Part 22
Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren. Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden stellen.
Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven.
„Indien ik morgen bij zonsopgang geen twintig gijzelaars heb ontvangen, onder wie in de eerste plaats zich behooren te bevinden, Montbars de Verdelger, Francoeur, Philippe d’Ogeron, Pierre Legrand, de Olonner, Grammont, Morgan, de Roodkop en de Mooie Laurent [16], die ten voorbeeld voor allen zullen dienen, zal ik het meer instevenen, u te Maracaïbo komen opzoeken, en al werd die stad door u ook in een hoogoven veranderd, dan zult gij toch dáár in mijne handen vallen en door mij behandeld worden met al de gestrengheid die gij verdient.”
Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der Kust. Na die lezing nam hij het woord.
—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer! Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo! Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden, en gaat de hand kussen van uw beul.
Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane woede gaf hun den ouden moed terug.
—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren!
—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig.
—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe!
—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag, die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen!
—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering.
Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer of zij zouden overwinnen.
—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen.
—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun wapenen zwaaiden.
Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende wisselingen van dit tooneel had bijgewoond.
—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij niets meer uit te richten. Vertrek!
De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik.
Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld.
Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg.
XXV.
EEN HUISELIJK TAFEREEL.
De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben, dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen.
Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand waarin hij zich thans bevond.
Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd.
Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem aangewend worden.
Een zijner eerste maatregelen bestond hierin dat hij voorzorgen nam tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen, een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om den vijand met alle macht te lijf te gaan.
Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader hielden zich op korten afstand meer achterwaarts.
In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud, de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes, die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over te geven.
Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden.
Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te naderen.
Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan.
Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen, donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er zeer naar om u zonder verwijl te spreken.
—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog.
—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte stem.
Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering.
—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou betreft, don Gusman.
—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in de rede valt.
Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten teeken van instemming.
—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is, zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen.
—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de handen.
—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd.
—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand! Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen.
—Maar Admiraal!—viel hij uit.
—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind.
—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen.
—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn vader en zijn weldoener!
—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar niet gezegd, mijn vader?
—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer over.
—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word! Gij, mijn vader?!
—Luister verder. De hertog had een eenige dochter; het toeval wilde dat ik het leven van die dochter redde. Toen ter tijd was ik een aanzienlijk edelman, vol geloof, vol eerzucht, vol hoop en verwachting, officier bij de marine van den koning van Frankrijk. De hertog moedigde mijne liefde voor zijne dochter aan, voerde haar, als het ware, in mijne armen, en daar Frankrijk en Spanje destijds met elkaar in oorlog waren liet hij te Cadix ons huwelijk in het geheim voltrekken [17]. Maar slechts enkele dagen daarna ontvoerde hij zijne dochter en nam met haar de vlucht; en toen ik mij vervoegde aan zijn paleis om van hem mijne vrouw op te eischen, was hij reeds vertrokken en werd mij door een bediende dit geschrift overhandigd.
Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij ontvouwde.
—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert.
En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door smart:
„Señor Conde!
„Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben, maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht. Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en uitsluitend heeft liefgehad.
„Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.”
—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de handen verborg.
—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den eersten kus te geven.
—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de knieën voor Montbars.
Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd.
—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden!
—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem tegen haar boezem.
Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen.
—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij geliefde wezens te verzekeren?
Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die hem glimlachende aanzag, en vroeg:
—En hij?
—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!!
Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken; het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te herkrijgen.
—Thans...—zei hij.
—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader, dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne familie!
—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde.
—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod dat kinderen hunne ouders zullen eeren!
—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij....
—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind!
—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en die plaats eisch ik als een mij toekomend recht.
—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars.
—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden!
Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron.
—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo onverwachts en onaangediend binnen kom.
—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat verlangt ge?
—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan, met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die betrekking hebben op donna Juana.
—En dien ring?
—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte dien aan Montbars toe.
—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word bemind.
—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering, ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde vriendschap.
En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit.
—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart.