De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 14
In 1731 werd de waardigheid van Ambachtsheer bekleed door den Heer Wilhelmus Hogerwaard, Heere van Valkenstein, die het Ambacht toen uit de Graaflijkheids Domeinen voor een somma van ƒ 6600:-: kocht: in 1766 kwam zij aan den Heere Mr. Paulus Abraham Gilles, ten dien tijde Secretaris van den Raad van Staaten der Vereenigde Nederlanden, den welke in den jaare 1792 overleed, en is de Heerlijkheid op de Wel-Edele Geb. Vrouwe Mevrouwe Brigitta Susanna Jacoba Lups, geboren van Dam, gedevolveerd.
Ter eerster aanleg worden de civile zaaken afgedaan door den Schout, zijnde thans de Heer Jan van Wickevoort Crommelin, die er ook het amt van Secretaris bekleedt, en vijf Schepenen; het eene jaar gaan gewoonlijk twee en het andere jaar drie van dezelve af; doch sustineert de Ambachtsheer of Vrouwe Schepens te continueren of minder getal af te laaten gaan, zo staat zulks aan hun goedvinden, en worden de aankomende door den Ambachtsheer of Vrouwe, uit een nominatie van een dubbel getal door Schepenen te maaken, ten overstaan van den Schout, geëligeerd; hetgeen mede plaats grijpt ten aanzien van de Kerkmeesteren, waarvan altoos één van Waverveen en één van Waveren Botsholl fungeert, als ook van de Gereformeerde en Roomsche Buiten armmeesteren, alle welke bedieningen in een dubbeld getal genomineerd, en op voorgemelde wijze geëligeerd of gecontinueerd worden: de Ambachtsheeren of Vrouwen hebben daarenboven de aanstellinge van Schout, Secretaris, een Hoogheemraad van Amstelland, alsmede van de Ronde veensche bepoldering; de Bode, Koster, Voorleezer, Schoolmeester, Doodgraaver, Eiker, de Veerschipper op Amsteldam, en de Nachtwacht.
Bij vacature van den Predikant worden, na voorgaande bekomene handopening van den Ambachtsheere of Vrouwe, door den Kerkenraad vier persoonen genomineerd, en de beroeping daaruit gedaan bij de mans-ledematen, waarvan de approbatie of improbatie door den Ambachtsheere of Vrouwe wordt gedaan.
In het crimineele moeten de ingezeetenen van Waverveen te recht staan voor Schepenen van Ouderkerk.
De zaaken der onderscheidene Polders van Waverveen, Waveren Botsholl en Ruigewilnisse, werden bevoorens door een algemeen bestuur beheerd: in 1643, naamlijk, werd tusschen de Poldermeesteren en Ingelanden met de bijzondere Gerechten overeengekomen, dat de Regeering van de gemeene Polders, toen begroot op 1600 morgen, zouden gesteld en gelaten worden onder het beleid van vijf Hoofd-ingelanden, waarop goedkeuring bij willige condemnatie van den Hove van Holland verzocht werd; echter is eenigen tijd daarna, door omstandigheden die plaats hadden, deeze conventie niet meer in gebruik gebleeven, en wel bijzonder sedert 1674, wanneer niet alleen door de polders van Waverveen, Waveren enz. maar ook door de stichtsche polders een request aan de Heeren Staaten van Holland en Westfriesland werd gepresenteerd, waarbij te kennen werd gegeven, dat door de invasie van de Franschen in 1672, en om te beletten dat dezelve niet verder in deeze Landen zouden avanceren, alle de bovengemelde polders doorgestoken en onderwater gezet waren, en alzo geen raad wisten dezelve polders wederom droog te krijgen, dan alle dezelve te besluiten in eene gemeene Ringkade; waartoe zij van Hun Ed. Groot Mog. octroi verzogten, hetwelk op den 23 Januarij 1674 ook is geobtineerd: en werden de respective polders sedert gederigeerd, als: de Gemeene of beoosten Bijleveldsche polder, door den Schout en twee Poldermeesteren, als een uit de Hoofd-ingelanden van Waverveen, en de andere uit die van Waveren Botsholl, door den Ambachtsheere of Vrouwe, uit een dubbeld getal geëligeerd: deeze voeren den tijtel van Dijkgraaf en Heemraaden.
De Hoflandsche polder, als zeer klein en weinig omslags daarbij zijnde, wordt door den Schout als Administrateur beheerd: en de polder Benoorde de Zuwe, mede voor zo veel Waverveen aangaat, door den Schout en één Poldermeester uit de Hoofdingelanden, als hier voor gemeld geëligeerd, waargenomen.
De Diaconie, zo wel als de buiten, het zij Gereformeerde of Roomsche, armen, worden besteed, of er worden huisjens voor gehuurd waarin zij geplaatst en verzorgd worden.
Dan ten aanzien van de genoemde buiten-armen, staat aantemerken, dat bij publique verkoop van vaste goederen, één duit van den gulden, ten hunnen behoeven wordt betaald, gelijk ook wanneer het een of ander geschenk aan den armen wordt gegeven, zonder bepalinge daarbij aan welken, dit een en ander altoos half voor de Gereformeerde en half voor de Roomsche armen verdeeld wordt.
Weesmeesteren worden in deeze Ambachtsheerelijkheden niet aangesteld: de Weezen wier ouderen zonder uitersten wille gestorven zijn, worden door Schout en Gerechte, die de plaats van Weesmeesteren vervangen, verzorgd, en zo er door de Ouders een testament gemaakt is, vindt men in hetzelve hunne begeerte wegens ’t verzorgen hunner kinderen voorgeschreven.
Voorrechten hebben die van Waverveen niet, ook is ons niet bericht dat zij onder bijzondere verpligtingen liggen.
De
BEZIGHEDEN
Van de bewooners bestaan hoofdzaakelijk in de baggerij, echter wordt de visscherij in de uitgeveende plassen er ook niet weinig ter hand genomen, waaruit derhalven de bezigheid van het bereiden van allerlei vischwant, enz. voordvloeit: de turf welke alhier en in den omtrek gebaggerd wordt, wordt meest te Amsteldam gesleten, en ook des winters over het ijs met sleden vandaar herwaards gebragt: voords doet men er eenige van die bezigheden die in de burgerlijke zamenleving niet gemist kunnen worden.
GESCHIEDENIS.
Het voornaamste dat onder dit artijkel gezegd kan worden, bestaat in het gedrag der Franschen aldaar: in den jaare 1672 zig meester van Utrecht gemaakt hebbende, verzekerden zij zig van de huize te Loenen en Loenresloot, en konden derhalven met weinig moeiten langs de Geuze sloot en Demmerik te Zuwe op Waverveen en Wavere Botsholl aankomen, vermits zij niet onder het Sticht, maar in Amstelland gelegen, zig van geen Fransche Sauvegarde konden bedienen; men maakte, ’t is waar, een schans aan den Uithoorn; en de Nes werd met een uitlegger verzorgd, maar dit alles kon aan Waverveen, te verre buiten de voorgedachte posten gelegen, tot geene volkomene bescherming verstrekken: de ingezetenen van deeze plaatsen in twee compagniën bestaande, één van Waverveen, onder den Capitein en Schout Christoffel Meijer, en één van Waveren Botsholl, onder den Capitein en Secretaris Blokhuis, kregen verlof op ’s Lands kosten tot hun eigen bescherming en veiligheid te waken, en door nauwe wachthouding den vijand te beletten verder daardoor in de Provincie van Holland intebreken; dan, daar deeze huislieden onervaaren waren in den oorlog, en te zwak om den vijand tegenstand te kunnen bieden, werd noodig geacht, dat zij door zekeren uitlegger de Amsteldamsche galei genaamd, met zeven-en-twintig man bemand en van verscheidene stukjens voorzien, onder commando van Capitein Spelt, versterkt werden, neemende deeze uitlegger om tegenweer te kunnen bieden deszelfs legplaats in het Bijleveld, bij de Bijleveldsche brug, onder Waverveen.
