De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 17

Chapter 173,746 wordsPublic domain

Om dit gedeelte van onzen taak bij eene algemeen bekende gebeurtenis te beginnen, moeten wij den Leezer herinneren, hoe Graaf Floris de Vijfde, in den jaare 1296, in de ongenade der Edelen vervallen zijnde, zij hem gevangen hadden, en naar elders wilden vervoeren; maar de kloekmoedige inwooners van Naarden, hier van bericht bekomen hebbende, trokken onverschrokken uit om den Graaf te ontzetten, schoon het deezen echter zijn leven kostte, want het is te over bekend, dat de wreedaartige Gerrit van Velzen zijnen edelen Meester op eene moorddaadige wijze ombragt; ware er deeze moordenaar niet bij geweest, de Naarders zouden in dit geval zekerlijk den schoonsten lauwer geplukt hebben: een der oude rijmchronijken zingt van dit geval aldus:

Niet ver van Kronenburg, daar siet men in de velden, De Naardenaars, die straks haar in de wapens stelden; Heer Gerrit rijdt voor uit, en vraagt wat dat se doen? Waarom die mannen haar met oorlogstuigh ontmoên? D’outste der burgerij segt: ’t is, de Graaf te wachten: Toen staan de troupen stil, die haaren Landsheer brachten. Heer Gerrit wijkt te rugh, en naar de Grave steekt, Die keert sijn paart, dat springt, maar valt en sijn been breekt, Toen was ’t onmogelijk den Grave te bewaaren, Alzo de Naardenaars haar op de hielen waren; Van Velzen steekt den Graaf enz.

Toen in den jaare 1481, de Utrechtschen eene overwinning op de Hollanders behaald hadden, meenden zij met list Naarden inteneemen, daartoe waren zij allen verkleed in het gewoone gewaad van dorpvrouwen; onder die gedaante vermeesterden zij ook de poorten, en zouden de stad verbrand hebben, hadde men zulks niet afgekocht; die van Naarden moeten derhalven in dien tijd geducht geweest zijn: deezen wreekten zig het volgende jaar ook gevoelig over de ondergaane vernedering; zij verdelgden toen naamlijk de sloten van Emmenes en Westbroek, waarbij niet minder dan 1500 Utrechtschen het leven verloren; de dappere Naarders behaalden daarbij ook zo groot een buit dat zij uit dezelve een toren stichtten, hunne behaalde victorie vertoonende, met bijvoeginge van de woorden: „zwijg Utrecht!”

In den jaare 1486, is het grootste gedeelte der stad door de vlamme vernield, waarom de dorpen daar rondom belast werd, de wallen, muuren en vesten der stad weder te helpen herstellen, op halve kosten.

Verschrikkelijker is echter de ramp die de wreede Spanjaards het steedjen (in 1572.) hebben doen ondervinden: in den eersten opgang der hervorming genoot zij de zoetste rust; men hoorde er noch van beeldstorming noch van vreemde Predikers; maar na zij zig voor Oranje verklaard had, werd zij welhaast opgeëischt; haare bezetting beliep niet meer dan 120 Duitschers; kloekmoedig echter werd de opeisching afgeslagen; doch op het bericht dat Don Fredrik met geheel zijn heir op de stad in aantogt was, ontzonk elk den moed; men zond eenige Gemagtigden, en daaronder den Rector van ’t Latijnsche school, Lambertus Hortensius, den Spanjaard tegen; onder weg ontmoetten deeze den wreedaartigen bevelhebber, Juliaan Romero, die hun verklaarde dat Don Fredrik, de zaak der stad Naarden aan hem gelaten had, waarvan het gevolg was dat de Gezanten hem te voet vielen, en de sleutels van de stad aanboden, waarvoor zij de toezegging verworven, dat burgers noch bezetting aan goed noch leven zouden beschadigd worden; dan laas! ’t was het woord van een’ vijand, die de geessel van Nederland was, en zelfs met eeden spottede: aan ’t hoofd van 400 man trok Romero binnen, en werd bij Gerrit Pieter Aartszoon, Schepen der stad, deftig ter maaltijd onthaald, zo als zijne soldaaten bij de ingezetenen gelijk goed onthaal genooten: dan, wat was het loon voor deeze vriendlijkheid? na den maaltijd deed Romero, door eenen trommelslager omroepen, dat alle de burgers en bezettelingen zig, ongewapend, hadden te vervoegen in de Gasthuiskerk, welke toen voor een Stadhuis diende, om er den eed aan zijne Majesteit te vernieuwen; eenige weinigen mistrouwden dit bevel, en voldeeden er niet aan, maar de overigen begaven zig derwaards: intusschen wandelde zeker Priester, midden onder de Spanjaards, voor de deur vergaderd, op en neder, doch kwam welhaast de veege opgeslotenen aanzeggen, zij hadden met hun geweeten pais te maaken en op hun einde te letten: „maar,” zegt de ridder Hooft, „’t aanzeggen, bereiden en sterven, was één ding:” ijsselijk was de moord die toe gepleegd werd; de Spanjaards bonsden de deur open en schoten in ’t woeste heen onder de menigte; werwaards deezen keerden liepen zij den dood te gemoet; de wanden der kerk weeken niet, en de dood stond in de deur; moede van schieten, stooven de moordenaars met ontblotene zwaarden de Kerk in, en doorboorden allen die nog overgebleven waren; vier persoonen alleen werden op belofte van zwaar rantsoen naar de gevangenis gebragt: ofschoon nu het bloed ter Kerke uitstroomde was zulks echter nog niet genoeg; de ontzielde ligchaamen werden verders van alles wat eenige waarde had beroofd, en daarna, o gruwel! den brand in het gebouw gestoken, en de zieltogenden met de dooden tot assche verbrand; behalven eenige soldaaten, bedroeg het getal der burgeren welken dus allerwreedaartigst omgebragt werden, volle vierhonderd.

Intusschen was voor hen die aan het opontbod voorgemeld niet voldaan hadden, een dergelijk zo niet nog wreeder lot toegezegd; want nu had men het geheele heir der Spanjaarden binnen de muuren, de roovers in de huizen, en het wee door al de stad; jammerlijk was het klaagen, huilen, kermen en gillen der gemartelden, gemengd met het loejen der beesten in de brandende stallen opgesloten; sommige vaders werden, tot op het bloote lijf ontkleed, voor de oogen van hunne vrouwen en kinderen als visschen gekorven; een man van zeventig jaaren, stak men in den hals, ontvong het gutsende bloed in de handen, slurpte daarna een gedeelte er van op, en doorboorde voords den rampzaligen grijsaart het hart; de zieken werden in hunne bedden vermoord, ja ook werden de krankzinnigen niet gespaard; verscheidene burgers sleepte men tot op het dak van de groote Kerk, stak hun een dolk in ’t lijf, en stietze dan plotsling van boven neder; de vrouwen werden bij de voeten, anderen, en die bevrucht waren, bij de borsten opgehangen; hoog zwangeren ’t kind uit het lichaam gesneden; maagden, en meisjens van dertien of veertien jaaren werden beestachtig verkracht; de vrouwen ondergingen dat lot in ’t aanzien van haare mannen en zoons: onder andere kraamvrouwen deeden zij er eene, barrevoets, in een onderroksken, met een wichtjen van éénen dag, en een ander van agttien maanden, over de doode ligchaamen haarer stadgenooten heen, ter poorte uitgaan; deeze kwam echter behouden in het dorp Huizen aan, en weder tot haare voorige gezondheid: toen de bloedhonden niets meer dat gevoel had konden doen lijden, viel men op het onbezielde aan; poorten, muuren, torens, alles werd.... maar genoeg, wij sluiten dit akelig verhaal met de woorden van zeker dichter:

Met welk een wreedheid zocht de vijand elk den moed, Te doen ontzinken! doch verkeerd, wijl goed en bloed, Niet meer geveiligd scheen, wanneer men was verdragen, Dan als men weêrstand bood; dies elk besloot te waagen Al wat hen dierbaar was, voor ’t allerdierbaarst pand, De vrijheid van ’t gewisse en van het Vaderland.

Sedert ging Naarden aan de zijde der Staaten over, en men vocht zo als het Batavieren voegt.

In het jaar 1668, was er tusschen de Staatsleden een verschil over het versterken van Naarden, en welk verschil van dat gevolg was, dat het versterken achterbleef.

Honderd jaaren na den voorverhaalden algemeenen moord, binnen de muuren van Naarden, had dat steedjen eenen anderen gewigtigen slag doortestaan; in den oorlog met Frankrijk naamlijk (1672.) nam de Markgraaf van Rochefort, Naarden in, waarvan den Prins van Oranje de schuld gegeven werd; hij had, zegt men, geene bezetting genoeg daarin gelegen.

In ’t volgende jaar kwam de Prins van Condé in persoon derwaards, en werd met twaalf kanonschoten van de wallen verwelkomd: Willem de Derde heeft ondernomen de stad te belegeren, en ’t is hem ook gelukt dezelve uit de magt der Franschen te rukken, en der Republiek wederteschenken: dat de Franschen in Naarden lagen was de Staaten een doorn in den voet; wèl lag het land rondom onder water, maar ’t liep tegen den winter, en zo er sterke vorst kwam was men derhalven van niets verzekerd: intusschen hadden de Franschen eenige oude vestingwerken aldaar laaten verbeteren, maar aan den anderen kant was ook een goed gedeelte van de bezetting, die wegens de bekrompenheid van het steedjen niet groot konde zijn, ziek; weder, integendeel, lag binnen Naarden een Gouverneur, Van Pas genoemd, die bekend stond voor eenen man van beleid en dapperheid; Oranje echter ondernam den aanslag; om den vijand te misleiden, liet hij eenige troupen naar den kant van Braband marcheeren, als of hij aldaar iet in den zin hadde: in ’t laatst van Augustus evenwel vernam de Gouverneur wat van de zijde der staatschen stond ondernomen te worden, welke maare ook kort daarna met de daad bevestigd werd; want den 19 September eerstvolgende (1672.) sloeg Oranje het beleg voor de stad; zeven dagen werd zij belegerd, en daarna bemagtigd.

Van dien tijd af heeft Naarden niet veel deels in de staatsverschillen, waardoor ons lieve Vaderland van tijd tot tijd geteisterd is geworden, gehad; maar in onze jongstledene beroerten, waarvan wij nog overal de opene wonden voelen bloeden, bleef zij niet verschoond; en hoe had zij ook kunnen verschoond blijven, daar ’t magtig Amsteldam, om ’t welke het voornaamlijk te doen was, voor een gedeelte van dat steedjen zijne verdediging verwacht!

De algemeene patriotsche landsversterking werd derhalven te Naarden geenzins vergeeten; de Colonel van Matha, werd met toerijkende manschap derwaards afgezonden; een gedeelte van het Amsteldamsche Genootschap van Wapenoefening Tot nut der Schutterij, trok den 8 September des jaars 1786, derwaards, om bezit van de sterkte te neemen, en dezelve, in gevalle van aanval, zelven te helpen verdedigen; dan, op hunnen marsch derwaards, ontvingen zij bericht, dat Matha hun niet zoude toestaan in de stad te komen, omdat zij niet voorzien waren van een patent van de Provinciaale Staaten.

Toen verders de zaaken tot die hoogte gekomen waren dat men de Pruissen in het Land had, begreepen ook deezen dat zij noodig hadden Naarden te winnen; ten dien einde werd, den 17 Sept. 1787, de Generaal Major von Kalckreuth uit het leger bij Amersfoort, met 40 Cuirassiers van zijn regiment, benevens het eerste bataillon van Eichman derwaards afgezonden, om met den Commandeur Matha in onderhandeling te treeden, en te zien hoe het steedjen best te naderen was; in den nacht van gemelden dag kwamen de Pruissen voor Naarden, en legerden zig op eenigen afstand van de vesting; dan, zij oordeelden weder te moeten aftrekken, om gemaklijker posten te gaan inneemen; Naarden heeft zekerlijk aanstonds doen zien, dat het zig niet goedkoop zoude overgeeven; men trok derhalven af, om den linker oever van de Vecht te gaan winnen; de aftogt geschiedde reeds ten volgenden dage, (den 18den Sept)—’t was echter maar voor een korten tijd; want na dat de kans geheel verloren was, en alles met Pruissische troupen bezet werd, heeft ook Naarden dezelve moeten inneemen; zij hebben er evenwel niet langer dan elf dagen gelegen: sommigen zeggen dat er op zekeren nacht uit het steedjen geschoten is, waarbij een koe in ’t veld zijne hoornen verloor; of ’t op de Pruissen gemunt was is ons echter onbekend, zo ja, zou ’t, volgends ’t voorgaande, in dezelfden nacht moeten geschied weezen, dat Kalckreuth zig voor het steedjen nêersloeg.

BIJZONDERHEDEN.

Die Naarden gaat bezichtigen vraage vooral naar Oud-naarden, zo genoemd, of eigenlijk de aanmerkelijke overblijfzelen van de aloude stad van dien naam. (zie hier voor Bladz. 3.) ’t is niet meer dan eene boerewoning; doch de ligging van dezelve is zeer verrukkelijk, naamlijk midden in bosschen, akkers en heuvelen, van welken het gezicht op het onverwachtst afgewisseld wordt, met eene verrasschende vertooning van de Zuiderzee.

De schansen, wallen, en grachten, zijn over bezienswaardig; ook kan men gelegenheid vinden om onder dezelven te komen; doch ’t is er zeer salpeterachtig en onaangenaam.

De gebouwen, Bladz. 5 en 6 beschreven.

Men heeft er eene schoone wandeling naar de hei, of het zo genaamde huis van Jan Tabak.

LOGEMENTEN.

De Keizers kroon. Het vliegende Hart.

Voor den burger.

Het Jaagschuitjen, Een tweede, ook zo genoemd. Het bonte Paard. Het witte Paard.

REISGELEGENHEDEN.

Alle dagen vaaren er 6 Schuiten van daar, door Muiden, op Amsteldam, en komen er ook evenveel aan: de Arnhemsche postwagen passeert er ook; men vindt er mede niet ver van de Amsterdamsche poort, eene zeer geschikte uitspanning, alwaar men ten allen tijde een rijtuig kan bekomen.

HET DORP HUIZEN.

Dus schetst de Tekenkunst het schoon en vrolijk HUIZEN, Een Gooische voorraadschuur van tuingewas en graan, Dat ons d’ alouden staat van ’t Land nog doet herdenken, Als ’t snorrend spint, of zijn getouwen bonzend gaan: Het ruime Zuidermeir zet door de visscherij, Het breede dorp ook welvaart bij.

Van dit dorp mag met recht gezegd worden, dat het één der voornaamsten van het vermaaklijk Gooiland is, deszelfs

LIGGING,

Is anderhalf uur gaans beoosten Naarden, digt aan de Zuiderzee, wier strand, even als te Muiderberg en elders, zeer flaauwlijk afloopt, zo dat men bijna een half uur ver in zee zoude kunnen gaan, zonder zig hooger dan tot den midden toe nat te maaken, welke eigenschap des oevers in den zomer geene onaangenaame uitspanningen verschaft: (zie onze beschrijving van Muiderberg voornoemd.)

Het dorp ligt voords alleraangenaamst, ter oorzaake dat veele van de hooge en laage gedeelten des lands bebouwd zijn, en men er ook een gezicht op de Zuiderzee, voornoemd, heeft; doch de huizen staan er in geene bepaalde roojing; elk heeft er zijn bebouwden grond of akker bij, zo dat het graan, en andere landvruchten, er als tusschen de huizen ingroejen: bij dit dorp behoort voords eene ongemeen groote Meente, waarvan wij, onder onze beschrijving van Laaren, breedvoerig genoeg gesproken hebben.

NAAMSOORSPRONG

Van deezen vinden wij niets aangetekend; ook hebben onze navorschingen ons desaangaande niets kunnen doen ontdekken; sommige ingezetenen beweeren, op overleveringen, dat Huizen eigenlijk een visschers dorp is, en, daar de visschers gemeenlijk hutten bewoonen, hier ter plaatse veele goede huizen gevonden wordende, men daarom dit visschers dorp vereerd heeft met den naam van Huizen, als of men zeggen wilde, het visschers dorp daar Huizen en geene hutten staan; wat de waarheid hiervan zoude weezen kunnen wij niet beslissen.

STICHTING EN GROOTTE.

De stichting, of eerste aanleg des dorps is mede met geene mogelijkheid te bepaalen; men wil dat het reeds zeer oud zij.

Wat de grootte betreft, het wordt in de quohieren der verpondingen begroot op 271 en een halve zwad, 11 voeten weiland, 256 morgen, 690 roeden geestland, en nog 177 morgen, 645 roeden zulk land, onder Bussem gelegen; allen Gooische morgen van 800 roeden groot; intusschen geschiedt deeze begrooting alhier even als op alle andere plaatsen van Gooiland, naamlijk van het schotbaare land, zonder de uitgestrektheid van de heiden mede te rekenen.

Dat het dorp Huizen, sedert groote honderd jaaren, niet weinig gebloeid moet hebben, blijkt uit de toeneeming van het getal der wooningen aldaar, in gemelden tijd: op de lijst van 1632, vindt men er 136 voor aangetekend, en op die van 1732, is dat getal veranderd in 285, des is het in gezegde honderd jaaren met 149 huizen vergroot, dat is meer dan ééns zo groot geworden—de bewooners deezer huizen zijn meest van den Gereformeerden Godsdienst; men heeft er ook veele Doopsgezinden, en eenige weinige Roomschen.

