De goudzoekers

Part 4

Chapter 43,951 wordsPublic domain

—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten beraadslagen.

—Best! Op uwe gezondheid!

De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord.

—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg hij met uitvorschenden blik.

—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend.

—Op uw woord?

—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk, terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd gedrukt.

—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens zullen worden.

—O! Daarvan ben ik overtuigd!

—Stellen wij dan eerst de feiten vast.

—Niets liever dan dat.

—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo, niet waar?

—Zoo is het!

—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs.

—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe.

—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe?

—Volkomen, Montbars.

—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en verstand aan de hand worden gedaan.

—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat mij geen woord van hetgeen je mij zegt.

—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen. Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord dan.

—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen.

—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht, integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang, want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar?

—Ja, dat heb ik.

—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt, bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks.

Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya; die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca.

—Waar kwam hij van daan?

—Uit Spanje.

—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden?

—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft, zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig overmeesterde.

—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen, Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen. Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken. Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van dien Cardenio geworden is?

—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht.

—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt Zijden-Draad Spaansch?

—Als een Castiliaan!

—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken.

—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden.

—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en...

—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage; hoe moet die vervoerd worden?

Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu?

—Drommels goed!

—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking.

Een half uur later was de schooner onder zeil.

V.

LA MADRE DE DIOS.

Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het bewapend was.

Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip.

Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht, waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield.

Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats hebben.

Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci. Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij ons behoeven bezig te houden.

De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden komen.

Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten, die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters, verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die streken vrij aanzienlijk te noemen.

Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal.

De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte, koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen.

—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek vertoont, niet waar?

—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam.

—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt?

—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár een paar weken opgehouden.

—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest?

—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den minsten tegenspoed gehad.

—Ja, ik twijfel er ook niet aan of uw schooner is best in staat om een ander de loef af te steken. Die schepen behoorden zeker aan de ladrones van Sint Christoffel. Hebt gij al vernomen dat die kerels het eiland Tortue weer heroverd hebben? [2]

—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen?

—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had.

—Hum! Dat is een treurig geval.

—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken.

—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende kastijding toe te dienen!

—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren, dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar gij een veilige ligplaats zult vinden.

—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo?

—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig, zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders uitzien dan nu.

De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land, zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren; daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas.

—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze in de deur van de kajuit verscheen.

—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke kroegen van de stad.

—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt! Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten señor.

—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders, er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op te passen dat wij ons niet verspreken.

—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze bezoekers hebt belast?

—Michel de Baskiër.

—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed Castiliaan als jij.

Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van Philippe.

Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht genomen.

De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en aangevangen.

Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel, een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen.

Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen, dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep aan stuurboord.

Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide personages groetten elkaar zeer ceremonieel.

—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd.

—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit, Gouverneur van de stad Maracaïbo.

—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar.

—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven.

—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la Madre de Dios.