Part 7
—Maar,—zoo viel Philippe haar in de rede, haastig en gejaagd,—hebt ge nooit iets meer ontdekt omtrent de geboorte van donna Juana, dan wat ge mij daarover hebt medegedeeld?
—Niets. Wie zou mij daaromtrent hebben kunnen inlichten?
—Gij hebt gelijk! Het is eene hoogst zonderlinge geschiedenis!
—En tevens eene zeer treurige.
—Arm kind!—zuchtte Philippe.—Doch zeg mij eens,—vervolgde hij op geheel anderen toon,—hebt ge dien ring bewaard?
—Zeker! Die ligt secuur geborgen in een koffertje.
—Wilt ge mij dien eens laten zien?
—Wanneer ge maar goedvindt.
—Wie weet? Zou het zoo onmogelijk zijn dat wij daardoor iets op het spoor kwamen?
De duenna schudde twijfelend haar hoofd.
VIII.
EEN ZEETOCHTJE.
Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen, doch ten laatste hervatte Philippe het gesprek en zei, met den arm op zijn butaca leunende.
—Na Cigala, ik betuig je mijn bijzonderen dank, zooals ik ten volle verplicht ben, voor het vertrouwen dat ge toont in mij te stellen, daar ge mij dit geheim hebt willen mededeelen; toch wil ik je ronduit bekennen dat het mij reeds bekend was, tenminste gedeeltelijk. Donna Juana had mij reeds geruimen tijd geleden alles verteld wat zij er van wist. Doch houd het mij ten goede zoo ik nu, op mijn beurt, eene vraag tot je heb te richten.
—Laat hooren, señor,—gaf de duenna ten antwoord,—zoo ik er toe in staat ben, zal ik die beantwoorden.
—Dat zal je niet veel moeite kosten. Ge hadt zonder twijfel een bedoeling met het verhaal van die treurige geschiedenis. Welnu waarin bestaat dat doel? Dit is iets wat ik gaarne wil weten.
—Ik stond op het punt, caballero, om het u mede te deelen.
—Goed, doe dit dan, ik verlang er zeer naar.
—Donna Juana is u gewaar geworden, hoe en waar, dat zou ik niet kunnen zeggen, doch het is een feit dat zij u dadelijk heeft herkend. Haar kon ik niets weigeren, ik heb haar veel te lief, dan dat ik niet alles zou doen wat zij van mij verlangt. Nu heeft zij mij dringend verzocht naar u toe te gaan, en te zeggen, dat zij u van avond nog wacht op eene plaats waar ik u zal brengen, daarom ben ik hier gekomen. Maar op die wandeling van het huis van don Fernando naar het uwe, heb ik er ernstig over nagedacht, en thans wil ik u doen hooren wat het resultaat is geweest van mijne overwegingen.
—Goed, na Cigala, deel mij het mede, en ik ben er zoo goed als zeker van dat ik je daarop voldoende zal kunnen antwoorden.
—God geve het, Señor! De eer van donna Juana gaat mij boven alles ter harte. Bij ons vertrek uit Hispaniola vleide ik mij met de hoop dat ik u nimmer zou terugzien, en donna Juana er eindelijk toe zou komen om u te vergeten. Gij bemerkt dat ik openhartig ben.
—Ja, misschien een beetje te veel.
—Toch niet! Eene liefde zonder hoop sterft ten laatste uit, dit is zoo zeker als een wet der natuur. Dus rekende ik er op, dat de afwezigheid eindelijk mijn lief kind zou bevrijden van haar innig gevoel voor u; doch door uwe onverwachte komst hier, worden al mijne plannen in de war gestuurd en falen al mijne berekeningen. Don Felippe, gij zijt jong, knap, rijk, van goede afkomst, dit laatste vooronderstel ik ten minste, welnu, ik smeek u in naam uwer moeder, wees tegen mij even openhartig, als ik dit tegen u was. Antwoord mij dus zooals dit een edelman betaamt. Is de liefde die gij voor donna Juana gevoeld waarachtig en oprecht? Met andere woorden bemint gij haar genoeg om haar tot vrouw te nemen ondanks al het duistere en al het geheimzinnige dat ten opzichte van hare geboorte bestaat? Of is het bij u wellicht, zooals zoo dikwerf bij jonge menschen, niets anders dan eene voorbijgaande hartstocht, waarin de ijdelheid het hoogste woord voert, en die verdwijnt zoodra aan haar verlangen is voldaan. Gij bemerkt nu ten volle don Felippe dat ik met die vragen rondborstig voor den dag kom, geef daarop zonder aarzeling en op dezelfde manier antwoord, dit eisch ik van u die edelman zijt.
