Part 3
Toen de ring van den Generaal gestolen was, hadden de proost en velen met hem, gevonden, dat de Ritmeester zich niet voldoende had ingespannen om hem terug te krijgen. En dat alles maakte, dat hij nu dacht: „Het is nergens goed voor, dat ik de moeite neem van mijn paard te stijgen op Hedeby. De Ritmeester geeft er niet om of zijn vader of Ingilbert den koningsring aan zijn vinger heeft. Het is beter, dat ik dadelijk den diefstal aangeef bij den leensman Carelius.”
Maar juist toen de proost zoo in zich zelf overlegde, zag hij, dat het hek, dat de oprijlaan naar Hedeby afsloot, heel langzaam draaide en wijd open bleef staan.
Dat leek al héél opmerkelijk; maar er zijn immers zooveel hekken, die zoo van zelf opengaan, als ze niet behoorlijk gesloten zijn, en de proost dacht er niet verder over na. Hij nam het intusschen op als een teeken, dat hij naar Hedeby moest rijden.
De Ritmeester ontving hem goed, bijna beter dan gewoonlijk.
„Dat is goed van U, eens hier te komen,” zei hij. „Ik heb juist verlangd U te zien en ik was meer dan eens van plan vandaag naar U toe te komen om U over een heel bizonder geval te spreken.”
„Dan zoudt U een vergeefsche reis hebben gemaakt,” zei de proost. „Al vroeg in den morgen ben ik in de gemeente Olsby Säter geroepen en eerst juist nu terug gekomen. Het is een avontuurlijke dag geweest voor mij, oude man.”
„Ik kan hetzelfde zeggen, hoewel ik nauwelijks uit mijn stoel ben opgestaan. Ik kan U verzekeren, dat al ben ik bijna vijftig jaar, en al heb ik van alles meegemaakt, zoowel in de harde oorlogsjaren als later, me nooit zooiets wonderlijks overkomen is, als wat ik vandaag heb beleefd.”
„Als ’t zoo is,” zei de proost, „zal ik U het eerst aan ’t woord laten. Ook ik heb U iets te vertellen. Maar ik wil niet beweren dat het ’t merkwaardigste is van alles, wat me is weervaren.”
„Nu ja,” zei de Ritmeester, „het kan ook wel zijn, dat U in mijn verhaal heelemaal niets wonderlijks vindt. Dat wilde ik U juist vragen. Hebt U wel eens van Gathenhjelm gehoord?”
„Van dien afschuwelijken zeeroover en dollen kaper, die door Koning Karel tot Admiraal is benoemd?
„Wie zou niet van hem hebben gehoord!”
„Van middag,” ging de Ritmeester voort, „kwam aan tafel het gesprek op den vroegeren oorlogstijd. Mijn zoons en hun gouverneur begonnen er mij over uit te vragen hoe alles toen was, want van zooiets willen de jongeren altijd graag hooren. Let nu eens op: ze vragen nooit naar de zware en harde jaren, die wij hebben moeten doormaken na den dood van Koning Karel, toen wij door den oorlog en het geldgebrek met alles ten achter waren.... maar alleen naar die ellendige oorlogsjaren. Bij God, je zoudt bijna denken, dat ze ’t heelemaal niet tellen, als verwoeste steden worden opgebouwd, als er bergwerken worden aangelegd en fabrieken gesticht, als er bosschen worden gerooid en velden ontgonnen. Ik geloof, dat mijn zonen zich over mij en mijn tijdgenooten schamen, omdat we ophielden met in den oorlog te gaan en vreemde landen te verwoesten. ’t Schijnt, dat ze vinden, dat wij minder waard zijn dan onze vaderen en dat wij de oude Zweedsche kracht hebben verloren.”
„U hebt volkomen gelijk,” antwoordde de proost. „Die liefde van de jongeren voor den oorlog is diep betreurenswaardig.”
