De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 13
De Dijkgraaf is volgends de bovengemelde schikking van de Graaflijksheid rekenkamer, ook Schout van de Meir; doch hij heeft een Substitut, die te gelijk Bode is, en in de Meir zijne woonplaats heeft: deeze heeft een’ justitie-dienaar onder zig.
Burgemeesteren van Amsteldam benoemen bij het openvallen van het Amt van Dijkgraaf, drie van de voornaamsten der Ingelanden, uit welken één door de Staaten van Holland en Westfriesland tot Dijkgraaf wordt gekozen; Burgemeesteren stellen ook den Secretaris aan, en verkiezen jaarlijks, het ééne jaar twee, en het andere jaar drie Heemraaden, uit de nominatie van een dubbeld getal, hun door Dijkgraaf en Heemraaden overgeleverd.
De verdere bedieningen staan allen ter begeevinge van het Collegie van Dijkgraaf en Heemraaden, in hunne verscheidene betrekkingen, van de hoogste tot de laagste toe.
Dit Collegie houdt zijne gewoone rechtdagen, op den eersten maandag in iedere maand: sedert de bedijking schijnt hetzelve in de Meir vergaderd te hebben; doch met den jaare 1645, werd het verplaatst naar Amsteldam, in de Corps de guarde van de Regulierspoort, welke plaats het Collegie op den 11 December des jaars 1645 daartoe vergund was: voor ruim honderd jaaren, (1693,) verkreeg het Collegie eene betere rechtkamer naamlijk onder in het stadhuis te Amsteldam, welke kamer het behield tot in den jaare 1716, toen dat vertrek tot een ander gebruik geschikt, en Dijkgraaf en Heemraaden van de Meir vergund werd te vergaderen, in het Stadhuis voornoemd, boven de kamer van Commissarissen van Zeezaaken, alwaar zij tegenwoordig ook nog hunne rechtdagen en vergaderingen houden.
Onder de mindere Amtenaaren boven bedoeld, behoort de gaarder van ’s Lands imposten, welk amt niet door de Regeering, maar door gecommitteerde Raaden begeeven wordt; het wordt thans bekleed door den Substitut Schout, de Heer Matthys Elsman.
VOORRECHTEN
Zie wegens het markten in Amsteldam, onder het artijkel Bezigheden: het voorrecht dat de bewooners van deeze Meir van de Staaten van Holland en Westfriesland hebben bekomen, van naamlijk een tolhek op de Outewaaler brug te mogen plaatsen, blijkt uit het voorgaande, alwaar wij van dat tolhek spreeken—Een ander voorrecht van de Diemermeir, mag genoemd worden, dat over den middenweg, die, gelijk wij boven reeds gezegd hebben, van de Outewaaler brug, tot aan de Hartsvelder- of Diemer brug, loopt, geene Hessenkarren gevoerd, of varkens gedreven mogen worden.
Nog kan men het een voorrecht noemen, dat de bestuurders der Meir niet behoeven te gedogen dat des avonds na beslotene stads poorten, eenig vreemdling zig in dezelve op de openbaare wegen vertoonen; gelijk men in dat geval dan ook door de nachtwachts aangehouden wordt, en rekenschap van zijn daarzijn moet geeven; bij de minste twijfeling aan de waarheid des voorgeevens, of bij ondervinding van de onwaarheid deszelven, wordt men in bewaaringe gesteld.
De Meir heeft ook het voorrecht, dat op haaren bodem geene nachtegaalen gevangen mogen worden.
BEZIGHEDEN
De welgelegenheid, en vruchtbaarheid der landen, in de Diemermeir, heeft dezelven meest tot moesland doen worden, dat een gedeelte van de inwooneren alhier een genoegzaam bestaan verschaft; zij brengen hunne voorraad meest te Amsteldam ter markt; waartoe hen, benevens die van de Bijlmermeir, eene bijzondere markt op de Prinsegragt ter dier stede is vergund: behalven dat, hebben zij verlof ontvangen van driemaal ter week op het Oudekerksplein, en éénmaal op de joode Groenmarkt aldaar te mogen markten.
