Part 11
—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop.
—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij zich niet lang meer zou kunnen beheerschen.
—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar?
—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag.
—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden.
—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was de zaak die ik voorstond, rechtvaardig!
—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam van God, Montbars?!
—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake!
—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je dooden zal.
Montbars deinsde ontroerd terug.
—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt ge gek?
—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu meer rustig gegeven antwoord.
—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging?
—Zeer stellig eene uitdaging!
—Ge wilt mij dus dooden?
—Dat hoop ik te doen.
—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend.
—Zoudt gij dat denken?
—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van.
—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan, ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht!
—Ik!
—Ja, gij, señor, gij zelf!
—Kunt ge dat naar waarheid getuigen?
—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer.
Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste hernam hij:
—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij doet, ik neem het aan.
—Daarvoor betuig ik je mijn dank.
—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne voorwaarde.
—Welke?
—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn, die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe hebben aangezet.
—Maar!!
—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk!
—Maar toch...
—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit tamelijk onverschillig.
—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven.
—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en zonder eenige terughouding.
—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken.
—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen daarvan.
—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij voldoening te geven.
—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij verbazend te vervelen.
De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en maakte zich tot spreken gereed.
XIII.
DE OPHELDERING.
Ondanks al de heftigheid van het voorgevallene, gevoelde Montbars toch niet de minste verbittering jegens dat jonge mensch, hoewel hij er zich zeer over verwonderde, dat hij zoo kalm was gebleven en zonder toorn. Met de kin in de hand leunend op de armen van zijn stoel, keek hij met eene mengeling van droefgeestigheid en medelijden, naar dien jongen man vlak tegenover hem, naar Francoeur, door wiens edel en fraai gelaat met den fieren blik hij reeds bij de eerste ontmoeting met onwederstaanbare sympathie was aangetrokken; naar dienzelfden Francoeur, dien hij, gedreven door het rampzalige noodlot, wellicht na eenige uren genoodzaakt zou zijn te dooden, zoo hij niet onverbiddelijk door dezen gedood wilde worden. Tal van gedachten kruisten door zijn brein en dringend rees de vraag bij hem op, of hij den droevigen moed zou hebben zulk een jeugdig bestaan te vernietigen, dan wel of het niet veel beter zou wezen dat hijzelf het was, die bij dien mogelijken kampstrijd ten onder werd gebracht?
De jonge man bleef zijnerzijds nog een poosje nadenken, als om al zijne herinneringen te ordenen, en begon toen te spreken, eerst zwak, zelfs eenigszins bevende, doch van lieverlede met meer kracht, en kort daarna, onder den invloed van het gevoel dat hem beheerschte, met vol geluid en hartstochtelijke vervoering.
—Montbars, het noodlot maakt ons als met ijzeren hand tot vijanden, en toch zou ik er zoozeer de voorkeur aan gegeven hebben, om door u met toegenegenheid te worden behandeld, want ronduit verklaar ik je, dat ik ondanks al mijn streven om je innig te haten, mij met onweerstaanbare kracht tot je voel aangetrokken. Misschien zou een ander dit gevoel kunnen verklaren en ontleden, ik tracht er niet naar, maar ik weet dat het bij mij bestaat, dat het mij beheerscht, schoon het mij tot nu heeft doen terugdeinzen voor die opheldering, die slechts met den dood van een van ons beiden kan eindigen.
—Ook ik,—betuigde Montbars op weemoedigen toon,—gevoel dat ik je zou hebben kunnen liefhebben, ja, werkelijk had ik je reeds lief, en zelfs op dit oogenblik kan ik er niet toe komen je haat toe te dragen.
—Doch ongelukkig genoeg, Montbars,—hernam de jonge man,—moeten wij die zachtere gevoelens terugdrijven naar het diepste van ons gemoed om slechts te luisteren naar de stem van den plicht, die onverbiddelijke stem die mij thans gelast van je eene vreeselijke verantwoording te eischen. Ik ben geen Franschman, zooals ten onrechte door je is geloofd, zeker naar aanleiding van de gemakkelijkheid waarmede ik uwe taal spreek, doch ik ben althans, ik geloof te zijn, een Spanjaard.
