Part 4
„De Ritmeester heeft geen recht ons in hechtenis te nemen!” zei Erik Ivarsson. Hij greep op ’t zelfde oogenblik de speer, die naast Ingilbert lag, om zich een weg te banen. En zijn broer en schoonzoon sloten zich bij hem aan.
De mannen uit Hedeby weken in de eerste verbazing achteruit, zelfs de Ritmeester, die lachte van voldoening omdat hij zijn boosheid in daden kon uiten. Hij trok zijn sabel en hieuw de speer in tweeën. Maar dat was ook het eenige wapenfeit in den strijd, want zijn eigen mannen trokken hem terug, en ontrukten hem het wapen. Want het geval was zoo, dat ook de leensman Carelius het noodig had gevonden dien morgen naar het groote bosch te gaan. Met een van zijn mannen, verscheen hij op het pad, juist op dit beslissend oogenblik.
Er werd opnieuw onderzocht en verhoord, maar tenslotte werden toch Erik Ivarsson, zijn broer en hun pleegzoon Paul Eliasson gevangen genomen en in hechtenis gebracht als sterk verdacht van moord en diefstal.
VII.
Het valt niet te ontkennen, dat bij ons in Wermeland, in dien tijd de bosschen groot waren en de akkers klein, de velden om de hoeven uitgestrekt, maar de kamertjes eng, de wegen smal, maar de heuvels steil, de deuren laag, maar de drempels hoog, de kerken onaanzienlijk, maar de godsdienstoefeningen lang, de levensdagen weinige, maar de bekommeringen vele. Toch waren daarom de Wermelanders geen klagers of tobzielen.
Wel bedierf de vorst het koren, wel teisterden de wilde dieren den veestapel, en de roodvonk de kinderschaar, maar zeker bewaarden zij zoo lang mogelijk hun moed en hun vroolijkheid. Hoe zou het anders met hen zijn gegaan?
Maar dat kwam misschien door dat op alle hoeven een trooster was. Er was een, die bij den rijke, zoowel als bij den arme kwam, een, die nooit ontrouw werd en onvermoeid.
Denk nu maar niet, dat die trooster iets plechtigs of verhevens was, als b.v. het woord Gods, of een goed geweten, of liefdesgeluk. En denk ook niet, dat hij iets leelijks of gevaarlijks was, als b.v. drank of spel! Hij was maar iets heel onschuldigs en gewoons, niets anders dan het vuur, dat ’s winters op den haard vlamde.
Lieve hemel, wat maakte dat de kleinste kamer niet mooi en gezellig!
En dat schertste maar voortdurend met de menschen daar binnen, den heelen avond door. Dat knapte en kraakte, alsof het hen uitlachte. Dat spatte en siste, alsof het iemand nadeed, die knorrig en nijdig was. Soms zag het geen kans om een blok knoestig hout baas te worden. En dan vulde het de heele kamer met rook en damp, als om de menschen te doen begrijpen, dat het te slechte kost gekregen had om van te leven. Soms koos het juist een oogenblik uit, dat de menschen het vlijtigst aan ’t werk waren om in elkaar te zinken tot een gloeienden hoop, zoodat ze de handen op de knieën moesten leggen en hardop lachen tot het weer opvlamde. Het allerondeugendst werd het, als de huismoeder kwam met de kookpan op drie pooten, en verlangde dat het eten zou koken. Een enkele keer was het gewillig en gedienstig en deed zijn werk vlug en goed; maar meestal danste het uren lang luchtig en uitgelaten om de pan met pap, zonder die aan ’t koken te brengen. Wat kwam er niet een glans in de oogen van den huisvader, als hij nat en koud uit sneeuw en modder thuiskwam en het haardvuur hem ontving met warmte en gezelligheid! Hoe goed was het niet om aan het wakende licht te denken, dat uitstroomde in den donkeren winternacht, als een leidende ster voor arme zwervers en als een afschrikkend teeken voor lossen en wolven.
Maar het haardvuur kon meer doen dan verwarmen, verlichten en eten koken; het had slag van gewichtiger dingen dan vonkelen, knappen, spatten en rook en damp uitzenden. Het was in staat den lust tot spelen in de ziel van de menschen te wekken.
Want wat is ook de ziel van een mensch anders dan een spelende vlam? Die flakkert in, boven en om den mensch, zooals de vuurvlam in, boven en om het vergankelijk brandhout flakkert. Wanneer nu zij, die om het vuur bijeenzaten op een winteravond, er een poos stil in hadden zitten kijken, begon het te spreken tegen een ieder in zijn eigen taal.
„Broeder ziel,” zei de vlam, „zijt ge niet een vlam als ik? Waarom zijt ge zoo somber en zwaarmoedig?”
„Zuster vlam,” antwoordde de menschenziel, „ik heb den heelen dag hout gehakt of huisgehouden. Ik ben nu tot niets anders in staat, dan tot stil naar U zitten kijken.”
„Dat weet ik wel,” zei het vuur. „Nu is het avond. Doe als ik. Flakker en geef licht. Speel en geef warmte.”
En de zielen gehoorzaamden het haardvuur en begonnen te spelen. Zij vertelden sagen, ze gaven raadsels op, ze speelden op de viool, ze sneden figuren en bloemen in werktuigen en rijtuigen en ze deden spelletjes en zongen liederen; ze bedachten pandspelletjes en herinnerden zich oude spreuken. En onder de hand ontdooiden de ijskoude ledematen, en smolt de knorrigheid weg uit het gemoed. Ze werden opgewekt en hadden pleizier. Het haardvuur en het spel van den haard gaf hun weer lust om het armoedige en moeilijke leven te dragen.
Wat vooral bij het haardvuur thuishoorde waren toch wel de verhalen van allerlei heldendaden en avonturen. Want dat was iets, dat jong en oud vermaakte; en iets waar nooit een eind aan kwam. Want heldendaden en avonturen zijn er, goddank, altijd genoeg geweest in deze wereld.
Maar nooit zijn er zooveel geweest als in den tijd van Koning Karel, hij was een held onder helden, en er bestond een schat van verhalen over hem en zijn mannen. Die vergingen niet met hem en zijn heerschappij; zij leefden voort na zijn dood; zij waren zijn beste nalatenschap.
Van niemand vertelde men zoo graag als van den Koning zelf, maar naast hem sprak men graag over den Generaal op Hedeby, dien men gezien en gesproken had en dien men van top tot teen kon beschrijven.
De Generaal was zóó sterk, dat hij ijzer kon buigen, zooals anderen een houtspaan. Hem was ter oore gekomen, dat er in Smedsby in Svartsjö een smid woonde, die de beste paardehoeven in den omtrek maakte. De Generaal reed naar hem toe en vroeg Mickel in Smedsby zijn paard te beslaan. Toen nu de smid uit de smidse kwam met een afgewerkten hoef, vroeg de Generaal of hij dien zien mocht. De hoef was sterk, en goed gemaakt, maar de Generaal lachte, toen hij hem zag.
„Moet dat ijzer heeten?” zei hij, en boog den hoef uit elkaar en brak hem in tweeën.
De smid schrikte en meende, dat hij slecht werk had geleverd.
„Er moet ergens een barst in het ijzer zijn geweest,” zei hij en ging haastig naar binnen om een anderen hoef te halen. Maar ’t ging met dien als met den vorige, alleen met dit verschil, dat hij in elkaar geknepen werd als een schaar tot hij barstte.
Maar toen begon Mickel onraad te vermoeden. „Of je bent Koning Karel zelf, of je bent Sterke Bengt van Hedeby,” zei hij tegen den Generaal.
