De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 18
Hoewel de Gereformeerde Gemeente op dit Dorp zeer klein zij, heeft dezelve echter eene eigene Kerk, waarin op den eenen zondag vóór- op den anderen na-den-middag de openbaare Godsdienst wordt verricht. Deze Gemeente is gecombineerd met die van Laaren, behoort onder de Classis van Amsteldam, en wordt thands bediend door den Weleerwaardigen Heer Carel Aeijelts, wiens woonplaats te Blaricum is. De Kerkenraad deezer gecombineerde Gemeente bestaat, behalven uit den Predikant, uit één Ouderling en één Diacon te Blaricum, benevens één Ouderling en één Diacon te Laaren.
Het Kerkjen heeft uitwendig niets aanmerklijks; er staat een oude vierkante toren op; van binnen is het mede allereenvoudigst, volstrekt zonder eenig cieraad, behalven eene kleine kaars-kroon en twee koperen boogen boven de ingangen van het Doop-hek.
Op het Kerkhof binnen den omtrek, dien voorheen het choor der Kerk heeft beslaagen, is een grafkelder, doch die thands van boven geheel met gras begroeid is. Op denzelven ligt een gedeelte van een’ grafzerk, waarop gebeiteld is het wapen en de naam van Johan Stachovwer Urij Heer Van Schiermoncoog.
De Pastorij te Blaricum is vrij goed, gelijk ook het Schoolhuis; doch er is noch wees- noch arm-huis, en dit zoude er ook indedaad vrij overtollig zijn: die weinigen onvermogenden om voor zich zelven den kost te winnen, worden of in hunne eigene wooning verzorgd, of bij Burgers besteed—de Diaconie-armen door den Diacon, met voorkennis en goedvinden van den Predikant en Ouderling—de zogenaamde pot-armen door de Armmeesters.
De Roomschen hebben er eene goede statie, die door een wereldsch Heer bediend wordt, zijnde thans de Weleerwaarde Heer Henricus Huisman.
Wegens de
WERELDLIJKE REGEERING,
Hebben wij slechts dit volgende ter neder te stellen: de Burgers hebben er, wat het bestuur der Dorps-zaaken betreft, hunne eigene Regeering; doch met opzicht tot de rechts-zaaken handelt deeze Regeering in vereeniging met die van Laaren, en heeft dan dezelfde maat van magt als de Regeering der andere Gooische Dorpen. De Leden dezer Regeering zijn te Blaricum zo wel als te Laaren bijkans allen van den Roomsch-catholijken Godsdienst.
Voorrechten of verpligtingen heeft Blaricum niet: Zie wegens deszelfs aandeel in de meente onder onze beschrijving van Laaren.
De
BEZIGHEDEN
Der bewooneren bestaan meestal in den landbouw, zo als dezelve over het algemeen in Gooiland ter hand genomen wordt: er gaan ook nog 18 à 20 getouwen, ter bereidinge van grove stoffe: midsgaders eene menigte van spinwielen, deels om die getouwen aan den gang te houden, deels ter vervaardiging van katoen-garen.
De
GESCHIEDENIS
Van Blaricum, bevat op zig zelve niet veel bijzonders; in de Spaansche beroerten, welken ons land zo vreeslijk geteisterd hebben, heeft het in ’t lot van geheel Gooiland gedeeld, en ’t is overbekend, hoe jammerlijk het weerelooze landvolk moet lijden, als zij door den soldaat bezocht worden; indedaad, de boer heeft meer dan eenig stedeling gegronde reden om den oorlog te vervloeken.
In 1672 toen de geduchte Franschen ons land als overstroomden, heeft Blaricum, als de overige gedeelten van Gooiland, den twist tusschen de beheerschers der aarde moeten bezuuren; met minder gevoelige neepen, is het in onze jongstledene beroerten vrijgekomen.
Maar zeer veel heeft dit Dorp geleden in het jaar 1696: op den 26 Maart diens jaars, even na den middag, ontstond er in hetzelve een allergeweldigste brand, waardoor binnen den tijd van twee uuren over de dertig huizen benevens de Kerk en toren waren in de asch gelegd, de zerken in de Kerk van één sprongen, en de lijken in de graven tot stof verteerden.
Bijzonderheden zijn hier niet te bezichtigen, niettegenstaande de alleraangenaamste ligging des dorps, een bezoek van den Landvriend overwaardig is.
Eigenlijke
LOGEMENTEN
Zijn er niet, men vindt er eenige weinige herbergen, waarin de wandelaar zich kan ververschen.
Er zijn ook geene reisgelegenheden: men is verpligt zig van daar naar Naarden te begeeven, om met de gelegenheden, welken te dier plaatse gevonden worden, naar elders te vertrekken.
HET DORP LAAREN.
Zo lang het landlijk schoon den Batavier behaagt, En hij naar golvend graan, naar groene velden vraagt, Zo lang hij naar de stem van Neêrlands heil zal hooren, Zo lang zal LAAREN ook den Batavier bekooren.
Dit zeer aangenaame dorp, wordt gehouden voor het oudste van geheel Gooiland, ofschoon ter plaatse zelve geene blijken daarvan voorhanden zijn; dit is zeker dat het één der vermaaklijksten van alle de Gooische dorpen genoemd mag worden.
Deszelfs
LIGGING
Is meer zuidwaards van Naarden, dan Blaricum, doch de afstand van die stad is genoegzaam even groot als dezelfde afstand van ’t gemelde dorp, naamlijk omtrent één en half uur.
De ligging over het algemeen is vermaaklijk, ’t is zeer ruim uitgebouwd, en daardoor ten uitersten luchtig; de boomrijkheid verrukt er het oog op de treffendste wijze; ’t is voords vol akkers, en met bebouwde hoogten omringd, allen welken taamlijk vruchtbaar zijn in graangewassen.
Onder de uitgestrektheid gronds, welke hier (als elders in Gooiland,) het oog zo zeer verrukt, telt men eene genoegzaame hoeveelheid, die men Meente, of Gemeene weide noemt: een onzer waardigste begunstigers in deeze, zegt daarvan het volgende: „In het district van Gooiland, vindt men niet alleen groote streeken heide, geschikt tot beweiden der schaapen, en slaan van plaggen, maar ook ligt bij elke plaats een groot stuk weiland, ’t welk gewoonlijk de Meent genaamd wordt; van deeze Heide en Meent, hebben zij die Erfgroojers zijn, dat is die uit voorouders herkomstig zijn, welke in dien tijd reeds in dit district woonachtig waren, toen met het recht tot de beweiding der opgenoemde Meente kreeg, het vruchtgebruik, het welk gewettigd is door eene goedkeuring van Hertog Albrecht van Beieren, in den jaare 1404; en Hertog Jan van Beieren, wilde in zeker Handvest van den jaare 1407, dat de gemeente in Gooiland zoude gebruikt worden gelijk van ouds de gewoonte was—ondertusschen schijnen echter van tijd tot tijd geschillen tusschen de Graaflijkheid en die van Stad en Lande ontstaan te zijn, welke geschillen nu als geeindigd beschouwd worden, door eene conventie van den jaare 1731, waarin gecommitteerde Raaden zig verbinden: 1o) „voor het toekomend de uitgiften of verkoopingen van Landen en Gronden van de Gooische Heide, niet anders te doen als na dat die van Gooiland daar over zullen zijn gehoord, en derzelver consideratien daar over zullen zijn ingenomen; 2o) dat de erfpachten die voor de consenten jaarlijks zullen worden betaald, ofte de penningen die van de verkopinge van eenige gronden of landen komen te provenieeren, zullen bij de Graaflijkheid, en bij die van Gooiland genoten en geprofiteerd worden elks de helft: 3o) dat zo ras de afzandingen op Gooiland wederom vrij zullen gesteld zijn, Gecommitteerde Raaden en die van Gooiland gesamenlijk een begin zullen doen maaken met de Gooische Heide aftezanden, ter plaatse daar zulks dienstig en meest profijtelijk zal geoordeelt worden, zonder dat aan iemand anders permissie om te zanden zal worden verleent, en dat tot meerdere bevoordering van de voorsz. gemeene afzanding de landen en gronden die van de voorsz. Gooise Heide in tijd en wijlen, het zij bij koop consent ofte erfpacht mogte worden verkregen, niet zullen mogen werden afgezand”——en het is ook gelijk wij verneemen onder die voorwaarde, als mede dat hetzelve niet met hout mag beplant worden, dat de streek Lands of Heide achter ’s Graveland liggende (zie onze beschrijving van dat dorp,) is uitgegeven.
