De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 15
Daarin is almede zeer weinig verschil; de veenderij maakt er de voornaamste tak van bestaan uit, zo wel als te Waverveen; te Waveren zijn slechts twee melkerijen, die al hun voorraad ook onder de inwooners van beide de dorpen slijten, zo dat zij hunne waar niet elders behoeven te gaan uitventen.
Daarentegen vindt men in de Noorderpolder onder Ruigewilnisse, niettegenstaande het verveenen, nog zes groote boerderijen, waarop veel boter gemaakt wordt, die men des maandags en vrijdags met de karnmelk te Amsteldam vertiert.
Niettegenstaande de arbeidzaamheid der inwooneren deezer Heerelijkheid, is hunne welvaart niet zeer te roemen, zij deelen in het algemeen lot van Nederland; dat er echter ook gegoede lieden zijn, blijkt uit verscheidene omstandigheden, onder anderen, dat er in de nacht tusschen den 25 en 26 Januarij 1773, door een bende boosdoeners onder de Jurisdictie van Waveren Botsholl, een geweldige huisbraak is geschied, gevolgd van een diefstal ter somme van ƒ 7000: door den Bailluw en Schepenen Crimineel van Waveren Botshole en Ruigewilnisse, werd een præmie van ƒ 600:- gesteld op het aanbrengen van de boosdoeners, of eenige van dezelve, met belofte van vrijheid van straffe, in gevalle van medepligtigheid: eerst na twee jaaren zijn echter eenigen van hun, door den beruchten Jan Muff, (bij gelegenheid van eene andere huisbraak,) in handen van den Hoofd-Officier te Amsteldam geleverd.
De
GESCHIEDENISSEN
Van Waveren Botshole, zijn dezelfde als die van Waverveen meergemeld; bij de omkeer van zaaken, in onze laatstledene troubelen, zijn de Pruissen ook aldaar doorgepasseerd, en hebben de inwooners tot het requisit van den Pruissischen Major Von Krahn, mede het hunne helpen contribueeren—te Ruigewilnisse zijn de Pruissen alleenlijk aan de overzijde der Waver, onder Ouder-Amstel gepasseerd, en hebben er twee dooden, op eenen kleinen afstand van de Herberg, begraaven.
Bijzonderheden zijn hier weder niet voorhanden.
De
HERBERGEN,
Want eigenlijke Logementen worden er mede niet gevonden, zijn:
Het Zwaantje, dat het Rechthuis is onder Waveren Botshole. Het Fortuin, in ’t Achterbosch. Het Oude Rechthuis, in de Noorderpolder.
Als mede één in de buurt van Ruigewilnisse, waarin tevens slagterij gedaan wordt.
Wegens de
REISGELEGENHEDEN
Zie men, voor zo veel Waveren Botshole aangaat, onder onze beschrijving van Waverveen het zelfde artijkel—dan ten aanzien van de Noorderpolder in de Ruigewilnisse, kan men dagelijks na en van Amstelland vaaren, met de Rijke Waversche Veerschuit, onder Ouder-Amstel gehoorende.
DE STAD MUIDEN.
MUIDEN, dat in ’s Lands historie, Steeds met lofspraak wordt gedacht, Wordt om zyne sterkte en ligging, Om zyn grysheid hoog geacht: ’t Slot, door eeuwen heen gespaard, Is door kunst en wraak vermaard.
Onder de Vaderlandsche Steden verdient inzonderheid het grijze Muiden, groote onderscheiding, zo wegens deszelfs aloudheid als voornaame rol, waarmede ’t op het tooneel van Nederland door de Voorzienigheid bedeeld is geworden: onze volgende aantekeningen zullen zulks voldoende bewijzen.
Volgends onze aangenomene orde, moeten wij eerst spreeken van de
LIGGING.
