De groote betoovering

Part 5

Chapter 54,240 wordsPublic domain

Daarop nam de leensman de dobbelsteenen en verzocht den rechter en nog vele andere aanwezigen een worp te doen om te zien of zij in orde waren. En de menschen hoorden hoe ze op het trommelvel vielen met een zonderlinge rilling. Die kleine dingen, die zooveel mannen in het ongeluk hadden gestort, zouden ze nu waardig geacht worden om Gods wil te verkondigen?

Toen de dobbelsteenen onderzocht waren, werden de drie gevangenen naar voren geleid. De beker werd eerst aan Erik Ivarsson gegeven, die de oudste was. Maar tegelijk legde de leensman hun uit, dat dit nog niet het afdoende besluit was. Nu moesten ze allen uitsluitend werpen om de volgorde tusschen hen aan te geven.

Den eersten keer viel het zoo uit, dat Paul Eliasson de laagste worp deed en Ivar Ivarsson de hoogste. Dus moest hij beginnen.

De drie beklaagden droegen dezelfde kleeren, die ze aan hadden gehad, toen zij den Ritmeester op hun tocht van de zomerwei waren tegengekomen, en die waren nu vuil en versleten. En even slecht als hun kleeren zagen zij, die ze droegen, er uit. Maar allen vonden, dat Ivar Ivarsson zich het beste had gehouden van de drie. Dat kwam zeker doordat hij soldaat was geweest en door veel lijden in den oorlog en gevangenschap was gehard. Hij hield zich nog rank en trad moedig en onverschrokken op.

Toen Ivar Ivarsson op de trommel toetrad en den beker met de dobbelsteenen van den leensman aannam, wilde deze hem wijzen hoe hij den beker vasthouden en hoe hij de steenen werpen moest. Maar toen glimlachte de man.

„’t Is niet voor ’t eerst, Leensman, dat ik met de dobbelsteenen rammel,” zei hij zoo luid, dat allen hem hoorden.

„Sterke Bengt van Hedeby en ik hebben ons daar al menig avond mee vermaakt in de steppen. Maar ik heb nooit gedacht, dat ik nog eens met hem zou moeten spelen.”

De leensman wilde hem vermanen zich te haasten, maar de menschen luisterden graag naar hem. Het was een dapper man, die kon schertsen nu hij voor zulk een beslissing stond.

Hij vouwde beide handen om den beker en men zag, dat hij bad. Toen hij zijn „Onze Vader” gebeden had, riep hij met luider stem. „En nu bid ik U, Heer Christus, Gij, die mijn onschuld kent, dat Gij mij een lagen worp zult laten doen, want ik heb geen kind en geen verloofde, die om mij zullen schreien!”

Toen hij dit had gezegd, slingerde hij de dobbelsteenen op het trommelvel, dat het klonk.

En allen, die buiten stonden, wenschten op dat oogenblik, dat Ivar Ivarsson vrij komen zou. Zij hielden van hem, omdat hij dapper en goed was. Zij konden niet begrijpen, dat ze hem ooit voor een misdadiger hadden gehouden.

Het was bijna niet uit te houden zoo lang te moeten blijven staan, zonder te weten hoe de dobbelsteenen waren gevallen. De rechter en de leensman bogen zich voorover om het te zien; de gezworenen en de heeren, die tegenwoordig waren, kwamen naderbij en zagen de uitkomst. Allen schenen verwonderd, sommigen knikten Ivar Ivarsson toe; een paar van hen schudden hem de hand, maar de menigte kreeg niets te hooren. Zij begonnen te mompelen en te morren.

Toen wenkte de rechter den leensman en die klom op de trappen van het gerechtshof om beter gezien en gehoord te kunnen worden.

„Ivar Ivarsson heeft twee dubbele zessen geworpen. Dat is de hoogste worp!”

Allen begrepen, dat Ivar Ivarsson vrij was en daar waren ze blij om. Er waren verscheidenen, die begonnen te roepen: „Gefeliciteerd, Ivar Ivarsson!”

