De goudzoekers

Part 13

Chapter 134,124 wordsPublic domain

En dan, dan namen zijne trekken, waarop een zachtere uitdrukking verspreid lag, weer de vroegere onwrikbare gestrengheid aan; somber trokken zich zijne wenkbrauwen samen, onheilspellend schitterden zijne oogen, diepe rimpels verschenen op zijn vaalbleek voorhoofd, en weer was hij dan de onverbiddelijke man, zooals hij bezworen had te zullen blijven.

En toch, wij herhalen het, hij begon te wankelen; zijne stroefheid voor die arme vrouw was slechts een masker en zijn nog immer even felle haat tegenover zijne andere vijanden week tegenover haar langzamerhand om van lieverlede plaats te maken voor eene aanstaande vergiffenis en verzoening. De weinige dagen die hij met donna Clara onder hetzelfde dak te Port-de-Paix had doorgebracht, hadden veel bijgedragen om dit werk des vredes zeer te bevorderen, zoodat zelfs het geringste toeval in staat zou zijn het te voltooien.

Het was avond; Montbars bevond zich in zijn kamer met Morgan, den ridder de Grammont en Philippe, en besprak met hen de toebereidselen tot de expeditie, die zeer snel vorderden; verscheidene schepen waren reeds geheel uitgerust en dadelijk daarna in zee gestoken en zouden den volgenden dag bij zonsopgang door andere worden gevolgd, zoodat de gansche sloot binnen een paar dagen onder zeil zou zijn; de zaken waren zóó geheim en met zooveel beleid behandeld, dat niettegenstaande zulk een aanzienlijk getal vrijbuiters was ingescheept, door de Spanjaarden, naar men uit alles meende te mogen opmaken, nog niets was bemerkt, ondanks de onafgebroken waakzaamheid en bijzondere slimheid hunner spionnen. De drie vrijbuiters waren juist in druk gesprek over de laatste schikkingen die nog bepaald moesten worden, toen er een paar keeren zeer bescheiden geklopt werd op de deur van de kamer waar zij zaten. Montbars gaf door een wenk aan de anderen te kennen dat zij moesten zwijgen, stond op, en deed de deur open. Birbomono stond vóór den drempel en een paar andere personen, diep in hunne mantels gedoken, hielden zich eenigszins ter zijde buiten het licht.

—Hier ben ik,—begon Birbomono half fluisterend, na een beleefde buiging.

—En in gezelschap, naar het schijnt,—merkte Montbars aan.

—Kan ik vrij uitspreken?

—Is het iets gewichtigs?

—Ja, en dat vooral geheim moet blijven.

—Zoo! wacht even ik kom dadelijk terug.

Hij sloot de deur en ging weer naar zijne kameraden.

—Broeders,—sprak hij.—Ik krijg daar bezoek van iemand die, naar hij zegt, mij iets van het hoogste gewicht heeft mede te deelen. Weest dus zoo goed en gaat nu eenige oogenblikken in mijne slaapkamer.

—Wel, mij dunkt Montbars, dat het dan beter zou wezen dat wij heen gingen, dan zijt gij geheel vrij,—opperde Morgan.

—Neen, doe dat niet want als ik met hem gesproken heb en dat zal niet lang duren, dan zal ik je weer noodig hebben.

—Ga dan uw gang, wij zullen blijven, en middelerwijl doen alsof wij doof en stom waren.

—Goed,—zei de ander glimlachend.

Montbars liet hen in zijn slaapkamer gaan, stiet de deur achter hen toe, schoof daar een grendel voor, nam een kaars op, waarmee hij door het salon stapte en deed toen het tweede vertrek open waar hij de kaars op een tafel plaatste, en de deur ook sloot.

—Mijne heeren,—begon hij,—ik ben tot uwe orders, weest zoo goed plaats te nemen, en mij te zeggen wat de reden is van uw bezoek.

—Naar ik meen, caballero, heb ik hier niets meer te verrichten?—zei Birbomono.—Als gij het goedvindt zal ik heengaan en op het portaal blijven wachten.

—Goed,—zei Montbars kortaf.

De mayordomo boog en ging heen; nauwelijks was de deur achter hem gesloten of een der beide onbekenden deed een paar passen voorwaarts, wierp den mantel weg, nam hoogst beleefd zijn hoed af, en zei met hoffelijke buiging:

—Graaf, veroorloof mij vóór alle dingen u te begroeten.

—Markies de Penaflor!—ontsnapte aan Montbars die ten hoogste verbaasd en verrast was.

—Stil toch, stil toch!—viel don Sancho schertsend in.—Wel verduiveld, vergeet toch niet, dat mijn naam hier juist niet zoo algemeen in goeden reuk staat, zoodat het alles behalve noodig is dien zóó luid uit te bazuinen!

—Gij hier! Gij!

—En waarom niet, graaf, ik ben immers in uw huis? Wat zou ik hier te duchten hebben, dat vraag ik u?

—Van mij niets, mijnheer, dat is zoo; toch betuig ik u er mijn dank voor, dat gij u daarvan overtuigd houdt. Maar als anderen wisten, dat gij hier in de stad zijt?

—Dat zullen zij niet te weten komen, ten minste niet eer, naar ik hoop, dan na mijn vertrek van hier, en dit zal onmiddellijk plaats grijpen, na afloop van ons gesprek.

—Sta mij dan toe mijnheer, mijn eerste vraag aan u te herhalen. Wat is de reden van uw bezoek? En mag ik tevens vernemen wie de persoon is die u vergezelt?

—Dat ben ik,—antwoordde don Gusman, die zich nu ook van zijn mantel ontdeed.

—Gij hebt goed gedaan terug te komen, wat daarvan ook bij u de aanleiding moge zijn.

—Ik had je immers mijn woord verpand?

—Dat is zoo, en geloof mij, daar vertrouwde ik op.

—Daarvoor betuig ik je mijn dank,—gaf de jonge man met eene buiging ten antwoord, waarna hij zich tot don Sancho wendde en tegen hem zei:—Thans, waarde neef, verzoek ik u te spreken.

—Mijnheer,—sprak daarop de markies op waardigen toon,—hoe fel de haat zij, die tusschen onze beide families bestaat, vlei ik mij dat het u niet zal zijn ontgaan, hoezeer ik steeds getracht heb de onzijdigheid in het verschil te bewaren.

—Dat is zoo, mijnheer, en zeer gaarne wil ik dit erkennen,—gaf Montbars met zekere hartelijkheid te kennen.

—Maar ik ga verder, mijnheer,—vervolgde don Sancho,—en, schoon ik mij niet wil veroorloven een rechtstreekschen blaam te werpen op de gedragingen van mijn vader tegenover u, verklaar ik u toch dat ik den moed mis om zijn gansche gedrag te uwen opzichte goed te keuren. Naar mijne meening kunnen en moeten edellieden hunne geschillen ridderlijk bevechten van aangezicht tot aangezicht en met den degen in de hand. Iedere andere wijze van handelen acht ik hunner onwaardig.

—Ik acht mij gelukkig mijnheer, zulk een oordeel uit uw mond te mogen vernemen.

—Wanneer ik aan u die verklaring geef, mijnheer, en tevens u mijn oordeel doe kennen, dan is dit omdat ik mij daartoe verplicht acht, doch tegelijk geef ik u de verzekering dat ik dien plicht met te grooter genoegen vervul, daar er nog altijd tusschen ons een oude rekening moet vereffend worden. Dit is zeker bij u uit het geheugen gegaan, dit kon ik verwachten, doch ik ben uw schuldenaar en dus de eerste die aan die schuld moet denken. Daarvoor is het nu juist het geschiktste oogenblik, want nu bestaat er voor mij gelegenheid mijn schuld aan u af te doen, en ik grijp die gaarne en zonder de minste aarzeling aan, wat daarvan ook voor mij de gevolgen mogen wezen.

—Mijnheer, ik weet volstrekt niet waarop door u gedoeld wordt!

—Ik daarentegen zeer goed, graaf, en dat is de hoofdzaak. Gij moet weten dat een dag of drie geleden mijn neef te Sint-Domingo gekomen is om mij uit uw naam een verklaring af te vragen. Dat is immers zoo?

—Zoo is het, mijnheer.

—Die opheldering heb ik hem niet geweigerd, doch daar het er op aan komt, dat die even duidelijk als onwederlegbaar zij, wilde ik die niet geven dan in uw bijzijn, overtuigd dat ik geen gevaar zou loopen door te uwent te komen. Mijn neef heeft, dit moet ik bekennen, getracht, zeker in mijn belang, mij van dit plan terug te houden, maar mijn besluit stond vast, en nu weet gij de reden van dit bezoek.

—Op mijn woord, mijnheer, gij zijt mij van harte welkom,—betuigde Montbars met ingenomenheid,—want gij handelt als een waar edelman.

—En nu,—hernam don Sancho na eene buiging voor Montbars,—verzoek ik u beiden, mijnheeren, een oogenblik naar mij te luisteren. Ziethier wat ik zou geantwoord hebben op de door mijn neef aan mij gestelde vragen, zoo ik er niet de voorkeur aan had gegeven om dit hier in uw beider tegenwoordigheid te doen. Ik roep God tot getuige en verklaar op mijn woord als edelman, dat wat ik nu ga zeggen de zuivere waarheid is. Don Gusman de Tudela is geen zoon van een zuster van mijn vader, den hertog de Penaflor; mijn vader had slechts ééne zuster, en die is op negentienjarigen leeftijd gestorven aan eene slepende ziekte in het Carmelietenklooster te Sevilla, waar zij zich had teruggetrokken. Mijn vader had ééne dochter, mijne zuster; die dochter is verdwenen tengevolge van een vreemd en geheimzinnig voorval, waarbij een Fransch edelman, de graaf de Barmont [11], betrokken was. Het is mogelijk dat don Gusman de zoon mijner zuster is, doch dit kan ik niet met zekerheid verklaren.

—Neef,—riep de jonge man uit, ten prooi aan eene geweldige ontroering.—Wat zegt gij daar! In ’s hemels naam!

—De waarheid, don Gusman.

—Hoe! De dochter van den hertog...

—Was wettig gehuwd met dien Franschen edelman, dat herhaal ik u. Mijn vader heeft haar van haar kind beroofd, nog eer zij dit den eersten kus kon geven. Vervolgd door een onrechtvaardigen haat van mijn vader, is het geluk van den graaf de Barmont vernietigd, zijn loopbaan verwoest, en hij eveneens verdwenen.

—Ach! Dat alles is te verschrikkelijk!—kreet de jonge man, die wanhopend zijne handen wrong.—En ik, ik, wie ben ik dan?

—Gij neef,—antwoordde don Sancho op waardigen toon,—gij zijt edel van karakter, dapper van aard, en in staat om wat er ook moge gebeuren, je een goede plaats in de wereld te veroveren.

—En daarin zal ik hem helpen!—betuigde de flibustier met opgewondenheid.

—Mijn God! Mijn God!—snikte de jonge man.—Wat dacht men dan van mij te maken?

—Dat heb ik je reeds gezegd, neef; men wilde je bezigen als een werktuig ter verkrijging van wraak en ter voldoening van haat jegens een man die onschuldig is en die recht heeft op al uw achting. Montbars is geen moordenaar, Montbars is geen verleider, doch al ware hij schuldig, dan hebt gij toch, dit herhaal ik je, het recht niet hem tot verantwoording te roepen, neef.

—Noem mij zóó niet meer, don Sancho! Wie weet of ik wel tot uwe familie behoor?

—Daarop kan ik geen ander antwoord geven, dan dat ik zeer aan je ben gehecht, dat ik je ken reeds sedert uwe kindsheid, en dat ik je altijd zal beschouwen als een mijner verwanten.

—Helaas!—uitte Montbars.—Kan de haat zoo ver gedreven worden?

—Dat blijkt u thans, graaf. Thans is door mij een heilige plicht vervuld; hoe mijn vader ook over mijn gedrag in deze omstandigheden moge denken, mijn geweten voelt zich gerustgesteld en ontheven van een drukkenden last. God moge mij oordeelen!

—Uw gedrag was niet anders dan door mij verwacht werd van een man zóó als gij, en ik betuig u mijn oprechten dank,—werd door Montbars gezegd.—Maar,—voegde hij er niet veel meer dan fluisterend bij,—kunt gij nu aan mij niet eenige meerdere inlichting geven?

—Daarmede zal eene andere persoon zich belasten,—werd even fluisterend geantwoord.

—Van dit oogenblik af, mijnheer, is die persoon mij heilig. God, Wiens macht onbegrensd is, zal genadiglijk vergunnen dat het haar gelukke te vergeten, eveneens als ik zelf alles vergeten zal.

—Thans is het aan mij, mijnheer, om in alle oprechtheid mijn dank toe te brengen, want door uwe laatste woorden maakt gij mij opnieuw tot uw schuldenaar.

Die beide mannen zoo groot van gemoed als van geest, drukten elkaar met ontroering de hand.

—En hij?—vroeg de markies en wees op den jongen man, die als verpletterd zijn gelaat in de handen verborg.

—Met hem belast ik mij.

—Arme jongen!—zuchtte don Sancho, die daarop naar don Gusman toetrad, en tegen hem zei met zachte, deelnemende stem:

—Moed gehouden, neef, zware rampen maken den mensch sterk! Waarom laat ge dus uw hoofd hangen, ge hebt het recht vrij om je heen te blikken, want gij, ge zijt evenmin een schuldige?

—Ach, neef, als gij alles wist...

—Gusman, ik weet alles; het noodlot heeft je vervolgd; ge hebt gehoorzaamd aan een wil, die de uwe niet was, en waaraan ge je niet hebt durven onttrekken. Laat je dus niet te erg terneerslaan.

—Wat te doen? O! God! Wat moet er van mij worden?!

—Twee wegen staan je open. Òf ge moet mij volgen, en dan, dit zweer ik je, zal ik als een goed bloedverwant voor je tegen en jegens allen partij trekken, òf ge moet hier blijven onder uwe nieuwe vrienden, en als ik het goed bedenk, dan geloof ik dat die nieuwe weg de beste voor je zou wezen.

—Neef, hoe zou ik dit durven wagen, na alles wat er is voorgevallen? Ben ik iets anders dan een ellendeling, een verrader, een... spion!!

Langzaam was Montbars naar hem toegekomen en drukte de hand op zijn schouder, terwijl hij hem daarbij met zachten drang toevoegde:

—Hef het hoofd op. Don Gusman de Tudela hoort tot het verledene en van nu af ken ik je alleen als Francoeur, de dappere Broeder der Kust.

—Hoe!—riep het jonge mensch uit.—Schenkt gij mij dan waarlijk vergiffenis daar gij die woorden spreekt?

—Men schenkt alleen vergiffenis aan schuldigen, en Francoeur kan dat niet zijn,—verklaarde Montbars ernstig.

—Neen, nooit!—riep Francoeur in vervoering.—Van dit oogenblik af, behoor ik je toe. Doe met mij wat gij wilt!

—Goed, mijn jongen! Droog uwe tranen, van nu af zult ge in mij een vader vinden.

Toen sloeg hij zijne armen open, met eene ontroering die bij iemand als hij iets zeer buitengewoons was. Francoeur wierp zich snikkend aan zijn borst, en lang duurde die innige omhelzing. Daarop deed zich een licht geraas aan de deur hooren, die zachtjes werd opengestooten; het bleeke en onderworpene gelaat van donna Clara vertoonde zich. Montbars ging regelrecht naar haar toe, nam haar bij de hand, en bracht haar verder de kamer in, die zij betrad, vreesachtig en beschroomd, maar toch met stille hoop.

—Francoeur,—sprak Montbars tot den jongen man,—zoo gij in mij een vader gevonden hebt, zie dan hier in haar eene voortreffelijke vrouw, die bij jou de plaats van eene moeder zal bekleeden. Heb haar lief alsof zij dit werkelijk was, want zij koestert voor jou eene onbegrensde liefde.

—Ja!—verklaarde zij met onuitsprekelijke ontroering,—gij zult mijn zoon zijn, ge zijt het reeds!

—Stil, Clara, stil,—waarschuwde Montbars goedhartig.—Ge moest je eens bedriegen.

—O!—uitte zij en zag hem aan met een dier blikken, die alles ophelderen.—Bedriegt eene moeder zich ooit?—en in de overmaat van haar geluk knelde zij den jongen man tegen haar hijgenden boezem.

—Zulk een zaligheid, na zulk eene vreeselijke smart,—juichte de jonge man.—God zij gedankt en geprezen!

—O, ja! Eere zij Zijn naam,—hernam donna Clara,—want Zijne rechtvaardigheid is onfeilbaar!

Montbars wist zich meer te beheerschen dan de overigen, en achtte het meer dan tijd dat aan dit tooneel een eind kwam.

—Duid het mij niet ten kwade, don Sancho,—sprak hij,—dat ik u al dien tijd schijn vergeten te hebben. Wij hebben alleen aan u dit zóó gelukkig oogenblik te danken, en trachten dit te verlengen als echte egoïsten, zonder te denken aan uw vrij gevaarlijken toestand hier in de stad, waar ge, buiten ons, ieder tot vijand hebt.

—Op mijn woord, waarde graaf,—gaf de markies ten antwoord met aantrekkelijke vroolijkheid,—door uw geluk ben ik eveneens in eene stemming gekomen om alles om mij heen te kunnen vergeten, maar toch moet ik u bekennen dat ook ik geloof dat het hoog tijd voor mij wordt om te maken dat ik weg kom. Ik voel mij hier lang niet op mijn gemak en had er een lief ding voor over om er uit te komen zooals ik er in gekomen ben, zelfs op gevaar van voor een lafaard door te gaan. Als dus mijne oude kennis Birbomono nog eens mijn gids zou willen zijn, dan neem ik hartelijk graag zijne hulp aan, om daardoor uit de verlegenheid te geraken.

—Ik stel mij tot uwe orders, señor markies,—antwoordde de mayordomo die inmiddels was binnen gekomen.—Wij kunnen vertrekken, zoodra dit door u verlangd wordt.

—Dan liefst dadelijk, vive Dios! want het is of hier de grond onder mijne voeten brandt!

—Vaarwel dan, don Sancho,—sprak Montbars.—Het spijt mij dat wij moeten scheiden, want ik voel mij zeer aan u gehecht, maar wij staan tegenover elkaar in zulk eene moeielijke verhouding, dat de beste wensch dien ik u kan toevoegen, mijns inziens hierin moet bestaan, dat wij elkaar nooit meer ontmoeten.

—Wij zijn in vroegere dagen nog eens gescheiden met een dergelijk door u gebezigd woord, en toch hebben wij elkaar nu wedergezien.

—Dat is zoo, doch wie weet wat hierna zal gebeuren!

—Een enkel woord nog, mijnheer.

—En dat is?

—Mijn vader?

—Opzoeken zal ik hem niet; dit is alles wat ik u kan beloven. Doch God verhoede dat ik hem op mijn weg ontmoete!

—Het zij zoo! Vaarwel! Na die belofte vertrek ik geruster. Houd goeden moed, neef, en vergeet mij niet.—Bij die woorden omhelsde hij den jongen man hartelijk.

—Birbomono, aan uwe goede zorgen vertrouw ik den markies toe.

—Ik sta in voor de veiligheid van den markies, señor.

—Nog eens, vaarwel! kom mee, Francoeur.

De jonge man volgde Montbars; zij verlieten de zaal, en lieten den broeder en de zuster achter, met den trouwen mayordomo. Zoodra zij in het salon waren, sprak Montbars.

—Droog uwe oogen af, Francoeur, herstel je, en toon mij dat ge een man zijt, want zij aan wie ik je nu ga voorstellen, en die van nu af uwe broeders moeten blijven, zijn mannen in den waren zin van dit woord.

Montbars schoof den grendel weg, deed de deur open en beiden traden in de slaapkamer, waar de drie vrijbuiters met elkaar zaten te praten.

—Neem het mij niet kwalijk, broeders, dat ik je zóó lang heb laten wachten; hier ben ik eindelijk,—zei Montbars.

—Ei, kijk!—riep Grammont.—Daar is mijn maat, wie ik al sinds eene week gezocht heb! Wat drommel, kerel, waar hebt ge gezeten?

Montbars haastte zich daarop te antwoorden, en te zeggen:—Ik had hem eene geheime zending toevertrouwd.

—O! dat is iets anders, dan heb ik er niets op aan te merken.

—Broeders,—hernam Montbars,—Francoeur zal mijn vlagofficier zijn. Wil dus, wat ik je verzoek, hem als zoodanig erkennen.

De vrijbuiters, die veel met den jongman ophadden, wenschten hem geluk, dat hij door Montbars gekozen was ter vervulling van eene zeer gewaardeerde betrekking, waarop reeds menigeen doch steeds vergeefs gevlast had; en na eenige oogenblikken hervatte men het ernstige onderhoud dat zoo onverhoeds door de onvoorziene terugkomst van Birbomono was afgebroken.

XVI.

HET ADMIRAALSSCHIP „DE TIJGER”.

De vloot der flibustiers was sinds een paar dagen onder zeil; slechts één enkel schip lag nog op de nu verlatene reede van Port-de-Paix voor anker; op dit schip, iets meer naar zee vast gemeerd aan een dood lichaam, waren de marszeilen geheschen, de onderzeilen hingen los, en het was dus in staat om op het eerste signaal ook onder zeil te gaan.

Dat schip was van geringe tonnenmaat, en bewapend met niet meer dan vier kleine ijzeren kanonnen; het had volstrekt geen geducht voorkomen, terwijl de logge en zware vorm deed vermoeden dat het in Holland gebouwd was. Toch was deze bodem door Montbars gekozen om de Admiraalsvlag te voeren. Hoe men hem ook had aangeraden zich op een ander in te schepen flinker en solider van bouw, sterker bewapend, en vooral beter zeiler, toch was hij van dit besluit niet af te brengen; op al de gemaakte bedenkingen, had hij geantwoord, dat de goede schepen door zijne vrienden zouden worden bezet, dat hij zorgen zou niet te laat op de plaats der bijeenkomst te verschijnen, en dat men zich over hem niet ongerust behoefde te maken, daar hij voor die keuze bijzondere redenen had.

De overige vrijbuiters en zelfs de heer d’Ogeron begrepen dat verdere aanmerkingen niets zouden uitwerken, en het dus het beste was hem zijn eigen zin te laten volgen, daarbij tevens als zeker aannemend, dat de vermaarde flibustier achter die schijnbare zelfverloochening meer dan waarschijnlijk een of ander stout waagstuk verborgen hield, te meer daar zij hadden opgemerkt, dat Montbars, mocht hij zich ook al tamelijk onverschillig toonen over de meer of minder goede hoedanigheid van zijn schip, des te moeielijker te voldoen was wat de bemanning betrof, die eerst na lang wikken en wegen werd te zamen gebracht en bestond uit tweehonderd manschappen, die door hem zelf, om het zoo eens uit te drukken, uitgepikt waren uit de meest beroemde flibustiers.

Doch wat er van dit alles zijn mocht, op den dag waarover wij het nu hebben, gaf Montbars aan zijn vlagofficier Francoeur, ’s ochtends tusschen zeven en acht uur de laatste orders; Francoeur stapte toen in een sloep, vergezeld door donna Clara en Birbomono, die verzocht hadden aan de expeditie deel te mogen nemen, om de gewonden te verbinden en te verplegen, iets wat hun was toegestaan, ondanks de uitdrukkelijke bepaling van de wet, waarbij de toelating van vrouwen op de schepen der vrijbuiters verboden was; daarna verliet Montbars het logement, en stapte naar het havenhoofd.