Deeze is aan de Zuiderzee, ruim twee uuren van Amsteldam, ruim anderhalf uur van Naarden en een groot half uur ten zuiden van Weesp: de aangenaame rivier de Vecht loopt door de stad, die door derzelve in twee deelen gescheiden wordt; doch welke deelen weder door een brug, (een tolbrug,) vereenigd worden: naast deeze brug ligt een zeer zwaare schutsluis, door middel van welke het vechtwater van de zee wordt afgescheiden, en welke sluis voor eene der sterkten van Holland gehouden mag worden, alzo men door het openen van dezelve het platte land in den omtrek onder water kan zetten: ter plaatse alwaar deeze sluis ligt lag tot den jaare 1674, een dam, de Hinderdam genaamd: deeze watergelegenheid van Muiden, brengt niet weinig toe tot den bloei van het plaatsjen; alzo alle de schepen die dóór Utrecht den Rhijn moeten bevaaren, en te groot zijn om door de Nieuwersluis, of door Weesp te schutten, hier passeeren; onder deezen zijn de Keulsche aaken wel de voornaamsten: deeze sluis wordt jaarlijks voor omtrent veertien of vijftien honderd guldens verpacht: de veele rijtuigen welken na Naarden en het Gooiland door Muiden passeeren, geeven in het steedjen mede geene geringe levendigheid: de stad is aan den zeekant beveiligd door een dijk, zig strekkende van de uitwatering van de Vecht in de Zuiderzee af, tot aan Muiderberg, en van daar tot Naarden toe.
NAAMSOORSPRONG.
Deeze wordt gevonden in de ligging der stad, zijnde, gelijk boven gezegd is, aan de Zuiderzee, bepaaldlijk ter plaatse alwaar de mond van de Vecht is: het woord Mond nu, was weleer Muden, zijnde door klankverbastering in Muiden veranderd; de oude naam Amuden, zegt men, bevestigt zulks nog nader; het eerste gedeelte deezes zamengestelden woords, Aa naamlijk, betekende toen, gelijk nog, een rivier, waarvan de Mond mede ter deezer plaatse is: in oude geschriften komt het steedjen dikwerf voor onder den gezegden naam van Amuden.
STICHTING GROOTTE EN STERKTE.
Wanneer Muiden gesticht zij, is niet te bepaalen, alzo het van een visschers dorp of vlek, tot den rang der steden verheven is: onbetwistbaar is het intusschen dat men deeze stad den toenaam van grijs of oud mag geeven; want in den jaare 953 wordt reeds van dezelve gewaagd.
Wat de grootte betreft, vòòr den jaare 1632 vinden wij er 146 huizen voor aangetekend; en honderd jaaren laater, telde men er 205; anderen geeven er negen minder op, naamlijk slechts 196: de verpondingen welken dezelven opbrengen, beloopen weinig meer dan zeven honderd guldens.
Behalven wegens de gemelde groote sluis, is Muiden onder de sterke steden van Nederland te plaatsen: het heeft drie van boven open poorten; behalven de zogenaamde Sortiepoorten van het beruchte slot, ’t welke aldaar gevonden wordt, (hier van nader;) de vestingwerken der stad zijn zodanig dat men dezelve weerbaar mag noemen, en weleer wilde men dat Muiden, behoorelijk versterkt, en met tweeduizend man bezet, geen hond in of uit de stad zoude kunnen komen: in den beginne der zestiende eeuw, getuigt men, had Muiden noch poorten noch muuren; daarna heeft het beiden gekregen, en van tijd tot tijd is het noodig bevonden om ’t steedjen te versterken, en de versterking te verbeteren, vooral ook het slot: in 1629, toen de Spanjaarden in de Veluwe stroopten, was men desaangaande met ernst bedacht, echter is tot de daad zelve geen besluit genomen; in onze jongstledene troublen, toen menig dapper patriot naar Muiden getrokken is, om zijn hoofd voor de zaak, die toen van dien kant gedreven werd, ten pande te stellen, is het steedjen in volkomenen staat van tegenweer gebragt, schoon het zig aan de Pruissen heeft moeten overgeeven.
’T WAPEN
Is een blaauw veld, met een zilveren dwarsbalk er door.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Hier omtrent is in de eerste plaats de Kerk te noemen: verscheidene schrijvers willen dat zij de oudste van geheel Holland zij; intusschen heeft zij niets bijzonders, ten ware men als eene bijzonderheid wilde aanmerken, dat zij, gelijk ook haaren dikken en laagen toren geheel van duifsteen opgemetzeld is: van binnen is zij voorzien van een zeer goed orgel: de gemeente aldaar, ruim 300 leden sterk, wordt bediend door twee Predikanten, behoorende onder de Classe van Amsteldam: vóór den jaare 1632, had Muiden maar één’ Predikant.
De Roomschen hebben ter deezer stede mede eene statie, welke bediend wordt door één’ wereldsch Priester.
Voords is er een Weeshuis, zijnde het gewezene Catharijneklooster, dat door Nonnen bewoond werd: het bestuur over dit huis is toebetrouwd aan twee Vaders, en even zo veele moeders—weleer was er nog een overblijfsel van de Kloosterkerk te bezichtigen; doch hetzelve nu geheel nutloos geworden, is tot een pakhuis herbouwd.
Onder de
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Behoort het slot, boven reeds genoemd, zijnde hetzelve zonder tegenspraak het voornaamste gebouw der stad, gelijk het ook voor een der voornaamste gebouwen van Holland mag gehouden worden: Melis Stoke, verhaalt ons dat het gesticht is door Graaf Floris den Vijfden, het rampzalig slagtoffer der vroege staatsverschillen, waardoor Nederland reeds in zijn begin geschokt is geworden, en die van tijd tot tijd door anderen vervangen zijn, ja zelfs tot op den tijd dien wij beleefd hebben, nog voordduurden, en gave God dat zij nog heden geheel gesmoord waren!—de tijd der stichting van het slot stelt men te zijn omtrent den jaare 1290.
Het zwaare gebouw rust op sterke gewelven, is rondsom met een gracht omvangen, en pronkt van buiten, met vier stevige ronde torens, een van welken voor eene gevangenis van misdadigers, of gyzelplaats voor minschuldigen gebruikt wordt: ’t heeft ook een sterke poort, een ruim binnenplein, en veele vertrekken, waaronder die vrij aanzienlijk zijn; (zie nader van dit slot onder het artijkel der bijzonderheden van Muiden:) oudtijds hadden de Drossaarden van Muiden op dit slot hun verblijf, waardoor zij den naam van Castelein verkregen hebben, doch zij zijn tegenwoordig niet verpligt er op te woonen, gelijk zij het dan ook meest voor een zomerverblijf houden: het wordt bewaard door een burgerman met zijn huishouden; dat des zomers aanmerkelijk voordeel trekt uit de giften der vreemdelingen, en inborelingen, onder welken laatsten voornaamlijk de Amsteldammers te tellen zijn, welken het slot komen bezichtigen.
„Vóór de laatste verbeteringen der vestingwerken,” leezen wij desaangaande verder: „waren de aardene wallen van dit kasteel of slot, met twee reien boomen beplant, die toen werden uitgerooid, gelijk mede voor het grootst gedeelte de tuinen, doch naderhand zijn de wallen weder beplant geworden.”
Voor de brug van het slot is een Corps-de-garde gebouwd.
Veel deels heeft dit beroemde gebouw in de lotgevallen van Nederland gehad; voornaamlijk, en dit spreekt van zelf, voor zo verre de stad Muiden zelve betreft: bijzonderlijk is het door de Kennemers, die opgekomen waren om den dood van Graaf Floris den Vyfden te wreeken, belegerd, en ook in hunne handen gevallen.
Zeer beroemd is dit gebouw geworden door de schriften van den onvergelijkelijken Drost, P. C. Hooft, die hij op hetzelve vervaardigd heeft.
Het Stadhuis is zekerlijk dien naam naauwlijks waardig; het is echter voorzien van een torentjen, maar zeer klein: in hetzelve hangt een klokjen, ’t welk bij het afleezen van vonnissen of openbaare afkondigingen geluid wordt; voor het gebouw staat een uitstek of soort van balcon, met een hek er rondom; het pronkt tevens met het beeld der Gerechtigheid, tusschen twee leeuwen, houdende het wapen der stad, en dat van Holland—anderen willen dat de twee leeuwen, twee meerminnen zijn, tot plaatsing van welken aanleiding zoude gegeven hebben, het vangen van zulk een wezen, door de visschers van Muiden, wanneer, wordt niet gezegd: deeze Meermin zoude als eene Waterprofetesse gezegd hebben: Muden zal Muden bliven, Muden sal noit becliven: als er eenig ongeval in de stad ontstaat, wordt deeze Prophetie door de inwooners nog wel eens herdacht, en herhaald.
Onder de Wereldlijke Gebouwen van Muiden behoort ook de Waag, ofschoon dezelve almede niet veel vertoning maakt, en bijna van geheel geen gebruik is: zij staat benevens de sluis, en dient ook tot een wachthuis voor de burgerij.
VOORRECHTEN.
Heeft Muiden niet veel; wèl heeft het steedjen ’t recht dat de schelvisch, (die voorheen aldaar plagt afgeslagen te worden, doch ’t welk nu niet meer geschiedt,) er twee uuren moet blijven liggen, eer zij vervoerd mag worden; ook is een burger van Muiden te Utrecht niet aristabel.
REGEERING.
Deeze vinden wij dus beschreven.
„De Regeering der stede Muiden bestaat uit den Drossaart, die eenen stedehouder heeft, welke door hem gekozen wordt, en tevens Officier der stad is; wijders uit den Schout, twee Burgemeesteren en vijf Schepenen, drie Weesmeesters en één Armmeester, welken een’ Secretaris is toegevoegd: de Drossaart wordt door de Staaten van Holland en Westfriesland aangesteld: het doen van den eed door deezen, werd oudtijds met eene bijzondere plechtigheid verricht: de verkorene Drossaart kwam te Muiden aan de brug, bij rijzende zonne onder den blaauwen hemel, zettede zijn rechter voet in een beugel aan een grooten witten steen vastgemaakt, en zwoer, ten overstaan van gemagtigden van Muiden, Naarden, en de dorpen van Gooiland, Weesp, en Weesperkerspel, in handen van voorzittende Burgemeesteren van Muiden, Naarden en Weesp, met opzicht tot ieder van zijne bijzondere waardigheden; beloofde de Staaten van Holland en Westfriesland gehouw en getrouw te zullen zijn; het kasteel tot eer en dienst derzelven te bewaaren; de Steden en Dorpen, ieder in het hunne niet te verhinderen in hunne Voorrechten, handvesten, vaststellingen, en gewoonten; maar hen daarin te sterken, stijven, en handhaven; den Godsdienst, zo als die tegenwoordig geoefend wordt, mede te oefenen; Weduwen en Weezen, en andere elendigen, onder zijn rechtsgebied behulpzaam te zullen zijn, en in hun goed recht te beschermen, en voords in het algemeen te doen, dat een goed vroom kastelein van Muiden en Bailluw van Gooiland, behoort en schuldig is te houden en te doen: deeze plechtigheid,” voegt de schrijver wiens geleide wij in deezen volgen, er bij, „is ten aanzien der twee laatste Drossaarden niet geschied; doch de steen en de beugel wordt nog op de aangewezen plaats gezien:”
De Drossaard is tevens Colonel over de Schutterij.