—En zoo zal ik ook doen, na Cigala—verklaarde Philippe in de grootste opgewondenheid.—Ik bemin donna Juana met waarachtige en oprechte liefde, eene liefde zoo zuiver dat de engelen zich er over zouden verheugen. Wij hebben bezworen dat wij elkaar tot echtgenoot zullen nemen, en dat noch de een noch de andere ooit aan een ander zou behooren. Wat mij betreft dien eed zal ik gestand blijven tot iederen prijs. Wat doet het er toe, of donna Juana al dan niet van adel mocht wezen! Zij is goed, mooi en verstandig, en dit is voor mij voldoende; ik ben rijk en adellijk genoeg zoowel voor haar als voor mij. Sinds lang reeds beschouw ik haar als mijne vrouw en zij, van haar kant, ziet in mij haar echtgenoot. Welke ook de hinderpalen mogen zijn die zich tegen onze vereeniging opdoen, ik zal die weten te boven te komen. Alleen om haar te zien, heb ik de grootste gevaren getrotseerd, en zoo min nu als in de toekomst zal ik mij door iets laten terughouden. In mijne liefde vind ik de kracht om de vijanden te weerstreven, die het mochten wagen haar aan mij te ontrooven, in één woord die liefde is mijn leven, en zal duren zoolang ik leef! Dat is mijn antwoord, na Cigala, ik acht het loyaal en zoowel mij als de vrouw die ik bemin, waardig. Zeg nu wat ge wilt dat er gedaan wordt, ik stel mij tot uw beschikking.
—Goed en braaf gesproken, don Felippe,—gaf de duenna ten antwoord.—Thans weet ik wat ik weten wilde, en ik blijf u van ganscher harte toegenegen. Ik zelve, ik ben niet meer dan een eenvoudige dienstbode, die weinig invloed kan uitoefenen, maar hoe gering die ook zij, gaarne wil ik die geheel voor u aanwenden, en wees er van verzekerd dat ik niets zal verzuimen om u te doen slagen in uw voornemen om met mijn dierbaar kind in het huwelijk te treden en dus aan uw beider geluk mede te werken.
—God vervulle uwe en mijne wenschen, na Cigala! Waarlijk, ik kan geen woorden vinden om je naar eisch mijne dankbaarheid te betuigen.
—Don Felippe, het uur waarop de samenkomst moet plaats grijpen, nadert. Wikkel u goed in een mantel van donkere kleur, trek den rand van uw hoed diep over de oogen, gesp uw degen aan en volg mij; donna Juana wacht u.
De jonge man gehoorzaamde, als een volgzaam kind, en was in een oogenblik gereed.
—En wat moet ik nu doen?—vroeg hij daarop.
—Mij volgen alsof het iets zeer gewoon ware; verder u over niets verwonderen, en binnengaan waar ik binnenga.
—Ga maar voor. Ik volg je.
Zij verlieten het huis. De avond was reeds gevallen; het was een van die echt Amerikaansche avonden, met heldere lucht vol sterren, frisch en aangenaam geurend, een avond zooals in het noordelijke klimaat niet wordt gekend. In de straten, op den dag genoegzaam verlaten om de brandende stralen der zon, waren nu tal van wandelaars aanwezig, die gingen en kwamen onder vroolijk gesprek; vóór iedere deur stonden groepjes menschen te lachen, te dansen en te tokkelen op de jarabe, de Amerikaansche guitaar.
Zeer ongedwongen en geheel met het voorkomen van een gewoon wandelaar, drong Philippe behendig door de menigte en volgde zonder opzien te wekken de duenna, wier rebozo door hem niet uit het oog werd verloren. Zóó liepen beiden bijna een half uur voort, en drongen hoe langer hoe verder door in de zeer verwarde straten der benedenstad; eindelijk kwamen zij uit bij de haven. Daar ter plaatse was het lang zoo levendig niet; slechts enkele wandelaars verkwikten zich er aan de frissche zeekoelte. Toen vertraagde de jonge man zijn stap eenigszins, uit vrees dat hij anders de aandacht op zich zou vestigen, maar de duenna bleef daarentegen op dezelfde manier haar weg vervolgen en keek rechts noch links om, evenals iemand die haast heeft om tehuis te komen, doch het houten havenhoofd, waar de goederen werden gelost, liep zij met vasten tred langs. Ongeveer op het midden van dat havenhoofd stond zij stil, keek even om zich heen, kuchte toen een paar keeren en steeg eenige treden af van de trap, die naar het water liep. Een boot, waarin zich slechts één man bevond, lag beneden aan die trap; zij stapte er dadelijk in. Philippe deed dit insgelijks, de schipper stootte af en het vaartuig werd in beweging gebracht. De duenna had het roer gegrepen en stuurde, terwijl de schipper de riemen uitsloeg en het lichte bootje het water deed klieven, met de snelheid van een ijsvogel die over de kruin der golven scheert. Philippe gevoelde zich geheel aan zich zelven overgelaten; hij durfde het niet wagen het woord tot de duenna te richten en keek nieuwsgierig om zich heen. Het duurde niet lang of hij kreeg een donker punt in het oog dat al heel spoedig zeer in omvang toenam, en waarheen het bootje gestuurd werd. Dit donkere punt werd meer en meer zichtbaar, en kort daarna bleek het eveneens een boot te zijn, bestuurd door één enkel man, terwijl zich daarin ook eene vrouw bevond. Onwillekeurig overviel Philippe eene siddering, en hij gevoelde dat zijn hart met versnelde slagen klopte; hij had in die vrouw donna Juana herkend. Na enkele minuten lagen de twee booten zij aan zij. Op een wenk van de duenna stapte Philippe over in de tweede boot, en de man die had geroeid kwam in de eerste. Daarop werden de beide booten van elkaar verwijderd, en nu bevond Philippe zich alleen, met haar die hij zoo innig beminde. Dit alles was met zulk een spoed afgeloopen, en had zoo geheel onverwachts plaats gehad, dat de jonge man, overweldigd door zijne ontroering een oogenblik sprakeloos bleef, en de kracht miste één enkel woord te uiten.
—Is dat je groet, don Felipe, en dat nog wel na zulk eene lange afwezigheid?—werd hem half fluisterend en op eenigszins spotachtigen toon door een allerliefste stem gevraagd.
—O! Juana querida, vergeef het mij!—riep hij in vervoering.—Het komt doordien ik mij overstelpt voel door het geluk dat mij te beurt valt. Ach! Ik gaf bijna alle hoop op om je te ontmoeten!
—Eerst dezen morgen, beste Felipe, heb ik bemerkt dat gij te Maracaïbo waart. Zeer toevallig herkende ik je, op het oogenblik waarop je de patio van ons huis overstaakt.
—Hoe komt het toch dat het mij in die tien dagen, die ik nu reeds hier ben, ondoenlijk geweest is je te zien en te spreken?
—Helaas, beste vriend, ik geniet hier niet zooveel vrijheid als in het huisje te San Juan de Goava,—gaf zij zuchtende ten antwoord.
—Is don Fernando dan niet meer zoo welwillend voor je dan vroeger?
—Juist het tegendeel, hij schijnt veeleer nog vriendschappelijker, doch in de laatste dagen kwam het mij voor, alsof hij over het een of ander bezorgd is, en nu en dan ziet hij mij zeer treurig aan, zonder dat ik met eenige waarschijnlijkheid kan nagaan wat daarvan de oorzaak is.
—Goede God! Zoudt ge door eenig onheil bedreigd worden?