’T WAPEN.

Dit is een melkmeisjen, draagende twee emmers, op een zilveren veld.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

De Dorps- of Gereformeerde kerk, die alhier gevonden wordt, heeft uitwendig geene bijzonderheid van eenig aanbelang; zij draagt een dikken zwaaren toren, met slagklok en uurwijzer voorzien: van binnen is ’t gebouw ongemeen fraai aangelegd; ’t gezicht op den predikstoel en daaraan gevoegde verdere aanzienlijke gestoelten, is zeer behaagelijk; zijnde alle die gestoelten bevallig bruin gekleurd.

Onder den avondgodsdienst wordt het ruim verlicht door vier koperen kaarskroonen.

Voor eenige jaaren is deeze kerk van binnen aanmerkelijk vernieuwd: uitwijzens het volgende versjen, dat men tegen een der wanden leest:

In uw vernieuwde kerk, o Huizen! staan Gods knechten, Verkondigende aan u des Heeren dierbre rechten.

Een ander versjen luidt dus:

Die Godes woord aanhoort, en daarnaar niet en leeft, Is als ’t bezaaide land dat geene vruchten geeft.

De Pastorij en het Schoolhuis zijn beiden aan het oogmerk zeer voldoende: in het school worden alle de dorps-kinderen, van wat Godsdienst ook, ontvangen.

Wees- of Arm huizen worden hier niet gevonden: de Weezen en Armen worden by de inwooners besteed.

De Doopsgezinden hebben er voords eene zeer nette vergaderplaats, tot wier vernieuwing de Heer Jacobus van Hoorn, in zijn leven Leeraar der Vereenigde Waterlandsche en Vlaamsche Doopsgezinden te Amsteldam, veel toegebragt heeft.

Wereldlijke gebouwen zijn hier niet voorhanden; het Rechthuis wordt gehouden in eene herberg, dat een zeer aanzienlijk en spacieus gebouw is.

KERKLIJKE REGEERING.

Deeze bestaat uit den Predikant, zijnde thans de Wel-Eerwaarde Heer Dirk van den Ham, behoorende onder de Classis van Amsteldam; benevens twee Ouderlingen en twee Diaconen, van welken jaarlijks één Ouderling en één Diacon afgaat, en door een anderen vervangen wordt, ter keuze van Schepenen, uit de nominatie van een dubbeldgetal door den Kerkenraad zelven gemaakt.

WERELDLIJKE REGEERING.

Deeze is wederom als op alle de andere dorpen van Gooiland, zie het geen wij deswegen onder onze beschrijving van Hilversum, enz. gezegd hebben.

Er zijn te Huizen twee Kerkmeesters, die door Schout en Schepenen verkozen worden, en voor hun leven aanblijven.

Bijzondere voorrechten heeft Huizen niet; ook liggen deszelfs inwooners onder geene bijzondere verpligtingen.

In den schaarbrief, waarvan wij elders spreeken, leezen wij wegens dit dorp:

„Eerstelijk dat gedeelte van de heyde, ’t geen doorgaans gelegen is ten zuidoosten van Gravenveld, en ten zuidoosten van de Landerijen die opwaarts met eekenhout beplant zijn, genaamt duinen, strekkende in de lengte van de Huizer Neng af, van daar zuidwaarts op tot aan de plantagie van de Wed. de Heer Hendrik Thierens, en grenzende tot aan het veld van de Wed. den Heere Abm. Scheerenberg: loopende in de breedte van Gravenveld, en de voornoemde zogenaamde duinen, zuidoostwaards op tot aan de plantagie, behoord hebbende de Heer van Hoorn, de Wed. de Heer Cornelis Nagtglas, en tot de velden van andere particulieren aldaar in het rondte gelegen, daar onder begrepen de heijde genaamt de Catheet, tot aan het land van de Wed. de Heer Scheerenberg voornoemd.”

BEZIGHEDEN

Bestaan voornaamlijk in de rederij; en den zo hoogstnuttigen landbouw; er wordt, gelijk elders in Gooiland, veel boekwijt gewonnen; men legt er zig ook niet weinig toe op het teelen van lange raapen, en andere aardvruchten: eenige andere Huizenaars geneeren zig met het weeven van grof doek, en grove wol tot seilen; het spinnen van katoen tot pitten voor kaarsen en lampen gaat er ook sterk in zwang, en alle de vruchten huns arbeids worden voornaamlijk te Amsteldam vertierd.