„Welnu, ik vervulde hun wensch,” zei de Ritmeester, „en omdat ze van een groot oorlogsheld wilden hooren, vertelde ik hun van Gathenhjelm en zijn wreede handelingen tegen kooplieden en vreedzame reizigers, denkende, dat ik daarmee hun schrik en afschuw zou wekken. En toen dat ook lukte, verzocht ik hun er aan te denken, dat die Gathenhjelm een echt kind van zijn tijd, den oorlogstijd was, en vroeg hun of zij graag de aarde bevolkt zouden zien met zulke monsters.
„Maar eer mijn zonen hierop konden antwoorden, nam hun gouverneur het woord en vroeg mij hem toe te staan nog een geschiedenis van Gathenhjelm te vertellen. En toen hij zeide, dat dit verhaal alleen maar bevestigde wat ik al van zijn vreeselijke woestheid en razernij had verteld, gaf ik mijn toestemming.
„Hij begon met te zeggen dat sinds Gathenhjelm jong gestorven was en men zijn lijk in de kerk van Onsala had bijgezet in een marmeren sarkophaag, die hij van den Deenschen Koning had geroofd, er in de kerk een zóó vreeselijk gespook was ontstaan, dat de gemeentenaren van Onsala het niet hadden kunnen uithouden. Zij wisten er geen andere raad op dan het lijk uit de kist te nemen en het te begraven op een verlaten eilandje ver in zee. Toen kwam er rust in de kerk, maar de visschers, die op hun tochten in de buurt van de nieuwe rustplaats van Gathenhjelm waren gekomen, vertelden, dat zij van daar altijd gedruisch en spektakel hoorden en dat ieder oogenblik het schuim hoog over dat arme eilandje spoot. De visschers meenden te begrijpen, dat het alle zeelieden en kooplieden waren, die Gathenhjelm over boord had laten gooien, van door hem genomen schepen, en die nu uit hun nat graf opstegen om hem te pijnigen en te mishandelen, en zij wachtten er zich wel voor dien kant uit te varen. Maar op een donkeren nacht was toch een van hen te dicht bij de gevaarlijke plek geraakt. Hij voelde zich in een wervelwind gerukt, het schuim spoot hem in ’t gezicht en een donderende stem riep hem toe: „Ga naar Gatha in Onsala, en zeg mijn vrouw, dat ze mij zeven bossen hazelaarroeden en twee knuppels zendt.””
De proost had tot dat oogenblik stil en geduldig naar het verhaal zitten luisteren, maar toen hij nu merkte, dat zijn buurman niet anders dan een gewone spookhistorie te vertellen had, kon hij nauwelijks een beweging van ongeduld onderdrukken; maar de Ritmeester lette er niet op.
„U begrijpt wel, dat er niet anders te doen was, dan het bevel te gehoorzamen. En dat deed de vrouw van Gathenhjelm ook. De taaiste hazelaarroeden en twee knuppels werden in orde gemaakt en een knecht uit Onsala roeide daarmeê in zee.”
Nu deed de proost werkelijk een zóó duidelijke poging om hem in de rede te vallen, dat de Ritmeester zijn ongeduld opmerkte.
„Ik weet wat U denkt,” zei hij; „ik heb ’t zelfde gedacht, toen ik van middag dat verhaal hoorde; maar nu verzoek ik U toch mij tot het einde aan te hooren. Ik wil maar zeggen, dat die knecht uit Onsala een dapper man, en zijn heer bizonder trouw moet zijn geweest, anders had hij die opdracht zeker niet durven uitvoeren. Toen hij in de buurt van de begraafplaats kwam, sloegen de golven er over heen, alsof er een hevige storm was, en oorlogsgedruisch en spektakel werden ver in ’t rond gehoord. Toch roeide de jongen zoo dichtbij als hij kon en het gelukte hem de knuppels en de bossen hazelaarroeden op de klippen te gooien. Toen verwijderde hij zich met snelle riemslagen van die verschrikkelijke plaats.
„Waarde Ritmeester” .... begon de proost; maar zijn gastheer was onverzettelijk.
„Heel ver roeide hij toch niet weg, vóór hij op de riemen bleef rusten om te zien of er iets bizonders zou gebeuren. En hij hoefde niet te vergeefs te wachten. Want opeens steeg het schuim hemelhoog over de klippen, het spektakel klonk als het donderen van een veldslag, en gruwelijke jammerkreten klonken over de zee. Dat ging een poosje zoo door, maar met afnemende heftigheid en eindelijk hielden de golven op met storm te loopen tegen het graf van Gathenhjelm. Dat lag daar al spoedig even stil en rustig als ieder andere klip. De knecht hief de riemen op om naar huis terug te keeren, maar op ’t zelfde oogenblik werd er met een donderende en triomfeerende stem geroepen: „Ga naar Gata in Onsala, en groet mijn vrouw en zeg haar, dat Lasse Gathenhjelm zoowel dood als levend zijn vijanden overwint.””
De proost had stil zitten luisteren met gebogen hoofd. Nu het verhaal uit was, hief hij het aangezicht op en zag den Ritmeester vragend aan.
„Toen de gouverneur dit laatste vertelde,” zei de Ritmeester, „kon ik wel merken, dat mijn zonen meêlijden hadden met dien schurk van een Gathenhjelm, en graag van zijn overmoed hoorden vertellen. Daarom merkte ik op, dat deze historie mij voorkwam goed in elkaar gezet te zijn, maar dat die hoogstwaarschijnlijk niet anders dan een leugen kon wezen. „Want,” zei ik, „als een ruwe zeeroover als Gathenhjelm zulk een kracht had gehad om zich te verdedigen, ook na zijn dood, hoe is het dan te verklaren, dat mijn vader, die een even groote ijzervreter was als Gathenhjelm, maar daarbij een goed en eerlijk mensch, een dief kon laten binnendringen in zijn graf en hem van ’t liefste berooven, wat hij had, zonder dat hij macht had dit te verhinderen of later den schuldige ook maar in ’t minste te molesteeren.””
De proost richtte zich bij deze woorden met ongewone levendigheid op.
„Dat is juist ook mijn meening,” zei hij.
„Ja, maar hoor nu, wat er gebeurde!” ging de Ritmeester voort. „Nauwelijks had ik dit gezegd, of ik hoorde achter mijn stoel een luid gesteun. En dat klonk zóó precies als het moede zuchten, dat mijn vader zaliger deed hooren, als de krampen van den ouderdom hem plaagden, dat ik een gevoel kreeg, alsof hij achter mij stond; en ik vloog op. Ik zag wel niets; maar ik was er zóó zeker van, dat ik hem gehoord had, dat ik niet meer aan tafel wou blijven zitten, maar nu in mijn eenzaamheid hierover ben blijven nadenken. En ik heb zeer verlangd te hooren wat U over dit alles denkt. Was het mijn vader, die klagend zuchtte over den verloren schat? Als ik kon gelooven, dat hij daar aldoor verlangen naar had, dan zou ik liever huis aan huis gaan doorzoeken, dan dat hij nog een oogenblik dat bitter verdriet zou voelen, waarvan dit steunen getuigde.”
„Dat is nu vandaag de tweede keer, dat ik moet antwoorden op de vraag, of de doode Generaal nog treurt over zijn verloren ring, en dien weer terug wil winnen,” zei de proost. „Ik zal nu eerst met uw toestemming mijn geschiedenis vertellen, en later zullen wij daar samen over spreken.”
Toen deed de proost zijn verhaal, en hij merkte nu, dat hij er niet bang voor hoefde te wezen, dat de Ritmeester zich de zaak van zijn vader niet genoeg zou aantrekken. De proost had er niet aan gedacht, dat er iets van de natuur van de zonen van Lodbrok zelfs bij de vreedzaamste menschen te vinden is. Want het is zoo, dat de meeste varkens knorren als ze hooren wat de oude beer geleden heeft. Nu zag hij hoe de aderen op ’t voorhoofd van den Ritmeester zwollen, en hoe hij de vuisten balde, zoodat de knokkels wit werden. Een vreeselijke woede was over hem gekomen.
Natuurlijk stelde de proost de zaak naar zijn inzicht voor. Hij vertelde hoe de toorn Gods den misdadiger had getroffen, en wilde in geen enkel opzicht toegeven, dat de doode zou hebben ingegrepen.
Maar de Ritmeester legde alles wat hij hoorde, anders uit. Hij begreep nu, dat zijn vader geen rust had gehad in zijn graf, omdat de ring van zijn wijsvinger was afgenomen. Hij voelde angst en berouw, omdat hij tot nu toe de zaak al te licht had opgenomen. Hij voelde dat als een stekende, pijnlijke wond in zijn hart.
De proost, die zag hoe heftig bewogen hij was, durfde bijna niet te vertellen, dat hem de ring weer was afgenomen, maar dat werd met een soort bittere voldoening aangehoord.
„Het is maar goed, dat er nog een van dat dievenpak over is en dat hij een even groote ellendeling is als de anderen,” zei Ritmeester Löwensköld. „De Generaal heeft de ouders geslagen en hard geslagen. Nu is het mijn beurt.”
De proost voelde een onbarmhartige hardheid in zijn stem. Hij werd steeds ongeruster. Hij vreesde, dat de Ritmeester Ingilbert met eigen hand zou wurgen, of hem met zijn zweep doodslaan.
„Ik vond, dat het mijn plicht was, U de boodschap van den doode over te brengen,” zei de proost, „maar ik hoop, dat U geen overhaaste maatregelen zult nemen. Ik ben voornemens nu bij den leensman den aan mij gepleegden diefstal aan te geven.”
„Daarin kunt U handelen, zooals U wilt,” zei de Ritmeester. „Ik wil U alleen maar zeggen, dat dit vergeefsche moeite is, want deze zaak zal ik zelf ter hand nemen.”
Na deze woorden zag de proost in, dat er op Hedeby niets meer te bereiken was. Hij reed zoo spoedig mogelijk van daar weg om nog vóór den avond den leensman bericht te kunnen zenden.
Maar Ritmeester Löwensköld riep al zijn mannen bij elkaar, vertelde hun wat er gebeurd was, en vroeg hun, of zij met hem mee wilden gaan, den volgenden morgen, om den dief te vangen.
Er was niemand, die weigerde hem en den Generaal dien dienst te bewijzen, en het overige gedeelte van den avond werd besteed om alle mogelijke wapens bijeen te zoeken: oude buksen, korte berenspietsen, lange degens, knuppels en zeisen.
VI.
’t Waren niet minder dan vijftien man, die met den Ritmeester meegingen, toen hij om vier uur in den morgen op dievenjacht uitging. En ze waren in de beste oorlogsstemming. Zij hadden een rechtvaardige zaak en behalve dat ook den Generaal om op te steunen. Nu de doode de zaak zóóver had gebracht, zou hij die ook wel goed ten einde brengen.
Intusschen hield het woeste veld niet op, voor ze een mijl van Hedeby waren weggereden. In ’t begin ging de tocht over den bodem van een wijd dal, dat gedeeltelijk ontgonnen was en bezaaid met kleine hoeven. Hier en daar op de heuvels verhieven zich vrij groote dorpen. Een daarvan was Olsby, waar Baard Baardson zijn hoeve had gehad, vóór de Generaal die verbrand had.
Daaromheen lag het groote bosch als een dikke vacht over de aarde; boom aan boom stond daar zonder tusschenruimte. Maar toch was er nog hier en daar invloed van menschen merkbaar. Er waren smalle paden in ’t bosch, die naar zomerweiden en kolenbranderijen leidden.
’t Was alsof de Ritmeester en zijn mannen een andere houding kregen, alsof ze er anders uitzagen, toen ze in het groote bosch kwamen. Ze waren hier vroeger op jacht geweest op groot wild, en de jagerstemming kwam over hen. Ze begonnen scherp tusschen het kreupelhout te kijken, en ze liepen op een heel andere manier: lichter en als ’t ware sluipend.
„Wij spreken één ding af, jongens,” zei de Ritmeester. „Geen van jelui moet zich ongelukkig maken om dien dief, maar jelui moet hem aan mij overlaten. Zorg alleen maar, dat jelui hem niet laat ontsnappen.”
Dat bevel hadden ze zeker niet gehoorzaamd. Al die mannen, die den vorigen dag heel vreedzaam hooi op hoopen hadden gezet, brandden van verlangen om Ingilbert, dien dief, eens flink in te peperen wat hij had gedaan.
Intusschen waren ze juist zoo ver gekomen, dat de groote dennen, die nog uit vroeger tijden waren overgebleven, zoo dicht stonden, dat ze een onafgebroken dak boven hun hoofden vormden, en alleen nog maar mos den grond bedekte, toen ze drie mannen zagen aankomen, die een baar van takken droegen, waarop een vierde lag.
De Ritmeester en zijn troep liepen hen snel tegemoet, en de dragers bleven staan toen ze zóóveel menschen zagen. Ze hadden groote varenbladen over het gezicht van den liggende gelegd, zoodat niemand kon zien wie het was, maar de mannen van Hedeby meenden toch wel te weten wie het was, en een rilling ging hun over den rug.
Ze zagen den ouden Generaal niet bij de baar. O neen! Zelfs geen schaduw van hem. Maar ze wisten toch, dat hij daar was. Hij was met den doode uit het bosch gekomen. Hij stond met den vinger naar hem te wijzen.
De drie mannen, die de baar droegen, waren bekend als goede menschen. ’t Waren Erik Ivarsson, die een groote hoeve in Olsby had, en zijn broer Ivar Ivarsson, die nooit getrouwd was en bij zijn broeder op de ouderlijke hoeve woonde. Die twee waren al op jaren, maar de derde was een jonge man. Ook hem kenden ze allen. Hij heette Paul Eliasson en was een pleegzoon van de Ivarssons.
De Ritmeester ging naar de Ivarssons toe en zij zetten de baar neer om hem de hand te geven. Het was alsof de Ritmeester de uitgestoken handen niet zag. Hij kon de oogen niet van de varenbladen afhouden, die ’t gezicht van hem, die op de baar lag, bedekten.
„Is dat Ingilbert Baardson, die daar ligt?” vroeg hij met een vreemde, harde stem. Het klonk bijna alsof hij spreken moest, hoewel hij niet wilde.
„Ja,” antwoordde Erik Ivarsson, „maar hoe kan Mijnheer de Ritmeester dat weten? Herkende U hem aan zijn kleeren?”
„Neen,” zei de Ritmeester, „ik herkende hem niet aan zijn kleeren. Ik heb hem in geen vijf jaar gezien.”
Zoowel zijn eigen mannen als de vreemden zagen hem verwonderd aan. Ze vonden allen, dat er iets ongewoons en griezeligs over hem was, dien morgen. Hij was zich zelf niet. Hij was niet beleefd en vriendelijk, zooals gewoonlijk.
Hij begon de Ivarssons uit te vragen. Wat hadden zij in den vroegen morgen in het bosch te maken, en waar hadden zij Ingilbert gevonden? De Ivarssons waren groote boeren en ze vonden het onaangenaam zich zoo te laten uithooren; maar het voornaamste kwam hij toch te weten.
Ze waren den vorigen dag met meel en toespijs naar hun volk op de zomerweide gegaan, die een paar mijlen verder het bosch in lag, en waren daar den nacht overgebleven. Vroeg in den morgen waren ze op weg naar huis gegaan en toen was Ivar Ivarsson voor de twee anderen uit geloopen. Hij was soldaat geweest, en hij verstond de kunst van groote stappen te nemen. Het was niet zoo gemakkelijk hem bij te houden.
