Part 21
—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn, he?—vroeg Tributor met voldoening.
—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En wat heb ik dat netjes verzonnen!
—Blijft allen staan!—gelastte Philippe.
Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was gevallen die boven uit het prieeltje wapperde.
—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar teruggevonden!
Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd toegeroepen:—Wie daar?
—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord.
—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet!
De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug.
—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon.
—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt staande houden!—gaf Philippe ten antwoord.
—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het beter te sneven met de wapens in de hand.
—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard blijven, en uw goederen onaangeroerd.
—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij voor de nakoming van die belofte?
—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron.
Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en zei:—Luister naar mij.
De jonge man naderde.
—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en beschermd zal worden?
—Dat zweer ik!
—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden liegt men niet, en ik ga sterven.
—Mijnheer!—kreet de jonge dame.
—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan.
Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon.
—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven.
—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen zijt gevangenen.
—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels, gij zijt allen vrij.
—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en gelast het.
Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken.
—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik heb je als een vader liefgehad.
—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen wij niet scheiden.
Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde:
—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je!
Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg.
—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij. Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!...
En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de armen van Philippe.
—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters.
—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis.
—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft, want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco, koest, brave hond.
XXIV.
TEN EINDE RAAD.
Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest!
Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den meesten spoed terug te trekken.
De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte, stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht, daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement.
In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden.
Montbars gaf dus order te vertrekken; doch eer men onder zeil ging, zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken! [14]
De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters, als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet anders over dan zich te onderwerpen.
Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst, met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven, dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden.
Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten, dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou dwingen.
Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met de Spanjaarden mocht komen.
Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij, ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar.
Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie, dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol.
Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan.
Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders, eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een ieder.
Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen.
—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je.
—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door ons moet worden verdeeld?
—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de monsterrol,—bevestigde Montbars.
De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te onttrekken?
—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie die man is, en hij zal gestraft worden.
—Die man...—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor behoeden eene laagheid te begaan.
—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op.
—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij wilt zal ik u daarvan rekenschap geven.
—Dan dadelijk!
—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen, wees daar gerust op.
—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en koel.
—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld. Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij mij vast.
—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald.
—Dat recht hadt gij, broeder, en hebt gij nog,—verklaarde de Mooie Laurent. [15]—Als ik dit zeg vertrouw ik te spreken namens al de broeders.
—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders.
—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes.
De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem blijkbaar inspanning niet te spreken.
—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg Philippe.
—Ja, ja!—klonk het hem toe.
—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo ik je iets verzweeg.
—Spreek op, broeder, spreek!
Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen, mevrouw.
De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders. Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige van zijne handelwijze begon te bevroeden.
—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde, met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten, zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak waaraan ik mij heb gewijd.
—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u toe.
Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe vergiffenis.
—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u.
Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar bogen, en verliet met langzamen tred de kerk.
—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u...
—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer.
—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij ziedende van woede.—Maar dan....
—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn. Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust mochten gevoelen ons den doortocht te beletten.
—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten!
Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven, waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle waarheid.
Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader aanwezig.