„Jaarlijks word, op den 27 maart, te Naarden eene vergadering van Stad en Lande gehouden, wanneer gelijk ook op de buitengewoone vergaderingen, uit alle de plaatsen van Gooiland, één of twee Buurtmeesters of ook wel één Buurtmeester met één of twee Leden uit het Gerecht, ter bijwooninge dier vergaderinge, worden afgevaardigd.
„De opgezetenen van dit district, of liever de Erfgrooiers, zijn niet bepaald tot het beweiden van hunne bijzondere Meent, maar ieder Erfgooier mag schaaren of zijne beesten weiden op welke Meent hij wil, doch alleen dan wanneer hij zig op zulke eene plaats met der woon begeven heeft.”
In den jaare 1762, is, deeze Meente betreffende, eene breede Willekeur of Schaarbrief, uitgegeven, waarin desaangaande alles geregeld is; en wegens het weiden van schaapen op de heiden, onder anderen bepaald wordt, dat Blaricum zal hebben; „Eerstelijk de heijde welke gelegen is beoosten de Huijser weg, die van Huijsen op Laaren loopt, strekkende ten oosten tot aan het Tafelbergje, en voorts een drift van 20 roeden breedte benoorden het Tafelbergje, om op haare verdere heijde te kunnen komen: verder al de heijde welke ten suijdoosten van het Tafelbergje, van daar op de Leeuwberg, en van daar op de Kruisberg, tot aan de Blaricummer enge gelegen is, en van de Kruisberg noordwestwaards op tot aan Craailoo, en westwaards op tot aan den ordinairen weg die van Craailoo op Laaren loopt: nog de heijde die over denzelven weg westwaards op, benoorden de suijder Botweg tot den nieuwen Amersfoortschen weg is liggende, ook de inschikkeling, loopende ten westen van het Craailoosche bosch, daar onder begreepen, zo verre het selve aldaar gelegen is, tusschen Craailoo en den voorn. nieuwen Amersfoortschen weg, en den suijdelijksten Huijser Botweg, (des dat Laaren van ter plaatse, of daar de Nengscheiding tusschen Laaren en Blaricum is liggende, langs de Neng van Laaren westwaards op tot aan den Naarder weg op Laaren, behoude een streek heijde ter breedte van 50 roeden, en van denselven Naarder weg tot suijdwestwaards op aan de voorn. Amersfoortschen weg, eene breedte van 100 roeden, of ter breedte van de Laarder Neng af tot aan den suidelijksten Huijser Botweg.)
„Beneden de Neng tusschen Laaren en Blaricum, sal het dorp Blaricum behouden en genieten al het gemelde veld van den Koedijk af, (liggende aan de Gemeente, tot half wegen het veld tusschen het eijnde van de nieuwe Camp en de Limietpaal, staande aan de Gooijer gracht over de Emenesser gemene steeg, en sal het voorn. veld tusschen de Laarder Neng, en de voorn. Gooijer gracht in sijne breedte, sijn bepaling en scheijding bekomen aldus: met te moeten roijen beneden aan, en van de Neng alwaar haarlieder beschrijving is, van daar lijnrecht, tot aan de Gooijer gracht, daar men het midden heeft van het veld, liggende tusschen het suijdelijkste eijnde van het nieuwe Camps bosch, en de voorn. Limietpaal; al ’t gunt aldus ten noordoosten van dese scheijding ligt, sal aan Blaricum behooren, en is tot voorkoming van ’t verduijsteren deser scheiding goedgevonden dat een teken zal worden gesteld beneden aan de gemelde Nengen, ter plaatse van henlieder bescheidinge, en een ter plaatse voor gemeld aan de Gooijer gracht, roijende lijnrecht op malkanderen.”
In een volgend artijkel wordt gezegd,
„Laaren zal beweiden alles wat om haar Nengscheiding ligt, exempt, dat aan Huijsen, Blaricum, Naarden en Bussem hier voor reeds is toegeschikt —— —— verder sal de scheiding tusschen Hilversum en Laaren zijn, uit het Stigt van de huisen van de hooge Vuurt af te sien, en so voords tusschen de Limietpaalen No. 8 en 9, en van daar op den westerhoek van de Laarder Wasmeer, en van daar lijnregt op een grooten steen, leggende tusschen Hilversum en het Laarder Kerkhof daar de voetpaden van Hilversum op Laaren in één loopen, en van daar op Ardjesberg en Langehul, des te verstaan dat alles wat van deeze scheijding ten noorden gelegen is aan Laaren, en ten suijden van dezelven aan Hilversum gelaten wordt.”
Van den naamsoorsprong hebben wij weder geenig bericht hoegenaamd, kunnen inwinnen, even weinig als van de stichting des dorps: de oorzaak derzelver, de oorzaak der stichtinge van eenig dorp, zeker, kan ook zodanig toevallig weezen, dat men juist geenen eigenlijken stichter deszelven met naame zoude kunnen noemen, al ware het ook dat men nog eene eeuw of anderhalf vroeger geleefd hadde; vooral is zulks waar omtrent onze Nederlandsche Dorpen: onze Republiek is ten allen tijde een Land geweest, grouwzaam geschud door inwendige beroeringen, derhalven heeft het zekerlijk niet zelden vrienden van den vrede genoodzaakt, of liever, doen besluiten, de steden of den omtrek derzelven te verlaaten, ten einde op een afgelegen pleksken hunne hartsgodinne, de lieve Vrede, naar hun genoegen te kunnen dienen: de voorgangers kunnen volgers gehad hebben; vooral is zulks zekerlijk het geval geweest, wanneer die voorgangers zig bij hunne uitwijking wèl bevonden hebben; en op die wijze zal er, waarschijnlijk, menig Nederlandsch dorp ontstaan weezen; ook is het zeer denkelijk, dat de bewooners deezes Lands, in vroegere tijden, even als nu, genoodzaakt geworden zijnde hun eigen onderhoud te zoeken, vooral door dat ons Land, door de daarin aanhoudende troubelen, zig nimmer sterk heeft kunnen toeleggen op het beschermen en aankweeken van de vindingen des vernufts, van fabrieken als anderzins, de gelegenheid des Lands wel rasch onderzocht, en bevonden zullen hebben, dat zij op deeze plaats met de visscherij, op geene met de melkerij, op eene andere met den landbouw, op weêr eene andere met het baggeren, aan een eerlijk bestaan konden komen, alwaarom ieder zijn keuze uit die eigenschappen gedaan kan hebben, en zig ter uitoefeninge van die keuze op de geschiktste plaats nedergezet zal hebben, mogelijk met meer dan één huishouden te gelijk; de gezegde eigenschappen des Lands hebben de onderneemeren zekerlijk wèl doen slaagen, en zulks kan hun weldra medestanders hebben toegebragt; op die wijze kunnen zeer rasch gehuchten ontstaan zijn; de welvaart zal hun eenige aanmerking hebben doen verdienen; de beheerschers des Lands zullen hun als een eigendom benaderd, eene regeeringsform gegeven hebben, en op die wijze kunnen veele dorpen ontstaan weezen, zonder dat men bepaaldlijk kan zeggen, deezen of die zijn de aanleggers derzelven geweest: men voege hierbij, dat de Godsdienst, in ons Land, ook altijd zijne standvastige, ijverige, en des loflijke aanhangers gehad heeft, en men daarom al rasch bedacht geweest zal zijn, om in de genoemde bijeenschoolinge van landgenooten, eene kerk van deeze of geene gezinte aanteleggen, waardoor derhalven de buurt tot een dorp zal verheven weezen.
De
GROOTTE
Van Laaren, vinden wij aangetekend op, (wat de schotbaare landen betreft,) 107 zwad, 7½ voet weiland, 126 morgen, 37 akkers, 12½ dam weiland, 126 morgen, 656 roeden best geestland, 129 morgen, 622 roeden slecht geestland, en 15 vullingen: in 1732 stonden er volgends de verpondings lijsten alstoen opgemaakt, 152 huizen, in andere lijsten beloopt dat getal slechts 118: thans worden de wooningen begroot op 195.