Toen Ivar Ivarsson de anderen een goed eind vooruit was, zag hij een man, die hem op het pad tegemoet kwam. Het bosch was daar tamelijk open. Geen kleine struiken, maar enkel groote stammen waren daar en hij had den man al in de verte gezien. Maar hij had hem niet dadelijk kunnen herkennen. Er zweefden nevelvlokken tusschen de boomen, en als de zon daarin scheen, werden ze als goudachtige rook. Men kon er wel doorheen zien, maar niet duidelijk.
Ivar Ivarsson had gemerkt, dat de man, toen hij hem door den nevel heen in ’t oog kreeg, was blijven staan en met grooten schrik de handen afwerend voor zich uit gestoken had. Ja, toen Ivar nog een paar stappen had gedaan, was hij op de knieën gevallen en had geroepen, dat hij niet dichterbij moest komen. Het scheen immers, dat hij niet recht wijs was en Ivar Ivarsson had gauw naar hem toe willen loopen om hem gerust te stellen, maar toen had de andere zich opgericht en was het bosch in gevlucht. Hij had toch maar een paar sprongen gedaan. Bijna dadelijk was hij neergevallen en onbewegelijk blijven liggen. Toen Ivar Ivarsson bij hem kwam, was hij al dood.
Ivar Ivarsson had nu den man herkend als Ingilbert Baardson, den zoon van Baard Baardson, die vroeger in Olsby gewoond had, maar naar een zomerwei was verhuisd, nadat zijn hoeve verbrand was en zijn vrouw zich verdronken had. Hij kon niet begrijpen hoe Ingilbert dood neergevallen was, zonder dat iemand een hand naar hem had uitgestoken en hij probeerde hem weer bij te brengen door hem te schudden; maar dat gelukte niet. Toen de anderen bij hem kwamen, hadden zij dadelijk gezien, dat hij dood was. Maar omdat de Baardsons hun buren in Olsby waren geweest, hadden ze Ingilbert niet in ’t bosch willen achterlaten, maar ze hadden een baar gemaakt en hem meêgenomen.
De Ritmeester stond met een donker gezicht te luisteren. Hij vond dit zeer waarschijnlijk. Ingilbert lag daar, als toegerust voor een lange reis, met een ransel op den rug en schoenen aan de voeten. De berenspies, die op de baar lag, was ook zeker van hem. Hij had zeker naar vreemde landen willen trekken om den ring te verkoopen, maar toen hij in den mist in ’t bosch Ivar Ivarsson was tegengekomen, had hij gemeend den geest van den Generaal te zien. Ja zeker, zoo was het gegaan. Ivar Ivarsson was gekleed in een ouden soldatenjas en had den rand van den hoed opgeslagen op de manier van de Karoliners. De afstand, de mist en ’t slechte geweten verklaarden de vergissing.
Maar de Ritmeester bleef toch even misnoegd. Hij had zich opgewonden tot toorn en bloeddorst. Hij had Ingilbert Baardson willen dooddrukken met zijn sterke armen. Hij had een afloop voor zijn wraakzucht noodig en hij vond dien niet.
Intusschen begreep hij zelf, dat hij onredelijk was. En hij bedwong zich in zooverre, dat hij de Ivarssons vertelde, waarom hij met zijn mannen het bosch in was getrokken. En hij voegde er bij, dat hij wilde onderzoeken of de doode den ring nog in zijn bezit had.
Hij was zoo gestemd, dat hij had gewild, dat de mannen uit Olsby „neen” hadden gezegd, zoodat hij met strijd zijn recht had moeten veroveren. Maar zij vonden zijn wensch heel natuurlijk, en trokken zich wat terug, terwijl een paar van de mannen van den Ritmeester de zakken van den doode onderzochten, zijn schoenen, zijn ransel en iederen zoom van zijn kleeren.
De Ritmeester volgde in ’t begin met de grootste aandacht dat onderzoek, maar eens keek hij toevallig naar de boeren en meende toen op te merken, dat ze spottende blikken wisselden, alsof ze er zeker van waren, dat hij niets zou vinden.