—Dat geloof ik niet, beste Felipe, en toch heb ik, mijns ondanks, een onverklaarbaar voorgevoel dat er spoedig iets zal gebeuren waardoor in mijn toestand eene groote verandering zal komen.
—Juana, ge maakt mij angstig,—en zijn verbleekt gelaat bevestigde die woorden.—Helder mij dit in ’s hemels naam op! Hoe komt ge op die verontrustende gedachte?
—Dit kan ik je niet zeggen, Felipe, want het is ook voor mij een raadsel. Het eenige dat ik heb kunnen opmerken is, dat die veranderde gemoedsstemming van don Fernando eerst sinds een paar weken is ontstaan. Toen ontving hij, met een schip dat van het vaste land kwam, een brief, en de inhoud van dien brief scheen op hem zeer veel indruk te maken. Hij gaf toen dadelijk last dat een prachtig verblijf, enkele uren van de stad, hoogst bekoorlijk gelegen, met den meesten spoed bewoonbaar gemaakt moest worden.
—Dat ligt naar den kant van Merida, niet waar?
—Juist, juist!
—Nu ik heb dat niet alleen gezien, maar ben er zelfs in geweest, het is werkelijk een zeer prachtig verblijf. Don Fernando heeft mij vertelt dat hij het in orde liet brengen voor een hoog geplaatst persoon, dien hij ieder oogenblik kon verwachten.
—Die zelfde mededeeling heeft hij ook aan mij gedaan, doch hij heeft er nog een paar woorden bij gevoegd, die ik meer raadde dan verstond en wel: „Arm kind!” Hoe veel moeite ik ook deed om er iets meer van te vernemen, toch was dat alles te vergeefs; don Fernando bleef zeer geheimhoudend, en het gelukte mij verder niet iets te vernemen; daartoe bepaalt zich dus alles, doch, beste vriend, wij zijn nu lang genoeg over mij bezig geweest, laten wij liever over jou praten. Hoe is ’t mogelijk dat ge het gewaagd hebt hier in de stad te komen, ik sidder als ik denk aan de mogelijke gevolgen. Ge weet toch dat ieder vreemdeling die in de Spaansche koloniën wordt aangehouden onmiddellijk ter dood wordt gebracht, niet waar? De wet is te dien opzichte onverbiddelijk.
—Dat weet ik, lieveling, maar wat geef ik er om! Ik wilde tot iederen prijs je weerzien, om je nogmaals te zeggen dat ik je liefheb.
—En ik dan, beste Philippe, ik heb je immers ook lief?
—Ja, maar zeker toch niet zoozeer als ik.
—Misschien, maar hoe dit zij, ik beef en sidder voor je! Als ge eens ontdekt werd.
—Wees daarover niet ongerust, liefste. Ik ga door voor een Spanjaard, en niemand hier vermoedt dat ik tot eene andere natie behoor. Ik ben secretaris bij den graaf de l’Atalaya, die een zeer voornaam heer is.
—Dit stelt mij eenigszins gerust, maar toch zou de geringste onvoorzichtigheid je ondergang kunnen bewerken.
Philippe glimlachte guitig.
—Maar hoe zijt ge er in geslaagd, om de bescherming te verkrijgen van den graaf de l’Atalaya?—hernam de jonge dame.
—Lieve, beste, het zou veel te lang duren om je dit in geuren en kleuren te vertellen, maar zeg mij veel liever hoe ge er toe gekomen zijt om hier in volle zee een samenkomst met mij te willen hebben?
—Wel, beste vriend, dat komt omdat ik sinds eenige dagen, waarom weet ik niet, strenger dan anders in het oog wordt gehouden. Als ik hier of daar heen wil gaan, dan volgt men mij op korten afstand, en dus was ik er te benauwd voor dat men ons in de stad of op onze wandeling mocht gewaar worden.
—Maar die schippers dan, die geroeid hebben?
—Die zijn op mijn hand.
—Hum!—deed de jonge man hooren, en schudde daarbij het hoofd.—Nu, ge kent die menschen zeker beter dan ik, dus zal ik daarover maar zwijgen. Zou ik je nog eens kunnen ontmoeten?