—Gij een Spanjaard!—uitte Montbars op smartvollen toon.
—Ja, Montbars. Vergun mij nu dat ik je de geschiedenis van mijn leven mededeel, dit is noodzakelijk om verder goed door je begrepen te worden, doch ik zal daarbij zoo kort mogelijk zijn, en mij er toe bepalen je niet meer te zeggen, dan wat gij noodzakelijk moet weten. Mijne ouders heb ik niet gekend, noch mijn vader, noch mijne moeder.
—Arme jongen!—mompelde Montbars.
—Ik ben opgevoed door een oom, de broeder van mijne moeder,—vervolgde de jonge man.—Die oom had voor mij de grootste zorg; nauwlettend hield hij het oog over mijne opvoeding, en door zijn toedoen kwam ik bij de marine.
—En ge zijt nu reeds, ondanks uw jeugdigen leeftijd, een uitstekend zeeman geworden, daarvan kan ik getuigenis afleggen.
—Ik heb de eer officier te zijn op de vloot van Zijne Katholieke Majesteit.
—Hoe! Wat! Maar van waar komt het dan dat...
—Een beetje geduld, als ik je verzoeken mag,—viel de jonge man in.—Ik heb je immers verzekerd dat gij alles zoudt vernemen?
—Het is waar! Vervolg dus, en houd mij dien onverhoedschen uitval ten goede.
—Nu ongeveer zes maanden geleden was ik te Vera-Cruz, waar ik verpoozing zocht van een lange en vermoeiende reis in Europa. Op een goeden dag werd ik bij mijn oom ontboden, die, naar hij zei, mij zeer gewichtige mededeelingen had te doen. Ik was dadelijk naar hem toegegaan, zijn zoon was de eenige die het onderhoud bijwoonde, en toen vernam ik de afgrijselijke geschiedenis van mijne familie.
De jonge man hield op; een zucht, een snik ontwelde aan zijn borst, hij verborg het hoofd in zijn handen en weende. Montbars gevoelde eerbied voor dit betoon van smart, eene smart waarvoor hij misschien meer medegevoel koesterde dan hem lief was. Eindelijk na enkele minuten waarin de doodsche stilte slechts werd verbroken door de gesmoorde snikken van Francoeur, hief hij op eens het hoofd op, keek den vrijbuiter aan met koortsachtig brandende oogen, vol uitdrukking van verbittering en doodelijken haat en barstte los:
—Waartoe dient het nog langer je die vreeselijke geschiedenis te vertellen. Gij kent die immers even goed als ik? Gij! Gij, de verleider mijner moeder, die van wanhoop gestorven is met een vervloeking over je op de lippen! Gij, de lafhartige moordenaar van mijn vader!!
Bij deze ongehoorde beschuldiging, en verregaande beleediging was Montbars plotseling opgesprongen, alsof een slang hem vervaarlijk had gebeten. Zijn bleek gelaat was als door een lijkkleur overtogen, zijne oogen waren als verduisterd door een bloedig waas en met door woede vast op elkaar geknepen lippen, ontsnapte uit zijn keel een gebrul als dat van een wild dier. Als een tijger sprong hij op den jongen man af, wierp hem met al zijn kracht, nog vermeerderd door zijne woede op het tapijt en zette hem de knie op de borst; terwijl hij hem met de linkerhand de keel toekneep, trok hij met de rechter zijn dolk uit, zwaaide die met woest gegrijns boven het hoofd van zijn slachtoffer en beet hem met heesche stem toe:—Ellendeling, ge zult sterven!
De jonge man zoo plotseling overweldigd door een aanval, volstrekt niet door hem verwacht, deed geen enkele poging om te ontkomen aan de krachtige hand, die hem gekluisterd hield; hij begreep dat iedere wederstand nutteloos zou zijn, doch vestigde alleen een vasten blik op zijn vijand, met eene zoo hoonende uitdrukking dat die niet te beschrijven is; een glimlach vol verachting vertrok zijne door de ontroering verbleekte lippen, en met luider stem beet hij driemaal achtereen Montbars dit enkele woord toe:
—Lafaard! Lafaard! Lafaard!
Het was met den ongelukkigen jongen man gedaan, de onheilspellende flikkering van het staal verduisterde zijn blik; geen menschelijke macht scheen hem meer te kunnen redden, toen op eens een fijne, nette hand, de hand eener vrouw, den arm van Montbars vatte, en tegelijk een zachte doch smeekende stem, met een uitdrukking van smart zeide:—Zal zóó door Montbars een kind dat weerloos aan zijn voeten ligt, worden vermoord.
De vrijbuiter keek op, zonder echter zijn vijand te bevrijden van de drukkende knie op diens borst. De eigenares van het logement stond vlak naast hem, bleek, bevende, geheel ontroerd, als een standbeeld van de smart, schoon, ondanks hare tranen, als de Niobe der oudheid, en zag hem aan met eene uitdrukking, zóó smeekend, zóó teeder, en toch zóó onderworpen, dat geen schilder in staat zou zijn dit weer te geven. De flibustier sloeg de oogen neder onder den machtigen blik van die zwakke vrouw, die een magnetischen invloed op hem scheen uit te oefenen.
—O!—die kreet uitte hij zacht en half snikkend. Toen was het alsof hij de overmacht gevoelde van eene onbekende kracht, grooter dan de zijne; hij stond langzaam op, stak den dolk weer in zijn gordel, deed een paar passen achterwaarts om zijn vijand gelegenheid te geven eveneens op te staan, sloeg de armen kruiselings over de borst, en bleef, met gefronst voorhoofd, waarop het zweet zichtbaar was, en met somberen blik, en kalme en waardige houding met opgeheven hoofd staan, als een leeuw, die alles rustig afwacht.
Zoodra de jonge man zich vrij gevoelde, sprong hij op, en stond in één oogwenk weer ter been; maar eveneens beheerscht door het zoo indrukwekkende als statige voorkomen van die vrouw bleef ook hij onbeweeglijk staan, schoon bevende door woede, doch toch zonder naar zijn degen of dolk te tasten. De vrouw, die zoo te juister tijd en als door de Voorzienigheid geroepen, te voorschijn was gekomen om een moord te verhoeden, die zonder hare onverwachte tusschenkomst, ongetwijfeld onder haar dak zou bedreven zijn geworden, zag eenige oogenblikken met de meeste aandacht naar de beide tegenstanders; daarna deed zij een paar schreden vooruit en plaatste zich tusschen hen, als om eene vernieuwing van den strijd te voorkomen. Toen wendde zij zich tot Montbars en voegde hem toe:
—Mijnheer, verblind door uwe onzinnige drift stond gij op het punt eene afschuwelijke misdaad te begaan.
—Dat is zoo, mevrouw,—gaf de vrijbuiter ten antwoord met zooveel zachtaardigheid dat zijn vijand daarover versteld stond,—en dit zou ik eeuwig berouwd hebben. Daarom betuig ik u mijne dank voor uwe tusschenkomst.
—Later zult gij mij nog inniger dank zeggen,—sprak zij met nauw hoorbare stem.
—Wat wilt gij daarmee zeggen, mevrouw?
—Voor dit oogenblik niets,—hernam zij, waarna zij zich naar den jongen man keerde en zei:
—Mijnheer, de beleedigingen vernederen nog meer hem die ze uitspreekt, dan hem tot wie die gericht worden. Vervolg nu, in plaats van u te laten vervoeren door uw toorn, waartoe gij u gerechtigd waant, het verhaal dat door u was begonnen op eenvoudige wijze, waardig u zelven en hem die u aanhoort. Misschien zal er dan eenig licht dagen over deze geheimzinnige geschiedenis, en zult gij tot het besef komen, dat gij geen slachtoffer zijt, maar een werktuig dat dient tot de bevrediging van den haat van een ander.
