David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek
Part 8
Na afloop van deze plechtigheid ging elk paar naar de tent van de bruids vader en daar werd rijkelijk koffie en koek genoten. Charel Cilliers kwam David en Martje gelukwenschen en hield een kleine aanspraak, waarin hij den jongen bruidegom grooten lof toezwaaide. Toen het ergste gedrang van gelukwenschen voorbij was, kwam ook de oude Anna het jonge paartje gelukwenschen, en de tranen stonden de goede oude meid in de oogen, toen Martje in den aandrang van haar hart, haar oude ayah om den hals vatte en zoende. En waarlijk wel mocht zij dit doen, want niemand wist beter dan zij, dat het door de oude Anna was, dat David thans aan hare zijde zat als haren geliefden man. Had de oude ayah niet zoo’n slim plan gehad, dan had David dien dag te verbleeken gelegen op den heuvel nabij Umkungunhlovu. Eerst dien dag hoorde David uit Martje’s mond, waarom hij zoo ziek was geweest, en op welke wonderdadige wijze hij zijn dood was ontkomen. Dat David daarop zijne vrouw een hartelijken zoen gaf en beloofde om niets meer te zeggen tegen „vrouwenpraatjes,” dat behoef ik bijna niet te vertellen.
Intusschen begonnen de Emigranten alles gereed te maken voor den tocht tegen Dingaan. Men zond met den heer Lindley een boodschap aan den heer Cane, deze bericht gevende, dat men omtrent den 10den April uit het lager zou trekken, maar dat aangezien men slechts langzaam zou voorttrekken, de heer Cane eenige dagen later kon beginnen.
David en Martje waren eenige weken getrouwd, toen op zekeren avond Pieter Lavras Uys de tent van Oom Frans Joubert binnentrad. Het jonge paartje zat er ook, en David wilde juist opstaan en naar buiten gaan, toen Uys zeide: „Neen David, zit een beetje, man; ik kom juist om jou te zien.”
„Ja, Oom Pieter, wat is dit,” vroeg onze held.
„Kerel, jij moet mij uit een moeielijkheid helpen. Ik zoek naar een flukschen adjudant voor die tocht tegen Dingaan, en ik moet een kerel hebben, waar ik op kan rekenen in tijd van gevaar. Mijn zoon Dirk dwing om saâm te gaan, en ik heb gezegd dat hij kan gaan, maar hij is nog maar vijftien, en te jong en onervaren om adjudant te wezen. Die vraag is nou net dit: Zal jij mijn adjudant wezen. Ik ken jou goed, en ik weet ik zal in het geheele lager geen flukscher man krijgen.”
David zweeg. Hij keek Martje aan, doch deze zat met voorovergebogen hoofd, en kon of wilde hem geen wenk geven. De jonge man was met zichzelven in tweestrijd. Gaan, dat zou hij zeker willen, maar hij dacht aan Martje.
Oom Frans Joubert, scheen zijne gedachten te raden.
„Oom Pieter, David moet zelf weten wat hij wil en ik wil hem niet hier houden, maar kan oom Piet niet een ander voor adjudant krijgen. ’t is net jammer voor Martje, dat is net al.”
Hier hief Martje het hoofd op, en hare zwarte oogen fonkelden van fierheid.
„Neen, Pa,” zeide zij, en hare stem trilde zoo effentjes, „David moet gaan; ons volk en onze zaak heeft hem noodig; zijn Kommandant roept hem; hij moet zijn plicht doen even goed als eenig ander. Hullie zal nooit zeg, dat ik mijn man teruggehouden heb om zijn plicht te doen, waar zijn dienst vereischt wordt. Ja oom Pieter, David zal gaan. Ik weet hij denkt om mij, maar hij moet nu eerst denken om Pieter Retief en diens bloed.”
Het meisje sidderde van ontroering toen zij dit gesproken had. Het Fransche heldenbloed had bewezen dat het nog in de aderen der Jouberts vloeide maar de taak was een zware voor het vrouwenhart geweest, en snikkend zeeg de jonge vrouw aan de borst van haren man, met een „Ga David, Ga!”
Een diep stilzwijgen volgde, en zelfs den dapperen Pieter Lavras Uys voelde zich aangedaan.
David hief zijne vrouw op en zeide: „Ja Oom Pieter, ik zal saam gaan. Martje heeft gelijk; waar mijnen plicht mij roept, daar moet ik luisteren.”