„Burgemeesteren worden jaarlijks op den 2 Februarij, door Schepenen verkozen: Schepenen plagten van ouds zonder nominatie verkoren te worden; zo lang er geene stadhouderlijke regeering was,” gelijk men het noemt, „is door Schepenen en Burgemeesteren eene nominatie van tien persoonen gemaakt, en aan de Staaten van Holland en Westfriesland, overgeleverd, om er vijf Schepenen uittekiezen; onder de stadhouderlijke regeering, levert de Drost de nominatie over aan den Stadhouder: de vijf Schepenen kiezen de nieuwe Burgemeesteren, en deeze gezamentlijk de Weesmeesteren, en de Armmeester, welke voor dat jaar de dertien Leden der Vroedschap uitmaaken; alle de Collegiën worden door denzelfden Secretaris bediend, die door de Staaten van Holland en Westfriesland is aangesteld.”
Wat het opzicht over den zwaaren zeedijk, waarvan wij boven spraken, betreft: dezelve staat volgends resolutie van de Staaten van Holland en Westfriesland, dato 7 Mei 1678, aan een Collegie van Dijkgraaf en zeven Hoogheemraaden met hunnen bijgevoegden Secretaris: de Dijkgraaf is de Drost in der tijd; drie van de Hoogheemraaden worden gemagtigd door de steden, Amsteldam, Muiden en Naarden, en één door de Schout en Schepenen van Weesper-kerspel: deeze vier Hoog-Heemraaden, benevens de Dijkgraaf kiezen de overigen, te weeten uit Muiden, Naarden, en Weesp, of Weesperban, ieder één: de Secretaris wordt door het gezamentlijke Collegie aangesteld: „Dijkgraaf en Hoogheemraaden,” leezen wij, „moeten in den ring van deezen dijk, voor zesduizend guldens, of twaalf morgen lands gegoed weezen.”
Men kan niet met zekerheid bepaalen hoe de beheering van deezen dijk, in vroegeren tijde geweest is; vóór den jaare 1650 schijnen er noch Dijkgraaf noch Hoogheemraaden geweest te zijn, daarna werd er door het Hof een’ Dijkgraaf aangesteld.
Dijkgraaf en Hoogheemraaden, doen jaarlijks in de maand April, schouwing over den gantschen dijk: twee uit de Hoogheemraaden, welken hier toe, en tot alle gemeene voorvallende zaaken gemagtigd worden, hebben het bestuur om het gebreklijke te doen herstellen bij openbaare aanbesteedinge, aan de minst aanneemende, gelijk zij ook gelast worden, om nategaan dat alles behoorelijk gemaakt worde, ten welken einde een opzichter van den dijk is aangesteld, die dagelijks bij den arbeid tegenwoordig moet weezen: de gebreken van den dijk volgends het oordeel van gemagtigden in behoorelijke orde hersteld zijnde, wordt het volle Collegie beschreven om aan den dijk te komen, ten einde de gemaakte werken opteneemen, en verder te besluiten wat na tijds gelegenheid noodig geoordeeld mogt worden.
Het Collegie van Heemraaden wordt te Amsteldam beschreven, tot het opneemen van de rekeningen en het sluiten van de boeken.
Sedert ’s Lands Zeeweeringen van het zo zonderling als schadelijk, paalgewormte doorknaagd is geworden, heeft men ongemeene moeite gedaan, om deezen dijk te versterken, door het aanbrengen van vreezelijk groote steenen aan de glojing of helling naar den zeekant toe; deeze versterking gaat van het Muiderslot af, tot aan Muiderberg toe, het geen den dijk niet weinig verbeterd heeft, waarvan het gemelde schadelijk gewormte de aanleidende oorzaak mag genoemd worden, en derhalven heeft dat zogenaamd kwaad, waartegen in de tempelen zelfs smeekingen naar den Hemel gezonden werden, in dit geval, en in andere gevallen meer, tot een zegen verstrekt.
Het bovengemelde Collegie heeft ook opzicht op de groote sluis, waarvan wij reeds gesproken hebben.