GESCHIEDENISSEN
Wat de Historie deezer aangenaame Meir betreft, na dat dezelve drooggemaakt was, (zie hier voor Art. aanleg en grootte,) kreeg de bedijking, in den voornacht tusschen 5 en 6 Maart des jaars 1651 het ongeluk van een doorbraak, welke door een andere aan den Diemer zeedijk, boven Outewaal, niet verre van Jaap hannes, veroorzaakt werd: het water liep omtrent de molen aan het Nieuwe diep, over den ringdijk van de Meir, en veroorzaakte daardoor een doorbraak, met een gat, ter lengte van omtrent 25 roeden, en eene diepte van 27 tot 30 voeten, beneden het winterwater; 16 voeten hoog stond het water in de Meir, en meest alles werd door de overstrooming vernield: evenwel was deeze ramp, hoe gewigtig, niet gewigtig genoeg om de ingelanden te doen wanhoopen aan het herstellen van hunnen vernielden arbeid, welke herstelling echter niet gemaklijk ten wege gebragt konde worden, dan door de Meir, die nu geheel onder water stond, weder te laaten uitmaalen, de gebouwen en beplantingen weder op te rechten en in stand te brengen, ten welken einde het octrooi van hunnen vrijdom voor den tijd van tien jaaren werd verlengd: onvermoeide arbeid kwam weder alles te boven; dan alleenlijk voor een zeer korten tijd: want in 1672, toen Nederland door het zwaard des oorlogs, die vervloekte geessel der verschrikkinge, geteisterd werd, moest de Meir niet weinig in dat akelig lot deelen; Naarden, de hoofdstad van het vermaaklijk Gooiland, werd door de Franschen veroverd, waarom men met reden voor Amsteldam begon te duchten, het welk ten gevolge had, dat de dijk doorgestoken en geheel de Meir onder water gezet werd; doch dit was echter maar voor korten tijd, en niettegenstaande de veroorzaakte aanmerkelijke verwoesting, werd, zo dra de vijand was afgetrokken, alles in zijn ouden luister hersteld: te recht daarom zingt de dichter Van Bor van deeze Meir:
Meir wordt land en landen beeken, Wat Natuur al wondren teelt, Is niet mooglijk uittespreeken, Zo verwart zij in de weeld’! Nu pronkt zij haar kruin met Eiken, Dan met waternimfs sieraad, Nu weêr plant en bloem verrijken Ceres aangenaam gewaad; Plant en bloem en duizend vruchten, Schenkt er gunst te levren aan, Die haar oog en haar genuchten Kiezen in die weeldelaan, enz.
In den jaare 1702, brak de Diemer of Muider Zeedijk weder door, het geen andermaal niet weinig bekommernis voor eene overstrooming van de Meir veroorzaakte; doch de ijver waarmede men de handen aan ’t werk sloeg, om overal waar men het noodig oordeelde den ringdijk van de Meir te versterken, werd met een gelukkigen uitslag bekroond; de Meir naamlijk leed geheel geene schade.
In onze jongstledene onlusten, hebben de inwooners van de Diemermeir zig zeer onderscheiden in ijver voor de zaak der Vaderlandschgezinden; zij hebben zig met een ongemeenen ijver in de wapenhandel geoefend; het corps van den Rhijngraaf van Salm, heeft aan het rechthuis een geruimen tijd in bezetting gelegen: bij het aannaderen der Pruissen, was men er in geene geringe bekommering, niettegenstaande de gewapende ingezetenen moeds genoeg hadden om de vijand onder de oogen te gaan zien: de laage landen langs den Outewaalerweg, deelden in de gedaane inundatie, en de Pruissen hebben er vervolgends niet zeer verpligtend geleefd, trouwens aldaar nog beter dan elders; van tijd tot tijd ondernaamen voords eenige van de tegenpartij, voornaamlijk uit Amsteldam, baldaadigheden in de Meir te pleegen, doch de loflijke activiteit van den Substitut Schout, den Heere Matthys Elsman, reeds gemeld, heeft hen gedwongen dat opzet te laaten vaaren.
