De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 16

Chapter 163,760 wordsPublic domain

In de daarop volgende honderd jaaren, verschijnt Muiden niet op het staatstooneel; doch in onze jongstledenen troubelen heeft het al mede zijn deel gehad, ’t geen als een voormuur, of sterkte van Amsteldam, om welke hoofdstad het voornaamlijk te doen was, onmogelijk anders heeft kunnen weezen: desaangaande hebben wij van een waardige hand het volgende ontvangen.

Na dat Muiden bij het trekken van het Hollands Cordon, circa een jaar, eerst door het tweede, daarna door het eerste batt. van Dundas bezet, en deszelfs fortificatien eenigzins in staat van defensie gebragt waren, kwamen bij deezen militaire bezetting een detachement van Amsteldamsche Burgers, circa 300 man sterk, aldaar in bezetting die alle twee weeken wierden afgelost: in ’t laatste van Augustus 1787, kwam een detachement van 18 Kanoniers, met twee Officieren van Amsteldam, weinig dagen daarna het corps van Meyering, toen circa 20 sterk, ’t welk in Muiden tot bij of over de 200 gebragt wierd, nog een detachement Kanoniers sterk als boven; na het overgaan van Utrecht en andere steden, aan de Pruissen, kwamen veel defferente bataillons en detachementen, als Waardgelders, Utrechtsche Garde, Vriessche en Geldersche Brigadiersch, Fransche Artilleriste, enz. tot het getal zo men zeide 2100 man sterk wierd.

Het eerste tooneel dat eenigzins aanmerklijk was, was behalven den toestel, het in den eed nemen van de militaire Officieren: door twee gecommitteerde uit het defensieweezen van Woerden, deeze Heeren geleid wordende door den Generaal Van Ryssel; en geëxcorteerd door een detachement Dragonders, reden te Muiden in den doelen op; requirerende de militaire Officieren voor zig, en stelden haar den eed voor, die door alle (exept den Capitein Commandant Nicolson,) werd geweigerd, en ontvingen hunne demissie.

De nacht na deezen dag, werd Muiden door eenigen onverlaaten, die zig onder de Amsteldamsche Burgerij mengden, met eenig ongeval gedreigd, ’t welk wel voorgekomen werd; hoewel er naderhand nog onzinnigheid gepleegd is.

Eindelijk kwam dien noodlottigen nacht tusschen den 26 en 27 September: den 26 in de achtermiddag, werd er een begin gemaakt met plunderen, bij Burgemeester Abraham van der Spar, dan dit werd, en wel voornamentlijk door tusschenkomst van eene Hersman, Officier bij het corps van Meyering, nog gelukkig in deszelfs begin gestut, en dat huis bezet en bewaard; dog des avonds om 11 uuren, ging men veel sterker aan ’t woelen, die troep zo men zeide, 15 à 16 man sterk, wilde plunderen, het koste wat het wilde, zij hadden in de Bank van Leening de glazen ingeslagen, en kwamen met een woest geschreeuw, dat haar troep grooter deed schijnen dan ze in der daad was, en ook wezenlijk grooter maakte, om dat zij die er ook lust toe hadden er zig bij voegden, de brug over, hier werden zij wel door den Officier van de wacht, die tot de Geldersche Brigade behoorde met nog een Officier tegengegaan; maar dreigen hielp zo weinig als goede woorden: daar moest en zou geplunderd worden, zij drongen door, sloegen over de wacht eenige huizen de glazen in stukken, toen ze hier mede bij den Bakker op den hoek over de wacht bezig waren, kwam eenige huizen van daar een kogel van tusschen de pannen, die men nooit recht geweten heeft van wien; trof een man in den onderbuik, dat er de dood op volgde; een eenvoudig man, een schoenmaker, werd van deeze daad beschuldigd, maar behalven dat die man zo eenvoudig was, dat hij geen geweer zoude hebben durven afschieten, woonde hij ook te verre om het te kunnen doen: evenwel dit huis werd in die diep woeste drift geplonderd, (woeste drift moet men het noemen, en geen partijsche, want het huis van een zeer bekende Prinsgezinden werd gespaard, terwijl bij zijn twee buuren, waar van ten minsten een voor Patriottisch bekend stond, niet alleen de glazen ingeslagen, maar ook verscheide kogels door het huis gejaagd wierden;) de man met zijn huisgezin meende achter door de tuin uittevluchten, maar werd door een kogel in ’t been gekwetst, en viel; toen wierden zij door een troep raazenden overvallen; de man werd getrapt, geslaagen, en na de hoofdwacht gesleept, alwaar hij in den morgen van den tweden dag aan zijn bekomen wonden overleed, de vrouw had zich losgeworsteld niet zonder deerlijk gehavend te zijn; men hoorde in dit tumult na gissing wel 400 snaphaanschooten, door partijen elkander toegezonden, want er was onder het guarnizoen zo wel militair als burgers, een zeer groote partij die zich tegen het plunderen verzette, de kogels snorden van rondsom, en in den morgen telde men tot 26 gekwetsten, behalven die zich uit het oog hielden: Matta deed zijn Dragonders optrekken, en in den hoop inrukken om dezelve uit elkander te drijven, het corps van Meyering, zo verre het gewapend was, deed onder aanvoering van Hersman, ook hun best, dan het ging zo gemaklijk niet of een Dragonder werd aan het hoofd gekwetst, Hersman werd door een kogel zijn rechter lok aan het hoofd weggenomen, en Matta kreeg een kogel door de hoed: den dag daar aan volgende, kwam een Pruissisch Officier de stad sommeere, deeze werd geblind na het kwartier van Matta geleid, ’t welk elf maal hervat is: die achtermiddag kwam er bevel om uittemarcheeren.

