Part 6
Zóó verliepen enkele dagen waarin de vrijbuiters de dubbele rol, die zij op zich hadden genomen, vervulden met zeldzame behendigheid en zelfs zonder die één enkel oogenblik uit het oog te verliezen. Ondanks het voorgewende strenge onderzoek over de tamelijk verwarde rekeningen en verantwoordingen der intendanten, wist Montbars zich in hooge mate de genegenheid van die waardige ambtenaren te verwerven, daar zij zich gelukkig achtten, er dank zij de verschoonende toegevendheid van den gevreesden buitengewonen Opper-intendant, beter af te komen dan zij verwacht hadden; zij wisten niet hoe zij hem genoeg zouden roemen, en waren niet uitgesproken over zijne kunde en zijn degelijk inzicht, maar in de eerste plaats over zijne uitstekende bekwaamheden in betrekking tot de belastingen.
Onder voorwendsel van alleen door eigen oogen te willen zien (en werkelijk was dit zijn doel, doch niet in den zin dien men aan zijne woorden gaf) gunde de flibustier zich geen oogenblik rust, maar trok onophoudelijk van Maracaïbo naar Gibraltar, en van Gibraltar naar Maracaïbo, nergens verzuimende het terrein op te nemen en schijnbaar zonder daaraan veel gewicht te hechten, steeds druk met den gouverneur in gesprek over zaken waarover hij nader wenschte te worden ingelicht.
Michel de Baskiër hield zich van zijn kant ijverig bezig met opnemingen en peilingen en de oplossing van ingewikkelde zeevaartkundige berekeningen, waarover de Spanjaarden, onnoozel genoeg, ten hoogste verbaasd maar ook zeer verrukt waren, zich vleiend met de hoop dat die strekken moesten voor het maken van uitgestrekte zeeweringen, iets wat van het hoogste belang was voor de toekomst der kolonie.
Zonder bepaald reden te geven van zijn verlangen om te Maracaïbo te blijven, had Philippe aan Montbars verzocht hem in de stad achter te laten, om, zoo hij voorgaf, het oog te houden op de autoriteiten, en bij den minsten schijn van gevaar zijne kameraden te kunnen waarschuwen. Bij dit verzoek had de flibustier even geglimlacht, doch zonder verdere toelichtingen te verlangen dadelijk aan den jongen man toegestaan hierin geheel naar eigen goedvinden te handelen; toch had hij hem ernstig op het hart gedrukt de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, er vooral op wijzende dat één enkele verkeerde zet door hem gedaan voldoende zou wezen om den goeden uitslag van de gansche expeditie onvoorwaardelijk te verspelen, vooral met het oog op het zoo begrijpelijke wantrouwen der Spanjaarden, een wantrouwen dat zoozeer versterkt was geworden door de zoo herhaalde verrassingen waarvan zij door de vrijbuiters de slachtoffers waren geworden.
Toch was nog buitendien de positie van den jongen man uiterst moeielijk. Iederen keer dat hij goed vond aan don Fernando d’Avila een bezoek te brengen, werd hij door dezen zeer voorkomend ontvangen en bejegend, dit was waar; de waardige gouverneur had er geen flauw vermoeden van wie of wat de secretaris aan Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya eigenlijk was, ook dit was waar. Maar toch bleek uit alles duidelijk dat de gouverneur met dien fijnen reuk, welke aan jaloersche menschen en aan voogden eigen is, zich zoo al niet bepaald verzekerd hield, dan toch vermoedde dat er onder het elegante uiterlijk en de beschaafde manieren van señor don Cardenio een minnaar school. Wel ontving de gouverneur den jongen man met de meeste ongedwongenheid, wel deed hij het voorkomen alsof hij hem ten volle vertrouwde, maar toch bleven zijne manieren zoo ceremonieel, waren de beleefdheden zoo deftig en werd bij alles zulk een echt Castiliaanschen trots in acht genomen, dat het niet mogelijk was tot eenige intimiteit te komen, daar dit steeds door den slagboom eener onoverkomelijke etiquette belet werd.
Philippe raakte buiten zich zelven van woede; iederen keer wanneer hij terugkwam van eene dier vruchtelooze bezoeken bij den gouverneur gaf hij zich in zijn kamer aan buien van dolle vertoorndheid over, die belachelijk zouden zijn geweest, indien de jonge man niet zoo innig en oprecht bemind en dus vreeselijk geleden had.