Het Collegie van Commissarissen van het zandpad, tusschen Amsteldam, Muiden, Naarden, en Weesp, bestaande uit gedeputeerden van gemelde steden, hebben om de vier jaaren hunne zittingsbeurt te Muiden, tot het doen opneemen en sluiten van de boeken.
BEZIGHEDEN.
De Zoutkeeten, welken in Muiden gevonden worden, maaken er veelal de nering en bronnen van bestaan uit; zij zijn drie in getal, naamlijk, De Paauw, Het Anker, en De blaauwe Wereld, er woonen ook veele visschers, die hun werk maaken van bot, baars, snoek, enz. te vangen, ja zelfs somtijds haaring: deeze visch wordt meerendeels in de Zuiderzee gevangen, hoewel de bot en baars, welke van Muiden komt, bekend zij onder den naam van Y-bot en Y-baars—er worden in Muiden alle die handwerken en ambachten geoefend, welken in de zamenleeving onvermijdelijk zijn—de militie die er thans in guarnisoen ligt, brengt het steedjen mede eenige woelingen bij: de doorvaart, waarvan wij boven Bladz. 1. reeds spraken, behoort hier vooral gedacht te worden: dit jaar verstrekt ten voorbeelde van de bezigheid, welke daardoor veroorzaakt wordt, door de Pruissische Magazijnen, die van over Hamburg, Stettin, enz. tot Muiden aangevoerd, en aldaar in Rhijnschepen overgeladen worden: dit gaf zulke eene aanmerkelijke drokte, en grove winst voor allen die maar wilden werken, dat het niet vreemd was dat een gildewerker tot ƒ 30, in een’ week kon verdienen: dit zelfde geeft ook groot vertier bij bakkers, brouwers, en in de herbergen.
Men vindt te Muiden ook goede Scheepstimmerwerven, alwaar welëer van 100 tot 130 man plag te werken; dan sedert 1787 is deeze tak merkelijk verloopen.
SCHUTTERIJ.
Deeze bestaat in twee Compagniën, naamlijk het Blaauwe en Oranje vendel, waarover de Drossaard Colonel is; de overige Officieren, zijn twee Capiteinen, twee Lieutenanten, twee Vendrigs, en zes Sergeanten: deezen vergaderen in bijzondere gelegenheden, „althans,” zegt onze geëerde correspondent „in deezen, meer dan ééns in een jaar.”
GESCHIEDENISSEN.
In den jaare 953 werd Muiden, door Keizer Otto den Eersten, aan de Kerke van Utrecht in eigendom gegeven, het welk naderhand door Keizer Otto den Tweeden, in 975 geschiedde; zijnde deeze gift in den jaare 1171, door Keizer Fredrik, nog nader bevestigd;
Meer dan éénmaal heeft Muiden voor den aanval van vijanden blootgestaan; en is zelfs door hen verbrand: in den jaare 1197, onderging het dit lot door de Kennemers; weinige jaaren laater, naamlijk in 1204, werd Muiden in koolen gelegd, door Wouter van Egmond en Albrecht van Banjaart, ten tijde der inlandsche beroerten in Holland tusschen Graaf Willem, en Graave Lodewijk van Loon: dit onheil viel de stad en niet minder het slot andermaal te beurt in den jaare 1356, door Jan van Arkel, Bisschop van Utrecht, toen hij met Graave Willem in oorlog gewikkeld was: die van Utrecht, in 1374 in twist geraakt zijnde met Aalbrecht van Beiëren, over de betaaling van het huis te Vredeland, en over zekeren hoon daarbij geleden, beslooten hunne schaden te verhaalen door schatting te vorderen van eenige Hollandsche plaatsen, waaronder ook Muiden zig bevond; in het jaar 1507 werd deeze stad door Hertog Karel van Gelder in brand gestoken, gelijk hij zig ook Meester van het slot maakte; doch bij den zoen tusschen de Hertog en Karel den Vyfden, toen Koning van Castiliën, werd het slot zo wel als de stad zelve aan hem, als Graave van Holland weder ingeruimd: de uitvoering van welke inruiming