Die woorden, met bijzonder overleg gekozen, gaven het jonge mensch veel te denken, des te meer daar men tegen hem dien eigen dag bij de bijeenkomst in de Groote Vlakte bijna diezelfde woorden had gebezigd; hij gevoelde zich vernederd door dit soort van zedelijken dwang dien men op hem scheen te willen toepassen; en dit had bij hem eene verkeerde uitwerking, daar hij nu trachtte in verzet te komen tegen zulk een eisch van onderdanigheid, waartoe hij ongezind was iemand het recht te geven.
—Mevrouw,—antwoordde hij op hoogst beleefden toon, die echter niet vrij was van een lichten zweem van spot,—dank zij uwe edelmoedige tusschenkomst heeft die man dáár, die mij onder zijn knie gekneld hield, mij niet gedood; daarvoor betuig ik u zeer onderdanig mijn dank, niet omdat ik zoozeer aan mijn leven gehecht ben, dan wel omdat de aan mij opgedragen taak nog niet is vervuld; noch mijn vader, noch mijne moeder is gewroken. Echter komt het mij voor dat de mij door u bewezene dienst, waarvoor ik u eeuwig dankbaarheid ben verplicht, u echter geen recht geeft u met mijn zaken in te laten, die, veroorloof mij u dit onder het oog te brengen, mij alleen aangaan en waarin gij u dus niet behoort te mengen.
Een koele, snijdende, en minachtende glimlach vertrok even de lippen van de dame.
—Wat weet ge daarvan?—zeide zij.—Zie naar dien man dáár, zooals ge hem zoo even hebt genoemd. Hij heeft mij herkend, daar ben ik zeker van, en het recht dat gij mij betwist, wordt mij door hem in al zijne uitgestrektheid toegekend.
—Zoo is het, mevrouw,—erkende Montbars.—Hoewel sedert de laatste maal dat wij elkaar ontmoet hebben jaren na jaren langzaam en droevig zijn voorbijgegaan, heb ik u herkend, en gaarne erken ik dat uwe tusschenkomst alleszins geoorloofd en rechtmatig is.
—Welnu, als dit zoo is, dan zal ik die zaak als afgehandeld beschouwen,—antwoordde het jonge mensch koel.—Overigens is het mij tamelijk onverschillig of dit geheim al dan niet bewaard blijft. Gedreven door nog een restje van hoffelijkheid tegen dien man dáár, heb ik zijn eerloos gedrag niet voor ieders oog willen bloot leggen. Doch gij eischt dat ik zal spreken, welnu dan zal ik dit doen.
—Doe dit, mijnheer, en misschien zal dan, even als mevrouw u reeds heeft gezegd, spoedig aan ons blijken op wien de schuld moet vallen van die verregaande eerloosheid, waarover je op zulk een hoogen toon spreekt.
—Wat heeft uw zoogenaamde oom,—vroeg daarop de dame, toen hij met zijn ontzettende mededeelingen ten einde was,—u gelast.
—Mijn zoogenaamde oom mevrouw!—viel de jonge man heftig uit.
—Ja, mijnheer, uw zoogenaamden oom! Dat houd ik vol, ten minste tot het tegendeel daarvan bewezen is.
—Doch hoe kunt gij iets van die gansche geschiedenis weten, daar ik er nooit één enkel woord over gerept heb?
—Doordat ik straks, hier achter de deur verborgen, alles gehoord heb.
—O! Hebt gij zóó gespionneerd!
—Ja! En daardoor uw leven behouden!
Hij boog het hoofd; nogmaals gevoelde hij zich overwonnen, en erkende de nutteloosheid van verder verzet.
