Part 9
—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog, dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd.
—En wat heeft hij toen gezegd?
—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal komen.”
—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al tevreden?
—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele heer, dat ik vrij gauw iets opmerk.
—En wat hebt ge opgemerkt?
—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit, toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren.
—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono!
—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek, en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden.
—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken?
—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken, maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono, trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en daarom zweeg ik.
—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf over haar?
—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk een man onder de vrijbuiters?
—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben.
—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich zelf.
—Kent Montbars hem?
—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar vertrokken, en is nog niet teruggekomen.
—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal kunnen mededeelen.
—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer, verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in aantocht is.
—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng hem dan bij mij.
De mayordomo verwijderde zich na een wenk van verstandhouding, en verdween spoedig tusschen de dichte struiken van de savanne. Tenauwernood had hij een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak tegenover iemand die met snellen tred naderde. Die persoon was Francoeur, de flibustier [7].
—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van zijn gelaat.
—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald tegen half negen.
—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar hier te komen?
—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij.
—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de...
—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen.
De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen zijn hand toe.
—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien.
—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk...
—Don Sancho de Penaflor [8] zijn,—vulde de ander aan.—Ja, neef die ben ik in hoogst eigen persoon.
—Maar de kleeding...
—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming, niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend ambtsgewaad.
—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite heb je te herkennen.
Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast elkaar zitten.
—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen.
—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten gekomen, waar ik was?
—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz?
—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden.
—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo ernstig op het hart heb gedrukt niet waar?
—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik eigenlijk niet waarop ge zinspeelt.
—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen hebben, die ik je beloofde.
—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit.
—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik ben geheel gehoor.
—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent, boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord gestand te blijven.
—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien!
—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat bedoelt ge met die woorden?
—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht!
—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering.
—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna... zal ik zien of ik aan uw verzoek kan voldoen.
—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu zal ik naar u luisteren.
Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken, zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een werktuig in zijne handen!
—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen moet?
Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te raden.
—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit.
—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand hebt.”
—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd.
—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig.
Hij maakte zich gereed heen te gaan.
—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid!
—Ik mag niet meer zeggen.
—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd door overmaat van smart.
—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel!
—Zal ik je nog terug zien?
—Ja.
—Wanneer?
—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den heiligen Remigius.
Daarna drukte hij hem de hand en ging heen.
—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis?
Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono, die naar hem toekwam.
—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo.
—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan door Birbomono, die voor hem het pad baande.
XI.
DE TERUGKOMST.
Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten, kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen om een goed plaatsje te veroveren.
Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen.
Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige terugkomst, gemakkelijk onderscheiden.
Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd geroeid.
Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek.
—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld gaan door een hartelijken groet.
—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld! Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is.
—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest.
—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat nieuws op til te zijn?
—Zoo is het.
—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt?
—Een uitmuntende.
—En hoeveel brengt ge mee?
—Niets.
—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis?
—Zeker.
—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader.
—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen hebt.
—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te vernemen.
—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te gaan.
—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen afhandelen.
—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven.
—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is, he?—werd er spottend bijgevoegd.
—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden gaat.
—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt?
—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt?
—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij.
—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was, bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats te zoeken.
—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf.
—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen.
—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het geval ware geweest.
—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken.
—Kom, kom! Dat weet ge niet!
—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan.
—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden.
De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen, met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas, en opende daarna het gesprek.
—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel vertrouwen in mij?
—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag?
—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen.
—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar?
—Volkomen!
—Op je gezondheid!
—Op de uwe!—Zij klonken.
—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars.
—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En wat is die beweegreden?
—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen.
—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks!
—Meent gij dit?
—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord.
—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen.
—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak?
—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander hadden.
—Doe zoo, wij hebben al den tijd.
—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan, zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen, zoo al niet dien geheel te vernietigen.
— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang te houden.
—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen.
—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen, tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit verzeker ik je!
—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd daar is, om een goeden slag te slaan.
—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid is.
Montbars lachte even, en zei schertsend:
—Men kan voor u toch niets verborgen houden!
—Kom, kom! Vertel er nu meer van.
—Moet ik open spel met u spelen?
—Zeker.
—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te zijn?
—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man, die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed alle kansen te hebben overwogen.
—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren.
—Ik ben geheel gehoor.
—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het toeval mij heeft gebracht?
—Ja, hoe kan ik dit gissen?
—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo.
—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op, met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars!
—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust verborgen had.
—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren?
—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens gevraagd.
—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan!
—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan op een nieuw plan.
—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt.
Montbars beantwoordde zijn buiging.
—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de verovering van Maracaïbo.
—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij.
—Anders niet. Hoe denkt gij daarover?
—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst.
—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd?