Part 5
—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te begroeten.
—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo zich bij ons in te schepen.
—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie.
—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal hebben u aan den señor Conde voor te stellen.
Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij reeds aan Michel de Baskiër had gedaan.
—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de goedheid mij te volgen.
Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond. Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen.
—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie afwacht,—gelastte Pierre Legrand.
De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya.
Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij aangenaam, señor, met u in kennis te komen.
—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw buigende.—Ik verdien waarlijk niet...
—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen.
—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen; daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in gereedheid te brengen.
—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons, in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen, niet waar?
—Excellentie...
—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar.
—Maar toch...
—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen.
—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders over dan te gehoorzamen.
—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe beleefdheid.
—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste aan uw verlangen te voldoen.
—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u eene geschikte woning is gevonden.
—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u daarheen geleiden.
—Zeer gaarne.
De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als graaf de l’Atalaya.
VI.
DE INSTALLATIE.
Toen don Fernando d’Avila niet meer op de brigantijn aanwezig was en de aanvoerders der flibustiers dus weer buiten hun rol konden treden, gaven zij zonder eenige terughouding lucht aan de overmaat van vreugde over het groote en ongedachte succes van zulk een brutaal bedrog. Hun vermetele krijgslist scheen alles te overtreffen wat in de jaarboeken van de Broeders der Kust over zaken van dien aard geboekstaafd stond, en toch bevatten die jaarboeken menig staaltje dat de bewondering gaande maakte. Doch het moest erkend worden, dat door de vrijbuiters, ondanks hun dapperheid, die boven allen twijfel verheven stond, nog nooit zulk een gevaarvollen aanslag was beproefd om achter de geheimen hunner vijanden te komen. Morgan, de mooie Laurent, in één woord geen enkel der helden onder de boekaniers hadden ooit durven wagen zooveel op het spel te zetten.
Maar toen de eerste oogenblikken van opgewondenheid voorbij waren, begon men te wikken en te wegen, en daarna zich te beangstigen over den zoo geheel onverwachten goeden uitslag. Toen scheen het hun onmogelijk lang de rollen vol te houden die zij onder elkander hadden verdeeld, en die zoo hachelijke comedie af te spelen, zonder daarbij ontmaskerd te worden. Zij bleven peinzend staren naar de stad, wier witte huizen trapsgewijze voor hunne blikken oprezen, en de vraag kwam bij hen op, of het niet beter zou zijn, nu het nog tijd was, zich den aanstaanden nacht ten nutte te maken, weer onder zeil te gaan en te trachten, te ontkomen aan dit wespennest waarin zij zich zoo roekeloos hadden gestoken.
De Spanjaarden waren immers te veelvuldig met de vrijbuiters in aanraking geweest, om het als genoegzaam zeker te kunnen achten dat in een stad met meer dan vijfduizend inwoners en een garnizoen van achthonderd man, niet de een of ander zou wezen, die hetzij een der aanvoerders hetzij een der matrozen van den schooner zou herkennen.
Die overwegingen kwamen zeker wel een beetje te laat, maar toch waren zij oorzaak dat die gebruinde gezichten somberheid toonden; de voorzichtigheid kreeg de overhand, en die mannen, hoe dapper ook, werden nu ondanks zich zelven ten prooi aan een onwederstaanbaren angst bij de gedachte aan de verschrikkelijke wederwraak die de Spanjaarden zouden nemen zoodra deze het brutale bedrog zouden ontdekken, waarvan zij de dupe waren geweest. Die vrees werd zóó ernstig zóó algemeen gedeeld, dat het weinig scheelde of de brigantijn was dadelijk onder zeil gebracht ten koste van alles wat daarvan mocht komen.
Slechts twee mannen bleven vast en onwrikbaar bij hun besluit om aan wal te gaan en tot het eind te volharden in het plan waarom zij naar Maracaïbo waren gekomen. Die twee mannen waren Montbars en Philippe. De beweegredenen waardoor zij gedreven werden, waren zoo ernstig en gewichtig dat in hun geest alle bezwaren en overwegingen moesten wijken, voor hun vurig verlangen om tot iederen prijs te slagen in hetgeen zij zich ten doel hadden gesteld. Nu zij met de grootste koelbloedigheid hun eigen leven en dat hunner kameraden hadden gewaagd om in de stad te komen, waarop zij thans een blik konden vestigen, nu zij op het punt stonden hunne pogingen bekroond te zien, nu zouden zij nooit toestemmen tot een schandelijken terugtocht onder den invloed van overdreven angst, een gevoel onwaardig voor mannen zooals zij waren. Montbars verhief met kracht zijne stem tegen dit besluit dat zijne kameraden wilden nemen; hij toonde hen aan hoezeer het prestige dat de vrijbuiters hadden weten te verwerven, hun, zelfs buiten hun weten, tot waarborg strekte tegen de ondernemingen der Spanjaarden, bij het niet zeer denkbare geval dat deze hen zouden herkennen. Het ergste wat hun kon overkomen, was dat men gedwongen werd tot vechten; thans was er geen enkel Spaansch oorlogschip noch in de golf noch op het meer, derhalve waren de vrijbuiters meesters van de zee, en dus nog altijd in staat om zonder groot bezwaar een terugtocht aan te vangen die glorierijk zou mogen genoemd worden, waar men te kampen had tegen honderdvoudige overmacht, maar op dit oogenblik des te smadelijker daar er niets was, waardoor men ertoe genoodzaakt werd.
Die overtuigende redeneering, krachtdadig ondersteund door Philippe, had het gevolg wat Montbars er van verwachtte; de vrijbuiters schudden even gauw den angst af als die hen overvallen had en zwoeren Montbars, dat zij hem trouw zouden blijven, en zich eer tot den laatsten man zouden laten dooden dan hem aan zijn lot overlaten.
Nauwelijks had Philippe don Fernando d’Avila gezien of hij had hem herkend als den vroegeren gouverneur van het Schildpaddeneiland, den voogd van donna Juana. Onmiddellijk daarop stond zijn besluit vast; al moest hij alleen te Maracaïbo blijven, dan zou hij dit zonder aarzelen doen, veel liever dan af te zien van de hoop haar die hij liefhad terug te zien, te meer daar dit het eenige doel was waarom hij een expeditie uitgerust en zijn brigantijn bewapend had.
Toen de opgewondenheid, veroorzaakt door al die beraadslagingen door ons in hoofdzaak medegedeeld, bedaard en de rust hersteld was, werden de volgende besluiten genomen. De schooner zou dien nacht de ankerplaats verlaten en dichter bij wal worden gebracht om zoodoende makkelijker het verkeer met de stad te kunnen onderhouden. Pierre Legrand en Michel de Baskiër, de beide gezagvoerders van het schip, zouden verkenningen doen, en peilingen bewerkstelligen, maar alles steeds in gereedheid houden om op het eerste signaal onder zeil te gaan. Nog werd overeengekomen dat het aan de gansche bemanning, uitgenomen de beide gezagvoerders, strikt verboden zou zijn aan wal te gaan, en dat zelfs de gezagvoerders dit nooit te zamen maar altijd ieder afzonderlijk mochten doen, uit vrees voor een mogelijke overrompeling. De scheepjongen, Zijden-Draad, werd belast met de overbrenging van de orders van Montbars naar de brigantijn. Aan boord zou de stiptste discipline gehandhaafd worden, en, daar de geringste ongehoorzaamheid den ondergang van allen zou kunnen berokkenen, werd bevolen dat de schuldige onmiddellijk zou worden doodgeschoten; ten overvloede en om zoo min mogelijk iets aan het toeval over te laten, werd nog verordend dat de toegang tot het schip volstrekt ontzegd bleef aan de inwoners van de stad. Al die maatregelen werden vastgesteld en goedgekeurd in eene gezamenlijke vergadering door de vrijbuiters; zij deden er een eed op dat die stipt zouden worden in acht genomen, op even plechtige wijze als bij hunne aanwerving voor de inneming van het Schildpaddeneiland bij de beëediging der monsterrol had plaats gehad. Toen dit alles was geregeld, ging men over om de ontscheping te bespreken.
Er waren zes personen, die zich aan wal moesten begeven, en wel in de eerste plaats, Montbars, onder den naam van don Pacheco graaf de l’Atalaya, buitengewoon Opper-intendant, en Philippe, als don Cardenio Figueroa, zijn geheim-secretaris. Tevens Tributor, Pitrians en Luiwammes, thans José, Purdo en Pico genoemd, als bedienden van den graaf en eindelijk Zijden-Draad of Lopez Cardenas, zijn page. Montbars deed allen in de kajuit bij zich komen om hun zijn laatste instructies te geven. De rollen die zij van nu af hadden te vervullen, waren des te moeielijker daar zij die in acht moesten nemen ten aanzien van een ieder, en goed zorgen dit geen oogenblik te vergeten. Er ging meer dan een uur voorbij om hun dit met allerlei voorbeelden goed in te prenten en te doen gevoelen dat het van het grootste gewicht was dit steeds in het oog te houden. Toen de vermaarde vrijbuiter ten laatste er zeker, of ten minste bijna zeker van was, dat zij hunne rollen stipt zouden volhouden, gaf hij order om twee booten te bemannen.
Hij zelf begaf zich in de eerste vergezeld door Philippe en Zijden-Draad; drie andere vrijbuiters namen plaats in de tweede, met de kisten, koffers en de verdere bagage, die aan hunne zorgen werden toevertrouwd. Montbars keek om zich heen met eene vreemde uitdrukking op zijn gelaat, ging toen recht in de boot staan, nam zijn hoed af, groette glimlachend de matrozen, die zich over de berghouten van de brigantijn gebogen hielden en sprak daarna met luide stem tot de roeiers.
—Stoot nu af, mannen, maar denkt er vooral aan dat van dit oogenblik af geen enkel Fransch woord door ons mag gesproken worden.
De boot werd afgehouden en met krachtige riemslagen voortgestuwd naar het havenhoofd, waar reeds een groot aantal der inwoners verzameld was en met ongeduld scheen te wachten naar het oogenblik waarop het de zoo hoog geplaatste persoon, die men wist dat zich aan boord van de brigantijn la Madre de Dios bevond, behagen zou aan wal te komen.
Nu wij tot dit gedeelte van ons verhaal zijn gekomen willen wij gaarne zeer nederig bekennen dat wij zouden aarzelen het te vervolgen, zoo wij niet in het bezit waren van de authentieke bewijzen der bijna hersenschimmige feiten die wij verder hebben mede te deelen. Want waarlijk grenst het aan het ongeloofelijke dat die mannen zoo vermetel zijn om eene gansche bevolking tot dupe te maken van een zoo dwaas komediespel, en evenzeer kan dit gezegd worden van de verbazende onnoozelheid waarmede de bevolking, met de autoriteiten aan het hoofd, zich zoo gemakkelijk door hen laat bedotten, zonder eenig wantrouwen te koesteren, ondanks de menigvuldige listen waaraan zij van de kant der flibustiers reeds blootgestaan had en die haar nu weer tot speelbal gekozen hadden. Doch men moet in het oog houden dat in die dagen de middelen van verkeer veel moeielijker en beperkter waren dan tegenwoordig; slechts op enkele vaste tijden kwamen er schepen uit Europa aan, daardoor bleven de Spaansche Koloniën bijna altijd in genoegzaam volslagen onbekendheid niet alleen met de gebeurtenissen in het moederland, maar zelfs met hetgeen in de onmiddellijke nabijheid voorviel, dat wil zeggen in de naburige Koloniën.
Die onwetendheid kwam aan de vrijbuiters bij hunne plannen bijzonder goed te stade; buitendien waren zij zelf, die onophoudelijk en in alle richtingen de zee doorkliefden en kruisende bleven vóór de voornaamste havens der kust en van de eilanden, steeds volkomen op de hoogte der gebeurtenissen die voor hen van eenig belang waren, door de schepen die zij van de Spanjaarden kaapten, hetzij die van Europa kwamen of daarheen terugkeerden, de gevangenen die zij daarbij maakten en de depêches of documenten die hun daardoor in handen kwamen. Ook moeten wij ten overvloede hier nog bijvoegen dat door de vrijbuiters, sedert de verbeterde organisatie hunner vereeniging, in de gewichtigste plaatsen spionnen werden onderhouden die hun door middel van afgesproken signalen langs de kust, bericht gaven van alle zaken die voor de vrijbuiterij van belang waren.
Hoe dit ook wezen moge de beide booten naderden met spoed het havenhoofd en lagen kort daarop stil aan de trap.
Don Fernando d’Avila, in groot tenue van Luitenant-Kolonel van het Spaansche leger, weer een hoogeren rang die hem sinds kort was verleend, wachtte de reizigers af te midden van den staf van het garnizoen en van de voornaamste autoriteiten der stad. Na de gebruikelijke plichtplegingen en voorstellingen liet don Fernando voor Montbars en Philippe paarden voorbrengen. Het gansche geleide steeg te paard en onder de toejuichingen der menigte, het gebulder van het geschut, en de opwekkende militaire muziek werd de tocht naar de Plaza Mayor langzaam aangevangen.
Het huis dat don Fernando had laten inrichten tot een geschikt verblijf voor Montbars, stond op dit zelfde plein, niet ver van de kathedraal en vlak tegenover het paleis van den gouverneur. Een eerewacht was vóór de deur opgesteld. Don Fernando steeg af en noodigde de vrijbuiters uit hem in het huis te volgen waarna hij hen de kamers rondleidde, en verscheidene inrichtingen meer in het bijzonder aanwees. Na afloop van dit kort bezoek nam de Gouverneur afscheid om graaf de l’Atalaya tijd te geven zich geheel naar zijn goedvinden in dit huis te installeeren, doch don Fernando verwijderde zich niet dan na van den graaf de belofte te hebben verkregen, dat deze met zijn secretaris dien avond deel zou nemen aan een banket dat hem werd aangeboden door de autoriteiten van de stad.
Nauwelijks waren de poorten van het huis achter de Spanjaarden gesloten of de vrijbuiters herademden; het was voor de eerste maal dat zij zich zóó lang moesten bedwingen en dit begon hun moeite te kosten en te vermoeien; zij hadden er dus veel behoefte aan om zich weer vrij te gevoelen. Hun eerste zorg was nu om het huis tot in de kleinste bijzonderheden nader op te nemen. Niettegenstaande hem daarvoor slechts weinig tijd was gelaten had de gouverneur de woning voor den Opper-Intendant uitstekend in orde gebracht. Het was een groot huis met ruime vertrekken; achter het huis strekte een prachtigen tuin zich vrij ver uit, en, wat den vrijbuiters het meeste beviel, het gebouw, in werkelijkheid eigenlijk een paleis, had drie verschillende uitgangen, die niet met elkaar in verband stonden; de eerste, de hoofdpoort, kwam uit op de Plaza Mayor, de tweede, in den tuinmuur, verleende toegang tot de calle Bodegones, en de derde, meer bepaald ten gebruike van het dienstpersoneel in de calle Plateros. Dank zij deze, voor hen zoo dienstige inrichting, waarover de vrijbuiters zeer in hun schik waren, konden zij uit- en ingaan zonder te worden bemerkt en liepen zij geen gevaar in hun huis als in een gevangenis opgesloten te blijven. Daarenboven was de tuin, waarvan wij reeds melding maakten, vol uitheemsche, zeer lommerrijke boomen, en verscheidene zeer dicht begroeide prieeltjes, waar bijna geen zonnestraal kon doordringen, zoodat hier zeer goede gelegenheid bestond om bezoeken te ontvangen, en geheime gesprekken te voeren zonder in gevaar te verkeeren van bespionneerd of beluisterd te worden.
Daar de optocht, zooals wij gezegd hebben niet dan langzaam voortschreed, was de bagage reeds in de woning gebracht, eer de vrijbuiters daar afstapten; alles was daar reeds geschikt, geregeld, en op orde nog vóór zij den voet binnen de deur hadden gezet. Montbars begaf zich naar zijne vertrekken om eenige oogenblikken rust te nemen, en liet aan Philippe de zorg over om de bedienden, die zich kwamen aandienen te woord te staan, en hun hunne plichten aan te wijzen. Philippe kweet zich van die netelige taak als een zeer schrander persoon, dat hij trouwens werkelijk was. Zijn eerste zorg was daarna naar den officier te gaan die de eerewacht kommandeerde en hem hoogst beleefd te bedanken, maar meer nog om er voor te zorgen dat hij zich met zijne soldaten zoo spoedig mogelijk verwijderde, waarom hij zich haastte hem, namens Zijne Excellentie, een met goud goed gevulde beurs ter hand te stellen om onder deze waardige manschappen te verdeelen, die daarop aftrokken onder uitbundig vreugdegejuich.