De Fransche Commandant, de Markgraaf De Genlis, op het huis te Nieuwrode zijnde, zond een- en ander-maal brandbrieven naar Waverveen, en wel den laatsten den 5 September 1672, met bevel van tien schepen met hooi, ieder 20 voeren groot, binnen vier dagen te Utrecht te leveren, met bijvoeging der straffe, dat de Schout gevangen en de plaats gebrand zouden worden.
Maar dewijl deeze plaatsen, veendorpen zijnde, met geen of weinig weilanden voorzien waren, was het niet mogelijk deezen eisch te voldoen—des trokken de Franschen op den vijfden November met vierhonderd mannen uit Utrecht, door Breukelen en Ter Aa, kwamen te Demmerik daar zij zig verdeelden, een gedeelte naar Vinkeveen en de andere naar Meijdrecht zig begaven, om dus Waverveen enz. van de oost- en west-zijde aantetasten—toen de tijd tot den uitvoer van hun oogmerk begon te naderen, stelden die van Vinkeveen zig omtrent Ruigewilnisse in orde, en hadden voorposten aan het einde van Vinkeveen geplaatst, dewelke beletteden dat men geen kundschap te Waverveen konde bekomen.
Zoo haast die van Mijdrecht naar het westeinde van Waverveen afzakten, en die te Vinkeveen het sein hoorende, kwam men het oosteinde overvallen, de wipbrug te Botsholl was opgehaald, doch eenige van hun door het water zwemmende, lieten dezelve neder—zij renden eilings, ’s nachts om drie uuren, naar de Bijleveldsche brug—alles geraakte weldra in alarm, de posten en wachten der huislieden, na dat twee van hun waren doodgeschooten, werden verdreeven, en geen onderstand van Staaten volk, dat aan den Uithoorn lag bekomende, moest men vlugten en alles verlaten—Het voornaamste oogmerk der Franschen was den voorgemelden uitlegger te vermeesteren, die daar ook gelegd was, op dat er geen turf uit de veenen naar den vijand te Utrecht gevoerd zoude worden; met belofte van wege de Staaten, dat zij voor den overlast der vijanden de ingezetenen zouden beveiligen: zij dan vielen met woede op den uitlegger aan, die door de Bijleveldsche brug afgezakt, zig meer dan één uur lang verdedigde; doch eindelijk vast raakte, door den vijand omringd en genomen werd: de Capitein Spelt en zijn Luitenant met twee of drie anderen werden gevangen en vijftien doodgeschoten of doodelijk gekwetst; de overige raakten met zwemmen weg: aan de zijde der Franschen waren tien à twaalf gesneuvelden, en onder dezelven één Capitein: daarna ontstond op verscheidene plaatsen brand, waardoor 59 huizen in den assche gelegd, en het voornaamste van Waverveen aan de Bijleveldsche brug gelegen, door de vlamme verteerd werd.
De uitlegger werd vervolgends naar de Heul gebragt, dan te groot zijnde om door de Nieuwer sluis naar Utrecht gevoerd te kunnen worden, en na dat het geschut, de voorraad en wat er meer was, afgenomen te hebben, werd dezelve verbrand; tegens de ingezetenen veel gewelds pleegende trokken ze terug: hadden ’s Lands Staaten wijzer geweest in het geeven van orders, ’s Lands ingezetenen in deezen oord zouden minder ongelukkig geweest zijn.