echter nog aanliep tot den jaare 1509: in de Spaansche beroerten heeft Muiden langen tijd de zijde des Konings gehouden, en des zelfs gelegenheid om hier door Amsteldam en Haarlem, welken mede noch Spaanschgezind waren, te benaauwen, ondernam Hopman Dirk Sonoi, met goedvinden van den Prins van Oranje, in den jaare 1576, een aanslag te waagen om het voor de Staaten te bemagtigen; dat ten deele ook gelukte door het inneemen der stad die zeer schielijk vermeesterd werd; maar om het slot intekrijgen zag men geen kans zonder grof geschut, dat ontboden werd: intusschen kwamen de Amsteldammers te water, en eenig ander volk te lande zo schielijk aan, dat Sonoi moeite genoeg had om het geschut, volk, ja zelfs zijn eigen persoon aan boord te krijgen, en met verlies van twee honderd man, Muiden en de Schans Diemerdam, niet zonder verwijt van te hooren, dat hij het gevaar te groot gesteld en zelf de schrik onder zijne troupen gebragt had, te verlaaten: met den eersten dag des jaars 1577 gaf Muiden zig bij verdrag over aan den Prins van Oranje: toen de Staaten van Holland en Zeeland zig ontsloegen van de Landvoogdije des Graaven van Leicester, en Prins Maurits als hun algemeenen Landvoogd aanstelden, veranderden zij tevens de bezettingen in verscheidene steden, met nieuw geworven Krijgsvolk; maar het duurde nog al een geruimen tijd aleer zij dien in Muiden konden uitwerken, nadien den Capitein Johan Bax, die er het gebied voerde, weigerde van het slot te verhuizen; waaruit men kan begrijpen dat dit slot niet gering van kracht moet geweest zijn: Leicester noemde het daarom ook de toom van het groote paard; dat is van Amsteldam.
Toen in 1672 het land wegens den inval der Franschen door een algemeenen schrik bevangen werd, werd deeze stad, hoe onweerbaar ten dien tijde, door hen niet bemagtigd; ofschoon zij zeer nabij haaren overgang was: want na dat Naarden overrompeld was, waren vijf Dragonders stout genoeg om eenige vlugtelingen tot binnen Muiden te vervolgen, ’t welk, wel verre dat die stoutheid henzelven ten nadeele zoude verstrekt hebben, die van Muiden in tegendeel zo verschrikt maakten, dat zij terstond Gemagtigden tot een verdrag afzonden: terwijl deezen tot het volbrengen van hunnen last afwezig waren, had Prins Maurits van Nassau, te Muiden post gevat, met voorneemen om de stad te verdedigen, het geen de Afgevaardigden, toen zij terug keerden, onder het vrijgeleiden van drie honderd Franschen ter dood deed verschrikken; zij dorsten niet nader komen uit vrees voor de ongenade van den dapperen Maurits, en aan den anderen kant vreesden zij van door de Franschen gehouden te zullen worden, tot men de geslotene overeenkomst voldaan zoude hebben; het geen de Franschen nu te zekerder zouden vorderen, nu zij zagen dat Maurits voorneemens was de stad te verdedigen: dit was zekerlijk een hachelijke omstandigheid voor hen; echter werden zij daar uit gered door den Franschen Predikant te Naarden, Jean Louis Grouwels, wiens voorspraak bij de Franschen zo veel ten wege bragt dat deeze het gemaakte verdrag vernietigden, waardoor Muiden derhalven nog aan de zijden der Staaten bleef, hoewel zulks niet lange ongestoord duurde, want ten volgenden jaare, 1673, deed Condé er weder eenen aanslag op, hoewel al mede vruchtloos; men ging hem met het water te keer, waarom hij het zelve poogde aftetappen; doch niet genoeg kundig zijnde van de gesteltenis des Lands, moest hij zijn oogmerk laaten vaaren.