Zoo ging het ook. Men moest met zoeken ophouden, zonder dat de ring gevonden was. Maar toen de zaak zoo uitviel, was het natuurlijk, dat de Ritmeester zijn verdenking tegen de boeren richtte. En zoo ging het zijn mannen ook. Waar was de ring gebleven? Ingilbert had hem natuurlijk bij zich, toen hij vluchtte. Waar was hij dan nu?
Nu ook was er niemand, die den Generaal zag; maar men voelde hem. Hij stond midden in de groep en wees naar de drie mannen uit Olsby. Zij hadden den ring.
’t Was meer dan waarschijnlijk, dat zij de zakken van den doode hadden onderzocht en den ring gevonden.
’t Was ook mogelijk, dat het verhaal, dat ze zoo juist gedaan hadden, niet waar was; maar dat het heel anders was toegegaan. Die mannen hier, die van dezelfde plaats waren als de Baardsons, wisten misschien, dat hij den ring had. Misschien hadden zij gehoord, dat Baard overleden was, en toen ze zijn zoon in ’t bosch tegenkwamen, hadden ze begrepen, dat hij van plan was met den ring te vluchten, en toen hadden ze hem overvallen en gedood om den schat te bemachtigen. Ze zagen geen ander bloedspoor aan hem dan een wond in het voorhoofd. De Ivarssons hadden gezegd, dat hij het hoofd tegen een steen had gestooten, maar kon die wond ook niet komen van den groven knuppel, dien Paul Eliasson in de hand had?
De Ritmeester stond voor zich neer op den grond te kijken. In hem werd een strijd gestreden. Hij had nooit anders dan goeds van die drie mannen gehoord, en het stond hem tegen hen van moord en diefstal te verdenken.
Al zijn mannen waren om hem heen komen staan. Een paar van hen stonden al met hun wapen te zwaaien. Er was niemand, die geloofde, dat men van die plaats zou wegkomen zonder strijd.
Toen trad Erik Ivarsson op den Ritmeester toe.
„Mijn broer en ik, en ook Paul Eliasson, die onze pleegzoon is en gauw mijn schoonzoon worden zal, wij begrijpen wel wat de Ritmeester en zijn mannen van ons denken. En wij meenen nu, dat we niet van elkaar moeten gaan, zonder dat U ook onze zakken en kleeren hebt onderzocht.”
Bij dat aanbod week het duister wat uit de ziel van den Ritmeester. Hij maakte tegenwerpingen. De Ivarssons en ook hun pleegzoon waren zulke mannen, dat hun geen verdenking kon treffen.
Maar de boeren wilden een eind aan de zaak maken. Zij begonnen zelf hun zakken om te keeren, en hun schoenen uit te doen, en toen gaf de Ritmeester zijn mannen een wenk, dat zij doen moesten, wat ze verlangden.
Geen ring werd gevonden; maar in den rugzak van Ivar Ivarsson vond men een klein beursje van geitenleer.
„Is die beurs van U?” vroeg de Ritmeester, toen hij haar had onderzocht en leeg bevonden.
Als nu Ivar Ivarsson maar „ja” had geantwoord, zou de zaak daarmee misschien afgeloopen zijn; maar in plaats daarvan erkende hij met de grootste kalmte: „Neen, die lag op het pad, niet ver van de plaats waar Ingilbert lag. Ik nam haar op en gooide die in mijn rugzak, omdat zij er heel en ongebruikt uitzag.”
„Maar juist in zoo’n beurs lag de ring, toen de proost hem Ingilbert toegooide,” zei de Ritmeester, en nu was het duister weer in zijn stem en gezicht teruggekomen. „En nu blijft er niet anders over dan dat U, de Ivarssons, met mij meê naar den leensman gaat, wanneer U me niet liever den ring vrijwillig teruggeeft.”
Maar nu was het gedaan met het geduld van de mannen uit Olsby!