BIJZONDERHEDEN,
Onder deezen zoude in de daad geheel de Meir betrokken kunnen worden; met uitzondering verdienen de ongemeen prachtige lusthoven die er in gevonden worden den aandacht van den wandelaar; die op den hoek van den Kruisweg, aan den Weesper weg, pronkt met een zeer fraaje Turksche tent, staande op het wachthuis dat aan dien ingang geplaatst is.—Het tegenwoordige rechthuis, en het tolhek, is mede der bezichtiginge dubbeld waardig.
Weleer was ten einde van de Schagerlaan, ook een fraaje Maliebaan, ter uitspanninge van de geenen die zig aldaar kwamen verlustigen; deeze laan had eene lengte van 173 roeden, in haare behoorelijke beschotten ingesloten; aan beide zijde van dezelve stond een rei hoogopgaande en aan de binnenzijde plat geschorene boomen, die eene zeer aangenaame vertooning maakten, en welke aangenaamheid niet weinig vergroot werd, door de lusthoven ter wederzijde langs de rijwegen gelegen: de herberg aan het begin der baane, en die nog aanwezig is, had de huur deezer laane, gelijk zij ook nog het Maliehuis heet—Behalven met het maliespel, plagt men zig in deeze baan ook niet zelden te vermaaken met het zogenaamd blindloopen, bestaande in eene weddingschap om geblinddoekt de baan overlangs doorteloopen, zonder tegen de zijschotten aantestooten; doch niettegenstaande de menigte gasten welken door deeze vermaaken, zo wel als door de aangenaamheid van den oord derwaards gelokt werden, is de baan van tijd tot tijd zo verre vervallen, dat zij tot eene harddraavers baan gebruikt werd, en eindelijk geheel verdweenen is, gelijk men er thans niet meer van ziet dan de grazige vlakte alwaar dezelve gelegen geweest is.
HERBERGEN,
Rozendaal. De Schulp. Het Rechthuis. De Maliebaan.
Voords nog vier in de Schaagerlaan, die echter sedert eenigen tijd geene andere tap-actens bekomen dan van bier, coffij en thee.
REISGELEGENHEDEN,
Om zodanig eens te noemen de gelegenheden die in deeze Meir gevonden worden, om in dezelve, en van daar naar elders te komen: die gelegenheden zijn de toegangen reeds gemeld; behalven deezen, ligt digt bij het tolhek op den Outewaaler weg nog een pad dat op den hoogendijk nabij Zeeburg uitkomt; op gemelden weg is ook nog een pad, waarmede men op den Weesperweg komt: met de gewoone Muider- en Weesper-schuiten kan men ook van Amsteldam naar de Schulpbrug, of van daar derwaards vaaren: aan gemelde brug, in de ringsloot, vindt men des zomers zondags en maandags, gemeenlijk ook nog een zogenaamd Ossemarkts jagtjen, waarmede men voor één stuiver de persoon, naar de stad vaart; de Utrechtsche weg opgewandeld zijnde, tot over den ringdijk, wordt men voor vier duiten de persoon, ook over de Amstel gevaaren.
Aan het tolhek vaart ook een geregelde veerschuit naar Amsteldam, des zomers maandag, woensdag en vrijdag, ’s morgens vroeg, en van daar te rug, op dezelfde dagen, ’s middags ten 12 uure: des winters vaart deeze schuit alleenlijk maandags en vrijdags.
Toen de Maliebaan nog in stand en bloei was, reed des zondags en maandags, van even buiten den Muiderpoort, eene soort van Post- of zogenaamde Bolder-wagen, naar gezegde baan, en terug; dit was een veer, doch zonder bepaalde uuren; de vracht voor ieder persoon was 2½ stuiver: sedert het vervallen der Maliebaan is dit veer ook te niet geraakt.
DE AMBACHTSHEERELIJKHEID WAVERVEEN.
Het dorpjen WAVERVEEN, dus door de Kunst gemaald, Werd om gehoorzaamheid van ’t oorlog aangegrepen, Thans dreigt ’t gebaggerd meir het in zijn balg te sleepen, Des wordt weêr zijnen vlijt met bange vrees betaald.
Geen onvermaaklijk gedeelte van het bevallig Amstelland, maakt deeze Ambachtsheerelijkheid uit: haare
LIGGING
Is gelijk gezegd is, in Amstelland, drie uuren gaans ten zuiden van Ouderkerk; hebbende ten westen en zuiden de Provincie Utrecht, ten oosten de vrije Heerlijkheid Waveren Botsholl, en ten noorden de rivieren de Amstel en de Waveren—Verder kan die ligging nader opgemaakt worden, uit de scheipaalen die men op den gemeenen weg of zogenaamden Veendijk, als op de Rondeveensche Kade vindt, welken voor zo veel de Jurisdictien betreffen de scheidingen van deeze met die der Heerelijkheid Waveren, Botsholl en Ruigewilnisse aanduiden; edog daar hetzelve voor meer dan ⅞ deelen is uitgeveend, kan men de strekking in de uitgeveende plassen bezwaarlijk onderscheiden, schoon de ingezetenen zulks door strooken lands en rietakkers weeten te bepaalen.
Tot Waverveen behoort nog het district Strooknes aan den Amstel, met een groote schutsluis ten einde van de vaart, het Bijleveld genaamd, gelegen.
Het bestaat wijders in drie Polders—naamlijk: de Gemeene of Beoosten Bijleveldsche Polders, gemeen met Waveren Botsholl, en een gedeelte van Ruigewilnisse—de Hoflandsche Polder, gemeen met Mijdrecht onder de Provincie van Utrecht voor 1⁄13, en benoorde de Zuwe, gemeen met Mijdrecht, voor circa ⅔ part, welke laatstgemelde polder, thans door Hun Ed. Mog. de Heeren Staaten ’s Lands van Utrecht, door de bewerking van een Stoom- of Vuur-machine (der moeite waardig te bezichtigen,) wordt uitgepompt en drooggemaakt, waarin het aandeel der droogtemakene gronden voor Waverveen circa 240 morgen beloopt.
Over het algemeen is de grond van deeze Heerlijkheid zeer veenig, waarvan ook niet weinig gebruik is gemaakt, echter ligt het dorp zelf groen en aangenaam.
Van de
NAAMSOORSPRONG
Hebben wij niets kunnen ontdekken, in zo verre het eerste lid des naams betreft, dat is Waveren, zekerlijk aan het dorp van dien naam gegeven, naar het water, de Waver geheten, ’t welk het gezegde dorp, (waar van straks nader,) van Ouderkerk afscheidt; dat er het woord veen bijgevoegd is geworden, is om dat het bijna geheel uit veenen bestaat, en den oord derhalven met recht den naam van Veenen van Waveren, of Waverveen (ook Waverenveen,) mag draagen.
STICHTING EN GROOTTE.
Wat het eerste gedeelte van dit artijkel, de stichting naamlijk, betreft, daaromtrent is wederom niets met volkomen zekerheid te zeggen, waarschijnelijk zoude het kunnen genoemd worden, zo men stelde dat de gunstige gelegenheid tot de turfmaakerij hier eenige lieden heen getrokken, en het wèl slaagen van hunne onderneeming weldra navolgers verschaft zal hebben.
Wat aangaat de grootte van Waverveen, daarvan leezen wij in den tegenwoordigen staat van Holland het volgende: „In de oude quohieren stond het begroot op 268 morgen, 100 roeden lands, en in de nieuwe vinden wij de landen verminderd op 114 morgen, 450 roeden: maar het getal der huizen is, in de lijst van den jaare 1732 niet afgenomen, waarin 93 nommers werden aangetekend; honderd jaaren te vooren werd het op 85 huizen, doch, thans op 58, begroot:” zij zijn niet onvermaaklijk op hunne erven gelegen, en op sommige plaatsen, nog al aangenaam in het geboomte; ook vertoonen zij zig allen als vrij wèl onderhouden: zij liggen ter wederzijde van een’ eenigzins smallen weg, (den Veendijk,) langs iedere zijde van welken een sloot loopt, die aan de eene zijde smal, doch aan de Kerk-zijde, (de Veenwatering genaamd,) zo breed is dat dezelve met turfeikers bevaaren kan worden, alwaarom ook voor iedere werf een gewoone draaibrug ligt: vóór de werf waarop de Kerk staat is een net wipbrugjen, over ’t welk men naar de Kerk gaat, en dat wijd genoeg is, om er met de voornoemde schepen onderdoor te kunnen vaaren: men vindt te Waverveen hier en daar nog al een buitenverblijf, die echter den naam van hoven niet kunnen draagen.
Het gezegde getal huizen wordt bewoond door 240 menschen, (de kinderen daaronder begrepen:) van deeze bewooneren zijn bijna 110 van den Gereformeerden Godsdienst, de overigen zijn meest allen Roomsch.
Het
WAPEN
Van Waverveen, is een rood schild, waarover een eenigzins gebogen zwarte balk loopt, en op den zelven twee witte kruisen.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
De Gereformeerde Kerk welke hier wederom in de eerste plaats in aanmerking komt, is de derde die Waverveen geheugt: de eerste Kerk na de reformatie stond op deeze zelfde plaats, dewelke in den jaare 1592 door Petrus Edessen, Predikant van Amstelveen en Ouderkerk, met eene openbaare Leerrede ingezegend is; in het zelfde jaar (1592) werd de Proponent Cornelius Paludanus tot gewoon Leeraar deezer gemeente (schoon het getal der ledemaaten maar slechts vijftien was,) beroepen; de voorn. Kerk werd tot in het jaar 1697 tot den openbaaren Godsdienst gebruikt, wanneer dezelve door verzakking reeds bouwvallig was geworden, en men gelegenheid had of bekwam, om naar gedachten met minder kosten, dan de Oude kerk te herstellen, een groot gebouw, hetwelk op een andere plaats schuin tegenover, naast het buitenplaatsjen thans Veenlust genaamd, reeds stond, te maaken en te bereiden tot een Kerkgebouw; dit huis was aangelegd en gebouwd geweest tot een groot en aanzienlijk woonhuis, maar de bouwer en eigenaar van hetzelve overleden zijnde, was er gelegenheid om het te kunnen bekomen; en men vond goed, de Oude kerk te verlaten en het voorn. gebouw tot een Kerk te vervaardigen en verder optetimmeren, met dien spoed dat er den 3 Maart 1697 de eerste Godsdienstoefening in werd verricht, en door den Wel-Eerw. Abraham Oosterlandt, ten dien tijde Predikant aldaar, werd ingewijd; de fundamenten van dit gebouw waren niet wèl gelegd of verzorgd, zo dat het verzakte en scheurde in zo verre dat er geene mogelijkheid was om het eenigzins te herstellen, en het des met eene jammerlijke instorting dreigde, waarom dan de Predikant en Gemeente hetzelve verlieten, en hunnen toevlugt tot het Schoolhuis namen, alwaar zij op een zeer ongemaklijke en bekrompene wijze, twee jaaren lang de openbaare Godsdienstoefening verrichtten; tot dat de derde of tegenwoordige Kerk in den jaare 1755 volbouwd was, en 3 Augustus door den Wel-Eerwaardigen Do. Jan van Staveren met een Leerrede over Esra 1. vs. 5–6 is ingewijd: deeze Kerk is in alle deelen een net en kunstig gebouw, zijnde van buiten een Kruis-kerk, en van binnen met witte muuren, coupelswijs opgemetzeld: zij is wel niet groot, maar groot genoeg voor de gemeente, die er in vergadert; ze is met een pannen dak gedekt, en draagt een vierkant open torentjen met uur- en slagwerk, dat met een agtkant rond gedekt is, zijnde ook van een agtkant spits voorzien: rondsom de kerk ligt, gelijk op de meeste Hollandsche dorpen plaats heeft, een vrij ruim algemeen kerkhof met een gezand pad omgeeven, en aan de buitenkant met een Ipen haag voorzien: de toegang tot het Kerkhof en Kerk is met een modieus hek van de kerklaan afgesloten.