„Dat was niet zoo heelemaal misgeraden Mickel,” zei de Generaal. En later gaf hij Mickel de volle betaling voor vier nieuwe hoeven en voor de twee, die hij had gebroken.
Nog veel meer verhalen waren er over den Generaal en ze werden aanhoudend verteld, zoodat in de heele provincie geen mensch was, die hem niet kende, eerbiedigde en bewonderde. En van zijn ring wist men ook, en dat die met hem in ’t graf had moeten gaan; maar dat de begeerigheid van de menschen zóó groot was geweest, dat die hem was afgestolen.
Men kan dus wel begrijpen, dat als iets de menschen belangstellend, nieuwsgierig en verontwaardigd kon maken, het dit feit was, dat de ring teruggevonden en weer was weggeraakt, dat Ingilbert dood in ’t bosch was gevonden; dat de mannen van Olsby nu verdacht werden zich den ring te hebben toegeëigend en nu in hechtenis zaten. Als de kerkgangers naar huis gingen op den Zondagmiddag, kon men nauwelijks wachten tot ze de kerkkleeren hadden uitgetrokken en wat gegeten hadden, of ze moesten vertellen van alles, wat er getuigd en bekend was, en waartoe men meende, dat de beklaagden zouden worden veroordeeld.
Er werd over niets anders gepraat. Elken avond werd er recht gesproken bij het haardvuur, bij armen en rijken.
’t Was een gruwelijke, wonderlijke zaak en moeilijk om te beoordeelen. ’t Was niet gemakkelijk een vonnis te vellen, want het was moeilijk, ja bijna onmogelijk te denken, dat de Ivarssons en hun pleegzoon een man zouden hebben doodgeslagen om een ring in handen te krijgen, hoe kostbaar die ook wezen mocht.
Daar was nu ten eerste Erik Ivarsson. Hij was een rijk man, met groote akkers en veel gebouwen. Als hij een fout had, was het, dat hij hoogmoedig was en al te bezorgd voor zijn eer. Maar juist daarom was het moeilijk te begrijpen, dat welk kleinood ter wereld ook hem er toe zou kunnen brengen een onteerende daad te doen.
Nog minder kon men zijn broer Ivar verdenken. Wel was hij arm, maar hij woonde bij zijn broer, en kreeg bij hem alles wat hij kon verlangen. Hij was zoo goedhartig, dat hij alles had weggegeven, wat hij bezat. Hoe zou het zulk een man in de gedachten kunnen komen, te moorden en te stelen?
Wat Paul Eliasson betreft, van hem wist men, dat hij hoog aangeschreven stond bij de Ivarssons, en met Marit Eriksdochter zou trouwen, die de eenige erfgenaam van haar vader was. Anders was hij het, die men het eerst zou kunnen verdenken, omdat hij een geboren Rus was, en van de Russen wist men, dat ze stelen niet voor zonde hielden. Ivar Ivarsson had hem bij zich gehad, toen hij uit de Russische gevangenschap teruggekomen was. Hij was toen drie jaar oud, had geen ouders meer en zou in zijn eigen land zijn doodgehongerd. Nu was hij toch in rechtschapenheid en eerlijkheid opgevoed en had zich altijd goed gedragen. Marit Eriksdochter en hij waren samen opgegroeid; zij hadden elkaar altijd liefgehad, en men kon ’t niet met elkaar overeenbrengen, dat een man, die geluk en rijkdom verwachtte, dat alles op het spel zou zetten door een ring te stelen.
Maar aan den anderen kant moest men aan den Generaal denken, den Generaal, waar men van had hooren vertellen van dat men nog klein was af, den Generaal, dien men kende als zijn eigen vader, den Generaal, die groot en sterk en vertrouwbaar was, den Generaal, die dood was en dien men het liefste, wat hij bezat, had afgestolen.
