Part 19
Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner uit aller naam te spreken, en zei:
—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester gemaakt van al onze have en goed.
—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal brengen. Pitrians, nu is het jou beurt.
Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop in en zag toen naar Montbars.
—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld?
—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene.
—Ga je gang, Pitrians.
Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop, en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde erbarmelijk.
—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch.
De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig.
—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de schouders op.
—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde.
—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen gekneld.
—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte het touw los.
—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te zijn?
Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden.
—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot praten schijnt te hebben gekregen.
—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem een puts water over het gezicht en zei:
—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd kereltje!
Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen.
—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door Montbars steeds even norsch gevraagd.
—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar.
—Zoo! Weet je dat zeker?
—Ja.
—En de inwoners?
—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald zetten.
—Zijn zij zoo vast besloten te vechten?
—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man.
—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn hunne schatten verborgen?
—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen.
—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel!
—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen.
—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians meewarig.
—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe.
Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge wat ge weten wildet, niet waar?
—Ten naastenbij,—luidde het antwoord.
—En wat dan nog meer?
—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb?
—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben?
Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg.
XXII.
GIBRALTAR.
De kerk uitgaande, had Montbars de vrijbuiters die door hem mede waren genomen, weggezonden, daarna zijn arm onder dien van den jongen man gestoken en was toen met hem naar diens woning gegaan. De beide Broeders der Kust liepen aldus naast elkaar voort, zonder een enkel woord te wisselen; de een zoowel als de ander bleef verdiept in gepeins. Op eens stond Montbars stil, keek Philippe strak aan en vroeg hem:—Waar denkt ge over?
—Ik?—gaf de jonge man ten antwoord, en keek plotseling op.—Ik denk er over hoe verbazend veel rijkdom dáár in Gibraltar moet opgehoopt zijn.
Montbars begon hartelijk te lachen en zei:—Vriendje, jij meent geen enkel woord van alles wat ge daar zegt.
—Niet?—viel Philippe uit.
—Neen, zeker niet! Zal ik je eens vertellen waarover of liever aan wie gij dacht?
—Ga uw gang, dat wil ik wel eens hooren, maar ik zeg het je.
—Nu dat zullen we eens zien!—hernam Montbars.—Letterlijk zal ik den loop van je gedachten herhalen.
—Letterlijk! Nu wordt het toch al te kras.
—Toch niet, dat is juist het gepaste woord. Terwijl wij daar zoo naast elkaar arm in arm voortloopen hebt ge tot je zelven gezegd: die Montbars is toch op mijn eer een zonderlinge kerel! Daar blijft hij nu hier te Maracaïbo, waar de inwoners niets hebben achtergelaten, hier te Maracaïbo, dat nu niet veel meer is dan een geruïneerde stad, zijn tijd verknoeien en verbeuzelen, terwijl aan den anderen kant van het meer vlak tegenover hier, Gibraltar ligt, eene stad te rijker omdat al de bewoners van deze streek daarheen al het kostbaarste hunner bezittingen hebben gevoerd. Hij heeft, om zoo te zeggen, zijn arm maar uit te strekken om in het bezit te komen van al die schatten, en toch verroert hij geen vin! En dan wil ik er nog niet eens over spreken, dat als hij dat deed, ik in staat zou worden gesteld om de vrouw te ontvoeren, die ik zoo innig bemin, en die voor mij veel grootere waarde heeft dan al het goud dat dáár in Gibraltar is opgehoopt. Hoe komt hij er toe om hier tijd te verliezen en te talmen, in plaats van met man en macht den vijand aan te tasten, die reeds als half overwonnen kan worden beschouwd, en als verlamd door onze behaalde overwinning. Biecht me eens op, broeder, heb ik je gedachte goed wedergegeven?
—En als dit nu eens het geval ware, wat zoudt ge dan daarop te antwoorden hebben?—werd met inwendige verbittering gevraagd.
—Heel wat, waarde vriend. In de eerste plaats dit, dat onze vijanden zeer op hunne hoede zijn. Als zij op Gibraltar terug zijn getrokken, dan is dit met het bepaalde doel zich daar hardnekkig te verdedigen!
—En wat doet er dat toe?
—Voor jou niets, voor mij zeer veel! Voor mij is dat eene hoogst ernstige zaak, en ik heb er alles behalve lust in om hals over kop een sprong in den blinde te doen, waar het, zooals hier, geldt eene zeer hachelijke expeditie, waar wij te doen zullen krijgen met lieden die, in hun laatsten schuilhoek gedreven, zullen vechten pro aris et focis (voor haardstee en altaar) zooals het in het Latijn luidt, en eer tot den laatsten man zullen sterven dan een voet te wijken.
—Welnu, dan zullen wij hen doen sterven!
—Dat weet ik drommels goed, evengoed als jij, wij zullen hen dooden, maar ten koste van welken prijs? Dit is en blijft de hoofdvraag! Doch buitendien, ik wacht ieder oogenblik nadere en bepaalde inlichtingen; zoolang die niet in mijn bezit zijn, zoolang ik in het duister verkeer omtrent de voornemens der Spanjaarden denk ik er niet over iets te ondernemen, want eerst daarna zal ik plannen tot een aanval kunnen beramen.
—En door wien denk je die inlichtingen te verkrijgen?
—Wel door iemand dien jij zeer goed kent, je vroegeren kajuitsjongen Zijden-Draad. Toen wij den vorigen keer hier zijn geweest heb ik hem met opzet achtergelaten om ons op een gegeven oogenblik als wij dit noodig mochten hebben, op de hoogte te brengen van alles wat wij noodzakelijk moeten weten.
—Goed overlegd, jammer maar, dat Zijden-Draad verdwenen is, en wij, nu reeds bijna twee weken hier vertoeven en in al dien tijd niets van hem hebben vernomen.
—Hij zal wel voor den dag komen, daar kunt ge staat op maken. Zijden-Draad is veel te slim om zoo maar in den val te loopen.
—Arm kereltje! Zij hebben hem zeker herkend, en gedood!
—Hum! Daar is hij te leep voor! En het bewijs staat vlak vóór je, kijk maar naar ginder.
—Zijden-Draad!—viel Philippe uit.
—Wel drommels, wie zou het anders zijn? Zie je hem niet, dáár vlak vóór de deur van je huis?
—Zoo waar, ge hebt gelijk!—riep de jonge man op verheugden toon en toen tot den jongen die werkelijk als een standbeeld vóór de deur stond:—Heidaar jongen, kom hier langs zij liggen en maak haast er meê!
De knaap keek om zich heen, doch nauwelijks had hij gezien wie hem naderden of hij uitte een kreet van vreugde en snelde naar hen toe.
—Ben je daar eindelijk terug, verloren schaap!—sprak Montbars en klopte hem goedhartig tegen de wang.—Waar kom je van daan? Ik dacht dat je dood waart gegaan.
—Dood gegaan?—herhaalde hij,—om wat te doen, Admiraal?
—Drommels, dat weet ik zoo precies niet,—lachte Montbars.—Maar daar wij, sinds wij hier zijn, niets van je gehoord hadden, konden wij niet anders vermoeden dan dat de Spanjaarden je hadden vermoord of gevangen gemaakt. Doch nog eens van waar kom je?
—Uit Gibraltar, met een slechte boot, die ik het geluk had te kapen.
—Mooi zoo! Dat is juist iets zooals ik van je verwachtte; ge zijt nog altijd even behendig en bij de hand als vroeger. En welke gewichtige tijdingen hebt ge ons te berichten?
—Verscheidene, maar liever niet hier, als u er niets tegen hebt.
—Ge hebt gelijk, volg mij,—zei Philippe.—Op mijn eer, dat kereltje is nog verstandiger dan men reeds naar zijn uiterlijk zou vermoeden.
—Dank u zeer, kapitein! Welk compliment moet ik u nu maken?—vroeg hij lachend.
—Dat is onnoodig. Kom maar mee, dan kunnen wij praten.
Zij traden het huis van Philippe binnen gevolgd door den kajuitsjongen, die zijne vingers liet knippen en de gekste grimassen maakte, evenals een aap die een noot zit te peuzelen. Nadat de vrijbuiters in eene afgezonderde kamer plaats hadden genomen, gelastte Montbars:—Vertel nu wat ge weet, maar kort en bondig.
—Dat zal gauw genoeg gedaan zijn,—antwoordde de knaap.—Wat verlangt u te weten?
—Wat er van de inwoners geworden is, en wat de Gouverneur don Fernando d’Avila voornemens is te doen. Zoover ik er over heb kunnen oordeelen is hij een dapper soldaat en daarom verwondert het mij dat hij nog geen teeken van leven gegeven heeft sinds wij het meer zijn binnengeloopen.
—Dat is toch heel licht te begrijpen. Hij wacht u af.
—Hoe! Wacht hij mij af?
—Zeker, Admiraal, luister maar even.
Toen begon de kajuitsjongen te vertellen wat er voorgevallen was, en hoe alles zich had toegedragen; op welke wijze de Gouverneur bericht had gekregen van de aanwezigheid der vrijbuiters bij het eiland Aruba, en hoe hij, oordeelende dat Maracaïbo niet in staat was een aanval te wederstaan, last had gegeven de stad te ontruimen, en eindelijk hoe die ontruiming had plaats gegrepen onder de oogen van den Gouverneur, die zich het allerlaatst had ingescheept, na zich verzekerd te hebben, dat verreweg de meesten der inwoners in veiligheid waren aan boord der schepen, om zich naar Gibraltar of Merida te begeven.
—Goed, heel goed!—gaf Montbars te kennen.—Het komt mij juist te pas te vernemen dat ik die aangename verrassing aan schipper Aguirre te danken heb; dat zaakje hoop ik later hem betaald te zetten.
—O! Admiraal,—merkte de jongen lachend aan,—gelooft u dat hij er zin in heeft op u te blijven wachten? Neen waarachtig niet! Zoodra hij den troep had ontscheept dien hij naar het Houtduifeiland moest overbrengen, heeft hij er haast achter gezet; hij heeft zich wel gewacht weer het meer binnen te loopen, maar daarentegen het ruime sop gekozen.
—Hoe langer hoe beter!—verzekerde Montbars.—Op die manier heb ik des te meer kans hem spoedig weer te ontmoeten. Maar nu nog iets over den Gouverneur. Wat heeft die uitgevoerd?
—Hij! Nu Admiraal, gij kunt er op aan dat die van zijn tijd goed heeft gebruik gemaakt en gij kunt er eveneens op aan dat het verkeerd van u geweest is om hier zoo lang te blijven.
—Wel, wel, hoor eens aan!—lachte Philippe,—mijnheer Zijden-Draad vermeet zich den Admiraal de les te lezen!
—Toch niet kapitein, ik herhaal slechts wat ik heb hooren zeggen.
—Vertel meer jongen, vertel meer!—viel Montbars ongeduldig uit.
—Dadelijk, Admiraal,—zei de knaap die daarop vervolgde, zoo ernstig als een officier die verslag doet,—zooals ik u reeds heb gerapporteerd zijn de inwoners van Maracaïbo uitgeweken naar Gibraltar en naar Merida; ik moet daar nu nog bijvoegen, dat zij in die beide plaatsen op de hartelijkste wijze ontvangen zijn, onder betuigingen van deelneming met hun ongelukkig lot. Zoodra don Fernando d’Avila zich verzekerd had dat al die lieden zoo veel mogelijk en zoo goed doenlijk waren gehuisvest, heeft hij, als een oud soldaat die zich niet licht laat beetnemen en veel naam heeft gemaakt tijdens de oorlogen in Vlaanderen....
—Genoeg van die lofspraak en al die uitweidingen!—viel Montbars ongeduldig in en stampte driftig op den vloer.—Ik begin waarachtig te gelooven dat die kwajongen een loopje met mij denkt te houden.
Zijden-Draad keek hem schuins aan en bemerkte zeker dat het nu geen tijd was om zijne gewone aardigheidjes aan den man te brengen, waarom hij zijn rapport op minder hoogdravenden toon vervolgde:
—Don Fernando d’Avila,—hernam hij,—is uitgetrokken aan het hoofd van vierhonderd soldaten, waarbij zich aansloten vierhonderd inwoners van Gibraltar, allen goed gewapend en behoorlijk uitgerust. Die uitgelezen troep heeft met den meesten spoed aan den zeekant verschansingen opgeworpen en er een hollen weg, die van de landzijde naar de stad loopt, onbruikbaar gemaakt, en daarentegen door het bosch een anderen aangelegd om dienst te kunnen doen bij een mogelijken terugtocht.
—Bravo! Dat is eene betere manier van rapporteeren, kereltje,—sprak Montbars nu weer op welwillenden toon.—En kunt ge mij ook zeggen hoe die verschansingen in elkander zitten?
—Ja, Admiraal, dat kost niet veel moeite.
—Vertel dan wat ge er van weet.
—Vooreerst heeft men een gracht gegraven, tien voet diep en vijftien breed, en goed gezorgd dat de uitgegraven grond glooiend naar de stadszijde werd opgeworpen; daarna heeft men achter die helling, om die te stutten, palen in den grond bevestigd, overal met de noodige openingen om er de kanonnen te plaatsen.
—En staan die stukken daar reeds?
—Nu, of ze! Zeker vijfentwintig voor het minst.
—Hum!—uitte Montbars, het hoofd schuddende.—Dan zal het voor ons een zwaar werk wezen, die verschansing te bemachtigen.
—Kom, kom!—bracht Philippe er tegen in, onbezorgd als altijd.—Het fort van het Houtduifeiland is toch ook wel door ons genomen, niet waar?
—Dat is zoo, maar dit was niet zóó goed versterkt. En wat doen de Spanjaarden nu, jongen?
—Zij wachten u af, Admiraal, en gelooven vast en zeker dat zij u allen zullen doen verdrinken.
—Nu, dat zal te bezien staan.
—Ja,—voegde Philippe lachende er bij,—dat valt nog te eer te betwijfelen omdat wij allen vrij goede zwemmers zijn. Hoe denkt gij nu te handelen, Admiraal?
—Keer naar boord terug, waarde Philippe, ge zult te dien opzichte spoedig mijne orders vernemen.
—Dus vertrekken wij dáár heen?
—Nog heden, vriendlief. Zijt ge nu tevreden?
—Volkomen.
—Dan tot straks, en neem dien kleinen schelm met je mee.
Philippe vertrok, gevolgd door Zijden-Draad.
—En nu,—begon de knaap, terwijl hij den kapitein aankeek,—iets onder ons.
—Wat, onder ons?
—Ja,—antwoordde de knaap met een vroolijk gelaat,—ik heb een brief voor u.
—Een brief voor mij?—herhaalde de jonge man in vervoering.—Is het werkelijk waar?
—Zeker! En tot bewijs, zie maar, hier is die.
Tegelijk stelde hij hem een verzegeld briefje ter hand, dat door Philippe gretig aangenomen, en met verrukking gelezen werd.
—Die lieve, beste Juana!—uitte hij half luid, en kuste het briefje herhaaldelijk.—Dus hebt ge haar gezien?
—Wie meent u?—vroeg de knaap met een guitig gezicht.
—De dame die dit briefje aan mij geschreven heeft.
—Of ik! Nu, kapitein, dat is er een die veel van u houdt zou ik zeggen. Maar dat doet er niet toe, want zij is heel, heel mooi en goed ook. Zij heeft mij naar u toe gezonden.
—En heeft zij niets tegen je gezegd?
—Niets gezegd?! Luister eens, kapitein, zij heeft over niets anders gesproken dan over u, en als ik u dat alles moest oververtellen, dan zou er geen eind aan komen.
—Maar je weet toch waar zij woont, niet waar?
—Dat zal waar zijn. Zij heeft mij zelfs in haar huis opgenomen, ik weet dus best, reken daar maar op, den weg daarheen.
—Ge moet nu verder bij mij blijven. Ga mee naar boord, en dan kunt ge mij alles over haar vertellen, zult ge?
—Niets liever dan dat, kapitein, vooral ook als ik u daarmee eenig genoegen doe.
—Goed, goed! Ge zijt een ferme jongen.
Dien eigen dag werd aan boord van het fregat een kanonschot gelost, waardoor al de equipages naar hunne schepen werden teruggeroepen. Leeftocht werd ingescheept, de gevangenen aan boord gebracht, en daarna ging de vloot onder zeil, slechts één schip vóór Maracaïbo achterlatende, om zich te verzetten tegen een terugkeer der Spanjaarden en in het bezit te blijven van de stad. Donna Clara en haar getrouwe Birbomono scheepten zich in op een brigantijn die onder het gezag stond van Tributor. Zij had er op aangedrongen de expeditie mede te maken, en haar besluit was door de vrijbuiters met ingenomenheid en oprecht gemeende dankbaarheid begroet. De overtocht duurde drie dagen; reeds naderde die aan het eind, reeds vertoonden zich aan de blikken der vrijbuiters de stad, met de talrijke landhuizen die haar als een gordel omsluiten, en nog altijd had Montbars geen enkel woord tegen hen gesproken, noch iets medegedeeld van al de inlichtingen die hij van Zijden-Draad ontvangen had, terwijl hij ook aan Philippe zeer ernstig gelast had, daarvan niets te doen uitlekken, waaraan door dezen stipt werd voldaan, daar hij zeer goed begreep van hoe groot gewicht het was daarover het stilzwijgen te bewaren, daar eene expeditie die zoo gevaarlijk was en met zoo vele bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou gepaard gaan, zijne kameraden ondanks al hun beproefde dapperheid had kunnen afschrikken. En nochtans geschiedde dit, wat trouwens niet anders verwacht had kunnen worden.
