Part 14
—Is dit alles, schipper Aguirre? Hebt ge niets vergeten?
—Nog slechts één ding, señor. Maar waarlijk, ik durf u dit bijna niet te zeggen.
—Kom, kom, ga je gang maar man, ’t komt er nu op een beetje meer niet op aan.
—Querido, señor,—luidde het antwoord, met ietwat bevende stem.—Vergeet niet dat gij mij dwingt tot spreken.
—Ja, ja! spreek op!
—Welnu, señor, de Spanjaarden zijn er zoo zeker van dat de vrijbuiters den dans niet kunnen ontspringen en zoo vast besloten hun geen genade te verleenen, dat op uitdrukkelijken last van den Gouverneur aan boord van het fregat een negerslaaf is ingescheept om, na de overwinning, de functie van beul waar te nemen.
—Wel verduiveld, die heeren Spanjaarden denken aan alles,—spotte Montbars,—en nemen vroeg voorzorgen. Is er nu nog iets?
—Niets, señor! zoo waar als ik eens in den hemel hoop te komen!
—Goed, maar zoo ge mij bedriegt, al waart ge dan ook in plaats van in den hemel, in de hel, dan zal ik u ook dáár weten te vinden.
—Ik zal er wel voor zorgen, señor.
—Luister nu goed. Ge wordt door den Onder-Koning van Mexico betaalt om ons te spionneeren. Daar is niets tegen te zeggen. Ge moet dadelijk het anker lichten en onder zeil gaan naar Vera-Cruz, verstaat ge mij?
—Ja, señor, de Onder-Koning bevindt zich juist nu dáár.
—Des te beter. Ge moet hem zeggen, en ik voorspel dat hij je daarvoor ruim zal beloonen want de zaak is dat wel waard, dat een sterke vloot, bemand met twee duizend flibustiers, onder bevel van Montbars den Verdelger kruisende is voor het gouden Castilië, tusschen de golf van Dariën en die van Venezuela, met het doel eene landing te beproeven en een der havens aan de kust te overweldigen.
—Nu gij dat begeert, señor, zal ik dit zeggen.
—Ik eisch het zelfs, doch zorg er goed voor, schipper Aguirre, dat ge open spel met mij speelt, want het minste verraad zou je duur te staan komen. En buitendien daar de berichten die gij hebt over te brengen waarheid behelzen, zult ge dus daarmee aan uw land en aan den Onder-Koning een grooten dienst bewijzen en als ge die taak uit dit oogpunt beschouwt, zal die voor je verre van onaangenaam zijn, maar bovendien zeer voordeelig voor hen, want ieder werk moet betaald worden, en daarom pak aan, hier hebt ge al vast iets op rekening, en zoo ik tevreden ben over de manier waarop ge je zending vervult, dan zal het daarbij niet blijven.
En hij liet eene zware beurs met goud in de hand vallen, die schipper Aguirre hem angstvallig toestak.
—En nu genoeg, tot weerziens,—hernam Montbars,—en dat de duivel je bescherme!
Bij die godslasterlijke woorden maakte de Spanjaard het teeken des kruises; Montbars keerde hem lachend den rug toe, liet hem staan, en begaf zich naar den heer d’Ogeron, die hem te gemoet kwam. Een oogenblik bleef schipper Aguirre verbluft over zulk een zonderling afscheid van den vrijbuiter, doch spoedig herstelde hij zich, stak de goed gevulde beurs in zijn zak, stapte in eene prauw, die voor hem klaar lag, en roeide snel naar zijn schip, bij zich zelf zeggende:—Ja, verwenschte ladron, ge kunt er op aan dat ik niet te kort zal schieten in die zending, moogt ge daardoor eindelijk de gerechte straf ondergaan voor al uwe misdaden.
Kort daarna werden van de brigantijn de ankers geligt en het schip naar volle zee gekoerst.
De heer d’Ogeron wilde Montbars niet laten vertrekken zonder hartelijk afscheid te nemen en de laatste wenschen uit te spreken voor het goede succes van de zóó gevaarlijke onderneming. Na een druk gesprek van eenige oogenblikken drukten de beide heeren elkaar welmeenend de hand en scheidden daarna. Montbars stapte in een boot die hem naar boord bracht, en de heer d’Ogeron bleef onbeweeglijk op het uiterste van den havendam staan, daar hij zich niet wilde verwijderen eer het schip onder zeil was. Daarop behoefde hij niet lang te wachten, nauwelijks toch had Montbars den voet op het dek gezet of de marszeilen werden allen tegelijk bijgehaald, de meertouwen gekapt, de raas gericht, en toen helde het schip naar bakboord over, viel af, en schoot vooruit, waardoor de onderzeilen vol liepen; daarop verwijderde het zich met snelle vaart, geholpen door een flinke bries uit het Zuid-Zuid-Westen. Ondanks het logge en zware voorkomen had de Tijger, dit was de naam van het schip, toch goede eigenschappen, en daartoe hoorde, dat het een flinke zeiler was, goed zee kon houden en vrij wat doek kon verdragen.
De kusten van Hispaniola waren weldra door de nevels van den horizont uit het gezicht geraakt, en de Tijger bevond zich nu in volle zee. Toen gaf Montbars aan zijn vlagofficier den koers op, en daalde af naar zijn kajuit, na gelast te hebben dat men hem dadelijk moest waarschuwen, zoo men iets bijzonders gewaar werd. De eerste zorg van den Admiraal, na een vluchtigen blik door het vertrek voor hem persoonlijk bestemd, was eene nauwkeurige inspectie over de gansche inrichting van het schip. Francoeur, die uitsluitend daarmee belast was geweest, had zich van die taak als een hoogst ervaren officier gekweten. Montbars had niets aan te merken, en vond alles overal in uitstekende orde.
Twee hutten in den achtersteven aan bakboordszij, niet ver van het verblijf van den admiraal en dicht bij de hut van Francoeur, waren bestemd en ingericht voor donna Clara en haar getrouwen Birbomono. Zij beidden hadden reeds bezit genomen van hun niet zeer ruim verblijf en vonden zich daar als te huis.
’s Avonds tegen zonsondergang gaf Montbars bevel dat de gansche equipage op het dek bijeen moest komen. De manschappen voldeden daaraan terstond, want zij waren overtuigd dat hun bevelhebber hun de eene of andere zeer gewichtige mededeeling zou doen. En daarin werden zij niet teleurgesteld, want toen zij op het dek, even vóór den grooten mast in het gelid stonden, besteeg de admiraal het halfdek, en wierp eerst een blik van voldoening op hunne krachtige gestalten, met gezichten gehard en gebruind door wind en weer, regen en zon. Daarop begon hij te spreken met kort afgebroken doch zoo klankvolle stem, dat die, schijnbaar zonder eenige moeite, uitkwam boven het geraas der golven die tegen het schip sloegen, en den wind die door het want gierde.
—Broeders,—dus begon hij,—ik heb je bij een gebracht voor eene expeditie, die ons roem en voordeel zal bezorgen, want mijn doel is om een der rijkste stapelplaatsen der Spanjaarden op de kust van het vaste land te overvallen. Om die expeditie, waar toe de grootste krachtsinspanning wordt vereischt, volkomen te doen gelukken, heb ik mij genoodzaakt gezien verscheidene schepen uit te rusten en al de Broeders der Kust op te roepen, zoowel uit Leogana als van Groot- en Klein-Goava. Te Port-de-Paix en Port-Margot blijven niet anders achter dan de bewoners en enkele boekaniers. Hoe dapper die bewoners en die boekaniers mogen zijn, toch zouden zij, klein in getal als zij zijn, het onderspit moeten delven zoo zij flink werden aangevallen. Nu heb ik, juist toen ik op het punt stond hier aan boord te komen, vernomen dat de Spanjaarden gebruik willen maken van onze afwezigheid om onze stellingen ginds aan te tasten. Zullen wij onze broeders dáár laten vermoorden?
—Neen! Neen!—schreeuwden de vrijbuiters en zwaaiden met hunne wapens.—Er op los! Er op los!
Met één enkelen wenk gebood Montbars stilte, en dadelijk zwegen allen.
—Ik weet waar de gavachos zich op dit oogenblik verborgen houden; niet ver van hier ligt een fregat gereed, zij vermoeden niet dat wij zoo dicht bij hen zijn, en dus, broeders, zoo gij het wilt, zullen wij de armzalige klomp waarop wij nu zwalken, verruilen voor een waardig Admiraalsschip.
Een oogenblik werd de toespraak afgebroken door een licht rumoer ontstaan door algemeene opgewondenheid.
—Zij wanen zich zoo zeker van hunne zaak dat aan boord van dit fregat een beul is aangenomen, opzettelijk met het doel om onze broeders te onthalzen [12].
—Dood aan de gavachos!—brulde de equipage.
—Laat ons hen dan overvallen, ons op hen wreken en onze broeders redden!—riep Montbars hen toe.—Wilt gij mij volgen?
—Ja, ja! Leve Montbars!
—Goed, broeders, ik had dit van je verwacht en reken op je. Dit beloof ik je, dat het niet lang zal duren, of wij gaan met hen aan den dans.
Het gejuich en de hoera’s werden vernieuwd. Montbars verliet het halfdek; hij had zijn doel bereikt, en wist nu dat hij naar willekeur kon beschikken over al die mannen, die zich op de eersten wenk van hem zouden laten dooden.
Nog twee dagen hield men den zelfden koers, echter goed zorgende om ver genoeg uit de kust te blijven en niet bemerkt te worden uit een der Spaansche wachttorens, waar steeds scherp uitkijk werd in acht genomen. Den derden dag tegen twee uur ’s morgens gaf Montbars order om bij te leggen. Er was niet veel wind, met kalme zee en zonder erge afdrijving. Men bevond zich toen kort onder den wind bij de rivier Efferra. Twee booten werden op last van Montbars zoo stil mogelijk te water gelaten. Honderd-vijftig manschappen namen daarin plaats, daarop hielden de vaartuigen af, en wendden den boeg naar de kust.
De riemen waren vooraf met werk omwoeld, de booten werden in snelle vaart gebracht, zonder daardoor veel geraas te maken en lieten de brigantijn in de volle ruimte achter, om, in afwachting hunner terugkomst, onder bevel van Francoeur te blijven laveeren.
Na ongeveer een paar uren roeiens kwam men aan de monding der rivier. Toen scheidden de beide booten, de eene hield op den rechter, de andere op den linker oever aan. Zij gleden in stilte voort onder de zwaar getakte wortelboomen, die aan weerskanten van den oever stonden, en voeren bijna ter lengte van een mijl den stroom op. Op een sein van Montbars had de ontscheping plaats onder de grootst mogelijke stilte, de manschappen gingen plat op den grond liggen achter de twee booten, die dus dienst deden als verschansing, met den vinger aan den trekker van hun geweer, om gereed te zijn bij iedere gebeurtenis, en zóó wachten zij het aanbreken van den dag af.
Even na zonsopgang werden zij zeer dicht bij hen, iets verder de rivier op, het Spaansche fregat gewaar dat zich gereedmaakte onder zeil te gaan. Dit fregat was een prachtig schip zooals in die dagen trouwens de meeste schepen der Spaansche marine waren. Niet meer dan een half jaar was er verloopen sinds het op een der werven van Cadix was afgebouwd, en het deed nu zijn eerste reis naar de kust. Montbars trilde van vreugd toen hij het schip in het oog kreeg, immers bleek nu dat schipper Aguirre hem niet bedroog, en de admiraal zulk een spoed had gemaakt, dat de vier brigantijnen, die deel moesten nemen aan den tocht, geen tijd hadden gehad zich bij het fregat te voegen; dit schip was dus nog alléén.
De flibustiers hielden met het grootste ongeduld hun oog er op gevestigd; eindelijk werd het als overdekt met zeilen en stond op het punt om uit te loopen. De Spanjaarden stonden, zonder eenig kwaad vermoeden, in groepjes op het dek, in bewondering over de mooie groene en belommerde oevers waartusschen zij zeilden. Op eens, juist op het oogenblik toen het fregat zich bevond tusschen de beide lijnen der hinderlagen, deed Montbars een kreet hooren. Terstond daarop knalde knetterend een salvo op zoo korten afstand afgevuurd, dat bijna door ieder schot een slachtoffer viel, dank ook de onvergelijkelijke behendigheid der vrijbuiters. Geen wonder dat na zulk eene onverwachte begroeting de grootste wanorde heerschte op het dek van het rampzalige schip; toch snelden kort daarop de kanonniers naar hunne stukken, en begonnen zij op de struiken het schroot als een hagelbui te doen neerkomen, doch daar de vrijbuiters buiten het gezicht en zich schuil hielden, was het geheel en al vergeefs dat van het fregat op hen geschoten werd, en slechts nuttelooze verspilling van de munitie. Met verbazende behendigheid voerde Montbars zijn manschappen langs de oevers, steeds het juiste oogenblik aangevend waarop zij plat op den grond moesten gaan liggen om het vuur der Spanjaarden te ontwijken, en toch er voor zorgend dat hunne schoten onafgebroken knalden. Op die manier werd het gevecht vijf uren lang volgehouden zonder dat door de vrijbuiters één man werd verloren, wat alleen te danken was aan de afdoende voorzorgen van hun bevelhebber. Tegen den vollen middag begon Montbars te bemerken, dat het vuur der Spanjaarden verzwakte; slechts enkele soldaten vertoonden zich nog op het dek; het bloed vloot met stroomen uit de spuigaten, en de vrijbuiter begreep dat nu het oogenblik om een eind aan de zaak te maken gekomen was.
—Enteren, broeders!—gelastte hij, en was de eerste die in zijn boot sprong.
—Enteren! Enteren!—brulden de vrijbuiters en sprongen hem achterna.
In een oogwenk was men bij het fregat, dat door hen aan alle zijden te gelijk werd aangevallen, daar zij het overal besprongen, beklommen, of er krampachtig tegen opklauterden. Ondanks de zware verliezen die de Spanjaarden hadden ondergaan, boden zij heldhaftig wederstand en verdedigden zich voet voor voet op hun terrein, maar, wijkend voor de overmacht en den schrik, overweldigd bij het zien van die zoo gevreesde flibustiers die als onoverwinbaar werden beschouwd, duurde het slechts kort eer zij genoodzaakt werden het dek te ontruimen, en een toevlucht te zoeken in het ruim, waar nog eenige oogenblikken een strijd werd doorgezet, die als geheel nutteloos kon worden beschouwd.
—Geen kwartier geven!—donderde Montbars hun toe.
—Geen kwartier!—herhaalden de vrijbuiters, en toen ving eene vreeselijke slachting aan. Op dat oogenblik snelde een neger toe, en viel, half dood van angst, voor den Admiraal op de knieën.
—Wie zijt ge?—werd hem door Montbars gevraagd.
—De beul,—luidde het snikkende antwoord.
—O! Zoo!—riep Montbars met daverende stem.—Broeders, hier is de beul aan wien door den Gouverneur van Havannah was opgedragen je te onthoofden. Dit is immers waar, ellendeling?
—Helaas, ja! Señor kapitein.
—Welnu! Dan zult ge bij den hemel! je taak vervullen! Broeders, brengt de gevangenen hier.
Toen viel er op het bloedige dek van het schip een afgrijselijk tooneel voor. Al de Spaansche gevangenen werden vlak bij den grooten mast gebracht, waar men hen dwong te knielen, terwijl de vrijbuiters hen omringden.
—Hier, pak aan,—gelastte Montbars aan den neger, wien hij een bijl toestak—die lieden zijn veroordeeld, begin je werk.
De slachting nam een aanvang; de beul onthoofde al de gevangenen, tot op één na.
—Houd op,—beval Montbars, die met hardvochtig oog dit moordtooneel had gadegeslagen.—Ik schenk je genade,—voegde hij den laatsten gevangene toe,—mits dat je dien man doodt, die al je vrienden heeft onthoofd.
De gevangene sprong als een tijger toe, wierp zich op den overbluften beul, vatte de bijl uit diens hand en deed met één enkelen slag het hoofd van den romp vliegen. De neger viel als een blok op die massa lijken der mannen die door hem waren vermoord.
—Zoo is het goed!—hernam Montbars.—Ge zijt vrij en kunt gaan, maar neen,—wacht nog even.
Daarop haalde hij een zakboekje voor den dag, scheurde er een blaadje uit, en schreef daarop met bloed, de gebeurtenissen die hadden plaats gehad; toen gaf hij die zonderlinge depêche aan den gevangene, die zich meer dood dan levend waande, en zei:—Breng dit papier aan den Gouverneur van Cuba en vertel hem de straf, die Montbars den Verdelger heeft voltrokken aan den beul dien hij voor hem bestemd had. Ga heen!
De gevangene werd toen in een boot gezet, die de vrijbuiters hem afstonden, en spoedde zich naar land, half krankzinnig van angst en wanhoop. Maar de taak waarmede Montbars zich had belast was hiermede nog niet voltooid. De lijken der Spanjaarden werden over boord gegooid, het dek afgespoeld en afgedwijld zoo goed als kwaad dit ging, daarna de zeilen gesteld, en eindelijk liep toen het schip in zee; doch in plaats van de ruimte te kiezen, wat door de vrijbuiters werd verwacht, gaf de admiraal last dat men langs de kust moest houden.
Tegen vier ure ’s namiddags kwam het fregat met volle zeilen op de reede van Puerto-del-Principe aan. De vier brigantijnen lagen daar nog ten anker. Montbars liet hen aanvallen. De Spanjaarden zoo onverwachts en onverhoeds overvallen, boden slechts geringen wederstand en binnen een half uur waren die vier brigantijnen door de vrijbuiters overmeesterd. Die vaartuigen waren knappe schepen, goed bewapend en genoegzaam nieuw; doch ongelukkig had Montbars geen volk genoeg om die te bemannen, en daarenboven moest hij zich haasten, want in de stad werd de alarmklok geluid, het volk liep te wapen, en begon zich reeds op den oever te verzamelen.
Montbars gaf last om de kostbaarste zaken uit de buit gemaakte schepen weg te voeren, en toen die alle aan boord van het fregat waren gebracht, werden de brigantijnen lek gestooten en in den grond geboord met hunne gansche bemanning die op het dek gekluisterd lag.
—Ziezoo!—uitte toen de flibustier met onheilspellenden glimlach.—Nu hebben wij onze broeders gered, en kunnen er gerust toe overgaan aan ons zelven te denken, en ons met nuttiger zaken bezig te houden.
De vrijbuiters wendden het fregat een paar keeren en losten telkens de volle laag op de talrijke menigte langs den oever; daarna kozen zij de ruimte vervolgd door de machtelooze wanhoopskreten van hunne doodelijk verschrikte vijanden. Tegen ongeveer zeven ure ’s avonds, voegde het fregat zich bij den Tijger die nog altijd laveerde op korten afstand van de kust. Montbars wilde zich zeker niet aan donna Clara vertoonen met handen als het ware nog rookend en rood door het bloed harer rampzalige landgenooten, die zoo onbarmhartig door hem om het leven waren gebracht, en droeg dus het bevel over den Tijger aan Francoeur over, hem bijzonder op het hart drukkende donna Clara met de grootste voorkomendheid en den meesten eerbied te behandelen. Vijftien manschappen deed hij op den Tijger overgaan tot versterking der bemanning, en hijzelf bleef op het fregat, aan welks grooten mast nu de admiraalsvlag werd geheschen.
Na het nemen van al die verschillende schikkingen hielden de beide schepen denzelfden koers, in de richting van het eiland Aruba, dat door Montbars als verzamelplaats voor de gansche vloot was aangewezen, en waar dan ook naar alle waarschijnlijkheid de overige schepen reeds zouden zijn aangekomen.
De overrompeling met zooveel stoutmoedigheid door den geduchten flibustier ten uitvoer gebracht, deed den Spanjaard als het ware van schrik verstijven en had in de toekomst ontzettende gevolgen.
XVII.
DE RAAD DER FLIBUSTIERS.
Wij hebben reeds in een der voorgaande hoofdstukken medegedeeld, bij eene beschrijving van de golf van Maracaïbo of Maracaye zoo als de flibustiers haar noemden, dat tien of twaalf mijlen zeewaarts bij den ingang van de golf verscheidene eilandjes liggen, onder anderen Aruba, en las Monjes. Die beide eilandjes, vroeger aan de Spanjaarden onderworpen, waren bevolkt door Indianen, die de Castiliaansche taal spraken, doch thans onderhoorig waren aan de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, die na de verovering van Curaçao over die eilanden gouverneurs aangesteld en er garnizoen gelegd hadden, niet zoozeer om de vruchtbaarheid dier streken, want nauwelijks werd daar genoegzaam voedsel gewonnen voor de geiten en paarden die er in groot aantal aanwezig waren, maar meer omdat zij dienden als marktplaatsen voor den uitgebreiden slavenhandel die tusschen de Spanjaarden en de Hollanders gedreven werd.
Vijf-en-dertig dagen na hun vertrek uit Port-de-Paix waren al de schepen der vrijbuiters zonder eenige uitzondering vereenigd bij het eiland Aruba, waar de bijeenkomst op last van Montbars moest plaats hebben. Zoodra Morgan bij het eiland was aangekomen, bestond zijne eerste werkzaamheid in de overmeestering daarvan; daarna deed hij al de booten en prauwen der bewoners lek stooten, om hen te beletten zee te kiezen, en zette op al de toegankelijke plekken der kust posten op den uitkijk. Daar het door die verstandige voorzorgen voor ieder der bewoners zoo goed als onmogelijk was geworden om het eiland te verlaten en elders hulp te gaan zoeken, was de veiligheid der vrijbuiters voor het oogenblik ten minste genoegzaam verzekerd, en konden zij er bijna vast op rekenen, dat hunne tegenwoordigheid in deze streken niet bekend zou worden dan op het tijdstip waarop zij goed zouden vinden zelf daarvan het bewijs te leveren.
Montbars wachtte op de komst der gezagvoerders, die hij allen bij zich aan boord ontboden had; over de verschansing leunend dwaalde zijn oog over het water en peinzend keek hij naar een boot die van den Tijger was afgevaren en recht op het fregat aanhield. Drie personen zaten achterin, eene daarvan was eene vrouw, en zoodra Montbars haar gewaar werd, betrok zijn gelaat waarop, schoon niet zeer merkbaar, toch een meer of minder ontevredene trek te voorschijn kwam; echter slaagde hij er in dien te doen verdwijnen en ging met een glimlach om de lippen naar den valreep aan stuurboord om het gezelschap te ontvangen dat met de boot langs zij van het fregat was gekomen. Na de gebruikelijke begroetingen begon Francoeur op hoogst eerbiedigen toon.
—Admiraal, door mevrouw is aan mij hare begeerte te kennen gegeven zich aan boord van uw schip te begeven, en ik heb gemeend mij niet tegen dit bezoek te mogen verzetten, vooral ook, omdat mevrouw verlangt een onderhoud met u te hebben.
—Gij hebt er zeer goed aangedaan door mevrouw mede te brengen, kapitein. Het doet mij zeer veel genoegen haar hier te zien, en ik stel mij geheel te harer beschikking; alleen spijt het mij dat mevrouw geen gelegener uur heeft gekozen dan dit, daar mijne plichten mij op dit oogenblik verhinderen, zoo lang en ongestoord met haar in gesprek te blijven, als ik wel zou wenschen.
—Ik heb al den tijd te wachten, mijnheer,—werd door haar ten antwoord gegeven,—tot uwe bezigheden u zullen veroorloven mij een onderhoud toe te staan. Zoo gij mij dat vergunt, zal ik hier blijven tot de vergadering, die door u gepresideerd moet worden, afgeloopen is, daarna keer ik met de boot waarmee ik hierheen ben gekomen, weer terug naar den Tijger, en dus zal toch het vertrek van den kapitein niet al te lang worden vertraagd, want ik heb u slechts een paar zaken mede te deelen.
—Uwe begeerten, mevrouw, beschouw ik als bevelen,—hernam Montbars, en liet daarop volgen terwijl hij den arm naar de zee uitstrekte, die over eene zekere ruimte als bedekt was met booten die alle op het fregat aanhielden,—doch gij ziet, mevrouw, dat het mij, hoezeer dit mij spijt, op dit oogenblik onmogelijk is om met u te spreken, want daar ziet gij mijne officieren die op mijn last hier aan boord komen. Wees dus zoo goed en doe mij de eer tijdelijk gebruik te willen maken van mijne bijzondere kajuit; zoodra ik vrij ben zal ik mij haasten, dáár bij u te komen.
Donna Clara boog, tot bewijs van instemming met dit voorstel, groette Francoeur, en volgde een scheepsjongen aan wien door Montbars was gelast haar den weg naar zijn kajuit te wijzen.