Maar nu gebeurde er iets, dat allen met verbazing vervulde: Paul Eliasson barstte in luide vreugdekreten uit, rukte de muts van zijn hoofd en gooide die omhoog. Dat kwam zóó onverwacht, dat de wachters het hem niet konden beletten. Maar men verwonderde zich over Paul Eliasson. Het was wel waar, dat Ivar Ivarsson als een vader voor hem was geweest; maar nu ging het om zijn leven. Kon hij er werkelijk blij om zijn, dat een ander was vrij gesproken?

Onmiddellijk daarna werd de vorige orde hersteld. De rechterlijke autoriteiten gingen rechts; de gevangenen en hun wachters links; andere toeschouwers trokken zich terug tot voor het gerechtshof, zoodat de trommel vrij stond in het midden, zichtbaar van alle zijden. Nu was het Erik Ivarsson, die de doodsproef moest doorstaan.

Een gebroken en oud man kwam aanstrompelen met onzekere stappen. Men herkende hem nauwelijks. Kon dat Erik Ivarsson zijn, die altijd forsch en met gezag optrad? Zijn oogen waren dof en velen dachten, dat hij zich nauwelijks bewust was van wat hij deed. Maar toen hij den beker met de dobbelsteenen in zijn hand had, deed hij een poging om zich rank te houden en een paar woorden te zeggen.

„Ik dank God, dat mijn broer Ivar Ivarsson nu vrijgesproken is,” zeide hij, „want hoewel ik in deze zaak even onschuldig ben als hij, is hij toch altijd de beste van ons beiden geweest. En ik bid Onzen Heer Jezus Christus, dat Hij mij een lagen worp zal laten doen, zoodat mijn dochter zal kunnen trouwen met hem, dien zij liefheeft en gelukkig met hem leven tot het eind van haar dagen.”

Het was met Erik Ivarsson als met vele andere oude menschen, dat hun vroegere kracht in hun stem bewaard schijnt te blijven. Wat hij zeide werd door allen gehoord, en wekte groote ontroering. Het leek niet op Erik Ivarsson te erkennen, dat iemand anders beter was geweest dan hij, en den dood te wenschen om iemand anders gelukkig te maken. Er was niemand in de heele menschenmassa, die nog aan hem kon denken als aan een roover of een dief. Ze stonden met de tranen in de oogen en baden tot God, dat hij een hoogen worp zou mogen doen.

Hij schudde de dobbelsteenen bijna niet in den beker, maar keerde die langzaam om en liet de steenen vallen. Zijn oogen waren te oud dan dat hij de punten op de dobbelsteenen zou kunnen zien; en hij keek er niet eens naar, maar bleef voor zich uit staren.

Maar de rechter en de anderen haastten zich naar hem toe. En nu zag men dezelfde uitdrukking van verwondering op hun gezichten als de vorige maal.

Het was alsof de menigte daarbuiten begrepen had wat er gebeurd was, lang voor dat de leensman den uitslag had bekend gemaakt. Een vrouw riep: „God zegene je, Erik Ivarsson!” en daarna werd een kreet uit vele monden gehoord: „Geloofd zij God, omdat Hij je hielp, Erik Ivarsson!”

Paul Eliasson’s muts vloog in de lucht weer als de vorige keer, en weer was men verbaasd. Dacht hij er dan niet aan, wat dit voor hem beteekende?

Erik Ivarsson stond daar versuft en onverschillig. Geen licht kwam er op zijn gezicht. Men meende, dat hij misschien afwachtte, dat de leensman den uitslag bekend zou maken, maar ook toen dat gebeurde en hij hoorde, dat hij twee dubbele zessen had geworpen, zooals zijn broer, bleef hij ongevoelig. Hij wilde terug strompelen naar zijn vroegere plaats en was zoo afgemat, dat de gerechtsdienaar den arm om hem heen moest slaan om hem overeind te houden.

Nu was het de beurt van Paul Eliasson om vooruit te treden naar de trommel en zijn geluksworp te doen en men wendde de blikken naar hem. Allen hadden ’t al voor bewezen gehouden, dat hij de eigenlijke misdadiger was, en nu was hij immers zoo goed als geoordeeld, want hooger worp dan de Ivarssons konden de dobbelsteenen niet geven.

Men was eerst niet ontevreden met dien uitslag, maar nu zag men, dat Marit Eriksdochter tot dicht bij Paul Eliasson geslopen was.

Hij omhelsde haar niet; geen kus of liefkoozing werd tusschen hen gewisseld. Zij stond alleen dicht, dicht tegen hem aan gedrukt, en hij hield den arm om haar heen geslagen. Niemand kon zeggen hoe lang ze zoo hadden gestaan, want aller aandacht was op het dobbelspel gericht geweest.

In ieder geval stonden ze daar zij aan zij, op een onbegrijpelijke manier tot elkaar gekomen, niettegenstaande de wachters en de afschrikwekkende autoriteiten, niettegenstaande de duizenden toeschouwers, niettegenstaande dat vreeselijke spel om leven en dood, waar zij in betrokken waren.

Dat was liefde; en het was iets ver boven de aardsche liefde dat hen vereenigde. Zij hadden zoo bijeen kunnen staan op een zomermorgen, als ze den heelen nacht hadden gedanst en er voor ’t eerst over gesproken, dat zij man en vrouw wilden worden. Ze hadden zoo kunnen staan na het eerste avondmaal, als ze alle zonden uit hun ziel voelden weggenomen. Ze hadden zoo kunnen staan, als ze de gruwelen van den dood hadden doorgemaakt en aan de andere zijde gekomen, elkaar weer ontmoet hadden, en gevoeld, dat zij in eeuwigheid bij elkaar behoorden.

Zij stond hem aan te zien met innige liefde, en er was iets in hun ziel, dat den menschen zei, dat ze juist met Paul Eliasson medelijden moesten hebben. Hij was een jonge boom, die niet zou blijven staan tot hij bloeide en vruchten droeg; hij was een roggeakker, die vertreden zou worden vóór hij iemand iets van zijn rijkdom zou kunnen schenken.

Hij nam stil zijn arm van Marit’s middel weg en volgde den leensman naar den trommel. Er was geen onrust aan hem te bespeuren, toen hij den beker in de hand had. Hij hield geen toespraak tot het volk zooals de anderen, maar hij keerde zich tot Marit.

„Wees niet bang,” zei hij. „God weet, dat ik even onschuldig ben als de anderen.”

Daarop schudde hij de dobbelsteenen speelsch om en liet ze in den beker ronddraaien tot ze over den rand sprongen en op het trommelvel vielen.

Hij stond ze onbewegelijk met de oogen te volgen; maar toen ze eindelijk beide stil lagen, behoefde de menigte niet te wachten tot de leensman den uitslag verkondigen zou. Paul Eliasson riep zelf met luider stem: „Ik heb dubbele zessen geworpen, Marit, precies als de anderen!”

Het kwam hem niet in de gedachte, dat hij daardoor niet vrijgesproken zou zijn, en hij kon zich van blijdschap niet stilhouden. Hij sprong hoog op, wierp zijn muts in de lucht, omhelsde den wachtsoldaat, die het dichtste bij hem stond en kuste hem.

Toen dachten allen: „Je kunt wel zien, dat hij een Rus is. Als hij een Zweed was geweest, zou hij niet zoo ontijdig gejubeld hebben.”

De rechter, de leensman, de gezworenen en de notabelen gingen langzaam en kalm naar de trommel, en bekeken de dobbelsteenen. Maar ze zagen er dezen keer niet uit, alsof ze blij waren. Ze schudden het hoofd, en er was niemand, die Paul Eliasson gelukwenschte.