De Generaal had geweten, dat Ingilbert Baardson den ring bij zich had, toen hij vluchtte, want anders zou Ingilbert rustig heen hebben kunnen gaan en zou niet gedood zijn geworden. De Generaal moest er ook van weten dat de mannen uit Olsby den ring hadden genomen, anders zouden zij den Ritmeester niet zijn tegengekomen.
Ze zouden niet gevangen genomen en in hechtenis gehouden zijn.
Het was héél moeilijk den weg in zulk een zaak te vinden; maar men vertrouwde nog meer op den Generaal dan op Koning Karel zelf, en bij de meeste rechtzaken, die in de kleine hutjes gevoerd werden, viel het vonnis, dat de beklaagden schuldig waren.
Zeker wekte het groote verwondering, dat de werkelijke rechtbank, in het gerechtsgebouw in Broby, na ten strengste de zaak te hebben onderzocht, maar de beklaagden niet te hebben kunnen overtuigen of tot bekentenis brengen, zich genoodzaakt zag hen van moord en diefstal vrij te spreken.
Zij werden toch niet vrijgelaten, want het vonnis van de rechtbank moest bekrachtigd worden door het hooge gerechtshof, en dit meende, dat de mannen uit Olsby schuldig waren en gehangen moesten worden.
Maar ook dit vonnis werd niet uitgevoerd, want het vonnis van het hooge gerechtshof moest eerst door den Koning bekrachtigd worden.
Maar toen het Koningsvonnis gevallen was, stelden de kerkgangers dezen eenen keer hun middagmaal uit, tot zij den inhoud aan de thuisgeblevenen hadden verteld.
Want de inhoud van ’t vonnis was in ’t kort dit: dat daar het volkomen duidelijk bleek, dat een van de beklaagden gemoord en gestolen had, maar dat niemand zich schuldig wilde verklaren, zou Gods oordeel tusschen hen richten. Ze zouden op de volgende rechtszitting in tegenwoordigheid van de rechters, de gezworenen en de menigte met elkaar dobbelen. Die den laagsten worp deed, zou schuldig worden verklaard en ’t leven verliezen door gehangen te worden; maar de anderen zouden volkomen vrij gesproken worden en tot hun dagelijksch leven terugkeeren.
Dat was een wijs vonnis, een rechtvaardig vonnis. Alle menschen in Wermeland waren er mee tevreden. Was het niet mooi van den ouden Koning, dat hij niet meende helderder in deze duistere zaak te kunnen zien, dan iemand anders, maar op den Almachtige vertrouwde? Nu eindelijk zou men de waarheid aan het licht zien komen.
Behalve dat, was er nog iets eigenaardigs aan deze rechtszaak. Die werd niet van mensch tot mensch gevoerd; maar een doode was in de zaak betrokken, een doode, die begeerde zijn eigendom terug te krijgen.
In andere gevallen kon men nog aarzelen op de dobbelsteenen te vertrouwen, maar niet in dit. De doode Generaal wist wel wie het was die hem zijn eigendom onthield. Dat was het beste van het Koningsvonnis, dat het den ouden Generaal de gelegenheid gaf vrij te spreken en te veroordeelen.
Men zou bijna denken, dat Koning Frederik de beslissing aan den Generaal wilde overlaten. Hij had hem misschien in den oorlogstijd gekend en wist, dat hij een man was, waarop men vertrouwen kon. Dit zou wel de bedoeling kunnen zijn. Dat was niet gemakkelijk uit te maken.
Hoe het ook was, allen wilden die gerechtszitting bijwonen, waar het Godsoordeel zou worden uitgesproken. Ieder die niet te oud was om te loopen of te klein om te kruipen, ging op weg. Zulk een gewichtige gebeurtenis had in lange jaren niet plaats gehad. Men kon zich niet vergenoegen, met zoo langzamerhand van anderen te hooren hoe het was afgeloopen. Neen, hier moest ieder zelf bij zijn!
Wel lagen de hoeven ver uit elkaar verspreid, en wel was het gewoonlijk zoo, dat men een mijl ver kon loopen zonder een mensch te ontmoeten, maar als allen uit de provincie op één plek bijeen kwamen, waren zij er bijna verwonderd over, dat er zoo velen waren. Ze stonden in vele rijen dicht opeen voor het gerechtshof. Het zag er uit als wanneer een bijenzwerm zwart en zwaar voor een bijenkorf hangt, op een zomerdag. Ze waren ook als zwermende bijen, in dit opzicht, dat ze niet in de gewone stemming waren. Ze waren niet stil en plechtig, zooals gewoonlijk bij de kerk, en ook niet vroolijk en gemoedelijk, zooals op de markt, maar ze waren woest en prikkelbaar, ze waren bezeten van haat en wraaklust.
En is dat verwonderlijk? Ze hadden met de moedermelk den afschuw van misdadigers ingedronken. Ze waren in slaap gezongen met liedjes over rondzwervende vogelvrijen. Ze beschouwden alle dieven en moordenaars als ongedierte, als heksenkinderen; ze hielden hen niet meer voor menschen. Ze dachten er in ’t geheel niet aan, dat men jegens hen barmhartigheid moest toonen.
Ze wisten, dat zulk een verschrikkelijk schepsel vandaag gevonnisd zou worden en daar waren ze blij om, „Nu komt dan Goddank zoo’n bloeddorstig monster uit de wereld,” dachten zij. „Nu kan die ons ten minste geen kwaad meer doen!”
Het Godsoordeel zou niet in het gerechtshof plaats hebben; maar, wat goed was, buiten in de vrije lucht. Wel was het hinderlijk, dat een compagnie soldaten de plaats voor het gerechtshof afzette, zoodat men er niet dicht genoeg bij kon komen. En de menschen riepen de soldaten veel scheldwoorden toe, omdat ze hun in den weg stonden. Dat zouden ze anders niet gedaan hebben, maar vandaag waren ze overmoedig en vermetel. De menschen hadden vroeg van huis moeten gaan om een plaats dicht bij den kring soldaten te krijgen, zoodat ze daar veel lange, vervelende uren moesten staan wachten. En ze hadden in dien tijd niet veel genoegelijks om naar te kijken. De gerechtsdienaar kwam naar buiten en zette een groote trommel midden op de plaats. Dat was ten minste prettig, want nu zag men immers, dat zij die daar binnen zaten, de zaak nog voor den avond zouden laten doorgaan. De gerechtsdienaar droeg ook nog een stoel en een tafel naar buiten, en een pen en inktkoker voor den griffier. Ten laatste kwam hij met een kleinen beker, waarin een paar dobbelsteenen rammelden. Hij wierp ze telkens op het trommelvel. Hij wilde zeker probeeren of ze wel in orde waren en nu zoo en dan weer anders vielen, zooals dobbelsteenen behooren te doen.
Daarna haastte hij zich weer naar binnen, en dat was geen wonder, want zoodra hij zich vertoonde, riepen de menschen hem leelijke woorden en grappen toe. Dat zouden ze anders niet gedaan hebben, maar dien dag waren ze niet bij hun gezond verstand.
De rechter en de gezworenen werden door den kring van de soldaten gelaten en liepen of reden naar het gerechtshof. Zoodra ze in ’t zicht kwamen, kwam de menigte in beweging. ’t Was niet zoo, dat men fluisterde en mompelde, zooals men anders zou hebben gedaan. Neen! Men riep hun met luider stem groeten toe en opmerkingen. Dat kon immers niemand beletten. Er waren zoo velen, die daar wachtten en ze waren geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. De heeren, die kwamen, werden ook toegelaten in het gerechtshof. Dat was Löwensköld van Hedeby en de proost van Bro, en de Mijneigenaar van Hedeby, en de Kapitein van Helgesäter, en natuurlijk nog vele anderen. En allen moesten ze hooren, hoe goed zij het hadden, die niet buiten hoefden te blijven staan en om een plaats vechten, en nog veel anders bovendien.
Als ze niemand anders hadden om scheldwoorden toe te roepen, richtten ze zich tot een jong meisje, dat zich zoo dicht bij den kring soldaten hield als haar mogelijk was. Ze was klein en tenger, en telkens weer probeerden de mannen naar voren te dringen en haar plaats in te nemen; maar als dat gebeurde, riepen zij, die dicht bij haar stonden, dat zij de dochter was van Erik Ivarsson van Olsby en dan werd ze met rust gelaten.
Maar in plaats daarvan hagelde het stekelige woorden over haar. Men vroeg haar wat ze ’t liefst wilde, dat haar vader of haar verloofde gehangen zou worden. En ieder verwonderde er zich over, dat iemand, die de dochter van een dief was, de beste plaats moest hebben.
Zij, die ver achter in het bosch woonden, verbaasden er zich over, dat zij den moed had daar te blijven staan; maar toen hoorden ze nog wat anders. Dat wicht was niet bang. Ze had alle rechtszittingen bijgewoond, en geen enkele maal had ze geschreid. Ze was altijd kalm geweest. Ze had de beklaagden toegeknikt en toegelachen, alsof ze er zeker van was, dat ze den volgenden dag zouden worden vrijgelaten. En de beklaagden hadden nieuwen moed gekregen, als ze haar zagen. Ze hadden gedacht, dat er ten minste één was, die wist, dat ze onschuldig waren. Eén was er, die niet kon gelooven, dat een armzalige gouden ring hen tot misdaad zou kunnen verleiden.
Mooi, lief en geduldig was ze, zooals ze daar in de rechtzaal zat. Ze had nooit iemand gehinderd of gekwetst. Ze had den rechter en de gezworenen en zelfs den leensman tot haar vrienden gemaakt. Zooiets wilden ze wel niet toegeven, maar men beweerde, dat het gerecht hen niet zou hebben vrijgesproken, als zij niet in de zaal was geweest. Het was zoo onmogelijk te gelooven, dat iemand, waar Marit Eriksdochter van hield, zich aan een misdaad zou schuldig maken.
En nu was ze hier ook bij, opdat de gevangenen haar zouden zien. Ze stond hier om hun tot steun en troost te wezen. Ze wilde voor hen bidden onder de proef, hen aanbevelen in Gods genade.
Men kon immers niets weten. Men zegt wel, dat de appel niet ver van den boom valt; maar ze zag er zoo goed en onschuldig uit. En zeker had ze een liefdevol hart, nu ze kon blijven staan, waar ze stond.
Ze moest toch alles hebben gehoord, wat men haar toeriep; maar ze antwoordde niet, ze schreide niet, ze probeerde niet te vluchten. Ze wist, dat de ongelukkige gevangenen blij zouden zijn haar te zien. Ze was immers de eenige, de eenige in die heele bende, die een menschelijk gevoel voor hen had.
Maar hoe het ook was, ze stond daar niet heelemaal voor niet. Er waren toch menschen die eigen dochters hadden, even zacht en onschuldig als zij, die in hun hart dachten, dat ze haar niet graag zouden zien staan waar zij stond.
Hier en daar werd een stem gehoord, die haar verdedigde of die tenminste de grappenmakers en schreeuwleelijkers tot zwijgen trachtte te brengen.
Niet alleen omdat er een eind kwam aan het lange wachten, maar ook om Marit Eriksdochter was men blij toen de deuren van ’t gerechtshof open werden gedaan en de zaak begon. In plechtigen optocht kwamen eerst de gerechtsdienaar, de leensman en de gevangenen, die zonder boeien of banden waren, al werd elk van hen ook bewaakt door twee soldaten. Daarna verscheen de koster, de proost, de gezworenen, de griffier en de rechter.