In onze jongstledene onlusten hebben de bewooners van Waverveen, niet zeer onderscheidenlijk, wat de toen heerschende Vaderlandsche partij betreft, gehandeld; de Pruissen, welken kwamen, om ware het mogelijk die partij ten onder te brengen, hebben zig aldaar niet zo slecht als wel op andere plaatsen gedragen, trouwens zij zijn er maar doorgepasseerd van en naar den Uithoorn, alwaar ter dier tijd den Major van het Pruissische Curassiers Regiment (Von Krahn genaamd) commandeerde, dewelke goedvond zeker papier te zenden, dat door den Secretaris van Waverveen op den 28 September 1787 gepubliceerd werd; dus luidende: „Uit last en bevel des Heeren Commandeerenden Generaals, Graaf Von Kalkruit, zullen de ingezetenen der respective dorpen van Waveren, Waverveen enz. binnen den tijd van driemaal 24 uuren hunnen voorraad van haver, bier en genever doen brengen aan den Uithoorn, aan het quartier van den Heer Major Von Krahn, alsmede ook alle de geweeren en wapenen tot de exercitie gediend hebbende, en zo wanneer hier niet aan gehoorzaamd werd, zal alle hetzelve door een commando worden afgehaald, en bovendien met plunderen en andere straffen worden gecorrigeerd.”
Uithoorn 28 Sept. 1787.
(getekend) V. Krahn.
Dan doordien bij het evaqueren der troupes uit Utrecht hier een gedeelte geïnquartierd waren geweest, de voorraad op was, en Amsteldam geslooten zijnde, kon men dezelve niet bekoomen; dus een deputatie naar voorn. Major Von Krahn werd afgezonden, om uitstel van executie, het geene door hem op 2 dagen langer werd bepaald, die te gelijk een pas gaf, om het door hem gerequireerden van Utrecht te haalen, het geene dus ook geschiedde, en aan hem 112 kannen brandenwijn en genever, 12 vaten bier en eenige mudden haver geleverd, en ter voldoening van het requisit der geweeren werden 173 met derzelver bajonetten en een vaatjen vuursteenen, aan een Quartiermeester van dat regiment afgeleverd; zijnde de voorn. geweeren de zodanige welken uit ’s Lands magazijnen te Naarden, in 1785, ten gebruike van de onvermogende weerbaare manschappen waren geleverd.
Bijzonderheden zijn hier niet voorhanden, alleen zijn de uitgeveende plassen der bezichtiginge van ieder denkend wezen waardig, en zij zullen zekerlijk zijne bewondering tot zig trekken, daarover dat geheel den streek door de menigte van het door ’t baggeren veroorzaakte water, niet reeds geheel verzwolgen is.
HERBERGEN,
Zijn, het voornoemde Rechthuis, en een binnen weinig jaaren geheel nieuw en net gebouwde, met een der fraaiste overdekte kolfbaanen voorziene herberg aan de Nessersluis, hier voor omschreven, gelegen.
REISGELEGENHEDEN.
Deezen zijn van Waverveen des zomers alle zondag en donderdag tot de maand October, des winters alleen des zondags een veerschuit op Amsteldam, dewelke des maandags en vrijdags in de zomer, en des winters maandags, ’s middags ten 12 uuren van het Rokkin bij de Olijslagerssteeg te Amsteldam voornoemd, terug vaart; gelijk ook des zondags door Waverveen op onderscheidene uuren mede de veerschuiten van Harmelen, Wilnis en Vinkeveen, des donderdags het geheele jaar door die van Cockingen passeren; welke allen den volgenden dag wederom terug keeren; doch van Waveren vaart geen schuit: voords kan men dagelijks met den Uithoornsche, onder Amstel Nesser, de Goudsche, Leidsche, Haagsche, Woerdensche en andere schuiten naar die plaatsen of met dezelve naar Amsteldam vise versa vertrekken, mits men zig aan de meergenoemde Nesser sluis vervoege, dat ¾ uur gaans van het dorp Waverveen afligt.
DE VRIJE HEERELIJKHEID WAVEREN, BOTSHOL, EN RUIGEWILNISSE.