Bij het zien van al de schikkingen die getroffen waren in het belang der verdediging, bij het zien van dat omwoelde en gekapte terrein, van al dat onder water gezette land, van die holle wegen, die elkaar in alle richtingen kruisten, van die stevige palissaden, van die geduchte batterijen, na het aanschouwen van dat alles, maakte zich gedurende eenige oogenblikken van de flibustiers een gevoel meester dat hun tot nu toe onbekend was gebleven, en werden zij overvallen door zulk een panischen angst, dat Montbars voorzag dat alles totaal verloren zou zijn, zoo hij dit niet onmiddellijk te keer ging. Een wimpel die op het Admiraalsschip geheschen werd, riep zonder verwijl een krijgsraad bijeen, samengesteld uit de gezagvoerders van de vloot en de dapperste vrijbuiters van de expeditie. Toen allen vereenigd waren in de daarvoor bestemde ruimte, stond Montbars op en eer iemand tijd had om de een of andere meening te uiten nam hij het woord en sprak met luider stem:—Broeders! ik heb je weer bij mij aan boord doen komen, omdat men met mannen, zooals gij zijt, recht door zee moet gaan en de dingen bij hun waren naam moet noemen. Verre dus van mij om het te willen bewimpelen dat het tot dusverre behaalde succes onzer expeditie door ontelbare moeielijkheden wordt bedreigd. De Spanjaarden, in tijds bekend geworden met den val van Maracaïbo, hebben ruim gelegenheid gehad om hier alles zóó in te richten, dat zij ons warm kunnen ontvangen: zij zijn naar hier afgetrokken om schitterende weerwraak te nemen over de door hen geledene nederlagen. Hunne soldaten zijn talrijk in den krijg verhard, hunne aanvoerders ervaren officieren, en allen, soldaten zoowel als officieren, hebben gezworen liever te sterven dan zich over te geven. Zij zijn in het bezit van kanonnen van zwaar kaliber, en in hunne magazijnen ligt een massa krijgsbehoeften. Gij bemerkt nu, broeders, dat ik de waarheid niet verbloem, maar je die veeleer doe kennen; maar de Broeders der Kust behooren niet tot die mannen die zich laten beangstigen of afschrikken door moeielijkheden en hindernissen. Als de Spanjaarden bedacht zijn geweest op en nu besloten tot zulk een hardnekkigen wederstand, dan is dit hoofdzakelijk omdat al hunne schatten te Gibraltar zijn opeengehoopt! Die schatten dus, die ongehoorde buit, moeten wij aan hen ontrooven, of die verliezen tegelijk met een leven dat verder dan voor ons waardeloos zou zijn. Als wij overwinnaars zijn, en ik zeg je wij zullen het wezen, dan is het een onberekenbaar fortuin dat door uw moed en uwe dapperheid je ten deel zal vallen! En waarom zou het fortuin ons nu op eens den rug toedraaien nadat het ons zoo herhaaldelijk heeft begunstigd? Nog altijd ben ik immers uw bevelhebber, ik, de man dien men den bijnaam heeft gegeven van den Verdelger! Volgt dus mijn voorbeeld! Denkt aan onze vroegere dagen, toen waren wij lang zoo machtig niet als nu, maar wij dachten er niet aan onze vijanden te tellen dan nadat zij vóór onze voeten lagen. Handhaaft dus op nieuw den door u verkregen naam! Het gevaar is groot, maar nog grooter na den zege de roem en de buit die het loon zullen zijn voor onze pogingen!
Die toespraak, gesproken met vaste stem en levendige gebaren, door den man in wien zij het grootste vertrouwen stelden, had op de vrijbuiters eene buitengewone uitwerking; zij werden door die woorden als op nieuw bezield door de oude hartstochten waardoor zoo vele ongehoorde feiten wisten tot stand te brengen; eene huivering van woede voer over allen heen, het verlangen naar den strijd, het uitzicht op dien ontzaglijken buit, deed hunne oogen bliksemen, en Montbars hield zich overtuigd dat hij zijne zaak gewonnen, en nog niets verloren had van zijn overmacht op den geest zijner metgezellen. Hij wilde nu het ijzer smeden terwijl het heet was, begrijpende dat het er op aan kwam het geschikte oogenblik niet ongebruikt voorbij te laten gaan en besloot dus onmiddellijk naar de wapens te doen grijpen.
—Voorwaarts, broeders!—donderde hij hun toe.—Zoo ik, u aanvoerende, val, wreekt dan mijn bloed, door dat der Spanjaarden! Maar weet, dat zoo iemand uwer aarzelt of wijkt, ik dan dien lafaard niet waardig onder ons te leven, met mijn bijl zal neerhouwen! Te wapen dus, broeders, te wapen!
—Te wapen! Te wapen!—werd door alle vrijbuiters herhaald, hunne wapens boven het hoofd zwaaiende. Die kreten weerklonken over de gansche vloot, en voerden de aandrift en de opgewondenheid der vrijbuiters ten toppunt.