Boven den ingang leest men in eenen steen uitgehouwen:
Ezaia xxvi. vs. 8. De eerste steen is gelegd door, Jan David Brouwer, van Stavoren, op den 15 July MDCCLIV, Aangelegd en volbouwd, onder het beleid van Coenraad Hoeneker, Mr. Metselaar te Amsteldam.
Van Staveren’s leeraars zoon, lag mij den eersten steen, o God! vergroot den glans, die mij reeds mild bescheen; Verschijn zo heerlijk, en wil hier in vrede geeven, Dat veelen ingaan door uw woord en geest ten leven.
Hendrik Lussing Matthysz. Eccl. iv. vs. 17.
Tot voor omtrent tien of elf jaaren was het ruim der Kerk alleenlijk door een groote midden, en aan wederzijde van dezelve twee kleine deuren in den muur van den buitenweg afgesloten, het geen, dat te begrijpen is, zijne onaangenaame gevolgen had; doch ten gemelden tijde is die ingang door een vrij ruim portaal, met twee groote deuren van de genoemde buitendeuren afgescheiden.
Van binnen is het kerkjen in alle deelen zeer net ingericht; tegen over den ingang is eene vergaderkamer, voor die geene welken met de zaaken der kerk belast zijn; boven dezelve is een kleine gaanderij; eene dergelijke heeft men, om het regelmaatige in de bouwing te bevorderen, ook boven het nieuwe portaal voornoemd gemaakt.
De zoldering van het ruim is geheel en zeer net gestukadoord; in het midden van dezelve is eene ronde opening, waarin de stang van een kaarskroon, door welke, onder den avond godsdienst de kerk verlicht wordt, is vastgemaakt aan de eene en andere zijde van gezegde opening, leest men, op het stukadoorsel, met fraaje groote gouden letters:
DE GOD DES HEMELS.
Er is geen orgel in deze kerk, doch voor het overige ontbreekt er niets, van het geen men gewoonlijk in een wèl aangelegd kerkruim begeert te vinden; de predikstoel is zeer net, als mede het doophek; vóór den predikstoel staande ziet men ter linkerzijde een zeer aanzienlijk gestoelte van den Ambachtsheer, of de Ambachtsvrouwe; boven hetzelve staat een breed bord, beschilderd met de wapens van de tegenwoordige Ambachtsvrouwe en van haar Eds. echtgenoot; beneden deezen op het zelfde veld, zijn in quartieren als een algemeen wapen, die van de Ambachten van Waverveen, Waveren Botsholl, en voorts met ornamenten geschilderd: tegen over dit gestoelte, ter andere zijde van den predikstoel, is de Schepensbank, die mede zeer ruim is, en recht tegen over den predikstoel, aan het andere einde der kerk staat het, niet minder ruim gestoelte van oude Regenten en Armmeesteren; boven dit gestoelte hangt een wapenbord van den Heere Gouwenaar, Capitein ter zee, overleden den 17 Mai 1714 op deszelfs buiten Zee Rust, aan de Nessersluis, thans aan den Heere Jacob Vlasvat behoorende: ten teken zijns diensts hangt er een degen boven: het heeft de vorige kerk reeds vercierd.