Dezen zijn eigenlijk drie districten, zo zeer in elkander verknocht, dat zij mede alleen met scheipaalen aan den Veendijk als op de Ronde veensche kade onderkend worden, doch maaken zamen één Heerelijkheid uit, die een wapen voert, en door een en dezelfde Regenten gedirigeerd worden.
LIGGING.
Deeze is ten zuiden van Ouderkerk, wordende door de rivier de Waver van het gerecht van Ouder Amstel afgescheiden, hebbende ten oosten het Sticht van Utrecht, dat wederom door een water de Winkel genaamd, wordt afgedeeld; ten oosten het voorn. Sticht, het welke aldaar door een breede kade, uit de gemelde Winkel, tot aan de Veenmolen of de limietscheidinge van Holland en Utrecht zig uitstrekt, onderscheiden, ten zuiden en westen Waverveen—het bestaat in twee polders, de Gemeene of Beoosten Bijleveldsche polder gemeen met Waverveen, en de Noorder polder onder Ruigewilnisse gelegen: wat de Gemeene of Beoosten Bijleveldsche polder betreft, deeze is reeds voor het grootste gedeelte uitgeveend: de Noorder polder onder Ruigewilnisse, die zig in den jaare 1632 door een dwarskade van de voorschr. Gemeene polder heeft afgescheiden, is men voor de eene helft, zijnde circa 200 morgen, in den jaare 1777 eerst begonnen te veenen; sedert 1793 heeft men de wederhelfte mede circa 200 morgen ook ingestoken om verveend te worden—echter is desaangaande door de gezamenlijke ingelanden bepaald van niet nader dan op 10 roeden na, aan het Sticht en aan de Rondeveensche kade, en op 6 roeden van de gemelde dwarskade, tegen de gemeene polder aan te mogen verveenen; ten einde de nakomelingen dezelve met 1 of 2 vijzelmolens, zonder veel kosten aan een ringdijk te verpleegen, binnen weinig tijds weder te kunnen uitmaalen: in deeze polder is zulke goede specie, dat het morgen voor ƒ 2000, ja ƒ 3500, is verkocht geworden.
Men ontmoet in deeze Heerelijkheid mede reeds eene uitgeveende plas van bijna 1000 morgen groot, en op sommige plaatsen 20 ja 25 voeten diep, kunnende bij zwaare winden zeer hol staan; om den slag van het water eenigzins te breeken, moeten er strooken lands van 14 voeten breeds in blijven liggen; deezen geeven zeer goed rietgewas; in warme zomers wellen er groote stukken gronds op, die als het koud begint te worden weder zinken; deeze bonken mag men vrij wegbaggeren, waarvan gewoonlijk, zo om den tijd van ’t jaar, als ook om dat ze veeltijds op ongelegene plaatsen boven komen, weinig gebruik gemaakt wordt.
In de voorsz. Gemeene polder ligt de Lange of Cuilens meir, die men zegt zijn oorsprong te hebben genomen bij eene uitlegging van Amsteldam, waarbij de aarde uit dat meir vergraven naar die stad vervoerd is geworden: jaarlijks ten minsten betaalt die stad aan Waverveen de verpondinge van dat meir: het water zo van deeze meir als van de andere polders is eenigzins brak, echter wordt het, door het grootste gedeelte der inwooners tot hun levens onderhoud, zonder eenig nadeel gebruikt; bij vriezend weêr is ’t zelfs genoegzaam zoet.
De visscherijen in deeze uitgebreide plas, waren voor 5 a 6 jaaren, veel milder dan thans; men wil, ter oorzaake van ’t vergrooten en vermenigvuldigen der wateren, waardoor de visch zig meer verspreidt: door het gezegd opwellen der gronden kan men het vischwant ook niet naar vereisch gebruiken: en eindelijk, anderen stellen de oorzaak daarin, dat men thans plemp- of brazem-netten, waarin groote en zwaare baarzen, snoeken, brazems, enz. gevangen worden, gebruikt, en de voordteelinge des minder wordt; niet tegenstaande de gezegde schaarsheid van visch, worden deeze wateren gretig bij perceelen, als ook de riet-akkers, die aan de Polder verlaaten zijn, verhuurd; ieder perceel tegen 4, 5 ja 10 guldens en meerder.
Op deeze plassen valt ook veel waterwild, als watersnippen, ganzen, zeker soort van vogels, die men aldaar Aalscholfers noemt, en die van jaar tot jaar vermeerderen, en veel visch verslinden; men vindt er ook de zogenaamde Zandrijger, die voor de visch mede zeer schadelijk is; eendvogels vallen er in overvloed, waarom dan ook van onheugelijke tijden af, een vogelkooi, aan den Ambachtsheere of Vrouwe gehoorende is aangelegd, naamlijk in de Noorder polder onder Ruigewilnisse gelegen, met de privilegie, dat men op eenige honderde roeden na (met limiet-paalen in de plas en elders afgeperkt,) niet mag jaagen of schieten—de kooi wordt thans verhuurd.
Veele Amsteldammers enz. komen des zomers zig hier met de visscherij vermaaken.
In het jaar 1792 hebben deezen hier ook een zeer fraai Admiraalschap gehouden, dat des avonds met een vuurwerk en musiek besloten werd: hetzelve is tot zo verre naar genoegen geweest, dat het waarschijnelijk bij rustiger tijden en voller beurzen meermaals zal herhaald worden.
Een gedeelte deezer plas is nog van zo jonge datum, dat er lieden van manbaare jaaren in Waveren gevonden worden, wier vaders dezelve begaan hebben—de Gerechtsplaats, waarop een galg staat, kan men zo wel van deeze plas als van de landzijde zien.
Wegens de
NAAMSOORSPRONG
Van Waveren, hebben wij hier voor onder Waverveen reeds gesproken: van die van Botsholl en Ruigewilnisse is niets met zekerheid te zeggen; echter is het zeker, dat de familie en afstammelingen van Oetgens, een oud en aanzienlijk geslacht, circa twee eeuwen, Heeren deezer Ambachten zijn geweest: een gedeelte van Ruigewilnisse, thans het Achterbosch genaamd, benevens twee meirtjens, waarvan het grootste de Galgmeir genaamd, aldaar, en het kleinste in de landerijen van ’t Sticht onder de Proosdije Aasdom ligt, is door den Heere Anthoni Oetgens, toen Schepen en naderhand Burgemeester te Amsteldam, in 1624 van het Kapittel van St. Pieter te Utrecht gekocht, en alhier gelegen zijnde, bij Ruigewilnisse gevoegd. denkelijk hebben de Heeren Oetgens, voor hun en hunne nakomelingen, den naam van Waveren er bij aangenomen, gelijk deeze Heerelijkheid omtrent den jaare 1760 nog bezeten werd door den Heere Bonaventura Oetgens van Waveren, Burgemeester der Stad Amsteldam, op wiens Successeuren dezelve is gedevolveerd, tot op de tegenwoordige Ambachts-Vrouwe Mevrouwe Brigitta Susanna Jacoba Lups, geboren Van Dam, een afstammeling van de Oetgens van Waveren, eene Ambachts-Vrouwe, die de liefde en hoogachting der in- en op-gezetenen van beide Heerlijkheden wegdraagt.
STICHTING EN GROOTTE,
De stichting deezer Heerelijkheden is mede duister, er kan mogelijk iet dergelijks van gegist worden, als wij hiervoor onder Waveren, wegens de stichting van dat dorp, hebben opgegeven.