De visscherij is er mede een tak van bestaan, waartoe de Zuiderzee, gelijk gezegd is, de gelegenheid aan de hand geeft: meestal wordt er bot gevangen: deeze wordt met karren langs de Vecht gevoerd, onderweg, en ook niet weinig te Utrecht verkocht; eenige anderen zeilen met hunne vangst naar Zeeburg, alwaar zij dezelven in platte bennen op wagens laaden, en ze daarmede rondsom Amsteldam, in de Diemermeir en elders verkoopen: daar zij met hunne geladene wagentjens niet in Amsteldam mogen komen, draagen sommige van deeze visschers, (hun voordeel met den verkoop binnen de stads poorten meenende te kunnen doen,) hunne bennen ter poorte in, en venten de bot langs de huizen uit; doch daar zij dus doende de markt-pachten niet betaalen, wordt hen niet zelden alles wat zij te koop aanbieden afgenomen: dit is buiten tegenspraak schadelijk, echter moet dat schadelijke minder zijn dan het voordeel, ’t welk zij met de gezegde verkoop weeten te doen; want hoe dikwijls hun ook het lot van beroofd te worden moge treffen, ’t kan hun niet doen besluiten dien verboden handel te staaken.

„Sedert eenige jaaren”, leezen wij, „heeft men er ook begonnen bokking te droogen, die, hoewel zij te Amsteldam, onder den naam van Harderwijker bokking, vertierd wordt, en waartoe eene bijzondere marktplaats,” (op het Koningsplein,) „gesteld is, echter zo smaaklijk niet is als de oprechte Harderwijker visch, ’t welk aan de wijze van rooken toegeschreven wordt”: er wordt des winters ook veel spiering gevangen en vertierd.

Wegens de afzonderlijke geschiedenis van Huizen, kan niets bijzonders gezegd worden, ook heeft het dorp in onze jongstledene beroerten weinig deel gehad.

Bijzonderheden zijn er voor den vreemdeling niet te bezichtigen.

LOGEMENTEN.

Het Rechthuis; men vindt er nog eene en andere herberg van minderen rang.

REISGELEGENHEDEN

Maandag, Dingsdag en Woensdag, vaart een zeilschuit, vise versa, op Amsteldam: des winters bij besloten water rijdt er op dezelfde dagen een’ wagen.

HET DORP BLARICUM.

Dit dorpjen, waarde Nederlander! Doet zien wat noeste vlijt vermag; Zij doet alom het graan ontspruiten, Daar men weleer slechts heide zag.

Onder de Gooische dorpen, bekleedt dit zekerlijk een van de minste standen, gelijk het dan ook weinig stofs, tot eene beschrijving van hetzelve, oplevert.

Deszelfs

LIGGING.

Is omtrent één en een half uur gaans ten Zuidoosten van Naarden, strekkende de huizen zig bijna tot aan de grensscheiding van Holland en Utrecht uit: hoe zeer onaanmerklijk het zij, is het echter ongemeen aangenaam gelegen; allerbevalligst groen, en, door zijne ruime bebouwing, zeer luchtig: ’t heeft in de daad alle landlijk schoon.

Bijkans een quartier uur gaans van daar ten Noordwesten, slegts weinig schreden van den weg naar Naarden, vindt men den bekenden Tafelberg, wiens verhevenheid eene groote verscheidenheid van gezichten verschaft, die het oog ongemeen bekooren, en het hart van den gevoeligen aanschouwer tot aanbidding van den Schepper der Natuur sal dwingen.

Van de naamsoorsprong deezes dorps hebben wij, noch in de voorhanden zijnde schrijveren over het Gooiland, noch door onze ter plaatse gedaane informatien iet kunnen ontdekken; hetzelfde is ’t geval wegens zijne stichting.

Wat aangaat de

GROOTTE.

Wij vinden dat in de quohieren der verpondingen voor Blaricum aangetekend staat: 101 zwad, 9 voeten weiland, en 195 morgen, 353 roeden geestland.

„Het is,” zegt de schrijver van den Tegenwoordigen Staat van Holland, „in honderd jaaren genoegzaam niet vermeerderd of verminderd, staande in de oude lijst der verpondingen maar één huis minder dan in de laatste van 1732, volgends welke Blaricum op 108 huizen begroot wordt;” sedert echter is het verminderd, want men schat het getal der huizen thans, niet hooger dan 100; deezen worden bewoond door nagenoeg 500 menschen, die meest allen van den Roomschen Godsdienst zijn.

Het

WAPEN

Van Blaricum is drie blaauwe korenbloemen op een zilveren veld.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.