De goudzoekers

Part 17

Chapter 174,028 wordsPublic domain

—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te behoeden voor de roofzucht dier bandieten.

—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen te gelijk.

—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift op den vloer.

Ieder zweeg.

—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte. Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt, gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven.

Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd.

Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden, Kolonel don Santiago Tellez!

—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad.

—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre. Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens één dag tegen de ladrones uithouden.

—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang zal verdedigen.

—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel!

—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die bandieten zal verkoopen.

Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones in aantocht zijn; u kunt gaan.

Kapitein Ortega ging dadelijk heen.

—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben.

—Volkomen, Exellentie.

—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken.

—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die soldaten post vatten?

—Hier op de cabildo.

—Goed, en wanneer moet ik vertrekken?

—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel!

—Toch niet, Exellentie, tot weerziens!

—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van la Trinidad.

—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog hier, kapitein?

—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven.

—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng, kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang.

—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden.

—En waarin bestaat dit, kapitein?

—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken.

—Dat is immers mijn plicht?

—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene afkeuring te bedoelen.

—Welnu dan?

—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen.

—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein.

—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil, en uw plicht is het ook voor haar te zorgen.

—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw schip.

—Alleen?

—Met u.

De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen!

—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit?

—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen.

—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein!

—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even, Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u hier niet achter zal laten.

De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als voor mij niets anders meer te doen overblijft.

—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte?

—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil.

Thans verlieten zij ook op hun beurt de cabildo, en liepen met haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur.

Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen, en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar, half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven het hoofd hangt.

—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord.

—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te wijken, en de stad te ontruimen.

—Ook dat is mij bekend, mijnheer.

—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan.

—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind.

—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van de ongelukkige bevolking.

Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven wachten.

—Hoe! Wilt ge blijven wachten?

—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan?

—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend; ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de kapitein wacht op u.

—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij, arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik sterven of met u gered worden.

—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek.

—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar, maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is, wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf!

Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en hartstochtelijk haar dank betuigende.

—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje was?

—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u ingegeven.

Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis, waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond. Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad, en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten wachten.

XX.

HET HOUTDUIFEILAND.

Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde stond hij vlak tegenover Francoeur.

—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara.

—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken.

—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van mij afhangt dan....

—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal.

—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen waarin dat verzoek bestaat.

—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar?

—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te dragen.

—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden.

Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit verzoek?

—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal kunnen zijn.

Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd getroffen.

—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld.

—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde Francoeur in vervoering.

—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen, want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm, om haar met gerustheid dáár aan boord te laten.

Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar de kajuit waar donna Clara hem wachtte.

—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst.

—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over.

—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent, en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden.

—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met ontroering te kennen.

—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken, vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft.

—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer.

—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u van dienst kan zijn?

—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u, wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen.

Het gelaat van Montbars betrok eenigszins.

—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft, maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw verlangen kan voldoen.

—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben!

—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten.

—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen.

—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden, dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen.

—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken.

Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich weer naar het dek te begeven.

—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke menschen!

Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij; toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen.

—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden.

Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen.

Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang, was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien.

Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven, en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen, achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de voorhoede te blijven.

De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht, voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing.

Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene schitterende weerwraak te nemen.

Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven, doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het eiland aanhield.

—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den kolonel gevraagd.

—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár waarschijnlijk iets hebben voor te stellen.

—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond te boren.

En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei:

—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden.

—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten praatjes te gaan houden.

—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij. Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch, en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad te redden; laat mij dus mijn gang gaan.

—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan ik, derhalve moet ik gehoorzamen.