Part 15
De sloepen kwamen langs zij van het fregat, en de kapiteins bestegen achtereenvolgens het dek, waar zij ontvangen werden met de militaire eerbewijzingen, die bij de marine van alle landen in zwang zijn, waar het geldt officieren van hoogen rang. Montbars stond bij den valreep, drukte de hand van zijne kameraden en wisselde met hen eenige vriendschappelijke woorden, zoodra zij hun voet op het dek hadden gezet. De officieren begaven zich naar het vertrek dat ingericht was tot vergaderplaats van den raad; twee vrijbuiters, met het geweer bij den voet, stonden op wacht bij de deur, om te zorgen dat de bijeenkomst ongestoord blijven, en niets van de beraadslaging bekend zou worden. Eene ronde tafel met een groen kleed stond in het midden en daar om heen waren zetels geplaatst. Er waren vijftien kapiteins tegenwoordig, allen gezagvoerders van de schepen waaruit de vloot bestond, en allen behoorende tot de meest in aanzien zijnde aanvoerders der flibustiers. Reeds vroeger zijn hunne namen door ons vermeld. Montbars presideerde, daarin bijgestaan door Morgan. Francoeur, als de jongste fungeerde als secretaris; vóór den zetel, dien hij moest innemen, waren papier, pennen en inkt geplaatst. Op een wenk van den Admiraal namen de officieren plaats.
De wetten der vrijbuiters waren kort en duidelijk; onder meer werd daarbij bepaald, dat als eene expeditie werd uitgerust waarbij de gezagvoerder slechts één schip onder zijn bevel had, geen besluit door hem mocht genomen worden dan na toestemming zijner equipage, daar al de leden daarvan beschouwd werden als zijne mededeelhebbers, die even veel belang bij het goede succes der expeditie hadden als hij zelf en bij gevolg ook recht, stem in den raad te hebben. Ieder voorstel dat ter tafel werd gebracht, moest met algemeene stemmen worden aangenomen, anders werd het geacht verworpen te zijn, terwijl het aan den voorsteller verboden bleef zich daardoor beleedigd te toonen.
Ingeval echter dat er spraak was van eene meer gewichtige expeditie, als die welke thans door de vrijbuiters zou ondernomen worden, luidden die bepalingen eenigszins anders, in zoo verre namelijk dat de equipages der verschillende schepen geacht werden hunne rechten te hebben overgedragen aan de gezagvoerders onder wier bevel zij stonden, zoodat deze voor hen moesten optreden; doch de uitslag der stemming bleef onveranderd, elk besluit moest steeds eenparig genomen worden, en zelfs slechts één stem tegen werd voldoende gerekend om een voorstel onherroepelijk als verworpen te beschouwen. Zulk eene wijze van handelen mocht in beginsel eenige verdienste bezitten omdat daardoor het belang van ieder en allen gewaarborgd werd, doch het groote gebrek daarvan bestond hierin dat de discussies dikwerf in het oneindige werden gerekt, zonder dat men tot een afdoend besluit kwam. Doch daartegen kan worden aangevoerd dat de voornaamste officieren mannen waren van goeden naam en erkende verdiensten, en dat zij die jonger waren of hunne minderheid gevoelden, hoogst zelden in oppositie kwamen en daarentegen met vol vertrouwen met hunne stemmen bekrachtigden, alles wat werd voorgesteld; en dientengevolge liep gewoonlijk zulk eene raadsvergadering zeer kalm af.
Eer de vergadering geopend werd, achtte Montbars het gepast aan zijne kameraden verslag te doen van de manier waarop hij zich meester had gemaakt van het Spaansche fregat en de vier brigantijnen, die bestemd waren geweest om de schuilplaatsen der flibustiers te verwoesten. Van al de aanwezigen ontving hij hartelijke gelukwenschingen en toejuiching over dit stoute wapenfeit waardoor hij meester geworden was van een prachtig schip, het mooiste en zwaarst bewapende van de vloot, terwijl het daardoor bovendien voor de Spanjaarden, ten minste voor den eersten tijd, onmogelijk was geworden iets tegen de vestingen van de Broeders der Kust te ondernemen. Na de niet geringe opgewondenheid, veroorzaakt door de gloeiende woorden waarmee Montbars zijn verslag had voorgedragen, werd hem verzocht de zitting te openen, waaraan hij terstond gehoor gaf, te midden der grootste aandacht en algemeene nieuwsgierigheid.
—Broeders en vrienden,—sprak hij,—met zeker genoegen stel ik mij voor, dat thans nu gij allen vereenigd zijt op de plek die door mij is opgegeven als de plaats der bijeenkomst, thans nu uwe schepen geankerd zijn in het gezicht dier rijke kust, waaraan door de Spanjaarden den naam gegeven is van het Gouden Castilië, dat thans het doel van onze expeditie geen geheim meer voor je zal zijn, of dat gij er minstens iets van zult vermoeden, doch om je niet langer in het onzekere te laten en daar het uur tot handelen is aangebroken zal ik het je doen kennen. Mijn doel is dat wij Maracaïbo en de omliggende steden zullen bemachtigen. Kameraden, hoe denkt gij over dit plan?
—Admiraal,—werd uit aller naam door Morgan ten antwoord gegeven,—wij zijn van meening dat het plan uwer waardig is, en rekenen het ons tot eer je aan de verwezenlijking te mogen helpen.
—Toch, broeders, moet ik ronduit bekennen,—vervolgde Montbars,—dat het eerste denkbeeld van dit plan niet bij mij is opgekomen. Eere wien eere toekomt. Het eerste denkbeeld daartoe is ontstaan in het brein van Philippe d’Ogeron, die reeds sinds eenige dagen de kust opnam, toen het toeval mij dáár deed landen in eene prauw met een paar kameraden, daar ik bij een stormvlaag met slechte zee, mijn schip, te oud geworden om zee te houden, onder zeil verspeeld had en te gronde zag gaan. Wij behooren ons compliment dus te maken aan onzen jeugdigen en dapperen kameraad, want hem komt de eer toe het eerste het plan te hebben geopperd tot deze expeditie, ik heb niet anders gedaan dan het te overwegen en uit te werken, en zooveel mogelijk overal de noodige inlichtingen in te winnen, om het met uwe zeer gewaardeerde hulp te volvoeren.
Ingenomen door die bescheidenheid van Montbars, gaven de officieren door toejuiching te kennen hoezeer zij daarover voldaan waren; want allen waren bevoegde beoordeelaars van flinke handelingen op ieder terrein, doch slechts weinigen hunner achtten zich in staat de zelfverloochening in die mate te betrachten. Montbars hernam, zich thans tot Morgan wendende:
—Nu gij het doel van ons streven kent, verzoek ik aan onze vice-admiraal mij verslag te doen over uwe verrichtingen na uw vertrek uit Port-de-Paix.
—Mijn rapport kan kort zijn, Admiraal,—gaf Morgan ten antwoord.—Ik heb altijd goeden wind gehad en kalme zee. Vier mijlen onder den wind van het eiland heb ik de verschillende schepen van de vloot verzameld, en zijn wij allen te gelijk, als een vlucht gieren op Aruba neergestreken. Hoewel ik daartoe van je geen order had ontvangen, heb ik toch, in de meening dat die plek hier niet ver zou zijn van de plaats die moest worden aangevallen, willen vermijden alle onnoodige berichtgevingen, die voor ons noodlottig zouden hebben kunnen wezen. Daarom heb ik mij meester gemaakt van het eiland, de bewoners, arm en niet zeer talrijk, hadden zulk eene overrompeling niet van ons verwacht, en lieten zich dus genoegzaam zonder tegenstand ontwapenen. Toen heb ik hunne booten lek doen boren, om te voorkomen zoo enkelen hunner plan mochten hebben daarmee te ontsnappen, en op al de toegankelijke punten van de kust wachten op den uitkijk geplaatst, en tot nog grootere waarborg is door mij last gegeven dat eenige booten bemand met flinke kerels wacht zouden houden op enkele kabellengten afstand in volle zee, doch schijnbaar alsof zij daar aan het visschen waren. Sedert onze aankomst alhier zijn er ongeveer een dozijn kustvaarders zonder eenig kwaad vermoeden op het eiland aangeland. Het is onnoodig je te zeggen dat geen hunner weer vertrokken is, wij hebben hen allen gevangen gehouden, iets waardoor zij ten hoogste werden verrast,—verklaarde hij lachend,—en dit is alles wat ik heb te rapporteeren, Admiraal.
—Waarde Morgan,—antwoordde Montbars,—ik betuig je mijn oprechten dank voor alles wat door je is verricht. Er konden geen betere en gepastere maatregelen worden bedacht dan die door je genomen zijn, doch toen ik je die gewichtige betrekking bij de vloot toevertrouwde wist ik waartoe gij in staat waart, en kon dus volkomen gerust zijn. Thans is de hoofdzaak middelen te beramen voor onze landing, zoo mogelijk zonder dat die door den vijand worden bemerkt. Dit is een hoogst moeielijk geval; de stad die wij voornemens zijn te overrompelen, ligt aan het eind van een meer; de toegangen zijn in goeden staat van verdediging, de stad zelf is behoorlijk versterkt, en in het bezit van een talrijk garnizoen, onder bevel van een ervaren officier, die zich niet licht zal overgeven, dit weet ik zeker want ik ben met hem bekend. Thans geef ik het woord aan Philippe d’Ogeron, die met de grootste nauwgezetheid de posities van den vijand heeft opgenomen, en bij wien, zooals ik reeds de eer had je te zeggen het plan tot deze expeditie is ontstaan. Wees dus zoo goed, broeder, te spreken, wij zullen met aandacht naar je luisteren—bij die laatste woorden wendde hij zich meer tot den jongen man.
Philippe stond op met eenigszins verhoogde kleur, eenigszins verlegen door de herhaalde vleiende toespraak van zijn bevelhebber, doch meer nog geërgerd door den spottenden blik dien de ridder de Grammont op hem wierp; Philippe begreep dat door dezen, geholpen door het scherpe inzicht der jaloezie, zijne geheimste gedachten geraden waren en eveneens de beweegreden die hem dreef tot de begeerte om Maracaïbo te overmeesteren, liever dan eenige andere even rijke plaats aan de kust. Doch hij wist zich zelven te beheerschen, onderdrukte zijne ontroering, en nam flink weg het woord.
—Broeders,—zoo begon hij,—daar je verlangt dat ik je mijne meening zal doen kennen, en ofschoon ik een der jongsten onder u ben, en mijne ervaring bij de uwe geheel in de schaduw moet staan, zou ik het ongepast achten uit valsche schaamte te weigeren aan uw verlangen te voldoen, en zal gehoorzamend aan uw wil, in weinige woorden je mijn gevoelen mededeelen. Zooals de admiraal je reeds gezegd heeft, de stad is sterk en zal krachtig en goed verdedigd worden. Naar mijn inzien zou het raadzaam zijn, eer wij iets tegen de stad beproeven, ons te verzekeren of onze aanwezigheid dáár reeds bekend is geworden, dan wel of men daarvan nog niets vermoedt. Deze streken worden bezocht door zeer veel kustvaarders, en verscheidene van die vaartuigen zijn niet veel meer dan roeibooten, zoodat het zeer gemakkelijk kan gebeurd zijn, ondanks al onze waakzaamheid en al de genomene maatregelen, dat enkele daarvan ons ’s nachts ongemerkt zijn voorbijgegaan. Mocht dit, ongelukkig voor ons, plaats hebben gehad, dan valt er niet aan te twijfelen of wij zijn herkend, want onze schepen zijn te zeer verschillend van de Spaansche of Hollandsche; en dan zal nu reeds over de gansche kust alarm zijn geslagen. Als gevolg daarvan bestaat er zeer veel kans dat de lieden die wij willen overrompelen goed op hunne hoede zullen zijn, en loopen wij dus gevaar zelf te vallen in den strik dien wij hun spannen.
—Uwe opmerkingen zijn zeer juist,—gaf Montbars te kennen, na met een blik de overige kapiteins te hebben geraadpleegd,—en welke middelen zouden, naar je meening, moeten worden genomen om ons die zekerheid te verschaffen?
—Wij hebben hier verscheidene Spaansche brigantijnen, het zal weinig moeite kosten een daarvan te bemannen; wij zullen onze gevangenen dwingen ons de seinen op te geven waaromtrent zij met de kustwachters overeengekomen zijn. De brigantijn moet doordringen tot het meer, zelfs zoo dicht mogelijk bij Maracaïbo en dan terug zeilen om hier rapport te komen doen. Mocht dit voorstel worden goedgekeurd, dan verzoek ik, belast te worden met het gezag over dien brigantijn.
—En dan verzoek ik, broeder, je daarbij te mogen vergezellen!—voegde Grammont spotachtig er bij. Philippe beantwoordde dit met een lichte buiging en een even spotachtig glimlachje, en nam weer plaats.
—Heeft iemand uwer tegen dit voorstel iets in te brengen, broeders?—vroeg Montbars. Niemand gaf antwoord.
—Niet? Dan zal ik dit doen,—hernam Montbars.—De opmerkingen van Philippe d’Ogeron zijn zeer juist, dit heb ik straks reeds gezegd, en nu wil ik er nog bijvoegen dat die, naar mijne meening, ook zeer gegrond zijn. Ook ik acht het werkelijk ondenkbaar dat een vloot van vijftien groote schepen, geheel ten oorlog uitgerust, hier op deze zóó druk bezochte kust zou kunnen verschijnen, zonder te zijn opgemerkt. Ook ik geloof dus dat onze aanwezigheid bekend en alarm geslagen is, ja, ik ben er zelfs genoegzaam zeker van, dat men op dit eigen oogenblik nu ik tot u spreek, in alle dorpen te wapen snelt en overal zich bereid maakt om krachtdadig wederstand te bieden. En derhalve moet, mijns inziens, juist om al die redenen, het voorstel van Philippe niet in aanmerking komen. In de eerste plaats omdat als wij daartoe besloten, voor ons veel kostbare tijd zou verloren gaan, die aan onze vijanden te nutte zou komen, daar zij des te meer gelegenheid zouden hebben zich te versterken en de schatten in veiligheid te brengen, die wij voornemens zijn hun te ontrooven. Maar bovendien meen ik, al werden de Spanjaarden die list met den brigantijn niet gewaar, al lieten zij dat vaartuig rustig zijn zending volbrengen, de berichten die ons bij zijn terugkomst worden meegedeeld ons toch niet dienstig zullen kunnen wezen ten opzichte eener landing, want wij zullen toch wel niet zoo naïef zijn een oogenblik te veronderstellen dat een vloot als de onze onbemerkt het meer zou kunnen binnen vallen. Philippe d’Ogeron die even als ik bekend is met de plaatselijke gesteldheid dáár, weet zeer goed dat iedere andere weg voor ons is afgesloten, en dat het doen van een landing op het een of ander punt der kust, ter einde over land op Maracaïbo aan te rukken, gelijk zou staan met tot op den laatsten man al ons volk in de waagschaal te stellen; want, en ook dit weet hij zeer goed, die marsch zou moeten geschieden door een land, met holen, en moerassen en modderpoelen, waar ontelbare rivieren zich kruisen, een land bedekt door dichte wouden waar zware boomen met bladen zoo scherp als een mes den doorgang beletten, een land bevolkt door ontembare wilden, echte kannibalen, tegen wie wij onophoudelijk te kampen zouden hebben.
—Dan zou het eene onverantwoordelijke dwaasheid zijn, zoo wij ons blootstelden aan al die gevaren met zoo weinig kans op goeden uitslag,—werd door Morgan opgemerkt.
—Wat is dan uwe meening?—vroeg Pierre Legrand.
—Wel!—riep de Olonner en sloeg daarbij met de vuist op de tafel.—Mij wordt het al duidelijk en klaar welk plan de Admiraal heeft, dit zal toch wel niet anders zijn dan onvervaard op te trekken, den toegang tot het meer te forceeren en met al onze macht een aanval op de stad te beproeven. Wat drommel! Al stonden die duivelsche gavachos tegen ons als tien tegen één, dan zijn wij toch immers kerels ferm genoeg om hen het vuur na aan de schenen te leggen, zou ik zoo denken! Het zou waarachtig de eerste keer niet zijn dat wij dat deden!
—Wat zegt gij er van, Admiraal? Wat zegt gij er van?—riepen de meeste hem toe.
—Ja, Montbars,—hernam de Olonner,—zeg hoe gij er over denkt. Gij zijt het beste in staat om ons in dit opzicht voor te lichten.
—Broeders,—gaf Montbars ten antwoord en stond daarbij op,—het is juist zooals de Olonner heeft gezegd, hij heeft mijn plan reeds geraden. Het voorstel dat ik je wilde doen is dus het zijne. Geen tijd gunnen aan den vijand om tot zich zelven te komen, den doortocht forceeren en met alle kracht een aanval op de stad doen. Ik wacht uwe beslissing af.
—Wel verduiveld!—vloekte de Olonner, die dit tot eene slechte gewoonte maakte.—Die beslissing kan niet anders zijn dan eene toestemming in wat gij verlangt dat wij zullen ondernemen, daar sta ik borg voor, want ge hebt zoo helder als klaar het ware van onze positie blootgelegd, door te bewijzen dat ieder ander plan van ontscheping ondoenlijk is.
Morgan raadpleegde nog even met de overige kapiteins en verklaarde daarna uit aller naam:
—De leden van den raad keuren het door den Admiraal voorgestelde plan goed, en zij verzoeken hem dit ten spoedigste uit te voeren.
—Broeders,—sprak Montbars,—de vloot zal binnen een paar uren onder zeil zijn, zorgt er dus voor dat alles klaar is om de ankers te laten glippen, en dat de landingstroepen gereed zijn voet aan wal te zetten. Keert terug naar uwe schepen, om de noodige maatregelen te nemen. Ik sluit de zitting van den raad. Waarde Morgan,—voegde hij er nog bij,—u moet ik verzoeken nog enkele oogenblikken hier aan boord te blijven, daar wij samen nog een en ander te bespreken hebben, om elkaar goed te verstaan.
—Ik ben tot je orders, broeder,—gaf Morgan ten antwoord.
De kapiteins groetten en vertrokken naar hunne bodems, uitgezonderd Morgan, die met Montbars in het vertrek bleef waar de beraadslaging had plaats gehad, en Francoeur die, volgens afspraak, wachtte tot donna Clara gereed zou wezen met hem mede te gaan, en in dien tijd op het dek op en neer liep.
XVIII.
SCHIPPER AGUIRRE.
Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte; ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer, en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak, cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften, kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen. Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen aan hunne begeerten.
Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren, waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die, voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en natuurlijke ongedwongenheid.
Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren. Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te vragen, met haar lief vleiend stemmetje:
—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug zal komen?
De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook spoedig weer in zoet gepeins.
Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen. Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in handen vallen.
Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo onaangenaam afgebroken overdenkingen.
Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald, maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de kamer binnentrad.
—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten, want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord van zijn schip wil brengen.