Het
WAPEN
Van dit dorp is een roode Warrekram, op een zilveren veld.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
De Gereformeerde kerk, die hier in de eerste plaats genoemd moet worden, stond weleer alwaar nu het Laarder kerkhof gevonden wordt; dit draagt nog heden den naam van ’t St. Jans kerkhof, gelijk ook de kerk aan Joannes den dooper was toegewijd: de huislieden waren in de Spaansche beroerten niet magtig om deeze kerk vrij te houden, van het geboefte dat er zig dikwijls in legerde, en sterkte; des werd zij, op last van ’s Lands Staaten, afgebroken; „en de ingezetenen,” dus luidt het geen wij desaangaande leezen, „behielpen zig met de kapelle, die in het dorp stond, en welke de tegenwoordige kerk is: zij was,” dus gaat de beschrijver desaangaande voord: „in den jaare 1618, zo zeer vervallen, dat de ingezetenen zig onmagtig vonden, om ze te herstellen, waarom zij bij de Staaten verzochten, dat dit gebouw, voor die enkele reize, uit ’s Lands middelen, in behoorlijken stand gebragt mogte worden, met belofte dat zij in ’t vervolg van tijd, voor het onderhoud zouden zorg draagen:” niettegenstaande de gezegde herstelling, vertoont het gebouw zig zeer oud; er staat een agtkanten toren op, naar den Gottischen bouworde ingericht; verder heeft zij, van binnen, niets aanmerkelijks genoeg om er eenige melding van te maaken.
De Gemeente alhier, gecombineerd met die van Blaricum, wordt, gelijk onder Blaricum reeds gezegd is, bediend door den Wel-Eerwaarden Heere Carel Aeijelts, behoorende onder de Classis van Amsteldam: het schoolhuis is er vrij goed.
Wat het voorgemelde kerkhof betreft, hetzelve ligt ten westen van Laaren, naar den kant van Hilversum; het beslaat een vierkant pleintjen, gelegen op een heuvel, en omringd van een aardene borstweering: „de Roomschgezinden”, zegt men, „hebben er groote eerbied voor, en vorderen dat aldaar verscheidene mirakelen zouden gebeurd zijn, ja men wil zelfs, dat ze er nog hunne aandacht, bij wijze van bedevaart, verrichten: veelen, zeker; verkiezen er begraven te worden: men vindt in het opschrift van eene zerk,” dit leezen wij elders, dat hier één hunner Pastooren begraven is.
De laatstgemelde Gemeente (de Roomsche,) heeft alhier eene zeer wèl gebouwde Statie, die door een Wereldsch Priester bediend wordt; thans door den Wel-Eerwaarden Heere Nicolaus van Veen.
In ons artijkel wereldlijke gebouwen, hebben wij, dit dorp betreffende, niets aantetekenen.
De
KERKLIJKE REGEERING.
Bestaat te Laaren, gecombineerd met Blaricum, uit den Predikant, twee Ouderlingen en twee Diaconen.
Wegens de wereldlijke regeering kunnen wij ook niets bijzonders aantekenen: men zie desaangaande onze beschrijving van Hilversum en van Blaricum.
Voorrechten of verpligtingen zijn omtrent Laaren niet.
De
BEZIGHEDEN
Aldaar bestaan voornaamlijk in den landbouw, maar ook zijn er 50 à 60 weeverijen, die door onvermoeiden ijver in goeden stand gehouden worden.
De geschiedenissen komen na genoeg met die van geheel Gooiland overeen: de bijzonderheden zijn geenen.
De
LOGEMENTEN OF HERBERGEN
Zijn ’t Bonte paard, de Postwagen, en ’t Rad van Avontuuren.
De
REISGELEGENHEDEN
Zijn ’t naast dat men zig naar Naarden begeeft, en aldaar van de gelegenheid gebruik maakt.
HET DORP HILVERSUM.
Het luchtig HILVERSUM verkeerd een barre grond Door nuttige akkerbouw, in schoone kooren velden, En doet door konst en vlijt, van ouds haar naam in ’t rond, Tot eer van Gooilands oord door haar Fabriken melden.
Onder de dorpen van het aangenaame Gooiland, munt het bovengemelde in veele opzichten uit, of schoon het op ’t eerste aanzien niet voor zodanig gehouden zoude worden, vooral niet met betrekking tot deszelfs grootte; uit onze volgende aantekeningen, (die wij, bijna allen, van de waardigste hand, en uit de plaats zelve dankbaarlijk ontvangen hebben,) zal blijken dat Hilversum, zelfs Naarden, dat den naam van Gooiland’s hoofdstad draagt, overtreft in getal van huizen, inwooneren, en bloei.
LIGGING.
Deeze is op de Gooische heide, omtrent ander half uur gaands van de stad Naarden: de ligging is voords ten hoogsten aangenaam, alzo men den heuvelachtigen grond, rondsom het dorp, voor het grootste gedeelte bebouwt met rogge, haver, boekwijt, enz. welke bebouwing de aangenaamste landlijke gezichten oplevert, en in den bloeitijd der gezegde graanen, vooral van de boekwijt, veele Amsteldammers en andere nabuuren derwaards lokt, om zig met het beschouwen dier bevallige tooneelen der Natuur te verlustigen: beklimt men het zogenaamd Trompenbergjen [17] zo vertoont zig als in één oogenblik voor ons gezicht de blauwe heide, en vruchtbaare akkers, die met het goudgeel graan pronken, terwijl de boekwijt als een zee van melk zig vertoont—verder ziet men van daar bosschaadjes, weiden, een menigte torens, en ook een gedeelte van de Zuiderzee, waarin men niet zeldzaam met het bloote oog onderscheidene schepen zien kan—het dorp zelf is in zijn bevang mede zeer aangenaam gelegen, ter oorzaake van deszelfs boomrijkheid, die zeer groot is, waardoor het op sommige plaatsen het aanzien van eene aangenaame lusthof bekomt.
Weleer, gelijk blijkt, uit de brieven en raporten van Pieter Corneliszoon Hooft, Bailluw van Gooiland, schijnen de inwooners, over ’t geheel genomen, beantwoord te hebben, aan den algemeenen aart der bewooneren van het Gooiland, die naamlijk vrij kregel van aart waren; dan, sints een halve eeuw zijn zij aanmerkelijk ten goede veranderd, en wanneer men het groot getal ingezetenen in ’t oog houdt, zal men moeten erkennen, dat, in vergelijkinge van andere plaatsen, die minder inwooners hebben, hier zelfs minder ongeregeldheden, dan wel elders, gevonden worden—gewoonlijk zegt men ook dat de vrouwen veel werks maaken van het tabaksrooken, doch dit is sedert een reeks van jaaren mede zo zeer verminderd, dat deeze gewoonte nu nog slechts onder eenigen der geringste vrouwlieden gevonden wordt; terwijl de burgervrouwen het tabaksrooken zig, hier zowel als elders, tot eene schande zouden rekenen: die van Hilversum, zo wel als de Goojers over het algemeen, zijn van zeer oude tijden af bekend geweest voor een strijdbaar volk: uit zeker handschrift van een’ schoolmeester te Naarden, vinden wij desaangaande aangetekend, dat zij in buitenlandsche oorlogen aangenomen werden; daar zij alle andere volken in ervarenheid van krijgskunde te boven gingen, en onder de geoefendste krijgslieden gesteld werden: „dat zij, of tot lijfwachten der veldheeren werden verkozen, of in de voorste spits pal stonden in eenen veldslag; dat zij dubbelde soldij trokken, de slagordes aanvoerden, de krijgsamten bekleedden, en, in ’t kort, voor dapperder dan alle anderen gerekend werden: in de oorlogen hunner Vorsten tegen Gelderland, Vrankrijk, en van de Keizeren tegen de Turken, of eenigen anderen magtigen vijand, werden zij, op milde bezolding, ten strijde ontboden; zo dat zij, volgends dit verhaal, ten allen tijde, bewijs gegeven hebben van hunne onversaagdheid.”
NAAMSOORSPRONG.
Hier van vinden wij niets aangetekend, en hebben er ook, niet tegenstaande alle mogelijke navorsching, niets van kunnen ontdekken; waarom wij dit artijkel verder met stilzwijgen moeten voorbijgaan.
STICHTING EN GROOTTE.