De menschenmassa kwam in heftige beweging; maar niemand jubelde. Niemand dacht, dat er bedrog in het spel was; want dat was onmogelijk. Maar allen voelden zich angstig, omdat het Godsoordeel geen klaarheid had gebracht.

Waren nu alle beklaagden onschuldig? Of waren ze even schuldig?

Men zag den Ritmeester snel op den rechter toegaan. Hij wou zeker zeggen, dat er nog niets was uitgemaakt; maar de rechter wendde zich onwillig van hem af.

De rechter en de gezworenen trokken zich terug in ’t gerechtshof om te overleggen, en in dien tijd durfde niemand zich te verroeren of te spreken; ja, bijna niet te fluisteren. Zelfs Paul Eliasson hield zich stil. Hij scheen nu te begrijpen, dat het Godsoordeel op meer dan één manier kon worden uitgelegd.

Het gerecht verscheen weer na een kort overleg en de rechter verkondigde, dat het gerecht geneigd was den uitslag zoo op te vatten, dat alle drie de beklaagden waren vrijgesproken. Paul Eliasson rukte zich los van zijn wachters, en wierp zijn muts in de lucht onder luid gejubel; maar dat was nog even te vroeg, want de rechter ging voort: „Maar deze uitspraak van het gerecht zal den Koning worden meegedeeld door een koerier, die nog vandaag naar Stockholm zal worden afgezonden, en de beklaagden zullen in hechtenis worden gehouden tot de bekrachtiging van het vonnis door Zijne Majesteit in ons bezit is.”

VIII.

Op een herfstdag, ongeveer dertig jaar na dit merkwaardige dobbelspel bij het gerechtshof van Broby, zat Marit Eriksdochter op de stoep voor het kleine huisje op de Groote Hoeve in Olsby, waar zij woonde, en borduurde een paar kinderwanten. Zij wilde ze volgens een mooi patroon borduren met randen en ruiten, opdat het kind, waar zij ze voor bestemde, er blij mee zou zijn, maar ze kon geen patroon bedenken. Nadat ze lang op de trap had zitten teekenen met een houtje, ging ze naar binnen en deed haar kleerenkist open om er een of ander kleedingstuk uit te halen, dat ze nawerken kon. Heel beneden op den bodem vond zij een muts met een kwast, die kunstig geborduurd was, met veel verschillende steken en randen en na eerst een paar oogenblikken geaarzeld te hebben nam ze die mee naar buiten op de stoep.

Terwijl Marit nu de muts keerde en draaide om het borduursel na te zien, merkte zij dat er mot in gekomen was en dat die er gaatjes in gebeten had. „Ja, goeie hemel, dat is toch geen wonder,” dacht ze. „’t Is nu zeker minstens dertig jaar geleden, dat die alle dagen gebruikt werd. ’t Is goed, dat ik die uit de kleerenkist nam, zoodat ik zag hoe het er mee gesteld was.”

De muts was versierd met een grooten mooien kwast, en daar hadden de motten bizonder krachtig in huisgehouden, want toen Marit de muts schudde, vlogen de draden naar alle kanten. Ja, de kwast vloog er zelfs af, en viel op haar knie. Ze nam die op om te zien of die zooveel geleden had, dat hij niet meer vast te zetten was, en toen meende zij iets te zien blinken tusschen de draden. Ze trok die gauw uit elkaar en vond toen een grooten zegelring van goud met een rooden steen, met grof linnen garen binnen in den kwast vastgenaaid.

De kwast en de muts vielen haar uit de handen. Ze had den ring nog nooit gezien; maar ze hoefde niet naar het koninklijke naamcijfer op den steen te kijken of naar de inscriptie aan den binnenkant, om te weten wat het voor een ring was, en aan wien die behoorde. Ze leunde tegen ’t hek van de stoep, sloot de oogen en zat daar stil en bleek, als een stervende. Ze meende, dat haar hart zou breken.

Ter wille van dien ring hadden haar vader, Erik Ivarsson, haar oom, Ivar Ivarsson en haar verloofde, Paul Eliasson, het leven moeten laten en nu moest zij dien vastgenaaid vinden in den kwast op Paul’s muts.

Hoe was die daar gekomen? Wanneer was die daar gekomen? Had Paul geweten, dat hij daar was?

Neen; ze zeide dadelijk tot zich zelf, dat hij het onmogelijk had kunnen weten.

Ze herinnerde zich hoe hij met die muts had gewuifd en hem hoog in de lucht had gegooid, toen hij meende, dat hij en de oude Ivarssons vrijgesproken waren.

Ze zag alles voor zich, alsof het gisteren gebeurd was. Die groote menschenmassa, die in ’t begin vol haat en vijandschap was geweest tegenover haar en haar naasten kring; maar die ten slotte aan hun onschuld geloofde. Ze herinnerde zich den heerlijken, diep blauwen herfsthemel, de trekvogels, die verdwaald waren en over de gerechtsplaats fladderden. Paul had ze gezien en in dat oogenblik, dat ze tegen hem aangeleund had gestaan, had hij haar toegefluisterd dat zijn ziel weldra daar boven zou rond zwerven in den hoogen, als een kleine verdwaalde vogel. En hij had haar gevraagd of hij dan op Olsbyhoeve komen mocht en onder aan de goot wonen.

Neen, Paul kon niet geweten hebben, dat er gestolen goed verborgen was in die muts, die hij omhoog had gegooid naar dien heerlijken herfsthemel.

En toen die andere dag. Haar hart kromp ineen, zoo vaak ze daaraan dacht; maar nu moest ze het toch doen. Er was bericht gekomen uit Stockholm, dat het Godsoordeel zoo moest worden opgevat, dat alle drie de beklaagden even schuldig waren en dat zij gehangen moesten worden.

Zij was er bij geweest, toen het vonnis werd uitgevoerd, opdat de mannen, die zij liefhad, zouden weten, dat er een mensch was, dat in hen geloofde en over hen treurde. Maar daarom had ze niet naar den galgenheuvel behoeven te gaan. Alle menschen waren van gedachten veranderd sedert dien laatsten keer. Allen die om den kring soldaten stonden, die de gerechtsplaats afzetten, waren goed voor haar geweest. De menschen hadden overlegd en onder elkaar alles nagegaan, en zij waren tot de overtuiging gekomen, dat het Godsoordeel zoo moest verstaan worden: dat alle drie beklaagden onschuldig waren. De Generaal had ze alle drie den hoogsten worp laten doen. Dat kon niets anders beteekenen. Geen van hen had den ring genomen.

Er was een algemeen weeklagen, toen de drie mannen naar buiten werden gebracht. Vrouwen hadden geschreid, de mannen hadden met gebalde vuisten gestaan, en de tanden op elkaar gebeten. Men zei, dat de gemeente Bro verwoest zou worden, zooals Jeruzalem, omdat men het leven aan onschuldige mannen had ontnomen. De menschen hadden den veroordeelden troostwoorden toegeroepen en de beulen gehoond. En vele vervloekingen waren over het hoofd van Ritmeester Löwensköld neergekomen. Er werd gezegd, dat hij in Stockholm geweest was en dat het zijn schuld was, dat het Godsoordeel in het nadeel van de aangeklaagden was uitgelegd.

In ieder geval was het dit, dat alle menschen haar vertrouwen en geloof deelden, wat haar over dien dag had heen geholpen. En niet alleen over dien dag: maar over al dien tijd, tot op dezen dag toe. Wanneer de menschen, die zij ontmoette, haar voor de dochter van een moordenaar hadden gehouden, had zij het leven niet kunnen verdragen.

Paul Eliasson was de eerste geweest, die op ’t kleine vloertje onder de galg gestapt was. Hij was eerst op de knieën gevallen en had tot God gebeden; toen had hij zich tot den predikant gewend, die naast hem stond en had hem iets gevraagd. Toen had Marit gezien hoe de predikant hem de muts van ’t hoofd had genomen. En toen alles voorbij was had de predikant de muts aan Marit gegeven met de groeten van Paul. Hij zond haar die als een teeken, dat hij in zijn laatste ure aan haar had gedacht.

Zou zij nu ooit kunnen gelooven, dat Paul haar die muts als een gedachtenis zou hebben gestuurd, als hij had geweten, dat het gestolen goed daarin verborgen was? Neen, als er iets zeker was in deze wereld, dan was het dit, dat hij niet wist, dat de ring, die aan den vinger van den doode had moeten zitten, in de muts verborgen was.

Marit Eriksdochter boog zich haastig voorover, hield de muts op voor haar oogen en onderzocht die. „Waar kan Paul die muts vandaan hebben gekregen?” Ik heb die niet voor hem gemaakt, en ook niemand anders op de hoeve. Hij moet die op de markt hebben gekocht of misschien tegen die van een ander hebben geruild.

Ze keerde de muts nog eens om en bekeek het patroon. „Die is zeker eens mooi en sierlijk geweest,” dacht zij. „Paul hield van sierlijke dingen. Hij was nooit blij, als we grijze kleeren voor hem weefden. Hij wilde een of andere kleur aan de stof hebben. Zijn mutsen moesten ’t liefste rood zijn, met een grooten kwast. Deze hier heeft hij zeker mooi gevonden.”

Ze legde de muts neer, en leunde weer tegen ’t hek van de stoep om zich in het verleden te verdiepen.

Zij was in ’t bosch dien morgen, toen Ingilbert van schrik was gestorven. Zij zag hoe Paul met haar vader en haar oom over het lijk gebogen stonden. De beide ouden hadden besloten, dat Ingilbert naar het dorp gedragen zou worden, en ze waren heengegaan om takken voor de baar af te hakken. Maar Paul was een oogenblik achtergebleven om Ingilbert’s muts te bekijken. Hij had zoo’n zin in die muts gekregen, omdat hij met rood, blauw en wit garen was geborduurd in allerlei figuren en hij had hem ongemerkt voor de zijne verruild. Hij had er geen kwaad mee bedoeld. Hij was misschien niet anders van plan geweest dan hem een oogenblik te behouden. Zijn eigen muts, die hij Ingilbert gegeven had, was zeker even goed geweest, maar niet uit zooveel kleuren en niet zoo kunstig geborduurd.

Maar Ingilbert had den ring in zijn muts genaaid, vóór hij van huis ging. Hij had misschien gedacht, dat hij vervolgd zou worden, en daarom had hij het kleinood willen verbergen. En toen hij gevallen was, had niemand er aan gedacht den ring in de muts te zoeken, Paul Eliasson zeker wel het allerminste.

Zoo was het alles gegaan. Zij zou er een eed op hebben kunnen doen, maar men kan nooit zeker genoeg zijn.

Zij legde den ring weer in haar kist, en met de muts in de hand ging zij naar den stal om met het melkmeisje te spreken.

„Kom eens buiten, Märta,” riep zij in den donkeren stal, „en help mij even met een patroon, waaruit ik niet wijs kan worden.”

Toen het meisje voor den dag kwam, reikte ze haar de muts toe.

„Ik weet, dat je zoo ver in ’t borduren bent, Märta,” zei ze. „Ik zou een van deze patronen na willen werken, maar ik kan ’t niet uittellen. Toe, zie jij er even naar. Je verstaat die kunst beter dan ik.”

’t Meisje nam de muts en zag er even naar. Ze keek verwonderd. Toen ging ze weg uit den schaduw van den schuurmuur en bekeek haar weer.

„Waar heb je die muts vandaan?” vroeg zij.

„Die heeft jaren lang in mijn kist gelegen,” antwoordde Marit. „Waarom vraag je dat zoo?”

„Omdat ik die muts hier voor mijn broer Ingilbert heb geborduurd, den laatsten zomer, dat hij leefde,” zei het melkmeisje. „Ik heb haar niet meer gezien sinds dien morgen, dat Ingilbert van huis ging. Hoe kan die nu hier komen?”

„Die is misschien van hem afgegleden, toen hij viel,” zei Marit. „Misschien heeft een van onze knechts haar in ’t bosch gevonden en haar hierheen gebracht.

„Maar als je zulke treurige herinneringen aan die muts hebt, wil je misschien liever ’t patroon niet voor me nawerken?”

„Geef hem mij maar, dan zal ik je morgen ’t patroon brengen,” zei het meisje.

Zij nam de muts en keerde naar den stal terug; maar Marit hoorde dat zij tranen in haar stem had.

„Neen, je moet het niet doen, als het je zoo’n verdriet doet,” zei ze.

„Niets doet me verdriet, als ik het voor jou doe, Marit.”

’t Was Marit, die aan Märta Baardsdochter had gedacht, toen ze alleen in ’t bosch zat na den dood van haar broeder en vader en haar had aangeboden melkmeisje op de Groote Hoeve in Olsby te worden. Märta vergat nooit haar dankbaarheid te toonen, omdat zij beneden bij de menschen had mogen komen.

Marit ging weer terug naar de stoep voor haar huisje en nam haar borduurwerk op; maar ze was niet rustig genoeg om te werken; ze leunde met haar hoofd tegen het hek, zooals tevoren. Zij probeerde er zich in te denken, wat haar nu te doen stond.

Als iemand op Olsbyhoeve geweten had, hoe vrouwen er uitzien, die het leven achter zich gelaten hebben om in een klooster te gaan wonen, zou hij hebben gelegd, dat Marit op een van haar leek. Haar gezicht was geelbleek en zonder rimpels. Voor een vreemde zou het bijna onmogelijk zijn te zeggen of zij oud of jong was. Er was iets vredigs en stils over haar, als over iemand, die de gewoonte had afgelegd iets voor zich zelf te wenschen. Men zag haar nooit heel blij, maar ook nooit heel bedroefd.

Na dien zwaren slag had Marit wel gevoeld, dat het leven voor haar voorbij was. Zij had de Groote Hoeve geërfd van haar vader; maar ze begreep immers wel, dat zij, als ze die behouden wou, moest trouwen, zoodat de hoeve een bestuurder kreeg. Om daaraan te ontkomen had ze de geheele plaats afgestaan aan een van haar neven zonder andere betaling, dan dat zij kost en inwoning op de hoeve zou hebben, zoolang zij leefde.

Zij was daar tevreden mee en had er nooit spijt van gehad. Er was geen gevaar voor, dat de tijd haar lang zou vallen bij gebrek aan arbeid. De menschen hadden groot vertrouwen in haar wijsheid en goedheid en zoodra iemand ziek was, stuurde men gewoonlijk een verzoek aan haar om te komen. Kinderen kwamen ook graag bij haar. Zij had gewoonlijk haar huisje vol kleine kinders. Zij wisten, dat zij altijd tijd had om hen bij hun kleine bekommeringen en zorgen te helpen.

Terwijl Marit daar zoo zat na te denken wat zij nu met den ring moest doen, kwam er een sterke toorn in haar op. Ze dacht er over hoe gemakkelijk de ring gevonden had kunnen worden.

Waarom had de Generaal het niet zoo geschikt, dat hij ontdekt werd? Hij had aldoor geweten waar hij was, dat begreep ze nu. Maar waarom had hij het niet zoo geschikt, dat Ingilbert’s muts was onderzocht? In plaats daarvan liet hij drie onschuldigen ter dood brengen ter wille van den ring. Daar had hij macht voor; maar niet om den ring voor den dag te laten komen!

Marit had zich in ’t eerste oogenblik voorgesteld, dat zij naar den proost zou gaan met een of ander verhaal en hem den ring geven. Maar neen, dat wilde ze niet.