Uys stak David zijn hand toe, en drukte de zijne ferm. Daarop stond hij op, wenschte „Goeden nacht” en ging de tent uit. Het gebeurde was hem te veel en hij wilde niet aan anderen de tranen wijzen, die hem onwillekeurig in de oogen sprongen.
Er mogen misschien van mijne lezers zijn die dit tooneel wat overdreven vinden, en niet gelooven dat er zulke edele Afrikaansche vrouwen zijn of waren als Martje. Doen zij dit, dan hebben zij het ver mis. Onze geschiedenis is vol van heldinnen; in Bezuidenhouts vrouw, ten tijde van Slachtersnek, vindt gij er eene, de stervende vrouw van Andries Wessel Pretorius, die haar man aanspoorde zijn plicht voor zijn land te doen, en haar te verlaten, is eene anderen; en in den Transvaalschen Vrijheidsoorlog van 1880 waren er vrouwen wier gedrag niet minder heldhaftig was. Zoolang het jonge geslacht zulke moeders heeft, is er geen vrees dat de Afrikaner natie geheel zal ontaarden.
HOOFDSTUK XV.
Thans moeten wij een weinigje naar de baai van Natal gaan, en de lotgevallen der Engelschen aldaar verhalen. Om die van het begin af na te gaan, daarvoor is in dit verhaal geen plaats, hoewel hunne geschiedenis belangwekkend genoeg is. Het zij slechts gezegd dat reeds van af 1830 er Engelschen gevestigd waren bij Port Natal, waar thans de stad Durban ligt. Na een aantal troebels met Dingaan, slaagden zij er echter in om in 1835 een soort van vriendschapsverbond met hem aan te gaan, en konden zij een tamelijk rustig leven voeren. Er waren bij de baai een aantal vluchtelingen uit Zululand en deze erkenden eenige der blanken als hunne opperhoofden of kapteins. Zoo was de heer Alexander Biggar het hoofd van een deel hunner en de heer John Cane het hoofd van een ander deel.
Toen de Engelschen bij Port Natal de tijding kregen van den moord van Retief, en ook dat Thomas Holstead een der slachtoffers was, begonnen zij bevreesd te worden en Dingaan te wantrouwen, en het was om die reden dat zij den heer John Cane met den Eerw. Lindley zonden, om aan de Boeren hunne hulp aan te bieden. Toen zij nu door den heer Lindley, na zijn tweede reis naar de Emigranten, vernamen dat de Boeren op den 11den April tegen Dingaan zouden optrekken, maakten ook zij zich gereed, en reeds vroeg in April trokken zij op weg. Hun commando bestond uit zoowat twintig blanken en omtrent twaalfhonderd kleurlingen, allen goed gewapend, de meesten zelfs met geweren. De jonge Robert Biggar, de broer van den bij Bushmansrivier vermoorde George Biggar, werd veronderstelt de leider der expeditie te zijn, maar in werkelijkheid had elke blanke kapitein alleen iets over zijne volgelingen te zeggen en het waren John Cane en zekere Henry Ogle die de meeste volgelingen hadden.
Na een marsch van vier dagen bereikte het Engelsche commando een Zulukraal. De mannen hiervan waren naar Umkungunhlovu gegaan op order van Dingaan, en men vond er slechts een aantal vrouwen en kinderen, en behalve die, ook een paar duizend stuks grootvee. Deze vangst maakte de hoofden der kleurlingen van het commando op hol, en het was onmogelijk voor de blanken om eenige order onder hen te houden, zoodat spoedig er een hevige ruzie plaats vond tusschen de volgelingen van Cane en die van Ogle en later klom die ruzie zoo hoog, dat de partijen met elkander aan het vechten raakten. Te vergeefs trachtten de blanken de kleurlingen binnen de palen der krijgstucht te houden, en men zag eindelijk in, dat het onmogelijk was om verder te trekken voor dat de genomen buit verdeeld was. Het commando ging dus naar Port Natal terug.
Het duurde eenige dagen voordat alle geschillen tusschen de partijen geslecht waren, en toen zelfs waren Henry Ogle en de zijnen ontevreden, en weigerden om weder met het commando op te trekken. Men liet hen dus achter en trok op. Ditmaal bestond de expeditie uit zeventien Engelschen, dertig Hottentotten en zoowat een vijftienhonderd kleurlingen, meest vluchtelingen uit den Zulustam die men dus wel kon vertrouwen, want zij wisten dat zij van Dingaan geen genade konden verwachten. Ook deze keer stond de heer Robert Biggar aan het hoofd. Men trok stadig voort en op den derden dag stiet men een korten afstand ten zuiden van de Tugela op een Zulu-regiment. Dit was juist bezig het middagmaal te gebruiken en schrok blijkbaar zoo hevig op het gezicht van den vijand, dat het hals over kop de vlucht nam, en kost en kookgoed achterliet. De Natalsche kleurlingen vervolgden het, en joeg hen over de Tugela, en toen ging het Natal-commando zelf de rivier over en namen bezit van een kraal die dicht bij de wallen der rivier stond. Plotseling vonden zij zich hier omringd door een Zululeger meer dan 7000 man sterk. Toen op den 17den April 1837 werd hier een slag gevochten, die zeker de bloedigste is ooit op Zuid-Afrikaansche bodem gevochten.
Het Zululeger rukte met de gewone vinnigheid op de kraal aan, verwachtende om hun gering aantal vijanden in een oogenblik te vernielen. Doch zij werden met groot verlies afgeslagen. Een tweede aanval gelukte niet beter, en zelfs in den derden aanval leden de Zulu’s de nederlaag, waarop zij moedeloos zich op eenigen afstand terugtrokken.
Het Natal-commando meende nu de aanvallende partij te moeten zijn. Het verliet de kraal en trok tegen het Zulu-impi op. Ongetwijfeld zou het Zululeger op de vlucht geslagen hebben, ware het niet dat plotseling twee nieuwe Zulu-regimenten op den plaats des gevechts aankwamen. Dit gaf den Zulu’s nieuwen moed, en in plaats van den aanval af te wachten, stormden zij op het Engelsche commando los, en hun charge was zoo geweldig dat zij dwars door het commando heen gingen, dat aldus thans in tweeën gedeeld was. Het eene deel, dat welk het dichtst bij de rivier was, zocht thans hun heil in de vlucht, maar om dit te doen moesten zij de Tugela over en voor het dit gelukte sneed een Zulu-regiment hen den pas af. Met groot verlies echter baanden zij zich een weg, onder een hevig gevecht, en vier Engelschen en zoowat vierhonderd kleurlingen bereikten veilig de zuidzijde der Tugela, en sloegen toen den weg naar Port Natal in.
Het andere deel bestaande uit dertien Engelschen en zoowat duizend kleurlingen, was nu geheel omringd door de Zulu’s, en voor hen was geen hope meer. Doch manmoedig besloten zij zich tot het laatste toe te verdedigen.
De Zulu’s meenden dat het geen moeielijke taak was om dit klein klompje vijanden te vernielen, en de Ringkoppen gingen dus rustig op een nabij staand kopje zitten, en gaven de jongeren de kans om hunne dapperheid te toonen, en hunne ringkoppen te verdienen. De drie regimenten „Witschilden” gingen dan ook dadelijk tot den aanval over. Doch zij werden door zulk een hagelbui van kogels ontvangen dat zij, met verlies van eenige honderden terugdeinsden. De Ringkoppen lieten een luid gelach hooren, en daardoor in woede ontstoken waagden de jonge regimenten een tweeden, en een derden, ja, zelfs een vierden aanval. Doch het Natal-commando stond zoo vast als een rotssteen, en deed meer dan een derde der aanvallers in het stof bijten. De Ringkoppen lachten nu niet meer en hun Induna enkolu zag, dat het ernst was en zond een regiment veteranen om de jongeren te helpen. Doch ook hunne dapperheid was te vergeefs, en het gelukte hen niet het Natalsche commando te verbreken.
De Zulu’s trokken zich voor een tijdlang terug, waardoor de Engelschen en de hunnen eenige verademing bekwamen. Ook hun aantal was reeds aanzienlijk gedund. Drie Engelschen, waaronder John Cane en Robert Biggar lagen dood ter aarde, en bijna vierhonderd der kleurlingen waren gevallen. Doch de overblijvenden stonden rug aan rug, en maakten zich voor een nieuwen strijd gereed. De Zulu’s deden niet lang naar zich wachten, doch thans liep het geheele Zululeger storm. Doch weder te vergeefs. Hunne ontzettende dapperheid was niet bestand tegen het verschrikkelijk vuur van het commando, dat hen bij honderden nedermaaide.
Weder trokken de Zulu’s zich terug, en toen zij een nieuwen aanval deden geschiedde zulks op eene andere wijze.
De twee regimenten veteranen (zwartschilden) liepen nu achter elkander, en stormden op één plek los. De aanval was zoo hevig, dat het de Zulu’s gelukte het commando te verbreken, en nu ontspon zich een hand tot hand gevecht, waarvan geene beschrijving mogelijk is. Het Natalsche leger verweerde zich dapper; elke man was een held en vocht als een leeuw.
Doch de overmacht was te groot, en na een uur strijdens was er geen enkele man van dat dappere commando over.
De dertien Engelschen en hunne duizend volgelingen vielen allen in dien vreeselijken strijd. Doch zij vielen met eere, want bijna vierduizend der Zulu’s lagen dood en gewond om hen heen. Verdienen ook niet die mannen een gedenkteeken? Zij waren uitgetrokken om de Afrikaners te ondersteunen en allen lieten hun leven voor de zaak.
Brave Engelschen! dappere kleurlingen! Wit of zwart, gij behoort in de onvergetelijke rijen van Zuid-Afrika’s helden te staan, en de geschiedenis vergete u niet.
Na deze overwinning marcheerden de Zulu’s naar Port Natal, en gewis zouden zij de weinige blanken die daar nog waren vermoord hebben, zoo niet gelukkig er een schip in de baai lag, waarop deze konden vluchten. Ook de Eerw. Lindley was een van hen, die op deze wijze zijn leven redde.
De Zulu’s vernielden alles wat zij te Port Natal konden vinden. Zelfs geen hond of kat werd door hen in het leven gelaten, en na negen dagen lang aan hun vernielzucht den vollen teugel te hebben gegeven, trokken zij af.
Zulks waren de lotgevallen van het Natalsche commando.
HOOFDSTUK XVI.
Al was Martje edel en moedig geweest, in het aansporen van David om aan het verzoek van Kommandant Uys te voldoen, zoo was het haar toch wee om het harte bij de gedachte dat zij zoo spoedig van hem moest scheiden, en wanneer zij stil en alleenig in haar tent zat, weende zij menigen traan. Wat haar troostte was dat Davids vader, de oude Jacobus Malan, alsmede zijn jongere broeder Johannes ook zouden samengaan.
Intusschen was er heel wat werk in het lager voor beide mannen en vrouwen. De laatsten moesten zorgen voor biltong, beschuit en verdere mondprovisie; de eerste hadden naar geweren te zien, paarden uit te zoeken, en alle andere noodige maatregelen te treffen. De beide Kommandanten hadden een zware taak om hunne manschappen uit te zoeken. Allen waren gewillig om meê te gaan, doch men begreep dat het lager niet te veel verzwakt kon worden, want het was zeer mogelijk dat gedurende het afwezig zijn van het commando, een Zulu-impi een aanval op het lager kon doen, en men moest er dus een genoegzaam aantal verdedigers achterlaten. Uys nam een honderdenvijftig man en Potgieter een honderd zevenennegentig, te zamen dus driehonderd zevenenveertig man, buiten en behalve zoo wat een honderd „achterrijders.” Men was eerst van plan geweest om een tiental wagens mede te nemen om de mondprovisie en de ammunitie te vervoeren, maar er bestond gevaar dat de weg op een aantal plaatsen onpassabel zou wezen voor de logge gevaarten en ook dat zij het commando te veel ophouden zouden. Men gaf dus dit plan op, en besloot liever een aantal extra pakpaarden mede te nemen ter vervoer van provisie en ammunitie.
Als men de omstandigheden der zaak nagaat dan moet men zich waarlijk verwonderen hoe de Emigranten met zulk een klein legertje het waagden om den machtigen Dingaan in zijne sterkten te gaan beoorlogen. De Zulu’s waren in staat een 70 of 80.000 man in het veld te brengen, en konden door hunne overmacht het geheele commando in de pan hakken.
Wel is waar, hadden de Boeren het voordeel dat zij met vuurwapenen vochten, maar de steekassegaai der Zulu’s was een vreeselijk wapen, als het op een hand tot hand gevecht kwam, en de dapperheid en doodsverachting der Zulu’s was ook niet buiten rekening te laten. Het grootste voordeel dat de Boeren echter over de zwarte natie hadden, was het feit, dat zij bereden waren, en dit begrepen de Emigranten dan ook zoo goed, dat zij geen steen onaangeroerd lieten om de beste paarden in het bezit der hunnen te nemen. Wie een eenigszins zwak paard had, leende of ruilde een ander van een zijner vrienden, en ter eere van de achterblijvenden was het dan ook, dat zij, zonder de minste weifeling, de behulpzame hand op dit punt gaven.
David had Sieraad, die geheel uitgerust en spekvet was. Wel was het paard een beetje baldadig, maar de jonge Boer meende dat een paar dagen rijdens wel alle gekheid van het dier zou doen ophouden. Van zijn schoonvader Frans Joubert, die in het lager zou blijven, kreeg hij een tweede paard, een fluksch zwart dier, heel wat stemmiger dan Sieraad. Daar hij dit dier in afwisseling met Sieraad wilde rijden, en Sieraad veel te levendig was, om als pakpaard te worden gebruikt, nam hij een makke, doch goede merrie mede voor het dragen zijner provisie en ammunitie.
Op den avond van den 5den April 1838 was alles gereed voor het commando, en den volgenden morgen vroeg zou men op weg gaan. Dien middag hadden de beide Kommandanten hunne manschappen, bereden en gewapend, met achterruiters en al wat er bij behoorde, bij elkander doen komen, en hadden toen eene wapenschouwing gehouden, die naar hunne tevredenheid afliep. De paarden werden toen daarna bij elkander gejaagd, en dien nacht door een aantal kleurlingen opgepast, want vroeg den volgenden morgen zou men op weg gaan.
Het was dien avond stil in het lager. Een ieder was in zijn eigen tent, om nog den laatsten avond met de zijnen door te brengen. Slechts de Kommandanten en Veldkornetten liepen hier en daar rond om de laatste orders af te geven.
David zat in de tent van zijn schoonvader met zijne vrouw, en men had een algemeen gesprek over het commando, en oom Frans die in de Kafferoorlogen in de Kolonie veel ondervinding had opgedaan, gaf zijn schoonzoon menigen nuttigen wenk. Martje, die David misschien beter kende, dan zijne eigen ouders, waarschuwde haren man herhaalde malen om toch voorzichtig te wezen en niet te veel te wagen, want zij kende zijnen onverschrokken moed. Het was laat in den nacht toen men eindelijk ging slapen, om nog eenige uren zoete rust te genieten.
Bij het eerste krieken van den dag was het lager als in oproer, en nauwelijks had men een kop koffie en een stuk beschuit gebruikt of het bevel „opzaâl, opzaâl” klonk van alle kanten. De paarden werden gehaald; een ieder pakte zijn mondprovisie en ammunitie op de pakpaarden en daarna gingen de achterruiters met de paarden naar het lager, waar de Veldkornetten, de twee afdeelingen van Potgieter en Uys uit elkander scheiden.
In het lager namen de vertrekkenden afscheid van de hunnen, doch niet alvorens Charel Cilliers allen bij elkander had geroepen, en een korte godsdienstoefening had gehouden. Oom Charel zou in het lager blijven, gedeeltelijk zeer tegen zijn wensch, want de oude man was nog begeerig om zich ook nog met de Zulu’s te meten. Doch men had het beter beschouwd om hem in het lager te laten, om Gert Maritz, in geval van nood, ter zijde te staan, want geen beter Lager-Commandant was er in Zuid-Afrika te vinden dan de oude Charel.
Martje, arm meisje, deed haar best om hare droefheid en ontroering te verbergen, doch het gevoel van weê overkwam haar en zij weende bitterlijk, toen David haar in zijne armen vatte en haar den afscheidskus gaf.
„Wees voorzichtig, David, en begeef je niet roekeloos in gevaar. Kijk naar je vader en blijf bij hem.”
Dit waren hare laatste woorden aan haren geliefden man.
Vijf minuten later zat een ieder op zijn paard, en stonden de twee afdeelingen tegenover elkander in twee lange rijen.
„Rij maar voor! neef Hendrik;” riep Uys uit, en daarop gaf Potgieter het bevel „Trek,” en op langzamen stap begon men den weg af te leggen naar Umkungunhlovu. David reed naast Piet Uys aan het hoofd van de tweede afdeeling, en hij had geen gemakkelijk werk om Sieraad in orde te houden, want het vinnige dier was er geenszins mede gediend, dat men zoo langzaam reed, en sprong en steigerde dat het een lust was, doch onze held zat zooals een boom in den zadel, en scheen als uit een stuk met zijn paard gesmeed. Eindelijk ging het op een galop, toen men een eindje van het lager af was, en nu was het meer naar Sieraads zin.
Het is onnoodig om u hier den dagelijkschen tocht van het commando te beschrijven, want de eerste vijf dagen gingen zonder eenige bijzondere gebeurtenis voorbij. Men reed gewoonlijk twee uur achter elkander en zadelde dan voor een tijdje af om de paarden een kans te geven, een paar bijten van het hooge soppige gras te krijgen. Elken avond werden de paarden gekniehalterd, en door sterke wachten opgepast, en de anderen sliepen in het veld met het geweer naast zich en het zadel als kopkussen. Gedurende die vijf dagen zag men geen levend wezen, en de enkele Kafferkralen die men passeerde waren verlaten.
„Wat drommel, David,” zeide Uys tot zijn adjudant op den morgen van den 11den April, toen men een eindje had afgereden, en weder een verlaten Kafferkraal was voorbijgegaan: „dit lijkt alsof Dingaan voor ons wacht bij Umkungunhlovu, en dit zal maar hard gaan, als ons die heele Zululeger daar ontmoet.”
David wilde juist hierop antwoorden, toen plotseling het paard van Uys in een gat trapte en viel, zijn ruiter eenige treden ver voor hem in het gras werpende. Uys was echter in een oogenblikje op zijn voeten, en liep naar zijn paard, dat niet scheen te kunnen opstaan. Hij hielp het dier den poot uit het tamelijk diepe gat te krijgen, doch toen hij het een eindje weg trok, zag hij dat het dier zoo kreupel was, dat het voor het oogenblik niet berijdbaar was.
„Hier Kommandant, vat mijn paard,” riep David, snel van Sieraad afklimmende, „ik zal gauw mijn ander paard bij mijn achterruiter halen. Op die eerste afzadelplek kan jij dan een van je andere paarden krijgen.”
Uys nam dit aanbod aan, en besteeg Sieraad, die werkelijk thans heel wat bedaarder was en David nam het kreupele paard, en leidde het naar de achterhoede, waar hij het aan zijn achterruiter afgaf, en daarna Welkom, het zwarte paard dat hij van zijn schoonvader gekregen had, besteeg. Binnen weinige oogenblikken was hij weder op zijn plek ter zijde van Uys.
De Boeren reden thans op eene twee of drie mijlen breede vlakte, aan beide zijden begrensd door een rij randjes en kopjes. De grond was zelf een beetje op- en afdans en het gras was erg ruig.
De afdeeling van Uys reed voor op dezen morgen, en Potgieters afdeeling was zoowat een vijftienhonderd treden achter.
„Daar is de Zulu’s Oom Piet,” riep David opeens, toen men juist op het bovenste van een randje uitkwam.
Werkelijk stond er ook op een duizend treden afstand een klein Zulu-leger, zoowat drie- of vierduizend in getal.
„Hoera!” riep Uys, „hier is die Kaffers, kerels. Kom, ons zal hullie gauw schrik maak.”
De Boeren vormden nu een langen rij, en daarop ging het in vollen galop op de Zulu’s af. Op een afstand van omtrent tachtig treden van den vijand genaderd, sprongen de Boeren van hunne paarden, en vuurden een salvo op hunne vijanden. Dit scheen genoeg voor de Zulu’s en zij sloegen op de vlucht. De Boeren begonnen hen nu te volgen, en een soort van „wilde jacht” vond plaats, die aan menigen Zulu het leven kostte.
Doch ongelukkig waren de Emigranten te onstuimig en gedurende de vervolging letten zij er niet op, dat de natuur van den grond geheel veranderd was. De twee rijen randjes of kopjes hadden elkaar genaderd en vormden nu een soort van kloof, met glooiende heuvels aan beide zijden. De Zulu’s waren die kloof ingegaan, en de Boeren hadden hen gevolgd. Op eens scheen het alsof het Zulu-impi vertiendubbeld was. Uit elk boschje, achter elke klip scheen een Zulu te verrijzen en in plaats van een klein Zulu-regiment stonden de Boeren tegenover of liever tusschen een ontzaglijk Zulu-leger, meer dan tienduizend man sterk.