De goudzoekers

Part 24

Chapter 241,922 wordsPublic domain

Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen; er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets meer achteraan, de mayordomo, Birbomono.

Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij verwacht, mijnheer.

—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om dien met bittere minachting toe te voegen:

—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij uw woord gestanddoet.

—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm.

—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer, mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot boetedoening eindelijk aangebroken is.

—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden toegankelijk te maken.

Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte stem.

—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik.

—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit.

—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen.

—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan.

—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware achting gevoel voor uw karakter.

—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid hier te kunnen rechtvaardigen?

—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er nog eene andere rechtvaardiging noodig?

—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.... hij is mijn vader.

—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als antwoord op den vragenden blik van Montbars.

De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!...

—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat ik u niet gesmeekt of gebeden heb.

—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk?

—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog.

—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw vader terug.

—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal ik je die smadelijke taal betaald zetten.

Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en vernietigend:

—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan, terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden, want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt! Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te houden.

—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk toebeet:—Vertrek, moordenaar!

—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen!

—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede beveiligt.

Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde onrustbarend.

—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.... O! Ellendeling! Ellendeling!....

Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en herhaalde met snijdende stem:

—Vervloekt!... Wees vervloekt!....

Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok, nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht.

Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf.

Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en Birbomono.

Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte geluk van de beide jongelieden.

De heer d’Ogeron bracht den jongen graaf de Barmont, don Gusman, aan het hof, om hem voor te stellen aan hem, dien men toen reeds begon te noemen den Grooten Koning.

Ondanks hunne voornemens om zich uit het woelige krijgsleven terug te trekken, ondanks al hunne plannen om in stilte hun geluk te genieten, zullen wij onze personen nog eens ontmoeten [18] onder die geduchte flibustiers van Tortue om hen opnieuw en onverbiddelijk te zien strijden tegen de Spanjaarden; want de toekomst behoort aan God, die in Zijne onbegrijpelijke en ondoorgrondelijke wijsheid, naar Zijn welbehagen over der menschen lotgevallen beschikt.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie de Zeeschuimers, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[2] Zie het vorige deel „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[3] Ongeveer vier en twintig honderd gulden.

[4] Tributor,—zoo iets als tolheffer.

[5] Ongeveer vier maal honderd duizend gulden.

[6] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[7] Zie „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers, de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[8] Zie „de Boekaniers” en „de Zeeschuimers” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, te ’s Gravenhage.

[9] Zie de „Boekaniers” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[10] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[11] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[12] Historisch.

[13] Het verhaal van dit gevecht is streng historisch.

Gustave Aimard.

[14] Historisch.

[15] Zie het volgende deel dezer Serie: „De Hacienda del Rayo”, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[16] Zie het volgende deel dezer Serie „de Hacienda del Rayo”, bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[17] Zie „de Boekaniers” bij dezelfde Uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.

[18] Zie het volgende deel dezer serie „de Hacienda del Rayo” bij dezelfde uitgevers de Erven J. L. Nierstrasz, ’s Gravenhage.