Don Fernando had zijne pupil niet aan de flibustiers voorgesteld, sedert hunne komst te Maracaïbo, had hij haar als het ware naar hare vertrekken verbannen, zoodat zij slechts één keer naar de kerk was geweest in een zeer dicht gesloten palankijn, omstuwd door een aantal bedienden die de gansche breedte van de straat besloegen en dus den toegang tot den palankijn onmogelijk maakten; buitendien was zij de kerk binnen getreden door eene bijzondere deur en had toen plaats moeten nemen in eene getraliede galerij waar zij door niemand kon worden opgemerkt. Het was dus te vergeefs geweest dat de jonge man, geheel op de hoogte van de Spaansche gewoonten, er voor zorgde om een der eersten in de kerk te zijn, en dadelijk post vatte bij een wijwaterbakje. Hij bood dan het gewijde vocht aan tal van bekoorlijke dames, die hem beloonden met een innemend lachje, tegelijk hoogst aanvallig even hare mantilles openslaande; en waarschijnlijk zou het slechts van hem hebben afgehangen verscheidene veroveringen te behalen; maar die glimlachjes, en die uitdagende blikken waren tegenover hem verlorene moeiten; zij voor wie hij slechts oogen had, verscheen niet, en hij ging heen met den dood in het hart, ten prooi van hevige ontroering, en, zooals alle teleurgestelde verliefden, in zijn geest allerlei plannen beramend, die even onzinnig als onuitvoerbaar waren.
Ten einde raad kwam de jonge man er toe het als zeker te beschouwen, dat donna Juana don Fernando niet naar Maracaïbo vergezeld had, maar door dezen naar Sint-Domingo teruggebracht was; die meening vestigde zich zoo sterk bij hem, dat hij besloot dien eigen avond nog aan den gouverneur daarover opheldering te vragen, het kostte wat het wilde. Hij had tot vaste gewoonte aangenomen ’s avonds in de Alameda eene wandeling te doen, en kon er bijna zeker op rekenen dáár ook den gouverneur te ontmoeten.
Het was zoowat vier uren in den namiddag; gewoonlijk werd die wandelplaats niet vóór zeven ure ’s avonds bezocht, en dus had Philippe nog drie volle uren den tijd om te bedenken hoe hij het zou aanleggen bij don Fernando met zulk een soort van verhoor te slagen, maar hoe dichter de klok naar zeven uur wees, hoe moeielijker hij het begon te vinden zijn plan ten uitvoer te brengen. En waarlijk hoe kon er eene gereede aanleiding gevonden worden om bij een caballero, dien men eerst sinds de laatste drie of vier dagen had leeren kennen, inlichtingen in te winnen omtrent iemand, met wiens bestaan hij geacht moest worden geheel onbekend te zijn? Hoe zou don Fernando die onbescheiden vragen, die hij voornemens was tot hem te richten, opnemen? Welk recht had hij den gouverneur die vragen te doen? Het geval was ernstig, zoo ernstig zelfs dat Philippe zich moedeloos op eene buttaca liet neervallen, de armen over de borst sloeg, en tot de overtuiging kwam dat er eigenlijk niets door hem kon worden verricht.
Het sloeg zeven ure, en op dit kort afgebroken geluid, sprong Philippe plotseling op, als getroffen door een electrieken schok, greep zijn hoed, drukte dien vast op zijn hoofd en mompelde:—Kom! Toch ga ik! Wie weet wat er gebeurt!
Op dat oogenblik werd een paar keeren geklopt aan de deur van het salon waar hij vertoefde.
—Wel?—riep Philippe eenigszins sidderend.—Wie is daar?
—Ik ben het,—werd ten antwoord gegeven door de schorre stem van Tributor.
—Loop naar de maan!—hernam Philippe spijtig.—Ik verwachtte heel iemand anders dan jou.
Philippe zou zeker zeer in verlegenheid zijn gebracht indien de goedhartige reus hem gevraagd had, wien hij dan wel had verwacht; maar die gedachte kwam niet bij Tributor op en lachend gaf hij ten antwoord:
—Word ik op die manier door je ontvangen! Ik moet zeggen dat is zeer hupsch, je bent wel in een prettige stemming.
—Goed! Wat wil je eigenlijk?
—Ik? Niets.
—Waarom kom je mij dan hier hinderen?
—Omdat in de Saguan iemand is die vraagt of gij te spreken zijt?
—En wie is die iemand?
—Dat zou ik waarlijk niet zoo precies kunnen zeggen. Maar zoover ik heb kunnen nagaan, ondanks de kap en de doeken waarin zij zich heeft gewikkeld, moet het eene oude vrouw zijn.
—Laat zij naar de maan loopen!—hernam Philippe.
—Goed,—vervolgde Tributor.—Gij schijnt van avond niet bijster in je schik, en daarbij veel lust te hebben een ieder naar de maan te zenden.
—Ge verveelt mij, en van die oude vrouw wil ik niets weten, zend haar weg.
—Zoo als gij wilt! Maar,—gaf de reus te kennen en schudde tevens het hoofd,—misschien doet gij daar verkeerd aan. In Spanje wordt eene oude vrouw doorgaans gevolgd door eene jonge dame en op dit oogenblik bevinden wij ons hier midden onder de Spanjaarden. Denk daar eens over na.
Dit gezegde trof Philippe en daarom zei hij:
—Nu, ’t is mogelijk dat ge gelijk hebt. Is dat oudje heel leelijk?
—Afzichtelijk! Zij heeft veel van eene tooverkol die van de heksendans terugkomt.
De jonge man bleef een oogenblik in gepeins en al dien tijd keek Tributor hem ter sluik en spotachtig aan.
—Nu goed,—zei Philippe eindelijk.—Breng haar maar hier, dan zal ik te weten komen wat zij van mij wil, en spoedig genoeg een middel vinden om mij van haar te ontslaan.
Dit zeggende, sprak Philippe anders dan hij dacht want zijne nieuwsgierigheid was ten sterkste opgewekt, en met slecht verholen ongeduld vestigde hij zijne blikken op de deur, toen hij de komst afwachtte van de vrouw waarover Tributor had gesproken. Eindelijk verscheen zij. Philippe uitte een kreet van vreugde en van verrassing, snelde naar haar toe.—Na Cigala!—riep hij uit.
Zonder antwoord te geven, wees de duenna naar den reus die onbeweeglijk bij de deur voor het salon stond.
—Ga heen,—zei Philippe tegen Tributor.
Dadelijk verwijderde de reus zich en trok de deur achter zich toe. Toen kwam de duenna dichter bij Philippe, keek hem eenige oogenblikken strak aan en vroeg toen:
—Zijt gij het dus wezenlijk en waarlijk zelf?
—Zeker, ik ben het,—luidde het antwoord.—Twijfelt ge daar nog aan?
—Hoe kan men er toe komen te gelooven dat u waarlijk hier waart, en dat nog wel in zulk eene betrekking als u bij den Señor Conde de l’Atalaya bekleedt, die luid en overal verkondigt welk een gloeienden haat hij den gringos (ketters) toedraagt.
—Dit is zoo,—beaamde hij onwillekeurig glimlachend,—en toch ziet ge dat de graaf, ondanks dien haat, goed heeft gevonden mij aan te stellen als zijn geheim-secretaris, doch dit alles doet er eigenlijk niets toe. De hoofdzaak was voor mij te zorgen dat ik hier in de stad kwam; nu dit is mij gelukt, op welke manier ik daarin ben geslaagd is iets dat mij alleen aangaat, en laten wij dus liever spreken over donna Juana.
—Donna Juana,— herhaalde zij met een diepen zucht.
—Is haar eenig onheil overkomen?—vroeg Philippe gejaagd.
—Onheil, neen, neen!—antwoordde zij dadelijk, en maakte naar Spaansch gebruik het teeken des kruises.—Die arme Juana!
—Maar waarom spreekt ge dan over haar op een wijze die mij met vrees vervult en toch vooronderstellen doet dat zij een nog heviger lijden te verduren heeft dan dat, waaraan ik ten prooi ben.
De duenna bleef een poos zwijgen en keek wantrouwend om zich heen.
—Niemand kan ons hier hooren, na Cigala,—sprak de jonge man, die dit opmerkte geruststellend.—Spreek gerust, maar ga eerst zitten, want dan zult ge je meer op uw gemak bevinden, en deel mij nu de boodschap mede, waarmede ge zeker voor mij zijt belast.
—Och!—zuchtte zij, terwijl zij ging zitten in de butaca die Philippe naar haar toe had geschoven.—Mag ik tegen u señor don Philippe, rond en openhartig zijn? Ik wil wel spreken, maar durf bijna niet, uit vrees dat gij boos zult worden.
—Goede ziel,—gaf Philippe ten antwoord, die de grootste moeite had zijn ongeduld te bedwingen,—spreek gerust en vrij uit, dit verzoek ik u zelfs dringend, en beloof daarenboven, dat ik mij niet kwaad zal maken, wat ge mij ook moogt mededeelen. Ik verlang er zoozeer naar om te weten wat ge mij te zeggen hebt, en geloof mij ik kan daardoor in geen ergere spanning komen, dan waarin ik nu verkeer, want uwe achterhoudendheid kwelt mij onuitstaanbaar.
—Och, och, santa Virgen!—bromde de oude vrouw.—Wat zijn zulke jonge menschen toch haastig en ongeduldig!
—Maar vóór alle dingen verzoek ik je ernstig mij antwoord te geven op een paar vragen, en dan zal ik je vrijheid laten, om geheel naar eigen goedvinden mij verder alles te vertellen.
—En wat zijn die vragen?—vroeg zij weer met eenig wantrouwen.
—Is donna Juana gezond?
—God zij dank, ja! Zij is geheel en al bekomen van die vermoeiende reis, en zoo gezond als zij wenschen kan.
—Dank, dank! En heeft zij mij nog altijd lief?
—Zou ik anders wel hier zijn gekomen?—merkte de oude vrouw eenigszins bits aan.
—Dan is alles goed!—riep Philippe opgewonden.—Als hare gezondheid niets te wenschen overlaat, en als zij mij nog altijd bemint, dan is aan mijne grootste begeerte voldaan! Begin nu maar te zeggen, goede, beste ziel, alles wat ge te zeggen hebt. Thans ben ik zoozeer door je gerustgesteld, dat ik met het grootste geduld naar je zal luisteren, zonder boos of driftig te worden, dat beloof ik je, begin dus, want ik ben zeer benieuwd wat ik door je zal vernemen.
Met een glimlach om de lippen wierp de jonge man zich achter in zijn leunstoel, en ging recht gemakkelijk zitten. Droevig en meer dan eens schudde de duenna het hoofd en keek daarbij den jongen man aan met eene moeielijk te beschrijven uitdrukking; daarna haalde zij diep adem, even als iemand die een zeer gewichtig besluit heeft genomen en zette het gesprek voort.
—Señor caballero,—zoo begon zij,—gij zult het zeker van mij, die in uw oog niet anders is, en niet anders zijn kan dan eene dienstbode, zeker zeer vreemd vinden, dat ik mij bemoei met de zaken en belangen van personen, die door hunne geboorte zoover boven mij geplaatst zijn.
—Daarin bedriegt ge je, na Cigala,—werd door Philippe op zeer goedhartigen toon ten antwoord gegeven.—Ik weet hoe vriendschappelijk donna Juana je gezind is, en vind het dus integendeel zeer natuurlijk, dat je veel belang stelt in alles wat haar aangaat.
—Voor donna Juana ben ik geen gewone dienstbode, señor; ik heb haar bijna zien geboren worden, la querida ninna; ik was haar min; bijna nooit ben ik van haar af geweest; om haar naar Amerika te volgen heb ik alles achter gelaten, mijn man, mijne kinderen en mijne bloedverwanten. Ik heb haar even lief, alsof zij mijn eigen kind was, en misschien nog liever.
—Met alles wat ge mij daar vertelt, was ik reeds bekend, behalve over die bijzonderheden van uwe reis naar Amerika. Dus is donna Juana in Spanje geboren.
—Wie kan dat zeggen?—mompelde de oude vrouw en sloeg de oogen ten hemel.
—Hoe! Wie kan dat zeggen!—herhaalde Philippe.—Wat beteekent dit, na Cigala?
—Luister, caballero,—werd ten antwoord gegeven.—Het weinigje dat ik daarover weet, zal ik u nu mededeelen.
—Ga voort, na Cigala, ga voort,—uitte de jonge man haastig.
—Vergeet niet, caballero, dat ik vertrouw op uw woord als edelman, en dit geheim nooit over uwe lippen mag komen.
—Ik geef u daarop mijn woord van eer!
—Ik was al zoowat een jaar of drie getrouwd, had reeds mijn eerste kind gekregen en sinds een maand was het tweede er bij gekomen. Mijn man en ik woonden in een hutje, dicht bij een stroom, enkele uren van Pau.
—Wat!—viel Philippe hoogst verwonderd uit.—Zijt ge dan geen Spaansche?
—Neen, ik ben uit Bearn.
—Verder, verder,—zei Philippe haastig en draaide ongeduldig in zijn stoel heen en weer.
—Mijn man maakte jacht op beren en wilde geiten, deed zoo nu en dan een beetje aan het smokkelen, en diende in zijn verloren oogenblikken als gids aan de reizigers die somwijlen uit Spanje naar Frankrijk trokken, of uit Frankrijk naar Spanje terugkeerden. Ondanks al die bedrijven of juist omdat hij er zoo vele aan de hand had, was mijn man arm, zoo arm zelfs, dat er meer dan eens gebrek aan brood was in ons armzalig hutje. Juan werd wanhopig, het ongeluk scheen ons te vervolgen, maar ondanks alles bleven wij eerlijk. Eens kwam mijn man terug, na langer dan gewoonlijk afwezig te zijn geweest, en werd toen vergezeld door een edelman. Gij kunt er op aan dat ik blijde was toen ik hem weer bij mij had, want in de laatste twee dagen was er geen kruimel over mijne lippen gekomen en Juan bracht leeftocht meê.—Moed gehouden, vrouwlief—zei hij tegen mij,—doe je te goed en wees in je schik, want hier is een edel heer, die medelijden met ons heeft.—Toen nam ik dien vreemden heer eens goed op, want ik had nog bijna geen acht op hem geslagen, daar hij diep in zijn mantel gedoken dicht bij de deur was blijven staan. Die vreemde heer was reeds op jaren, had een mooi maar stuursch gelaat, zoo trotsch van uitdrukking, dat ik er van huiverde, hij was gekleed juist als een edelman. Ik groette hem onderdanig en bedankte hem bijzonder voor al de goedheid die hij ons betoonde. Toen sloeg hij zijn mantel open, toonde mij een kindje dat hij tegen zijn borst hield gedrukt en zoowat van den eigen leeftijd van mijn jongste was, en zei: „Goede vrouw, ge behoeft mij daarvoor niet te bedanken, want de eene dienst is de andere waard, en hier ziet ge een zeer teer schepseltje waarvoor ik je verzoek voorloopig te zorgen alsof jij zelf de moeder waart.” Ik greep het kindje dadelijk, dacht er niet langer aan meer te eten, hoewel ik rammelde van den honger en legde het schepseltje aan de borst.
—En dat kindje was Juana, niet waar?—viel Philippe ongeduldig in.
—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen. „Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje. Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud [3]; binnen een jaar zult ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn, en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang, niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen.
—Wie kan die man zijn geweest?—mompelde Philippe.—Haar vader waarschijnlijk?
—Dat geloof ik niet. Drie jaren gingen voorbij. Ieder jaar ging ik naar Pau, toonde daar den ring, en zonder dat men verder iets vroeg werden mij de zestig onzen goud uitbetaald. Op een goeden morgen werd er tegen de deur van onze hut geklopt; ik begon te beven, want wij woonden dáár zoo afgelegen, dat wij nooit door iemand werden opgezocht, dan alleen door enkele kennissen van mijn man, óók smokkelaars die zonder veel omslag de deur openduwden en deden alsof zij te huis waren. Ik deed de deur open, en zag een vreemden heer vóór mij staan. Die heer was een der eerste klerken op het kantoor van de heeren Izaguirre; ik weet dit heel goed, want had hem er altijd gezien, als ik daar het geld ging halen. Hij groette mij en vroeg of hij mijn man kon spreken, ik zei van neen, daar hij er op uit was, maar dat ik hem ieder minuut terug wachtte.
„Nu goed,”—gaf hij ten antwoord,—„ik heb al den tijd.” Hij kwam binnen en ging op een bank bij het vuur zitten, wij waren nog vroeg in de lente en het was vinnig koud tusschen de bergen; pas een uur later kwam mijn man terug, de vreemde heer ging met hem naar buiten, en daar bleven zij lang met elkaar praten. Op eens kwam Juan weer bij mij en zei, „vrouw, je moet je gauw kleeden, die señor hier komt Juana halen en je moet met hem mede.” Ik begon er iets tegen in te brengen, maar die heer viel mij in de rede en waarschuwde: „Doe zooals uw man zegt daar zult ge u wel bij bevinden.” Ik gehoorzaamde, met tranen in de oogen. Een uur later zat ik naast dien heer in een rijtuig met Juana op mijn schoot, en reed dwars door de Pyreneën op weg naar Spanje. Wij hielden nooit anders stil dan om te eten of van muildieren te verwisselen. Na een tocht van vier dagen hield het rijtuig op voor een heel mooi huis buten een dorp; later vernam ik dat dit dorp Ocano heette. De vreemde heer gaf door een wenk te kennen dat ik moest uitstappen en hem volgen. De deur van dat huis was reeds opengedaan toen men het rijtuig hoorde stilhouden; die heer trad binnen, ook ik, en zag daarna eene dienstbode die onbeweeglijk vóór ons stond. De heer liep met mij het gansche huis door, en toonde mij al de kamers, die zeer goed, doch zonder weelde, waren gemeubileerd. „Hier zijt ge nu tehuis,” voegde hij mij toe, „en moet er tot nader order blijven; iedere maand zult ge het voor uw onderhoud noodige geld ontvangen. Mijne zending is nu afgeloopen. Goeden dag.”—„Maar mijn man dan?—vroeg ik.”—„Dat is waar ook,—gaf hij ten antwoord.—Lees dezen brief, dien hij mij voor je heeft meegegeven. Maar onthoud vooral goed dat ge niemand hier bij je moogt toelaten dan alleen den persoon, die je een ring zal toonen, geheel gelijk aan dien welken je reeds hebt. Vaarwel!” Hij ging heen, ik hoorde het rijtuig in galop wegrijden, en bleef alleen achter met Juana, die zich om niets bekommerde en zeer in haar schik was dat zij nu vrijheid had om door al de kamers te huppelen.
—Dat is een zeer zonderlinge geschiedenis,—zei Philippe.—En hoe liep dat af?
—Op de eenvoudigste manier, señor. In den brief van mijn man, gelastte deze mij dat ik stipt moest gehoorzamen en gaf hij mij de verzekering dat alles heel goed voor ons zou afloopen. Ik onderwierp mij dus aan zijn verlangen, en gevoelde mij weldra geheel tehuis en tamelijk tevreden in ons nieuw verblijf. Zoo verliepen enkele maanden. Doch op zekeren dag hield een rijtuig vóór het huis stil, een heer stapte er uit, kwam naar binnen en toonde mij een ring. Die heer was don Fernando d’Avila; hij vertelde mij dat hij de voogd was van Juana en kwam om haar te halen en naar Madrid te brengen; hij vroeg mij of ik lust had met hem mede te gaan; daar ik zóó innig hield van het arme kind, waarvoor ik als eene moeder had gezorgd, brak mijn hart bij de gedachte, dat ik van haar zou moeten scheiden, en dus nam ik zijn voorstel aan. Te Madrid werden wij gehuisvest in een prachtig paleis. Iederen dag kwam don Fernando op een bepaald uur Juana afhalen voor eene wandeling die soms zeer lang duurde. Wat mij betreft ik ging nooit uit, daar het mij verboden was mijne vertrekken te verlaten, doch schikte mij hierin, te meer daar mijn man mij in al zijne brieven voorhield, dat ik steeds zonder tegenstribbelen moest gehoorzamen aan alles wat men van mij verlangde. Op een goeden dag deelde don Fernando mij mede dat hij naar Amerika moest vertrekken, en deed mij, even als den vorigen keer, den voorslag om hem daarheen te vergezellen. Wat moest ik doen? Ik was ver van mijne vrienden, in een vreemd land. Wie kon zeggen wat de gevolgen zouden zijn, indien ik weigerde? Ik nam het dus aan. Wij maakten met don Fernando den overtocht naar Hispaniola, dáár wees hij ons tot verblijf aan het stadje, waar het toeval of wellicht de hand der Voorzienigheid u zoo onverwachts op onzen weg heeft gebracht. Verder heeft niets de eentonigheid van ons leven afgebroken. Don Fernando heeft steeds volgehouden zijne pupil met goedheid en eerbied te behandelen; naar het schijnt is hij bijzonder op haar gesteld, terwijl hij ook voortdurend haar met de meeste zorgen omringt.