Wat de grootte betreft: „De quohieren”, leezen wij desaangaande, „begrooten de landerijen in de drie Ambachten op 467 morgen, 100 roeden; doch de uitgestrektheid is zekerlijk grooter; want volgends de medegedeelde opgaave, bestaat Waveren in twee polders; de Zuiderpolder gemeen met Waverveen, die voor 422 morgen, 197 roeden, zo land als water, in de verponding betaalen; de Noorderpolder is 414 morgen 122 roeden groot. In de lijst van den jaare 1612,” leezen wij verder, „stonden voor Waveren, Botshol en Ruigewilnisse, 46 huizen, en in die van 1732, is het op 74 nommers vermeerderd”, thans zijn er 80 huizen, die bewoond worden door nagenoeg 430 menschen, (de kinderen daaronder begrepen;) van deeze bewooners zijn bijna 160 van den Gereformeerden Godsdienst, de overigen zijn meest allen Roomsch.
Het
WAPEN
Van Waveren is een goud veld, met twee roode balken, waarop vijf witte schuine ruiten, drie boven en twee onder.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Onder onze hiervoor gaande beschrijving van Waverveen, hebben wij gezien, dat de Gereformeerde Kerk voor dat dorp en Waveren gemeen is, waarom ook hier geene andere Kerk gevonden wordt dan eene Roomsche, in het Achterbosch voornoemd, die wel net, doch echter maar klein is, ten aanzien dat de meeste opgezetenen te Waveren Botshole en Ruigewilnisse, en te Waverveen, den Roomschen Godsdienst belijden, zo wel als om dat de Roomschgezinden van de Proostdij Aasdom, Vinkeveen en Demmerik, allen hier te kerk gaan, zijnde het getal der Communicanten 950 à 1000; dan des zomers, wanneer de baggertijd tot het turfmaaken daar is, vermeerdert dit getal ten minstens met 3 à 400 persoonen.
Een school is mede in Waveren niet; zie verder onze beschrijving van Waverveen, art. kerklijke en godsdienstige gebouwen.
Echter wordt er een School in de Noorderpolder buurt, onder Ruigewilnisse, sedert weinig jaaren, gevonden, dat deszelfs oorsprong heeft, door dat de kinderen te Waverveen school moetende gaan, telkens de groote plas, voornoemd, overgezet zouden moeten worden, of een omweg van meer dan een uur zouden moeten voeteeren; dit school dan is aangelegd op verzoek van de inwooners aldaar, na ingenomen advis van den Schout en Gerechte, alsmede van den Meester van Waverveen; in hetzelve gaan zowel de Gereformeerde als Roomschgezinde kinderen, het getal derzelven wordt op 40 begroot: voor dit school ziet men een bord geplaatst, waarop het wapen van Waveren Botshole en Ruigewilnisse afgebeeld is, en met groote letters te leezen staat: School der Heerlijkheid—de Meester is tevens Chirurgijn.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Hier onder kunnen wij, Waveren betreffende, weder niets anders betrekken, dan het Rechthuis, dat een vrij ruime herberg is; er staat een zwaare geesselpaal voor, doch ’t heeft verders niets bijzonders.
Wegens de kerklijke regeering hebben wij hier ook niets aantetekenen; men zie desaangaande onder Waverveen, het art. van gezegden naam.
Betreffende de
WERELDLIJKE REGEERING.
Dezelve bestaat, wat het crimineele aangaat, uit den Bailluw van Amstelland (die bij een apparte Commissie mede aangesteld wordt als Bailluw van Waveren Botshole en Ruigewilnisse,) en vijf Schepenen, van welke Schepenen het eene jaar twee, en het andere drie afgaan: de Schepenen, die hun vervangen, worden gekozen door den Ambachtsheer of Vrouwe in den tijd, uit een dubbeld getal, genomineerd door alle de Schepenen—zo wel de afgaande als de aanblijvende Schepenen zitten ook met den Schout te recht over civile zaaken, welken, ter eerste aanleg, voor hen gebragt worden; in gevalle van apel, gaan de zaaken naar den Hove van Holland; zie weder verder dit zelfde artijkel onder onze beschrijving van Waverveen, hier voorgaande.
Voorrechten of VERPLIGTINGEN hebben die van Waveren even weinig als de Waverveeners, en wat aangaat hunne
BEZIGHEDEN,