—Helaas, beste vriend! Dat zal te bezwaarlijk gaan!
De jonge man zuchtte, greep haar hand, drukte die innig, en vroeg op teederen toon:
—Juana, stelt ge het volste vertrouwen in mij?
—Zeker doe ik dat, beste vriend, want ik heb je lief en ben overtuigd dat wederkeerig ook jij mij liefhebt!
—En zijt ge evenzeer er van overtuigd, dat al mijne handelingen, wat ik ook doen moge, geen ander doel hebben dan om met je te worden vereenigd, en je gelukkig te maken?
—Dat geloof ik vast en zeker, Philippe.
—Voor die woorden zeg ik je dank, beste Juana! Nu is alles goed, want ge hebt mij juist beoordeeld. Let nu goed op het geen ik je verder ga zeggen, querida Juana, want het is om ons geluk, om mijn leven te doen.
—Spreek, beste vriend! Alles wat ge van mij verlangt, zal ik stipt ten uitvoer brengen.
—Zonder aarzelen?
—Ja, zonder de minste aarzeling.
—Misschien zal ik binnen twee of drie dagen genoodzaakt zijn dit land te verlaten.
—Ach, Philippe!—kreet zij smartelijk.
—Maar om er spoedig terug te keeren,—vervolgde hij,—dat zweer ik je lieve beste.
—Helaas! Weer eene scheiding!
—Die echter de laatste zal zijn,—werd door hem verzekerd.—Één, misschien twee maanden kan mijne afwezigheid duren, maar stellig niet langer, en als ik terugkom dan zal dit zijn om je nooit meer te verlaten.
—Waarlijk? Kan ik daarop rekenen?
—Ik verzeker het je op mijn woord als edelman!—bevestigde hij zeer opgewonden.—Maar, Juana, dan moet ge ook, als ik er niet ben je kloek en krachtig toonen; de gedachte aan mij moet voor je zijn als een talisman, die je beschermt tegen alles wat men jegens je mocht beproeven. In één woord, blijf volharden in liefde voor mij.
—Vertrek dan gerust en onbekommerd, beste vriend.—Wat er ook gebeure moge, ge zult mij terug vinden, zooals gij mij verlaten hebt. Ik ben immers reeds voor God uw vrouw? Maar hoe zal ik bericht krijgen van uw terugkomst?
—Laat je lieve oogen maar telkens over de zee dwalen, vooral als er schepen in aantocht zijn. Het schip aan boord waarvan ik zal wezen, zal aan den fokkemast een vlag met zwarte en witte ruiten in top hebben.
—Zwarte en witte ruiten. Goed Philippe ik zal dat niet vergeten.
—Luister nu goed toe, liefste Juana; wat er bij mijn terugkeer in de stad mocht voorvallen, wat men je ook te mijnen opzichte mocht vertellen, let er niet op, blijf er doof voor, en beoordeel mij niet, eer ik zelf bij je gekomen ben om mij te rechtvaardigen.
—Nu maakt gij mij waarlijk beangst. Beste vriend wat zijt ge dan voornemens te doen?
—Dit is iets wat ik zelf nog niet weet, Juana, maar ik ben er zeker van dat het mij gelukken zal. Zorg er vooral voor dat ge in uwe vertrekken blijft, hoe erg men ook bij u mocht aandringen om uit te gaan; ge moet je daar ten sterkste tegen verzetten. Mocht het noodlot mij te lang van je verwijderd houden, dan zal ik een of meerdere boodschappers tot je zenden, die ge gemakkelijk kunt herkennen, want zij dragen allen om den rechter arm een band met de zelfde kleuren als de vlag aan den fokkemast. Die lieden kunt ge ten volle vertrouwen en gerust doen alles wat zij zeggen. Hebt ge mij goed begrepen, beste Juana?
—Ja, ja, Philippe, maar toch maakt ge mij door dit alles zeer ongerust. Zeg mij toch in ’s hemels naam, beste vriend, welke onheilspellende plannen ge toch hebt.
—Querida Juana, ik bedenk geen ander plan dan om voor altijd met je vereenigd te worden, en het hangt slechts van jou af of dit plan gelukken zal.