Den 1 October, werd men in Muiden door het losbranden van het kanon, ’s morgens circa half vijf uuren gewekt: men zag de Pruissische granaten door de lucht snorren: een viel en barstten op straat, sloeg vier der digst bij staande huizen bijna alle de glazen in stukken, en maakte nog eenige andere schaden; een viel in een bed dat in een kribbe op een solder lag, waaronder twaalf menschen zaten koffij te drinken, sloeg bed en kribbe uit elkander, en het dak in den brand, doch dit werd schielijk geblust; een viel bij de Emeritus Predikant Joosten, door het dak; maar barstte tusschen dak en vliering; op verscheide plaatsen vielen nog anderen, aan de kant van Weesp, was men ook niet stil, met een vijfde schot werd een wiel van een der Pruische wagens weggeschooten, en circa negen uuren trof een Muiderkogel, een Houbitser juist in zijn gapende mond, terwijl hij geladen was, en barstte.

Eenige Pruissische Dragonders van de kant van Naarden, dagten uit het bijderzijds ophouden van schieten, dat Muiden het hadde opgegeven, en naderde tot digt bij de poort; dit wierd gezien en hun eenige kogels toegezonden: een van dezelve trof een Wagtmeester, scheide zijn been even beneden de heup, bijna van het lichaam, en doode zijn paart: de anderen zetteden het spoorslaags op ’t loopen, en men haalde terstond den gewetsten na binnen, scheidde het been vervolgens geheel van het lighaam, en deed wat men kon, maar de man overleed aan zijn wonden: ondertusschen had dat over en weder schieten vooral ook de Pruissische Houbitsers zodanig de schrik in het hart van den burger gebragt, dat een menigte huis en haven verlatende, tot vijf zeer vol geladen schepen Muiden vaarwel zeiden en na Durgerdam overstaken, intusschen kwam nog een Battaillon van de Amsteldamsche Soldaaten binnen; Muiden wierd weder opgeëischt, Matta eischte daarentegen Naarden en Weesp op, en Muiden wierd op den 8 October bij verdrag overgegeven, het Battaillon Pruissische Grenadiers, dat bezit van de stad nam, verbleef aldaar drie dagen kreeg toen patent na de Diemermeer, en vertrok terstond, het wierd vervangen van een Battaillon van Orange Nassau, dit bleef drie weeken en wierd toen afgelost, door het Battaillon Grenadiers van Romberg, die 26 weeken bezet bleeven houden, dus de winter over, intusschen was ieder weder na zijn huis gekeerd, en thans leeft men stiller: eenige Casteleins die zeer geleden hadden, kregen ƒ 50: den burger van ƒ 20: tot ƒ 12: gulden, zoogenaamde schadevergoeding.

BIJZONDERHEDEN.

De Kerk en verdere gebouwen boven gemeld, komen hier weder in de eerste plaats, en onder dezelven wel voornaamlijk het slot: voor een geringen penning kan het zelve van onderen tot boven bezichtigd worden; en die de Vaderlandsche Historie slechts ingezien heeft zal moeten lagchen over het bloed van Graaf Floris, ’t welk men nog op den houten vloer ziet, en dat er, miraculeuslijk! nooit afgaat, ja er zelfs weêr op komt als de vloer vermaakt word: men vertelt dan daarbij dat Floris in die zelfde kamer waarin zijn bloed nog zit, door Van Velzen vermoord is, schoon de historiën leeren dat hij in de open lucht omgebragt is geworden: ’t is intusschen waar dat zij die hem opgeligt hadden om hem naar Engeland overtevoeren, hem op dat slot gebragt hebben; de kamer of het gat, waarin men hem tot den naderen aftogt smeet, word ook nog aangeweezen: een onzer dichters schijnt den grouwzaamen moord mede op het slot te plaatsen, daar hij zegt:

Maar aan den oosterkant, verheft zig ’t Muiderslot Befaamd door Floris dood, hier van zijn kroon geknot, Toen Velzen, heet op wraak, met zijne vloekgenooten, Den Graaf, zijn’ wettig vorst, den dolk in ’t hart dorst stooten En Gooiland verwen met het bloed van zijn Heer, Dat wraak riep, daagende heel Holland in ’t geweer.

De gevangenis van Van Velzen, is allerakeligst: in de andere gevangenis leeze men de onderscheidene versjens, als andere inscripties, welken door de gevangenen aldaar geplaatst zijn; men vindt in de onderscheidene kamers nog verscheidene dingen waarvan de vertellingen geloofd moeten worden.

De Steen en beugel, waarvan wij Bladz. 6 spraken, moeten vooral ook gezocht worden.

LOGEMENTEN.

Het Hof van Holland. De Doelen. De Bruinvisch. De Gooische boer.

en eenigen anderen van minderen rang.

De drie eerstgemelde zijn ook Uitspanningen.

REISGELEGENHEDEN

Deezen zijn dezelfde als die van Naarden, zie ook ons blad over die stad.

DE STAD NAARDEN.

De Gooische Hoofstad, ’t sterke NAARDEN, Leed door de Stichtenaars werd door het Spaansch gebroed, Schier overstroomd van burgerbloed Moest Pruissen, (die het meê geen groot genoegen baarden.) Ontfangen, is des steeds Verdrukt door zo veel leeds.

Onder de Nederlandsche Steden, welken in de geschiedenissen des Lands met smart gedacht worden, behoort zekerlijk het grijze steedjen Naarden, ’t welk, hoe weinig betekenende in zig zelf, echter nog op zijne waarde, met betrekking tot deszelfs aanzienlijke sterkten, roem mag draagen; en slaan wij ’t oog op vroegere gebeurtenissen, vooral van dien tijd, toen de Spaansche dwingelandij de geweetens der vrij-geborene Nederlanders onder het ijzeren juk der Inquisitie wilden krommen, dan zullen wij niet kunnen nalaaten een krans voor het steedjen, dat thans met zulke onverschillige oogen aangezien wordt, te vlechten; en met zekeren historiedichter uitteroepen:

——daar elk het hart ontzonk in ’t nijpen van den nood, Waart gij ’t, ô Naarden! die den vijand spitse bood, Als met een’ leeuwenmoed, en boven uwe krachten, Wijl onvermijdelijk uw val nu was te wachten, Doe u de hoop ontschoot van ’t ingebeeld ontzet, Terwijl het moordmes reeds werd voor uw’ hals gewet.

In dien tijd ondervond de Spanjaard, en heeft het meermaals ondervonden, hoe de vrije Nederlanders een dwingeland onder de oogen durven zien—„wel kunnen zij gedwongen worden hunne halzen onder een jok te buigen, maar om hunne van Natuure vrije halzen daaronder gebogen te houden, is ’t gewigt van een Vorstlijken schepter te weinig”—de vrijheid is ook, om zo te spreeken, het element der ziele: indien zij daar buiten gevoerd wordt, kan zij niet anders dan een kweinend leven lijden; wat ook de voorstander der slaavernije, of pijnigende onderwerping, moge zeggen, en trachten te toonen, dat zijne ziel niet lijdt, zij lijdt zekerlijk; zij wordt uit haar element, uit haar’ staat van gezondheid gerukt, en moet derhalven wel lijden; alleenlijk duldt zij dat lijden in het vooruitzicht van langs dien doornigen weg eens den tempel van het geluk te zullen berijken; vandaar haare onderwerping, die daarom te laager is, om dat zij een wantrouwen op de Voorzienigheid insluit:

Die vleesch voor zijne toevlugt houdt, En op zo krank een steunsel bouwt, Heeft ongetwijfeld God vergeten; Hij echter, uit wiens hand wij eeten, Hij zorgt alleen; Hij neemt en geeft, ’T is recht dat Hij ’t vertrouwen heeft.

Wat vooreerst betreft de

LIGGING

Van Naarden, die is in ’t oosterdeel van Nederland, ten noorden van Holland, en wel bepaaldlijk in ’t Gooiland [16], waarvan het de hoofdstad is, aan de Zuiderzee, niet verre van de grenzen van ’t sticht van Utrecht: aan drie zijden is de stad omringd van hoog heiland, terwijl zij alleenlijk aan de westzijde laage weilanden heeft.

NAAMSOORSPRONG.

Over deeze wordt bij de oudheidkundigen verscheidene gissingen gemaakt, doch wij gaan dezelven met stilzwijgen voorbij, alzo de eene zo ongegrond als de andere is, en zij derhalven onzen Leezer weinig vermaaks kunnen geeven: Gooiland vinden wij dat weleer Nardingerland heette, waarschijnelijk naar eene bezitster of bezitter, zo als de naam Gooiland ook ontstaan is, (zie bladz. 2 in Nota,) Narding of Nardinger geheten, en daar het steedjen waarvan wij thans spreeken de hoofdstad van dat grondgebied was, is het te begrijpen hoe hetzelve dan den naam van Naarden heeft bekomen.

STICHTING EN GROOTTE.

Het tegenwoordig Naarden ligt op eenen geheel anderen grond, dan de oude stad van dien naam, en waarvan de overblijfsels weleer (onder den naam van Oud-naarden,) gevonden werden, in een klein gehucht, en aanzienlijke lustplaats, veel nader gelegen aan de Zuiderzee, welke de oude stad allengskens overstroomd heeft; thans is die hofstede veranderd in eene boerewoning: ’t is ook in veel vroegere tijden een monnikkenwoning geweest. Oud-naarden, of liever geheel Nardingerland, ook wel Naardinkland genoemd, werd, vermoedelijk door Jan van Arkel, den zeven - en veertigsten Bisschop van Utrecht, verwoest, zodanig dat de stad tot een puinhoop gemaakt werd, die door de zee verzwolgen is: sommigen willen zelfs dat wanneer zekere wind, (wij vinden niet bepaald welken,) eenigen tijd lang waait, en de zee afloopt, dat men dan nog blijken van ruïnen van kerken, met takken van afgeknaagde boomen omzet, boven water ziet komen.

Nardinkland is vervolgends meer dan ééns van bezitter veranderd, en wel op den naam van Graafschap; ’t verval moet echter van tijd tot tijd dieper doorgedrongen weezen; want wij vinden er van gewaagd als van eene stad en plaats die verlaten was; ’t zij nu dat zulks of geheel of voor het grootste gedeelte verlaten zal betekenen, dit is zeker, dat Graaf Willem van Beieren, in den Jaare 1350, bevel gaf en handvest verleende om weder eene stad Naarden te bouwen, zijnde dezelve dat Naarden ’t welks thans bestaat, en waarvan onze Lezer op ons plaatjen eene naar het leven getekende afbeelding medegedeeld wordt; hebbende onze tekenaar zijnen stand genomen van den kant van Amsteldam, om reden dat hij dan ook iet van de beroemde sterkten konde laaten zien.

Men kan dan zeggen dat Naarden in den Jaare 1350 gesticht is door Graaf Willem van Beieren; de omliggende Landzaaten werden tot den bouw gelast: de handvest zegt dat Naarden door den Graaf weder werd herbouwd; om dat de luijden, en zijne Landen wel gezlooten zullen wezen.

De Stad bevat volgends eene opneeming van den Jaare 1732, vier honderd en zeven huizen, waarop zij ook nog, (of ten minsten zeer nabij,) geteld wordt; dit is naamlijk het getal der huizen binnen de stad; het getal derzelven in haare gerechtigheid, en het gehucht Laag-bussem, wordt bepaald op drie-en-zeventig: intusschen vertelt het uitwendige der huizen in de stad, (eenige weinigen uitgezonderd,) verstaanbaar genoeg, dat de inwooners in geene bloejende omstandigheid leeven.

Naarden is vermaard voor eene zeer aanzienlijke sterkte, het heeft behalven zijne schansen, nog drie dubbelde wallen en grachten: heerlijk is het gezicht aldaar over de schoonste bastions, ravelijns, bolwerken, gordijen, contrascarpen, pallissaden, grachten, enz. dezelven zijn aangelegd naar het ontwerp van den zo bekwaamen als vermaarden Ingenieur Baron van Coehoorn; de voornaamste sterkte der stad bestaat echter in de afgegravene velden, die rondsom haar liggen, en nog gestadig uitgebreid worden; over dezelven, kan door middel van den Vechtstroom; de environ der stad tot op eenen aanmerkelijken afstand onder water gezet worden; voords heeft de stad twee poorten, naamlijk de Amsterdamsche en de Amersfoordsche: deezen zijn geen onaartige gebouwen, versierd met hardsteenen lijsten, waarin het wapen der stad gebeeldhouwd is, benevens het jaar van hunne bouwing en dat van eene verbetering daar aan geschied: het jaar der bouwing van de Amsteldamsche poort is uitgedrukt met deeze romeinsche cijffers: CIↃ. ICC. LXXXI. en dat der verbetering door het jaartal 1774; de zelfde getallen voor de andere poort, (de Amersfoordsche,) is CIↃ. ICC. LXXXII, en 1775.

’T WAPEN.

Is een zwarte dubbelde arend, op een goud veld.

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN,

De voornaamste deezer is de Gereformeerde Kerk, welke bediend wordt door drie Predikanten: het gebouw van binnen is groot en ruim, en pronkt met de begraafplaats, (versierd met een deftig opschrift,) van den geleerden Rector Lambertus Hortensius, dien onze Lezer ook nader zal leeren kennen; hij was rector der Latijnsche schoole: ook vindt men in de kerk, een in wit marmer uitgehouwen gedenkstuk. ter eere van Prins Willem den Derden, (wat de aanleiding daartoe gegeven heeft, zal onze leezer in ’t vervolg van dit blad te duidelijk kunnen opmaaken, dan dat wij er hier iet van behoeven te zeggen; dit alleen kunnen wij hem verzekeren, dat het zijne geboorte niet verschuldigd is aan eene domme zucht, maar aan erkentenis voor wezenlijke verdiensten,) voords heeft deeze Kerk een fraai orgel, benevens een choor; vóór dezelve leest men het jaartal 1648, denkelijk het jaar waarin zij gebouwd is: de toren die er op staat te redelijk groot, en steekt te meer uit om dat de grond der stad tamelijk hoog is.

Er is ook eene Fransche Gereformeerde Kerk, die door één’ predikant bediend wordt;

Een Roomsche die één’ pastoor heeft;

Een Joodsche Sijnagoge; maar er is geene Luthersche Kerk.

De verdere Godsdienstige gebouwen zijn een Diaken Weeshuis; het zelve is gesticht in den jaare 1747, en dient zo wel ter herberginge van oude mannen en vrouwen, als van kinderen; het getal der gasten welken zig daarin bevinden is veertig.

Het Burgerweeshuis, gesticht in den jaare 1644, bezit zeer aanmerkelijke goederen en inkomsten; echter heeft het thans niet meer dan vier kinderen te voeden.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

’T voornaamste van deezen is het Stadhuis, een gebouw ’t welk het steedjen eere aandoet, zijnde in zijne soort zeer fraai, pronkende van binnen met eenige kunstige schilderijen; het is van buiten versierd met een net toorentjen, waarin een klok hangt, op die wijze als men meermaals in kleine steden vindt: men wil dat het hout tot dit gebouw gebruikt, gehaald zoude weezen uit het zogenaamde Goojer-bosch, dat weleer ten zuiden van het dorp Hilversum gestaan heeft: van buiten boven den ingang pronkt het met drie wèl gehouwene beelden, vertoonende de Gerechtigheid, aan wier rechterhand de Godsdienst, en aan de linkerhand de Hoop staat; onder deeze beelden leest men:

GOD REGIERT AL. Anno 1601.

In de gevel staat:

IS ’T LEIJDEN IS ’T VREVGT, DRÆGTET SOO ’T GOD VERGT.

Het oude Stadhuis, in ’t welk weleer een gruwel gepleegd werd, waarvan wij onzen Leezer straks verslag zullen doen, dient thans voor een Waag; voor dezelve ziet men, in drie steenen, afgebeeld, nevens bijschriften, in rijmen van dien tijd, het treurig voorval, ’t welk wij zo even bedoelden.

Voords zijn in Naarden twee magazijnen, waarvan het eene een zeer schoon gebouw, en wel der bezichtiginge waardig is.

Weleer, doch in zeer veel vroeger tijd, moet Naarden ook eene Latijnsche School gehad hebben, want de Rector daarvan heeft zig in de Spaansche beroerten eenen naam verworven: (zie bladz 11.)

Zo in de stad als tusschen de wallen vindt men verscheidene gebouwen, die echter niet meer dan schuuren zijn, waarin eene toerijkende hoeveelheid van amunitie in voorraad is,

REGEERING.

Deeze bestaat uit den Bailluw van Gooiland, zijnde thans de WelEd. Heer Corver Hooft, den Schout, drie regeerende Burgemeesters en zeven Schepenen, die woensdag vóór den middag ten half tien uure vergaderen; een-en-dertig Vroedschappen, benevens een Thesaurier, drie Weesmeesteren, en twee Secretarissen: de Magistraatsverandering geschiedt op den 2 Februarij.

Naarden bezit de volgende

VOORRECHTEN,

Welke haar meestal ten tijde der Graaven geschonken zijn.

Weleer werd het stedeke mede onder de Hollandsche steden ter dagvaart beschreven, doch van die waardigheid, of dat voorrecht, is het sedert beroofd; dat zeker jammer is, want Naarden heeft ook haare bijzondere belangen, en zelfs heeft het allergeringste steedjen die, ja ook het platte land.... dit echter is een point buiten ons bestek, derhalven dringen wij het niet dieper door: het doorzoekend oog van den burger heeft het in onze laatste onlusten ook doorzocht.

Willem van Beieren, haaren stichter, gaf haar het voorrecht van vrijheid van zekere tollen, en van het arrest op haare goederen, ook schonk hij haar eene eigene rechtbank en Schepens: in 1357 verkreeg zij het stapelrecht, op de visscherijen, van die visschen, „die men landen zal in Holland, Kennemerland, en Friesland;” dit was eene vergelding voor eene dappere overwinning door de Naarders op die van Amersfoord behaald; Hertog Jan van Beieren heeft Naarden vergund de heirvaarten, togten, en ’t heffen van ’s Lands lasten, als mede dat zij sluizen mogt leggen waar ’t haar goed dacht: Carel van Bourgondiën verzekerde haar ook, dat het geheele Gooiland nooit van den Lande van Holland zoude gescheiden worden.

Dit tot ons oogmerk genoeg gezegd zijnde, moeten wij, alvoorens van de aanmerkelijke historie der stad te spreeken, nog iet aanstippen van derzelver

GILDEN.

Deezen zijn drie in getal, als 1.) het Timmermans en Metzelaars, 2.) het Kleeremaakers gild, en 3.) dat van de zijdenstoffeweevers; dan dit is thans bijna geheel vervallen.

SCHUTTERIJ.

Niet anders hebben wij hiervan kunnen opspooren, als dat Naarden, slechts sedert drie-en-twintig jaaren, gerekend van het jaar der jongstledene omwenteling van zaaken, eene gewapende schutterij heeft gehad; in het gemelde jaar, 1787, bestond dezelve uit twee compagniën, ieder van zestig man; doch in dat jaar hebben zij het lot van veele anderen Schutters ondergaan, zij zijn naamlijk ontwapend, of (dat thans het zelfde zegt,) hunne geweeren zijn opgehaald, en zij afgezet; hunne plaats is echter vervuld met drie compagniën soldaaten, ieder van circa vijftig mannen, voetvolk, ofschoon er sedert twintig jaaren geene melitie in gelegen heeft; niet mede gerekend een beevend corps van 80 knikkende grijsaarts, onder den naam van invaliden: deezen hebben lange jaaren alleen de bewaring der sterke stad op hunne zwakke schouderen getorscht: thans houden zij de Amsterdamsche poort bezet.

BEZIGHEDEN EN VERMAAKEN.

Vermaaken!—deezen zijn bij die van Naarden bijna onbekend, indien men daaronder niet betrekt, in ’t zondagspakjen langs de schansen te sukkelen, of te hoop op de aankomende schuiten te staan tuuren, om de dartele Amsteldammers te zien aanlanden; waaronder dikwijls veelen gevonden worden, dom genoeg om met de schamelheid van ’t steedjen te lagchen.

De bezigheden van die van Naarden, bestaan meest in ’t laakenweeven, voords in ’t verrichten van die bezigheden welken in de zameleving onontbeerelijk zijn—er is niet meer dan één koornmolen: langs de schans vindt men eene vrij groote touwbaan.

GESCHIEDENIS DER STAD.