—Ik ben,—vervolgde hij, terwijl hij thans tot het besluit kwam alles openhartig te vertellen,—zooals ik u reeds gezegd heb, officier bij de Spaansche marine; op last van mijn oom heb ik mijn ontslag ingediend en verkregen, en heb mij toen als matroos doen aanmonsteren op een schip van flibustiers.
Montbars huiverde.—Met welk doel?—vroeg hij.
—Met het doel om geheel op de hoogte te komen van uwe strijdkrachten, van al uwe hulpmiddelen en van uwe gansche organisatie, in één woord om je daardoor te kunnen overwinnen en voor goed en voor altijd al die zeeschuimers-schuilhoeken te vernietigen, die schandvlekken voor de menschheid zijn.
—Of met andere woorden,—sprak Montbars met snijdenden spot,—uw oom heeft onder het schoonschijnende voorwendsel van eene ingebeelde wraakneming een spion van je gemaakt! Ik moet zeggen dat is een zeer waardige rol voor een Castiliaansch edelman!
—Mijnheer!—viel de ander heftig uit. Doch dadelijk daarna beheerschte hij zich en vervolgde:—Een spion! Nu goed, laat dit zoo zijn, doch in mijne oogen was de rol, die ik moest spelen, niet zoo laag, het doel dat ik beoogde veredelde in mijn oogen althans wat die in de oogen van het algemeen verachtelijks moet hebben.
—Een drogreden is geen verontschuldiging, mijnheer!—gaf Montbars koel ten antwoord.—Doch het doel waarvan gij gewag maakt, is toch niet het eenige dat door je werd beoogd?
—Dat is zoo, ik had een nog veel heiliger plicht te vervullen, ik moest den verleider mijner moeder, den moordenaar van mijn vader, ontdekken, en mij op hem wreken.
—Zeker door hem te vermoorden?—vroeg Montbars ironisch.
—Neen, door mij van hem meester te maken, en hem als een dief en moordenaar te laten ophangen.
—Ellendeling!—bulderde Montbars.—Dus bekent ge je verraad?
—Ik beken wat door mij verricht is, en op dat alles ben ik trotsch.
—Gij zijt het dus die in de laatste maanden al onze plannen aan de Spanjaarden hebt verklapt?
—Ja, dat ben ik!
—Ongelukkige! Weet ge dan niet dat de straf die je wacht, ontzettend is?
—Dat weet en wist ik zeer goed,—luidde eenvoudig het antwoord.
—En beeft ge niet bij die gedachte?
—Waarom zou ik dat? Toen ik de taak op mij nam, die ik moest vervullen, wist ik welk lot mij stond te wachten indien ik ontdekt werd, en ik heb bij voorbaat al de kansen die voor en tegen mij waren goed berekend. Toch heb ik tegen u dit gewaagde spel aangevangen waarbij mijn hoofd tot inzet diende. Ik vertrouwde dat God met mij zou zijn, daar de zaak, die ik wilde bevorderen, billijk en rechtvaardig is. God heeft mij verlaten, het zij zoo! Ik onderwerp mij aan Zijn ondoorgrondelijken wil, zonder murmureering, maar ook zonder zwakheid. Ik ben in uwe macht, doe met mij wat je goed dunkt. Ik heb het spel verloren, en zal den inzet weten te betalen.
—Ja,—hernam Montbars vergramd, doch op ijskouden toon,—heden nog zult gij uw verdiende straf ondergaan.
—Houd op!—sprak de dame, en strekte haar arm uit, als om Montbars terug te houden.—Zwijg nu, en wacht nog enkele minuten. Dat jonge mensch heeft alles nog niet gezegd.
—Hoe! Heeft hij alles nog niet gezegd?
—Hij heeft nog verzuimd ons zijn naam op te geven, dan eerst kunnen wij er zeker van zijn dat hij waarlijk een edelman is, zooals hij voorgeeft. Misschien is hij niet anders dan een laaghartige spion, een ellendeling van lagen stand die alleen ter wille van het geld met onze vijanden gemeene zaak heeft gemaakt.
Terwijl zij dit zei had de dame een zonderlingen blik met Montbars gewisseld, die door hem toestemmend was beantwoord.
—Zoo!—liet de jonge man hooren, met eenigszins triomfeerenden lach.—Dat had ik verwacht! Maar ge zult bedrogen uitkomen als ge daarop rekent. Sterven moet ik en zal ik, doch gij zult niet weten wien door je ter dood wordt gebracht.
Teleurgesteld maakte Montbars driftig een gebaar, doch werd weer tegengehouden door de dame, die hernam:
—Weer bedriegt ge u, want al zijn wij nu nog niet bekend met uw naam, toch behoeft het ons niet veel moeite te kosten om dien te weten te komen.
—Daar twijfel ik hard aan!—luidde het tartende antwoord.
—Dwaas kind!—voegde zij hem toe, op medelijdenden toon.—Dwaas kind! Ge waant u sterk, omdat ge u vast besloten en eerlijk gevoelt, en toch zijt ge niets meer dan de speelbal van hen die u omringen!...
—Mevrouw!—viel hij uit.
—Luister maar,—vervolgde zij en deed of zij dien uitroep niet had gehoord.—Mijn pandeling Birbomono, heeft u een brief ter hand gesteld, waarin ge werd uitgenoodigd tot eene samenkomst; dezen morgen zijt ge daarheen geweest, naar de Groote Vlakte, aan den oever van den Artibonite, niet verder dan drie uren van hier. Dáár hebt ge langer dan een uur gesproken met iemand, gekleed als boekanier, die u omarmt en als neef begroet en behandelt, en zijt ge nu onnoozel genoeg om te gelooven, dat wij, voor wie het van zooveel belang is van alles wat hier voorvalt op de hoogte te zijn, dat wij zeg ik dien man niet zouden kennen?
—Zeker geloof ik dat, zeker zóó onnoozel ben ik, want als gij wist wie die man is, dan zou hij nu uw gevangene zijn, of ten minste gij zoudt getracht hebben u van hem meester te maken.
—Weer dwaalt gij, mijnheer! Wij kennen dien man zeer goed, en toch laten wij hem vrij, want schoon hij Spanjaard is draagt die man ons geen kwaad hart toe, en zelfs heeft hij ons meer dan eens groote diensten bewezen.
—En zijn naam?
—Zijn naam? Daar ge wilt dat ik dien zal noemen, zult ge hem hooren. Hij heet don Sancho de Penaflor, en is namens den Koning van Spanje, Gouverneur over het eiland Hispaniola.
—Don Sancho de Penaflor!—riep Montbars, en sprong op van verrassing.—O! Nu is alles mij opgehelderd!
—Misschien!—werd veelbeteekenend door de dame aangemerkt.—Er begint ten minste eenig licht in de duisternis te komen, doch laten wij ons niet verheugen eer het volle dag is.
De jonge man gevoelde zich als verpletterd, en liet zich droefgeestig ontvallen:—O! Groote God!
—Don Sancho hier!—zei Montbars.—Wist ge dit donna Clara?
—Dit moest ik immers weten?—zeide zij eenvoudig.
—Dat is zoo!—erkende hij opgewonden.—Bij den hemel! Wat daarvan ook de gevolgen voor mij moge wezen, zien wil ik en zal ik hem!
Donna Clara was den jongen man meer genaderd en zei tegen hem:
—Gij houdt veel van don Sancho en ook hij houdt van u. Zoo ge zijn raad had gevolgd, zoudt ge wellicht niet in den toestand zijn waarin ge thans verkeert; doch wat geschied is, is geschied, en het is nutteloos daarop nu weer terug te komen. Luister nu naar mij. De hertog de Penaflor heeft u gezegd, dat Montbars uwe moeder verleid en uw vader vermoord heeft. Zoo is het immers?