Achter die allen aan kwamen de heeren en enkele boeren, die zoo groot aanzien hadden, dat ze mee in den kring mochten komen. De leensman en de gevangenen gingen links van het gerechtshof staan, de rechter en de gezworenen rechts; de heeren bleven in ’t midden staan. De griffier nam plaats aan de tafel met zijn papieren. De groote trommel stond nog steeds verlaten midden op de plaats, zichtbaar voor allen.
Op ’t zelfde oogenblik, dat de optocht te voorschijn kwam, ontstond er onrust en gedrang in de menschenmassa. Verscheiden groote en sterke mannen zochten zich een weg te banen naar de eerste rijen. Vooral legden ze het er op aan Marit Eriksdochter weg te dringen. Maar uit angst, dat ze achteraf geschoven zou worden, boog ze zich voorover, en klein en mager als ze was, kroop ze tusschen de beenen van een paar soldaten door naar binnen in den kring.
Dat was volkomen in strijd met de goede orde en de leensman gaf ook den gerechtsdienaar een wenk om Marit Eriksdochter te verwijderen. Die kwam dadelijk naar haar toe, legde de hand op haar schouder als om haar in hechtenis te nemen en leidde haar naar het gerechtshof. Maar toen ze goed en wel bij de menschenmassa gekomen waren, die voor het gebouw stond, liet hij haar los. Hij had al wel zooveel van haar gezien, om te weten, dat ze, als ze eenmaal in de buurt van de gevangenen was, niet weg zou loopen en als de leensman haar wou laten pakken, zou ze gemakkelijk te vinden zijn.
Maar wie had nu ook nog tijd om aan Marit Eriksdochter te denken. De proost en de koster waren naar voren gekomen en stonden midden op de plaats. Beide namen den hoed af en de koster sloeg een psalm op en begon te zingen. En toen zij, die buiten den kring stonden, dat hoorden, begonnen zij te begrijpen, dat wat nu gebeuren zou, iets groots en plechtigs was, het plechtigste, wat zij nog ooit hadden bijgewoond, een aanroep aan den Almachtigen, alwetenden God om Zijn wil te mogen weten.
Nog plechtiger werden zij gestemd toen de proost sprak. Hij bad tot Christus, Gods Zoon, die zelf eens voor het gerecht van Pilatus had gestaan, en smeekte hem zich over de beklaagden te ontfermen, zoodat ze geen onrechtvaardig vonnis zouden krijgen. Hij smeekte hem zich ook over de rechters te ontfermen, zoodat ze niet genoodzaakt zouden worden een onschuldige ter dood te veroordeelen.
En ten slotte smeekte hij hem zich over de menigte te ontfermen, opdat zij niet een groot onrecht zouden doen, door hun getuigenis te steunen, zooals eenmaal de Joden bij Golgotha.
Ze luisterden allen naar den proost met ontbloote hoofden. Zij dachten niet meer aan hun armzalige aardsche gedachten. Ze waren in een andere stemming gekomen. Het was hun alsof hij God zelf van uit Zijn hemel in hun midden riep, en ze voelden Zijn nabijheid.
’t Was een mooie herfstdag met blauwen hemel, kleine witte wolken en boomen vol goudgele bladeren. Vluchten trekvogels zweefden onophoudelijk over hun hoofden naar het zuiden. ’t Was iets ongewoons, dat men er zoo velen zag op één dag. Men meende, dat dit iets moest beteekenen. Was dat een teeken van God, dat Hij hun plan goedkeurde?
Toen de proost zijn rede geëindigd had, kwam de Voorzitter van de rechtbank naar voren en las het Koningsvonnis voor. Dat was lang met veel passages, die moeilijk te volgen waren. Maar zij begrepen, dat de wereldlijke macht als ’t ware haar zwaard en scepter, wijsheid en wetenschap neerlegde en leiding van God begeerde. En zij baden, zij baden allen, dat God zou helpen en leiden.