Daarna stelde Philippe aan: een kok, twee keukenjongens, twee mayorales, twee lakeien, en vier palfreniers. Al die lieden verkregen geen toegang tot de bijzondere vertrekken waarvan de dienst uitsluitend moest worden waargenomen door de vertrouwde bedienden van den graaf, met andere woorden door Tributor, Luiwammes en Pitrians. De anderen bleven overigens onder het onmiddellijk toezicht van Pardo, of Pitrians, den zoogenaamden Intendant van Zijne Excellentie. Toen het bedienend personeel dus was georganiseerd, liet Philippe paarden voorbrengen, hij koos er twaalf, dieren van groote waarde, die dadelijk naar de corral werden gebracht. De jonge man, die niets over het hoofd zag, was op zeker oogenblik op de gedachte gekomen, dat het misschien goed zou wezen, om te allen tijde over uitstekende paarden te kunnen beschikken.
Pitrians, Luiwammes, Tributor, en Zijden-Draad werden gehuisvest in de vertrekken grenzende aan die van Montbars en Philippe, om op ieder uur zoowel ’s nachts als op den dag in de nabijheid te wezen van hunne voorgewende meesters en zoo noodig hun hulp te kunnen bieden. Aan Pitrians werd nog in het bijzonder opgedragen geen enkelen avond ter rust te gaan, dan na het huis van boven tot beneden in alle hoeken en gaten te hebben doorzocht, en tot overmaat van zekerheid de vertrekken der Spaansche bedienden te hebben afgesloten. Al die beschikkingen vereischten vrij wat tijd en het was niet vóór vijf uur ’s namiddags dat Philippe daarmeê eindelijk gereed was, en toen naar Montbars kon gaan om dezen verslag te doen van alles wat hij verricht had. De vrijbuiter keurde zijne schikkingen goed, en beiden begonnen zich nu te kleeden voor het banket waarop zij genoodigd waren, daarbij geholpen door Tributor, die bij deze gelegenheid fungeerde als kamerdienaar.
—Wij dienen ons wel op dit feest te vertoonen,—meende Montbars.—Alleen de vrees om den gouverneur te ontstemmen, wiens goede gezindheid wij tot iederen prijs moeten trachten te behouden, heeft mij weerhouden om dadelijk voor die uitnoodiging te bedanken, doch nu wij ons niet geheel van dit feest kunnen onttrekken, is het ook zaak zooveel mogelijk van die gelegenheid te profiteeren en terstond in onze rollen op te treden.
—Wat wilt gij daarmee zeggen?—vroeg Philippe, die de bedoeling niet begreep.
—Wat ik daarmee zeggen wil, wel, dat wij reeds morgen aan den dag in functie moeten komen. Laat ons het steeds bedenken dat wij hierheen zijn gezonden, om de rekeningen van de heeren Intendanten op te nemen, na te zien, uit te pluizen enzoovoorts. Dat werk is een werk van langen duur, want wij worden er door verplicht de voornaamste steden van iedere kolonie te bezoeken. Vat ge nu waar ik heen wil, vriend?
—Volkomen. Dus moeten wij naar Gibraltar gaan en naar Merida?
—In één woord overal waar een streng onderzoek moet plaats grijpen,—merkte Montbars glimlachend aan.
—Arme Spanjaarden,—mompelde Philippe.
—Hoe nu! Begint ge medelijden met hen te krijgen?
—Ronduit gezegd, ja! Zij ontvangen ons zoo hartelijk!
—Maar vergeet des ondanks niet om een dolk bij je te steken.
—Wees daarover gerust. Men weet nooit wat er kan gebeuren.
—Tributor laat de paarden zadelen. Gij moet ons vergezellen tot aan het paleis van den gouverneur. Het zal wel overbodig wezen om je nog eens op het hart te drukken, een oog in zeil te houden, niet waar?
De pandeling liet een flauw glimlachje bemerken, boog en ging heen. Enkele minuten later reed graaf de l’Atalaya vergezeld van zijn secretaris, en gevolgd door een bediende en een page, de Plaza Mayor over, en richtte zich naar het paleis van den gouverneur, waar de wacht onder de wapens kwam om hem militaire eer te bewijzen.
VII.
DE DUENNA.