De goudzoekers

Part 12

Chapter 123,943 wordsPublic domain

—Ja,—stamelde de jonge man, overweldigd door al zijn leed.

—O!—barstte Montbars los.—Dat is weer juist iets voor dien onverbiddelijken man! Daarin herken ik hem geheel! Uw naam, jongman,—liet hij er gebiedend op volgen.

—Don Gusman de Tudela,—luidde het antwoord, gegeven zonder verdere aarzeling.

—Welnu! Gij don Gusman de Tudela, geef mij uw woord van eer, dat gij geenerlei poging zult doen om te ontvluchten.

—Dat geef ik je, Montbars,—gaf hij openhartig ten antwoord.

—Goed ik neem het aan. Birbomono zal met je naar Sint-Domingo vertrekken. Ge hebt zeker de noodige middelen om ieder oogenblik en zonder eenig gevaar in de hoofdstad van het eiland door te dringen, niet waar?

—Ja, die middelen bezit ik.

—Best! Dan gaat gij daar aan don Sancho mededeeling doen van het vreeselijke tooneel dat tusschen ons heeft plaats gegrepen en van alles wat tusschen ons is gesproken zonder tittel of jota te vergeten.

—Dat zal ik doen.

—Tevens moet gij don Sancho bezweren bij wat hem het heiligste ter wereld is, je te zeggen, of ik schuldig ben aan de misdaden, waarvan de hertog de Penaflor, zijn vader, mij tegenover jou beticht heeft. Zoo daarop een bevestigend antwoord volgt, kom dan terug en gij zult mij bereid vinden je alle eerherstellingen en iedere voldoening te geven, die gij van mij eischen zult.

—Zijt gij daartoe bereid?—viel de ander in op verrukten toon.

—Daarop verpand ik mijn woord van eer,—gaf Montbars plechtig ten antwoord,—maar mocht don Sancho je daarentegen zeggen, dat ik niet alleen onschuldig ben aan die misdaden, maar zelfs meer dan twintig jaren vervolgd wordt door eene even onverzoenlijken als onrechtvaardigen haat, wat zal je dan doen? Antwoord mij daarop?

—Wat ik dan zal doen?

—Ja, dit verlang ik te weten.

—Dan verpand ik op mijn beurt mijn woord van eer, dat ik, als hij mij dit zegt, mij in je handen zal overleveren, om met mij geheel naar uw goeddunken te handelen.

—Ik houd je aan uw woord. Ga, mijn vriend, want ondanks alles wil ik je nog zóó blijven noemen. Ga, het is nu nog niet veel later dan drie uren; als ge zonder talmen vertrekt kunt ge vóór zonsopgang in Sint-Domingo wezen.—Daarop wendde hij zich tot donna Clara en vroeg op onbeschrijfelijk goedhartigen toon:—Is het zóó naar uw verlangen geschikt, mevrouw?

—O!—kreet zij terwijl zij, uitbarstende in gesnik, aan zijne voeten knielde.—Ge handelt grootsch en edel zooals altijd!

Montbars hief haar met vriendelijken glimlach op, en fluisterde haar bemoedigend toe:—Houd moed arme vrouw, blijf hoop koesteren, arme moeder!

Een uur later verliet don Gusman, vergezeld door Birbomono, Port-de-Paix, en zette het in galop op den weg naar Sint-Domingo.

XIV.

EEN DINER BIJ DEN HEER D’OGERON.

Na een lang onderhoud met donna Clara, (een onderhoud dat zelfs geheim bleef voor Birbomono, die toch reeds sinds jaren het volle vertrouwen zijner meesteres genoot) verliet Montbars het logement en begaf hij zich naar de woning van den heer d’Ogeron, om dáár, volgens zijne belofte, te gaan dineeren.

Reeds meermalen hebben wij gezegd dat de Broeders der Kust den gouverneur hooge achting toedroegen, dat zij tevens zeer op hem waren gesteld, doch tegelijk groot ontzag voor hem koesterden. Zijn huis stond bekend als het aangenaamste van de gansche kolonie en ieder wist dat men daar uitstekend werd onthaald, en er steeds een uitgekozen gezelschap vond. De heer d’Ogeron, een edelman nog van het oude ras, wist in alle opzichten de eer van zijn huis op te houden, doch had daarenboven een bijzonderen tact om aan zijne tafel menschen te vereenigen in staat om elkaar goed te verstaan en wederkeerig naar waarde te schatten, iets wat waarlijk geen geringe taak mocht heeten in een land waar de bevolking grootendeels bestond uit ruwe, eerlooze lieden, ware schipbreukelingen van de Europeesche beschaving, wier gemoedsaard zoo wederspannig was, dat zij niet dan hoogst onwillig bogen onder het lichtste juk, dat men hun wilde opleggen.

Overigens was de verhouding van den heer d’Ogeron daar ter plaatse zeer zonderling, want hij bevond zich te midden van lieden, die zijn titel van Gouverneur des Konings, tenauwernood schoorvoetend verdroegen, dan wel inderdaad erkenden, en ieder oogenblik gereed waren tegen de onbeduidendste zijner beschikkingen in verzet te komen. De oude edelman had dus groote behoefte aan al zijne energie en zijne groote bekendheid met de gewoonten en manieren der vrijbuiters, onder wie hij jaren lang geleefd en met wie hij vroeger menige kruistocht meegemaakt had, om zich in zijne betrekking te Port-de-Paix goed te handhaven en de gewichtige belangen, die de Koning aan hem had toevertrouwd, niet in gevaar te brengen.

Montbars werd met de uiterste hoffelijkheid door den heer d’Ogeron ontvangen, en vond dáár reeds vereenigd de meest in naam zijnde aanvoerders der flibustiers, die allen zeer verlangden hem te begroeten, zich hadden beijverd om haastig na de noodiging bij den Gouverneur ter maaltijd te komen. Hoe goed ook het geheim in acht mocht genomen zijn, toch kenden de oude vrijbuiters, die reeds zoolang de metgezellen van Montbars waren, den vermaardsten hunner te goed, (hem met zijne uitstekende begaafdheden en zijn ingekankerden haat tegen de Spanjaarden), om niet te vermoeden dat zijne zoo langdurige afwezendheid van het Schildpaddeneiland in verband moest staan met buitengewone plannen, om er bijna zeker van te zijn dat de ongeëvenaarde aanvoerder voor den dag zou komen met het voorstel tot eene expeditie, zóó als alleen door hem kon worden bedacht, en waarvan de uitvoering spoed zou vereischen.

Nu waren reeds sinds lang al de tochten der flibustiers tamelijk slecht afgeloopen; al hunne plannen, zelfs de best beraamde, hadden schipbreuk geleden zonder dat men precies kon uitmaken wat daarvan de oorzaak was; steeds vonden zij de vijanden, die zij op het onverwachts meenden te overvallen, bijzonder op hunne hoede, en kwamen zij van hunne kruistochten terug, met schepen, door de kogels der Spanjaarden lek geschoten, en equipages die door het Spaansche schroot sterk gedund waren.

Voor de flibustiers, gewoon om met volle handen het geld te verkwisten dat zij bij hunne rooftochten buit maakten, was zuinigheid een woord dat niet bestond, zoodat er nu onder hen groote geldschaarschte heerschte; zij kregen, zooals zij dit uitdrukten, grooten honger, en het was dus hoog tijd dat hun een extra buitenkansje ten deel viel. Geen wonder dus dat Montbars door hen werd ontvangen met daverende toejuiching, en ieder zich haastte om hem de hand tot verwelkoming toe te steken.

Het diner verliep zeer behoorlijk onder vriendschappelijk gekout tusschen den heer d’Ogeron en zijne gasten, doch, tegen zijne gewoonte, moedigde de gouverneur hen niet aan om de glazen te ledigen. Montbars was stil en teruggetrokken en antwoordde meestal niet dan zeer onvoldoende op de vragen die men hem deed. Naar het scheen peinsde hij aanhoudend over iets; hij at genoegzaam niets en vergat telkens zijn glas dat bijna onaangeroerd voor hem stond.

Dat alles werd herhaaldelijk en door al de Broeders der Kust opgemerkt, en was voor hen eene nieuwe aanleiding om te vermoeden dat in het brein van hun vermaarden aanvoerder het plan broeide tot het doen van een grootsche onderneming; stilzwijgend verheugden zij zich daarover, maar tegelijk vermeerderde hun ongeduldig verlangen, dat hij hun daarvan mededeeling zou doen. Toen het dessert was opgezet, gaf de heer d’Ogeron een wenk, waarna de bedienden zich dadelijk verwijderden en de deuren achter zich toetrokken. De gasten bleven nu onder elkaar. Zij waren tien in getal, met inbegrip van den gouverneur. In de eerste plaats Montbars; dan Philippe d’Ogeron, de neef van den gouverneur; Pierre Legrand; de ridder de Grammont; de Olonner, de vroegere pandeling van Montbars, die zooals hij zelf hem vroeger had voorspeld, een der geduchtste flibustiers van Tortue was geworden; kapitein Drack; de Poleter en Morgan de Engelschman, die pas terug was gekomen uit Jamaïca, waar hij langen tijd had vertoefd, en de Mooie Laurent [10].

—Heeren,—zei daarop de heer d’Ogeron,—daar staan likeuren, pijpen, tabak en sigaren, weest zoo goed daarvan gebruik te maken.

Ieder stak de hand uit en greep naar welgevallen pijp of sigaar. De Gouverneur stond op, liep een paar keeren door de zaal en deed toen de deuren open, waarop men in de gang op eenige passen afstand Luiwammes, Tributor, Michel de Baskiër en Pitrians in het oog kreeg, die daar op stoelen gezeten en zwaar dampten.

—Gij ziet,—vervolgde de gouverneur, terwijl hij zijn plaats aan tafel weer bezette,—dat wij onder goede hoede zijn, en ten minste dezen keer in alle gerustheid over onze zaken kunnen spreken, zonder vrees dat onze woorden in verkeerde ooren zullen vallen.

De vrijbuiters juichten de genomene voorzorg zeer toe, te meer daar die hun voorspelde dat er eene ernstige beraadslaging zou plaats grijpen, waarbij zij veel belangrijks hoopten te vernemen.

—Maar toch,—hernam de gouverneur,—raad ik je aan niet al te luid te spreken, want de muren zijn niet bijzonder dik, en wie weet hoeveel spionnen daar buiten als luistervinken rondfladderen!

Montbars greep een flesch die vóór hem stond, schonk zijn glas boordevol, zonder er op te letten welke likeur het was, en dat zeer sterke rum bleek te zijn, en hief het in de hoogte:

—Broeders,—dus begon hij,—ik drink op eene expeditie roemrijker dan er ooit eene door de flibustiers ondernomen is, eene expeditie die wij gezamenlijk zullen maken, zoo gij mij waardig keurt over jelui het bevel te voeren. Ik drink op onze wraak op de gavachos! Doet mij bescheid!

Na die woorden bracht hij het glas aan zijne lippen, en ledigde het in één teug tot op den laatsten droppel.

—Op onze wraak op de gavachos!—riepen al de vrijbuiters en volgden zijn voorbeeld, door de glazen in één teug te ledigen.

—Ei, ei!—liet Pierre Legrand hooren.—Het schijnt dat er iets aan de hand is.

—Dat is immers altijd het geval als Montbars er bij is?—merkte de Olonner aan, die zich vergenoegd in de handen wreef.

—Goddam!—vloekte Morgan,—ik geloof goed te hebben gedaan met hier terug te komen.

—Heeren,—sprak de Gouverneur,—Montbars vraagt het woord, ik verzoek je naar hem te luisteren.

—Te meer omdat dit zeer waarschijnlijk wel der moeite waard zal zijn,—voegde de Poleter op lustigen toon er bij.

—Stilte! Luisteren! Stilte!—riepen de meesten.

In één oogwenk heerschte de diepste stilte.

—Broeders,—hernam Montbars,—ik moet beginnen met je mijne dank te betuigen voor de blijken van sympathie mij door je betoond ter gelegenheid van mijne terugkomst in uw midden, ofschoon het voor den eersten keer is dat die terugkomst geschiedt zonder dat een enkel prijs gemaakt schip door mij op sleeptouw werd aangebracht en zonder dat gij een enkelen gavacho aan de raas van mijn schip hebt kunnen zien hangen. Die schijnbare verandering heeft je zeker te denken gegeven, en misschien is daarvan de slotsom geweest dat door je vermoed wordt, dat ik van groote plannen zwanger ga. Welnu kameraden, als dat het geval is, dan hebt gij je daarin niet bedrogen. Mijne plannen zijn groot, zelfs zoo groot dat ik die bijna aan mij zelf niet durf bekennen, ofschoon ik reeds meer dan twee maanden dag en nacht aan niets anders heb gedacht, en herhaaldelijk al de kansen, die er voor of tegen pleiten nauwgezet heb overwogen.

Bij eene dergelijke inleiding werd de aandacht der vrijbuiters nog vermeerderd, zoodat men bij de ademlooze stilte gemakkelijk zelfs het gonzen van een muskiet zou gehoord hebben, ondanks dat er tien personen in de zaal bijeen waren.

—Ik wil,—vervolgde Montbars met zijn duidelijke en zoo klankvolle stem, terwijl hij op die woorden drukte,—versta mij wel, ik wil op de Spanjaarden zulk eene schitterende wraak nemen, dat honderd jaren later de herinnering daaraan nog zoo levendig zal bestaan, dat hunne kleinkinderen beven zullen zoo zij slechts den naam hooren van de Broeders der Kust! Gedurende mijn afwezigheid is er onder u veel voorgevallen; verscheidene onzer broeders, en daaronder menigeen die hoog stond aangeschreven, zijn verraden en verkocht door spionnen die zich onder ons genesteld hebben, en achter onze geheimste beraadslagingen gekomen zijn; die broeders zijn gevallen en strikken en hinderlagen waar zij een eerloozen dood hebben ondergaan, want in het oog der gavachos zijn wij niets dan ladrones, en als zoodanig worden wij door hen behandeld. Die broeders zullen op roemvolle wijze door ons worden gewroken, dit zweer ik u! Iedere druppel van hun bloed zal betaald worden, door stroomen bloed van onze vijanden!

Ondanks de aanbeveling van den heer d’Ogeron werd die toespraak afgebroken door daverende kreten van bijval; door hun haat tegen de Spanjaarden op te roepen, had de spreker de gevoeligste snaar zijner toehoorders aangevoerd, en was er in geslaagd hun een onbeperkt vertrouwen in te boezemen.

Zoodra de stilte hersteld was, vervolgde Montbars:

—En voor ditmaal is er bij mij geen spraak van eene gewone expeditie. Nu denk ik er niet over om op avontuur te gaan kruisen, neen! Wat ik nu bedoel, wat ik nu verlang dat is de oorlog, en een oorlog zonder genade. Wilt gij mij volgen?

—Ja, ja!—luidde de kreet, als met één stem.

—Tot naar de hel, als het moet!—voegde de Olonner er bij.

Philippe, de eenige die wist welk doel Montbars beoogde, drukte zijn hand tegen zijn hart als om het minder snel te doen kloppen doch kon er slechts met moeite in slagen om zijne vreugde te verbergen; want het gevolg van het goede succes der expeditie was voor hem, de vereeniging met donna Juana, en het overige liet hem koel.

—Wij vertrekken dus gezamenlijk broeders, doch ieder behoudt het gezag over zijn eigen schip.

—Maar wij zijn slechts met ons negen,—werd door Pierre Legrand in het midden gebracht.

—Daarin vergist ge u, broeder, ons getal zal veertien bedragen.

—Dan maken wij een vloot uit,—merkte Morgan onverschillig aan.

—Zoo is het, broeder,—stemde Montbars eenvoudig toe,—eene vloot waarvan gij, zoo ge dit begeert, de vice-admiraal zult zijn.

—Zoo ik dit begeer? Goddam, twijfelt ge daar nog aan?—viel de ander uit, en sprong op alsof hij een schot kreeg.

—Dan blijft dit bepaald en afgesproken, broeder!—sprak Montbars, en drukte hem de hand. Daarna vervolgde hij:

—Doch, broeders, daar het verraad ons van alle kanten omringt, en de Spaansche spionnen steeds op de loer liggen, eisch ik van uwe zijde het onbepaaldste vertrouwen, met andere woorden, ik verg van u dat gij mij in het bezit laat van mijn geheim tot het oogenblik zal gekomen zijn, waarop ik het noodig acht je mijn plan geheel en al te ontvouwen. En dan, wees daar zeker van, dan zult gij allen versteld staan over het grootsche van het doel waartoe ik je uitnoodig. Neemt gij dit aan?

—Wij nemen het aan!—werd weder als in koor geantwoord.

Montbars gevoelde zich gestreeld door zulk eene onvoorwaardelijke toestemming, die hem opnieuw tot bewijs verstrekte van den grooten invloed dien hij op zijne kameraden bezat.

—Ik moet er nog bijvoegen,—sprak daarop de heer d’Ogeron,—dat Montbars al zijne plannen aan mij ontwikkeld en daarover met mij beraadslaagd heeft, en tevens dat ik daarmeê zoo volkomen instem, dat ik het eene groote eer zou achten mij persoonlijk bij de expeditie aan te sluiten, indien mijne betrekking mij niet verplichtte hier te blijven.

De verzekering hun door den gouverneur gegeven, behoefden de flibustiers niet, want zij waren reeds genoegzaam overtuigd dat de zaak die Montbars op het oog had evenzeer zou voldoen aan hunnen dorst naar wraak als aan hun verlangen naar voordeel; echter werd toch hunne opgewondenheid nog grooter na die verklaring van een man die door hen allen zoozeer werd geacht, en hun door zijne vroegere heldendaden zooveel vertrouwen inboezemde; zij werden dus des te meer bevestigd in het genomen besluit om blindelings het fortuin van den vermaardsten vrijbuiter te deelen.

—Luistert nu goed toe, broeders,—vervolgde Montbars,—want ik wensch nog iets te zeggen over het materieel onzer expeditie.

Weer luisterde men ernstig en aandachtig.

—De heer d’Ogeron heeft te mijner beschikking gesteld zeven schepen, die hier moeten worden uitgerust en onder het gezag gesteld van Luiwammes, Michel de Baskiër, den Olonner, den ridder de Grammont, den Poleter, Drack en Pitrians. Zeven anderen zullen worden aangekocht te Leogana en Port-Margot, en komen onder bevel van Pierre Legrand, Philippe d’Ogeron, David, de Mooie Laurent, Morgan, Barthélemy en Roc de Braziliaan. Morgan wordt vice-admiraal van de vloot en voert zijn vlag op het grootste en zwaarst bewapende schip. Om bij de spionnen geen achterdocht op te wekken moeten de schepen zeer in het geheim worden uitgerust, hetzij aan de kleine of de groote Goava, hetzij te Leogana. Ieder schip dat geheel gereed is, behoort onmiddellijk onder zeil te gaan en zee te kiezen, om het overige van de vloot af te wachten op eene plaats die te gelegener tijd door mij zal worden aangeduid, want, daar het plan van dezen tocht van mij is uitgegaan, acht ik het billijk, dat ik mij het opperbevel daarover voorbehoud.

Hier viel de heer d’Ogeron den spreker in de rede, daar hij als Gouverneur geen enkele gelegenheid ooit liet voorbijgaan, om zijn gezag te bevestigen.

—Dat is zóó billijk,—sprak hij,—dat ik uit naam des Konings, uw meester en den mijnen, de benoemingen door u, Montbars gedaan, bekrachtig. Ik zal de eer hebben zoowel al de officieren als aan u zelven, in het bezit te stellen van de aanstellingen die Zijne Majesteit mij gemachtigd heeft uittereiken.

De vrijbuiters betuigden aan den Gouverneur hun warmen dank voor die gunstige beschikking, buiten welke zij het toch zeer goed hadden kunnen stellen, daar de geldigheid hunner benoeming ook zonder die bekrachtiging onbetwistbaar bleef, doch opnieuw strekt dit ten bewijze dat de menschen, hoe en waar ook geplaatst overal en te allen tijde dezelfde zijn, en een stuk perkament uitgevaardigd in naam van een Souverein, in hunne oogen steeds iets van groote beteekenis is, zelfs al wordt door hen diens gezag niet ten volle erkend.

De heer d’Ogeron, zeer voldaan over de manier waarop zijn aanbod was ontvangen, gaf een wenk aan Montbars om zijn toespraak te vervolgen.

—Zorgt er vooral goed voor,—hernam deze daarop,—dat gij iedere onbescheidene vraag van de zijde uwer equipage voorkomt, en daarom zal het, mijns inziens, goed zijn dat de aanwerving uitsluitend geschiedt aan boord. Dáár moet dan ook, zoodra een matroos zich verbindt, de monsterrol worden geteekend, en hem gelast worden aan boord te blijven.

—Hoe groot moet de bemanning van ieder schip zijn?—vroeg Morgan.

—Minstens honderdvijftig, en hoogstens twee honderd.

—Drommels!—viel Pierre Legrand uit.—Dat is zoo goed als een heel leger!

—Dat moet het ook zijn, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eene landing doen. Zijn wij dan ook eenmaal onder zeil, ver buiten het gezicht en gehoor der spionnen, dan zal ieder gezagvoerder een landingsafdeeling formeeren van tachtig uitgelezen manschappen.

—Ei, ei!—deed Roc de Braziliaan hooren.—Elf honderd man landingstroepen! Moeten wij er misschien op uit zooals vroeger Cortez, en gaan wij Mexico veroveren?

—Wie weet!—zei Montbars glimlachend.

—Caramba! zoo als die schelmachtige gavachos zeggen, dat zou een kolfje naar mijn hand zijn, en hoe denkt gij daarover, broeders?

—Zeker zou dit eene zeer voordeelige zaak wezen, als er kans was dat zij gelukte,—meende de Poleter op ernstigen toon te moeten opmerken.

—Op mijn eer!—verklaarde de ridder de Grammont,—Montbars blijft toch altijd dezelfde! Het is een lust om met hem er op uit te gaan en men kan er altijd op rekenen, dat hij ons de eene of andere verrassing bereidt.

—Maar broeders,—voegde Montbars er nog bij,—denkt er vooral aan bij de aanmonstering, hoezeer het eene hoofdvereischte is, dat de wapens en het kruit van ieder man in behoorlijken staat zijn.

—Laat die zorg daarover gerust aan mij over,—verzekerde Morgan—daarop zal ik nauwlettend toezicht houden.

—En nu, broeders, heb ik niets meer te zeggen. Ik reken er op dat gij niet alleen flink en ferm, maar vooral met den meesten spoed in alles te werk zult gaan, want hoe eer wij kunnen vertrekken hoe beter de kans tot slagen voor ons zal wezen.

—Hoe veel tijd staat gij ons toe voor de gansche uitrusting?

—Een week; dat is lang genoeg.

—Binnen een week zullen wij gereed zijn.

—Thans heb ik er slechts dit nog bij te voegen, broeders. Om de spionnen zooveel mogelijk van het spoor te brengen, moet het den schijn hebben alsof ik niets met de expeditie heb uit te staan, en mij daarmede volstrekt niet bemoei; dus moeten alleen Morgan, Philippe en Luiwammes van tijd tot tijd bij mij komen, om mij van alles op de hoogte te houden. En nu broeders, het is tijd om onze bijeenkomst te sluiten, ik ga heen, en laten wij dit ieder afzonderlijk doen, en ieder zijn eigen weg volgen. Vaartwel!

—En, heeren, houd uwe aanstellingen in gedachte, overmorgen zullen die te uwer beschikking zijn!—werd hun ter herinnering door den Gouverneur toegevoegd.

Montbars vertrok, de overigen lieten niet na zijn voorbeeld te volgen, en de heer d’Ogeron bleef alleen achter.

—Wat zou men met zulke lieden niet kunnen uitvoeren, indien er slechts mogelijkheid was hen te temmen!—sprak hij in zichzelf.—Maar, bij den hemel! hoe zwaar die taak moge wezen, toch zal ik die beproeven, en, met Gods hulp, twijfel ik er niet aan of die zal mij gelukken.

XV.

DE MARKIES DON SANCHO DE PENAFLOR

Verscheidene dagen waren verloopen; noch don Gusman, noch Birbomono waren te Port-de-Paix teruggekomen. Montbars wist niet waaraan zulk eene lange afwezendheid kon worden toegeschreven; hij werd door een ongerustheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, gekweld, en telkens als hij zijne gastvrouw ontmoette, wendde hij zich af om haar bleek gelaat niet te zien, en hare koortsachtig brandende betraande oogen te ontwijken, die met zulk een uitdrukking van smartvolle onderwerping op hem gevestigd werden, dat dit hem te erg aandeed.

Langzamerhand, dit gevoelde hij, verstierf de haat dien hij haar had toegezworen, om vervangen te worden door een innig gevoel van medelijden. Hij zag het oogenblik naderen waarop hij zich niet langer in staat zou gevoelen den vreeselijken eed gestand te blijven, die eens door hem was uitgesproken. Ondanks al de pogingen die hij aanwendde om zijn gerechtvaardigden toorn weder op te wekken, kwam hij tot de zekerheid dat ondanks het driedubbele staal dat zijn hart als met een pantser omsloot, dit toch ongenoegzaam bleek om hem te beschermen bij eene langere worsteling tegen de vrouw, die hij zoo innig had bemind, de vrouw die door die liefde zoozeer had geleden en wier leven er als het ware door vernietigd was. Alles pleitte voor haar in zijn hart; hare langdurige boetvaardigheid, haar edele zelfverloochening, hare stille onderwerping, en zelfs hare schroomvallige teederheid, die zich telkens uitte door al de zorgen die zij zonder zijne voorkennis aan hem wijdde, terwijl zij toch bijna altijd onzichtbaar bleef. Thans, na zulk eene reeks van jaren sedert de misstap door de arme vrouw bedreven, vroeg hij zich af, of er nu voor hem werkelijk nog reden bestond om onverzoenlijk voor haar te blijven, en of het niet beter ware het uur der vergiffenis niet langer te verschuiven. Maar dan verhief zich weer de herinnering aan alles wat hij geleden had, dan kwam bij hem weer de gedachte op aan het onwaardige verraad waarvan hij het slachtoffer was geworden, en aan de onverdiende rampen als gevolg daarvan; die herinnering en die gedachte troffen als dolksteken zijn hart, opnieuw werd hij door woede aangegrepen, en als hij zich dan van donna Clara afwendde, mompelde hij in zich zelf:

—Neen, nog is de boete niet volkomen, nog is de schuldige niet gekastijd. Ik wil geen zwakheid betoonen eer ik mijn werk der wrake voltooid heb.