Part 16
Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje, zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit bezoek te vergezellen.
—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen.
—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die niet verwacht had.
—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge het er altijd op toelegt mij te kwellen.
—Hoor dat nu eens aan...—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch ondankbaar!
—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don Fernando.
—Als gij dit eischt, ja, señor,
—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen, ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit bezoek af te leggen.
Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik heb mij nog nooit zóó gevoeld.
—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke bezorgdheid.
—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd.
—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles.
—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen.
—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen.
—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige gevoel verdrijven zal.
—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te dringen.
—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan.
—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt.
—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala.
En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek.
—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht.
Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend:
—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel?
—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk.
—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij weer aardig en krijg ik een prijsje!
Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd.
Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant, een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren keurig, en de wijn uitstekend.
Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid, door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van het jonge jolige schepseltje steeds aanhield.
—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met mij zijt meegegaan?
—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje, en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij te laten zien?
—Gij zelve zult daarover moeten oordeelen, señorita; niemand heeft mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak uitspraak te doen.
—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben.
—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook wel bijval vinden.
—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt.
—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij wat beter is.
—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al dat moois uit te stallen?
—Dadelijk na het ontbijt.
—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook iets voor mij achtergehouden?
—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita?
—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen.
—Neen, neen, dat geloof ik niet.
—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker?
—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor muskietengaas.
—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij in de handen.—Maar hebt ge niets anders?
—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros.
—Voor dames?
—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer beschikking.
—De sporen, dat gaas of de mecheros?
—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een tamelijk plompe buiging.
Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets in het oor.
—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u te mogen spreken.
—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te gaan bemoeien.
—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord.
—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een soort van man is hij?
—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer onderdanig te kennen.
—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd?
—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur.
—Nu, hoe noemt hij zich?
—Aguirre.
—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge immers?
—Aguirre, juist, señor Gouverneur.
—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken?
—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur.
—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois wel laten zien.
—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft.
De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit, waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion, die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo, schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te zien. Welke goede wind brengt je hierheen?
—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten.
—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder.
—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer.
—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak zijn, niet waar?
De spion boog zwijgend.
—Waar komt ge vandaan?
—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd uitgerust.
—Door den hertog de Penaflor!
—Ja, gestrenge heer.
—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig!
—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht!
—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring.
—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed een brief die daar verborgen was geweest.
Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open; lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en beproefde dapperheid.
—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die berichten waar en echt?
—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning.
—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden?
—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt.
—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust?
—Eene ontzaglijke expeditie.
—Maar misschien is die niet tegen ons gericht?
De spion lachte minachtend.
—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen, door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen laveerde om te Aruba voor anker te komen.
—En wie voert het bevel over die vloot?
—Montbars de Verdelger zelf.
Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam.
—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die duivelsche kerels bevindt?
—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen.
—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid.
—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra, is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen over te gaan.
—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren!
XIX.
DE CABILDO.
Er heerschte een oogenblik stilzwijgen.
Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken. Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich even kalm en koel als naar gewoonte.
En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd, dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had. Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd, en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest van hen te duchten hadden.
Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van eene overrompeling en bestorming.
—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien doordringend aan.
—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij.
—Is uw brigantijn nog al ruim?
—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te bergen.
—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders af.
De spion stond klaar om heen te gaan.
—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen komt.
—Dat zweer ik, gestrenge heer!
—Goed! Ga.
Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de Gouverneur weer op het dek.
—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo gewichtig?
—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo heusch door hem zijn ontvangen.
De kapitein boog en zei:
—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik reeds een boot voor u gereed doen houden.
—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus later geschieden. Gaat ge met ons meê?
—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur.
—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij hebben ons hier reeds te lang opgehouden.
—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij, daar zij angstig begon te worden.
—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat haasten.
Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden. De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê.
—Waar gaan wij heen?
—Naar de cabildo.
De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande, Excellentie?
—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te vroeg vernemen.
In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering.
Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal.
—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen.
De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en zei:
—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is eene zaak die u allen betreft.
Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en begon de depêche voor te lezen:
„Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo en andere plaatsen.
„Señor Kolonel!
„Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen, in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te plunderen.”
Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de lezing een oogenblik te staken.
—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme stem,—ik ben nog niet aan het eind.
En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering:
„Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet, señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de Koning!
„Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige hoede neme!
„De Onder-Koning van Nieuw-Spanje: Hertog de Penaflor,
„Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz. enz.”
Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De inhoud van dit naschrift was als volgt:
„Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die, zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken, zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden, dan u over te geven.”
Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te maken en nam toen het woord.