De Gemeente word thans bediend door de predikanten uit den Ring; zijnde het beroep vacant geweest door het vertrek van den Wel-Eerwaarden Heere Joh. Leon. Wolterbeek, die naar Loenen beroepen is: doch thans is in deszelfs plaats den Wel-Eerwaarden Heere J. C. Guinoseau Proponent in ’s Haage, alhier beroepen; dewelke in de maand Februarij aanstaande één aanvang zijner bediening staat te neemen: zijnde zijn Wel-Eerw. alsdan de 21 predikant sedert de Reformatie ter deezer plaatse.
De kerk is gemeenschaplijk voor Waverveen en Waveren.
Het Schoolhuis dat mede gemeenschaplijk voor Waverveen en Waveren dient, staat nabij de kerk, en is een vrij goed gebouw, dat in alle deelen aan het oogmerk beantwoordt: de Roomschgezinden van beide de meergemelde Ambachten, zijn ook verpligt hier hunne kinderen ter schoole te laaten gaan om dat zij geen school voor hun afzonderlijk in dezelven hebben: het getal der gezamenlijke kinderen, welken in dit school komen, bedraagt, de jaaren door elkander gerekend, bijna 50 ’s jaars.
Vier a vijf minuten gaans van de Kerk staat de Pastorij, dat een zeer goed ruim en welgelegen gebouw en in den laatstledenen jaare merkelijk verbeterd is.
Een Weeshuis, Armenhuis, of dergelijk gesticht is hier niet: zie verder het art. wereldlijke regeering.
Een tolbrug, die te Waverveen gevonden wordt, en den naam draagt van Bijleveldsche brug, wordt ten voordeele van de kerk verpacht, door Schout en Kerkmeesters, ten overstaan van Schepenen van Waverveen en Waveren: nog heeft de Kerk een ander inkomen voor derzelver onderhoud, naamlijk één duit van iedere roede lands dat onder Waverveen, Waveren, enz. zal uitgeveend worden; ook moeten de veenders, boven dien, voor iederen ploeg volks, welken zij te werk stellen ƒ 1:10 stuivers betaalen, dit echter niet ten voordeele van de Kerk maar van de algemeene armen, zo wel die van de Roomschen als van de Gereformeerden, die het gelijklijk deelen: beide gezegde belastingen op het veenen, beloopen jaarlijks, (de jaaren weder door elkander gerekend,) eene somme van ƒ 600.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Onder dit art. hebben wij niet anders te betrekken, dan het Schouts huis, dat vrij aanzienlijk is, met een vierkant plein met opgaande Linden boomen beplant, waar achter een redelijk uitgestrekt boschjen, met diverse wandelwegen doorsneeden, staande hetzelve achter het Rechthuis, dat een gewoon boeren huis en herberg zonder eenig aanzien is; men vind er echter een Rechtkamer in, waarvoor in groote letters geschreven staat: Vivat Justitia, zijnde deeze huizen langs de vaart het Bijleveld, waardoor de meeste schepen en vaartuigen naar en van Amsteldam uit de Ronde veenen moeten passeeren gelegen, en beiden aan het Ambacht van Waverveen behorende.
KERKELIJKE REGEERING.
Deezen bestaat uit den Predikant in den tijd, een Ouderling en Diacon uit Waverveen, en een Ouderling en Diacon uit Waveren Botsholl en Ruigewilnisse, waarvan jaarlijks, (indien niet in hunnen diensten werden gecontinueerd) een Ouderling en Diacon afgaan, en door anderen uit het Ambacht daar de afgaande onder gehooren, vervangen worden: staande de verkiezing derzelven, alsmede van den Gaardermeester die voor beiden de Ambachten fungeert, aan den Kerkenraad.
WERELDLIJKE REGEERING.