Part 10
—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind, op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst?
—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht.
—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te praten!
—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer dan een kwâjongen ziet!
—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren!
—En waarom niet?
—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt!
—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht, dan door je kan vermoed worden.
Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede, wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte, lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne goedkeuring te verleenen.
—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele bezwaren opleveren.
—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek, bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het onzekere zijn wie hunne vijanden waren.
—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet?
—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden zijn.
—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner?
—Nooit; ook dient Maracaïbo, als het ware, tot stapelplaats voor de andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen overval.
—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen boven het hoofd hangt.
—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot van de gavachos?
—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij onder hen zult aanrichten.
—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste blikken.
—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat?
—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze zaken. Hoeveel schepen zijn er hier?
—Te Port-de-Paix?
—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord overal.
—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden.
—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers zijn; en in dat geval koop ik ze.
—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken!
—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars lachend ten antwoord.
—Zoo dikwerf heb ik reeds hooren spreken over die Vereeniging der Twaalven [9],—merkte de heer d’Ogeron aan, met ietwat ontevreden gelaat.
—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan de glorie en het fortuin van de flibustiers.
—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud later daarop terug te komen.
—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets tegen mij die schepen te verkoopen?
—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken.
—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven.
—Aan manschappen ontbreekt het niet.
—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte.
—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden zult.
—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer dringend aan te bevelen.
—En die is?
—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om alles te doen mislukken.
—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze ondernemingen mislukken.
—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een verrader onder ons schuilen.
—Dat heb ik ook reeds gedacht.
—En wat hebt gij toen gedaan?
—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont, Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de pandelingen.
—En het gevolg?
—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben.
—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge!
—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar?
—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij.
—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat te weten zijn gekomen?
—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch zonder eenige zekerheid.
—En wie zijn die drie personen?
—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te komen.
—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge nog aan boord?
—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op tegen hebt.
—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te nemen?
—Waarom?
—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan huis zou aanbieden.
—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn kameraden nog tot overeenstemming moet komen.
—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar?
—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne vroeg vrij wilde zijn.
—Vijf uur, schikt je dit?
—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken.
Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij, vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe reeds voor hem in gereedheid was gebracht.
Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen; daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit.
Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij eindelijk uiteen.
XII.
HET LOGEMENT.
Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven stond: „Logement voor Zeevarenden.”
Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen, masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van vocht.
De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins.
Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in, zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks zichzelven ontroerd werd.
—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik ben tot uwe orders, wat verlangt gij?
Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen.
—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende.
—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken.
Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok.
—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en...
—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede.
—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij?
—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den bijnaam van den Verdelger gegeven hebben.
—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade.
Zij boog even zonder antwoord te geven.
—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars.
—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis, dat gij kunt betrekken.
—Gaat dit u aan?
—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb mij daarmee niet te bemoeien.
—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters?
—Drie, mijnheer.
—Wie zijn dat?
—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack.
—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven?
—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal.
—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf.
—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch Vlaanderen geboren.
—Zoo!...—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden.
—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking.
—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel.
—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich.
—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens gegeven heb.
Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich toe.
—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in rekening zal brengen.
—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke kleinigheden bemoei ik mij niet.
—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen?
—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd, zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van.
—Wanneer wilt ge de kamer betrekken?
—Liefst dadelijk.
Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven.
—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij.
—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten.
—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen.
—Eene gunst? En dat aan mij!
—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord.
—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op.
—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen.
—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het niet te lang duurt.
—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer.
—Goed, toegestaan.
Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht door een wenk den vrijbuiter haar te volgen.
—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen.
—En ge moest mij iets vragen.
—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen.
—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen.
—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd.
—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan?
—Mij! O, neen, niets!
—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht.
—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen.
—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe, dat kan ik mij niet herinneren.
Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen, als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te Port-de-Paix.
—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan... Er is je toch geen ongeluk overkomen?
—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de lucht hier niet goed voor mij is.
—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is immers zoo goed als men wenschen kan!
—Ja... mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana.
—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben te ondernemen.
—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen.
—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken.
—Is er nu spraak van een belangrijken tocht?
—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars glimlachend.
Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling, die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en hier en daar een tafel of een stoel recht gezet.
—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen.
—Tot uwe orders, mijnheer.
—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond.
—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen.
—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd, want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen.
—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing.
—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft.
—Is daarbij dan zooveel haast?
—Dringende haast, dit verzeker ik je.
—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak?
—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij met half verstikte stem.
Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan.
—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een gewichtige mededeeling kunt verwachten?
—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren?
—Zeker, wanneer ge maar wilt.
—Dan liefst dadelijk.
—Goed, ik zal luisteren.
—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou bestemd.
—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij ons naar de uwe begeven.
—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij maar alleen zijn.
Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg fluisterde de mayordomo den jongen man toe:
—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen?
—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word onverdraaglijk!
Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd vertrek.
—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars.
—Goed. Ge kunt nu wel heengaan.
De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet, maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn. Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk lang, en werd het eerst door Montbars verbroken.
—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij.
Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst was gezonken.
—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden.
—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen.
—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed, in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen, hoogstens zich over iets verwonderen kunnen.
—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo gewichtige opheldering, die je van mij verwacht?