Part 18
De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken, en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak:
—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten hebt.
—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de Gouverneur van het fort.
—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te zijn.
—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs zij liggen.
De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk was de flibustier ongewapend.
—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen.
—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene hoffelijke buiging.
—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven.
—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik verlang eenvoudig van u de overgave van het fort.
De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt.
—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken, daarop te antwoorden.
—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één woord noodig: Nooit!
—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte overmacht waarmee het zal worden aangevallen.
—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje, zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging sneuvelen, zóó als het een krijgsman past.
—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch... geheel nutteloos.
—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat onzer middelen tot verdediging.
—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed af en streek te gelijk zijn haar naar achter.
—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen.
—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe plannen?
—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast.
—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u in staat zal stellen eervol te capituleeren.
—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft.
—Is dat uw laatste woord?
—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord.
—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor al het bloed dat vergoten zal worden!
—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op Zijn almacht en goedheid!
—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de vijandelijkheden een aanvang maken.
—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen.
De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen.
—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De kolonel trok zijn degen en zei:
—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven.
Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was.
Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders, voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en onmiddellijk volgde daarop het derde vuur.
—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee.
—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden, met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden.
De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard.
Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of langeren tijd zou geschieden.
Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen een uur tijds overmeesterd.
XXI.
MARACAÏBO.
Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open. Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden. Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt worden.
Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan, liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was.
Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met allerlei losbandigheid.
De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart wellen.
In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen. Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te begaan.
Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand, zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde.
Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd uitgeoefend.
Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven.
Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade; maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende, niet anders dan gunstig konden uitvallen.
Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden, scheen hij als aan wanhoop ten prooi.
De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd, was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven hebben.
Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem eenigermate te vertroosten of af te leiden.
Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken.
—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt. Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander.
—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te gelegener tijd en plaats zal herinneren.
—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu.
Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen. Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend gulden.
—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden!
— Morgen,—luidde het antwoord.
Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt. Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld, met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem:
—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken, zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij gevangenen gemaakt?
—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven.
—Goed, en wat voor soort van lieden?
—Ik heb er niet op gelet.
—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen.
—Waartoe zou dat dienen?
—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij opgesloten?
—Ik geloof in de kerk van San Francisco.
—Goed, ga mee.
Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide. Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen, mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van ondenkbare martelingen.
Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed.
—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel, moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te betalen. Breng die dan vóór mij.
Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan.
—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk.
—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen.
—Meer of minder, dat hangt van jou af.
—Goed, goed, laat dat maar aan mij over.
De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en voegde hen met forsche stem toe:
—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw geld gedaan? Geeft daarop antwoord.