—O! Als dit het geval is, dan hoeft ge niet te twijfelen aan den goeden uitslag.
—Doch hierbij blijft het niet, ge moet mij vast en stellig beloven zeer stipt al de instructies te volgen, die ik je gegeven heb.
—Twijfelt ge er nog aan dat ik hierin te kort zal schieten? Stipt zal alles verricht worden, zoo waar ik je liefheb.
—Ge zijt een engel, querida! Ge toont hoe blindelings ge mij vertrouwt. Van mijn kant doe ik er een eed op dat ge gelukkig zult worden, of ik moest sterven!
—O! Lieveling, spreekt nu niet over sterven, niet over den dood. Ach! Mocht dit het geval wezen, gelooft ge dat ik dan de kracht zou hebben om je te overleven?
—Juana, liefste, straks hebt ge gezegd dat ge een voorgevoel hadt, dat heb ik nu ook en wel dit, dat al onze wederwaardigheden spoedig ten einde zullen zijn.
—God geve het, Philippe!
—Bid Hem, dat Hij u bescherme, mijne Juana, want, zoo waar ik leef, om u te bezitten ga ik doen wat nog nooit eenig man heeft gewaagd.
—O! Goede God! Ik sidder bij die gedachte!
—Liefste, koester veeleer goede hoop!
Op dit oogenblik vernam men dicht bij het geklots van riemen en de boot waarin de duenna zat, kwam uit de duisternis te voorschijn.
—Nu moeten wij scheiden, Philippe,—zei het jonge meisje.
—Nu reeds!—mompelde Philippe.
—Ja, zoo ik langer uitbleef zou dit argwaan kunnen wekken, en buitendien hebben wij nu toch hoop elkaar spoedig terug te zien.
—Dat is waar liefste, en dan zal dit voor altijd wezen. Vergeet toch vooral niets van alles wat ik je zoozeer heb aanbevolen.
—Ik zal niets vergeten.
De beide booten stieten tegen elkaar.
—Tot weerziens, Philippe,—fluisterde Juana hem toe.
—Ja, ja, tot een spoedig wederzien, liefste beste Juana!—antwoordde hij op dezelfde manier. En na een langen kus op de hand, die hem werd toegereikt, beheerschte hij zich zelven, en stapte in de andere boot. De beide jongelieden wisselden nog een laatsten blik, eer de vaartuigen zich verwijderden in verschillende richting. Toen hij weer voet aan wal zette, boog Philippe zich naar het oor van de duenna, en zei:—Hartelijken dank, na-Cigala. Nooit zal ik vergeten, wat ge heden voor mij hebt gedaan! maar dien ring....
—Zult u morgen ochtend ontvangen. Goeden avond, señor,—voegde zij er met een vriendelijk lachje bij.
Te huis gekomen vond Philippe dáár Montbars, die hem wachtte, en met groote stappen zijn slaapkamer op en neer liep.
—Wel drommels, waar komt ge zóó laat van daan?—vroeg Montbars.
—Van een zeetochtje,—antwoordde Philippe met het openhartigste voorkomen.
Montbars bleef zóó versteld staan door dit antwoord, dat de jonge man in schaterend gelach uitbarstte.
IX.
HET VERTREK.
Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna.
—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer geloopen.
—Heeft Tributor je dan niet gezegd...
—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet ten kwade?
—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk komen.
—Dat is juist ook mijne meening.
—Is er dan iets voorgevallen?
—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen.
—Zoodat?
—Zoodat... doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen, vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst aangenaam voor je zijn.
—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe lachend.—Doch ter zake.
—Verlangt ge dit?
—Wis en zeker.
—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te worden.
—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen.
—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt?
—Zeer zeker.
—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken...
—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander aan.
—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan knoopen.
—Hoe dat zoo?
—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart.
—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje.
—Welnu dan?
—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken.
—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen.
—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan waarschijnlijk door je word verondersteld.
—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u aangebeden schoone gaat ontvluchten!
—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar verlaten.
—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen.
—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen, doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd.
—En dus?
—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt.
—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren; achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar niet op aandringen.
—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend.