden wij, voor zoo veel het vroegere gedeelte daarvan betreft, kortlijk dus beschreven: „In de tweespalt, tusschen Holland en Gelderland, terwijl Filips van Oostenrijk, nu Koning van Spanje geworden, naar Duitschland gereisd was, deed Hertog Karel van Egmond, die zijnen eisch op Gelderland levendig hield, in den jaare 1505, eenen inval in Gooiland, en verbrandde het dorp Hilversum, zonder dat hij echter groote buit van de inwooneren kreeg, alzo dezelven met alle hunne goederen weggevlugt waren.”

„Het jaar 1672 was mede voor dit dorp zeer ongelukkig; in het laatst van de maand September, werd het door de Franschen geheel en al uitgeplonderd, en alles wat zij niet konden wegneemen, vernield.”

Wat de laatere geschiedenis des dorps betreft, deeze is niet minder ongelukkig: op den eersten mai 1725 ontstond te Hilversum een zwaaren brand, waar door meer dan 50 huizen in de assche gelegd werden—dan, dit alles was nog weinig bij de ramp, welke deeze plaats in het jaar 1766 door den brand geleden heeft—het was op den 25 junij van het gemelde jaar, ’s namiddags tusschen een en twee uuren, dat dees geweldige brand eenen aanvang nam, en, ’t geen opmerkelijk is, juist in het zelfde huis, waarin de voorige brand ontstaan was, waarin thans een Joodsche Vleeschhouwer woonde; één van zijne huisgenooten, zegt men, had de onvoorzichtigheid gehad, om eenen aschpot met vuur te digt bij brandbaare stof of hooi te zetten——weldra was alles in beweeging, om, ware het mogelijk, den brand in deszelfs beginselen te stuiten; dan eene sterke oostenwind op eene langduurende droogte volgdende, verijdelde alle de pogingen der werkzaame ingezetenen—het vuur werd met een ongelooflijk geweld door de lucht heen gevoerd, ’t geen als een regen op de huizen nederviel, en daardoor dezelve, die toen meest allen in het dorp met riet gedekt waren, zelfs op eenen verren afstand, weldra in vlam zettede, zodat veelen van hun, welke, geen gevaar voor hunne eigene wooningen vreezende, en die tot hulpe van anderen waren toegeschooten, spoedig de droevige tijding ontvingen, dat ook hunne woningen door de vlam waren aangestoken——binnen weinig uuren waren meer dan 150 huizen, en een aantal schuuren, gevuld met koorn en andere goederen, behalven het raadhuis, de pastorij, ’t schoolhuis, en de kerk, waarin eenige ingezetenen hunne goederen geborgen hadden, doch die ook een prooi der vlamme werden, in de assche gelegd: allerakeligst was de toestand der ingezetenen; van alles beroofd zworven zij als raadeloos tusschen de puinhoopen van hunne ingestorte wooningen door: duizenden lieden van de omliggende plaatsen, maar vooral van Amsteldam, zakten derwaards om het jammerlijk tooneel van verwoesting in oogenschouw te neemen, niet alleen, maar ook om de geruïneerde inwooners, ieder naar zijn vermogen, met eene gifte te vertroosten; en zo ergens, ter dier plaatse, en in die allerjammerlijkste omstandigheid, heeft de Barmhartigheid haare hand in zegening geopend; want de meeste inwooners waren van geheel hunne bezittingen en middelen van bestaan beroofd.