Iemand gekleed als boekanier, met zijn pijp tusschen de tanden en de handen op zijn rug, liep op de havendam op en neer en keek nu en dan met een blik van ware voldoening naar een ranken schooner, die op een paar kabellengten van het havenhoofd lag te wiegelen. Nu moet dan ook erkend worden, dat die slanke schooner, vlak op het water liggend, goed en netjes afgewerkt, een juweel van een schip was, waard om door een kenner in alle deelen te worden opgenomen. Ook de man, met wien wij ons nu bezig hebben te houden, was zóó verdiept in die beschouwing, dat hij Montbars niet eens hoorde naderen, en eerst toen deze vrij onzacht de hand op zijn schouder deed neerkomen, gewaar werd dat de vrijbuiter achter hem stond.

—Hei, hei! Schipper! Slaapt ge bijgeval?—vroeg Montbars.

—Neen, neen, señor!—werd haastig geantwoord en even gauw den hoed tot groet afgenomen.—Ik keek maar naar mijn brigantijn.

—Zoo! Nu, kom eens een eindje hierheen,—hernam Montbars,—want wij hebben samen nog eene rekening te vereffenen.

—Och, caballero, dat heeft al den tijd,—luidde het flikflooiend antwoord.

—Toch niet, daar is integendeel veel haast bij, want ge moet binnen een half uur vertrokken zijn.

—Ik zal vertrekken zoodra gij dit verlangt, señor.

—En hoe eerder hoe liever, niet waar?—vroeg de vrijbuiter op sarrenden toon.—Ge zijt hier toch zeker niet erg op uw gemak, is het wel?

—Señor, ik ducht hier niets, sinds gij mij uwe bescherming hebt toegezegd.

—Dat heb ik, doch zooals ge weet op zekere voorwaarden, die ge je zeker nog wel herinneren zult.

—Zeker, señor, zeker, en ik blijf bereid aan die voorwaarden op loyale wijze te voldoen.

—Hum!—deed Montbars hooren.—Genoeg daarover, wij zullen het er maar voor houden, dat ge op dit oogenblik twee pannetjes te vuur houdt, schipper Aguirre.

—Señor!—stamelde de ander verbleekende.

—Natuurlijk, want de Spanjaarden betalen je om ons te bespionneeren, en ik van mijn kant geef je geld om bij de Spanjaarden den spion te spelen, maar dat doet er nu niet toe. Wees dus maar niet ongerust, schipper Aguirre, de zaken zullen beter voor je afloopen dan gij wel denkt. Maar nu ter zake. Waarin bestaan de inlichtingen die je aan Francoeur moest overbrengen?

—Heeft hij je dan gezegd...?—viel de schipper uit, verbaasd en doodelijk ongerust.

—Alles,—vulde Montbars aan.—Volg nu mijn raad, en spartel niet langer tegen, ik herhaal en verzeker je, dat de zaken dan goed voor je zullen afloopen.

—Nu, señor, het betreft eene zeer ernstige zaak.

—Zoo, en waarin bestaat die?

—Señor, een Spaansch fregat, bemand met driehonderd flinke kerels, en bewapend met zes-en-veertig stukken, heeft last ontvangen het Schildpaddeneiland te overrompelen.

—Zoo, en waar ligt op dit oogenblik dat fregat geankerd?

—Aan de Rio Efferra, señor, op de Westkust van Cuba.

—Goed, ik ken die plek.

—De door den Gouverneur van Cuba genomen maatregelen zijn zeer kras. Vier goed uitgeruste brigantijnen moeten zich bij dat fregat voegen om aan die ladrones.... O! neem mij niet kwalijk! ik meen om aan de flibustiers alle hoop om zulk een macht te kunnen wederstaan, te benemen.

—Dat is zeer goed bedacht! En waar zijn nu die brigantijnen?

—Voor anker te Puerto del Principe op de zuidkust van Cuba, maar zij kunnen ieder oogenblik onder zeil gaan, om zich bij het fregat, dat op hen wacht te voegen en dan gezamenlijk tot den aanval over te gaan.