Part 23
—Maar hoe komt het?....—vroeg zij gejaagd.
—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den Stenio de Bejar.
—O! Dat is een leugen!—viel zij uit.
—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de moordenaar of de beul van zijn vader.
—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit.
—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon.
—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en bedrog?
—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat jonge meisje?
—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog vergiffenis?
—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd.
Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij glimlachend aan donna Clara.
—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst!
—De toekomst behoort aan God, mevrouw!
—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u toe, mijnheer.
—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het is tijd om onder zeil te gaan.
Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren.
—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die aandoeningen matten u te erg af.
—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust, en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij!
Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen.
Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging. De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven, zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven, vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang reeds te voorzien.
Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen, waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken.
De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de flibustiers aangevangen.
XXVI.
VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween.
Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden. Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige oogenblikken werd het gevecht voortgezet.
Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man.
Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden bemachtigen.
Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk, en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als hun redder en bevrijder.
Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen; hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en angst berokkend had, vernietigen.
De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet in konden slagen de verschansingen te overmeesteren.
Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond.
Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte, die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden.
De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden uitslag van de expeditie.
Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen, zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd, en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en hij alléén, verantwoordelijk bleef.
Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend.
Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de bemanningen waren ontscheept.
En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder verdediging bleef.
Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen.
Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd, doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters, dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden; iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen.
Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld.
Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene, noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een donderen „Voorwaarts!” deed hooren.
Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden, en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan. De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen, daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der slavernij.
Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen, toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak, op den hertog geworpen en hem overweldigd.
—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd.
—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor je verzekerd.
Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet niet in het gevecht gedood worden.
—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens!
De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd.
De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens neer te leggen.
Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter.
’t Was feest te Port-de-Paix.
Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht.
Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden, waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze, waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden toorn.
Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten, waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër, en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed was den gevangene aan hem uit te leveren.
Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier; hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel woord.
—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten antwoord.
—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg Montbars eenigszins wantrouwend.
—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag.
—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de hertog de Penaflor mijn doodsvijand is?
—Ja, dat is zóó.
—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te wreken.
—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal zijn.
— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel tusschen ons gespeeld?
—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo?
—Juist! Laat ons dan gaan.
—Kom mee!