De goudzoekers

Part 8

Chapter 84,010 wordsPublic domain

—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden, en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar?

—Dat stem ik toe.

—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen.

—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen.

—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over.

—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden vertrekken.

—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis verder voortzet.

—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden.

—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet, dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons ziet vertrekken.

—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend.

—Ei! En hoe dat zoo?

—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van.

—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen.

—En wat zullen die behelzen?

—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden?

Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop scheidden zij.

—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en toegenegenheid.

Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te krijgen.

—Loop naar den drommel, lastige kerel!—bromde Philippe die in zijn bed oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo heerlijk te droomen!

—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid. Droomen zijn bedrog!

—O! Ben jij daar, Tributor! Ik moet zeggen je draagt je naam terecht. [4] Wat moet je van mij hebben?

—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen voor je heeft gebracht.

—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder?

—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig.

—Wie zijn die menschen?

—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft.

—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt eene ernstige zaak te wezen.

—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken.

—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom.

—Goed.

De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet.

—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek, en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten, zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend, dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij, nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad.

Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen, die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te brengen.

Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen. Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte zich hem te begroeten.

—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven, onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd.

—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld.

—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u hier te ontmoeten.

—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer zullen terugzien dan gij veronderstelt.

—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot geluk.

—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor!

—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen.

—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen?

—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens gij u naar Vera-Cruz begeeft?

—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan?

—O, zeker caballero! Op dit oogenblik heb ik onder mijne berusting een bedrag van honderd vijftig duizend piasters [5], dat ik reeds sinds lang naar Panama had moeten zenden, doch wij zijn hier zooals u bekend is, señor, op een als het ware afgelegen post, en tot nu toe heb ik geen gelegenheid kunnen vinden om dit te bewerkstelligen.

—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon.

—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt gij mij ontzaglijk verplichten.

—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk.

—En waardoor, señor conde?

—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten, en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte.

—Dus moet gij het afslaan?

—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil, toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende verantwoordelijkheid.

—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd mij dit onbescheidene verzoek ten goede.

—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen! Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor!

Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen, niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in zijn boot.

—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval van je geweest.

—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars glimlachend.

—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds aanbood!

—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters, niet waar?

—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid!

—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht! Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod juist een valstrik geweest van den Gouverneur.

—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk, kommandant.

Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water, met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek.

De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij ergens geen ander antwoord op wilde geven.

X.

DE BEIDE NEVEN.

Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola.

Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af, maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken, gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te maken voor hun ontbijt.

Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen. Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen bestempelde met den naam van flibustiers-geweren.

Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren, zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht hebben, eer men besloot het hun lastig te maken.

Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden.

De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden, die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen.

—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen.

—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen minstens drie uren.

—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt!

—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren, hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten.

—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder aangename ontmoeting zouden kunnen hebben?

—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker in geen maand iets onder schot zouden krijgen.

—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening, zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben.

—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp.

—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers.

Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd.

—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp zullen komen.

—Gij weet, edele heer, hoe ik over die detachementen denk,—gaf de ander op een onbeschrijfelijk minachtenden toon te kennen.—Gij en ik, wij beiden, hebben hen aan het werk gezien [6] en weten bij ondervinding wat van hen te verwachten is! Neen! Liever dan op hen, reken ik in zoo’n geval op mij zelven!

—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet!

—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld!

—Rekent ge er zoo vast op?

—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen.

—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel, hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene Spaansche herkend zouden hebben.

—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus meer verlangen?

—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt.

—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting.

—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij hen vestigen, niet waar?

—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen.

—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang.