David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek

Part 9

Chapter 91,916 wordsPublic domain

Zooals wij gezegd hebben was de afdeeling van Hendrik Potgieter omtrent vijftienhonderd treden achter, maar toen de afdeeling van Uys aan het vechten geraakte, spoorden zij hunne paarden aan om de eerste afdeeling te assisteeren, indien noodig. Doch deze was reeds in de kloof toen Potgieter en de zijnen aankwamen, en juist toen deze de kloof binnenreden, rezen de, in hunne hinderlaag verstoken Zulu’s op. Met hunne assegaaien en hunne schilden maakten zij zulk een ontzettend lawaai, waarbij zij hunne oorlogskreten voegden, dat de paarden van Potgieters menschen geheel en al onregeerbaar waren, en weigerden om de kloof in te gaan. Een aantal paarden sprongen om en holden met hunne berijders de vlakte in, anderen wierpen hunne ruiters af en liepen weg. In kort, Potgieters afdeeling was buiten staat om hunne broeders te helpen; zij hadden hunne handen vol om naar hunne eigen zaken te zien.

Intusschen was de positie van Uys en de zijnen een zeer hachelijke. De Zulu’s waren als tusschen hen, en de kloof was zoo nauw en zoo klipperig dat de Boeren hunne gewone tactiek van „storm-loopen” niet konden uitvoeren. Een scherp gevecht volgde. De Boeren schoten hunne naastbijzijnde tegenstanders neder, en Zulu na Zulu viel. Doch voor elke gevallen vijand stonden er drie in de plaats.

David was een eindje weg van Pieter Uys en stond tusschen dezen en zijn eigen vader en broeder. Hij was zelf hard bedrukt, en kon nauwelijks zijne aanvallers van het lijf houden. Daar zag hij dat een tiental Zulu’s zijn vader en broeder omringden en hij sprong op zijn paard om dezen te hulp te snellen. Nauwelijks zat hij in den zadel of een assegaai trof hem in den rug. De jonge Boer voelde hoe het koude staal hem in de longen drong, toen werd alles zwart voor zijn oogen en viel hij van het paard. Piet Uys zag den dapperen jongeling vallen, en met twee sprongen van Sieraad was hij bij hem en schoot de Zulu, die nogmaals den assegaai in David wilde steken, terneder. Doch een plotselinge aanval van een zestal Zulu’s deed hem terugdeinzen en alvorens hij zijn geweer geladen had, trof één assegaai hem in de linkerborst en een tweede hem in den nek. Met een diepe zucht zeeg de dappere Kommandant neder. Het laatste wat hij hoorde was de stem van zijn zoon, die uitriep: „Hier ben ik vader,” en een der Zulu’s viel onder den kogel die de vijftienjarige Dirk Cornelis Uys op een der moordenaars van zijn vader afschoot. Doch ook den jongeling trof de doodelijke assegaai, en hij viel dood langs zijn vader neder. Een aantal Boeren hadden den Kommandant zien vallen, en snelden hem te hulp. Zij schoten de Zulu’s voor een oogenblik terug, en trachtten Uys op te lichten ten einde hem uit het gevecht te brengen. De Kommandant kreeg door de beweging zijn bewustzijn terug, maar hij voelde dat zijn dood nabij was.

„Laat mij staan, vrienden; help jullie zelf; red jullie leven, want met mij is dit klaar.” Met deze woorden blies de held den laatsten adem uit.

Ook David Malan trachtte men te redden, want hij scheen nog te leven. Doch toen men bij hem kwam hoorde men slechts een zucht „Martje”—en David was dood.

De Boeren zochten nu Uys’ laatsten raad te volgen, en zich een uitweg te banen want zij waren nu geheel en al omsingeld door de Zulu’s. Om nu uit de kloof te komen, vuurden zij allen geweldig op het klompje Zulu’s dat bij den ingang der kloof hun den terugweg wilden afsnijden, en toen zij eenige honderden van hen hadden doodgeschoten, en de lijken hunner vijanden als een muur opgestapeld lagen, joegen zij zoo hard zij konden door de opening en reden de vlakte in. Potgieters manschappen, dit ziende, en meenende dat de Zulu’s hen achtervolgden, werden verbijsterd en sloegen ook op de vlucht. De handpaarden, met provisie en overige ammunitie lieten zij achterblijven, en ieder scheen een goed heenkomen te zoeken.

Eerst zes mijlen van de plaats des gevechts hielden de Boeren stil voor een oogenblik, en kregen zij hunne bedaardheid terug. Het eerste wat zij deden was om hun verlies te berekenen. Tien Boeren waren in het gevecht gevallen viz. Kommandant Uys, diens zoon Dirk, Jacobus Malan, David Malan, Johannes Malan, Frans Labuschagne, Joseph Kruger, Louis Nel, Pieter Nel en Theunis Nel.

Een veertigtal der achterruiters werden vermist, en een honderdtal handpaarden en al de provisie en ammunitie was in handen der Zulu’s gevallen.

Daarop ontstond er een woordenstrijd. Een aantal van Uys’ mannen beschuldigden Hendrik Potgieter en de zijnen als de schuld te zijn van dit rampspoedig gevecht; waarom waren zij niet komen helpen? waarom waren zij zoo ver achtergebleven? en zulke vragen meer werden gedaan. Potgieter vermaande de menschen om stil te blijven.

„Laat ons nou niet ruzie maken,” zeide hij, „laat ons verder rijden zoo hard ons kan; als die Kaffers ons nou inhaal en aanval, hêt ons niet ammunitie genoeg om ons te verweêr, en hoe verder ons van avond kan komen, hoe veiliger voor ons.”

Onder de bestaande omstandigheden was dit inderdaad de beste raad, en de Emigranten zagen dit dan ook in, en men reed zwijgend verder. Na verloop van nog een uur zadelde men een half-uur af, om de paarden een weinig te laten rusten, en toen ging men weder voort. Zoo hield men aan tot laat in den nacht, want het was bijna volle maan. Dien nacht rustte men slechts een uur of vijf, en dat zou men niet eens gedaan hebben, ware zulks niet hoog noodig geweest ter wille der vermoeide paarden. Den volgenden dag ging het ijlings verder en op den morgen van den vierden dag kreeg men het lager in het gezicht.

HOOFDSTUK XVII.

Op den morgen van den 15den April 1838, stonden Gert Maritz en Charel Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.

„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.

„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.

Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.

„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te vernemen.

„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”

Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat de drie Malans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige flauwte zonk zij als dood ter aarde.

Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts één vraag—waar is David?

Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.

Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit hunne geschiedenis zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.

HOOFDSTUK XVIII.

Het is den 11den April 1888, juist vijftig jaren na den dood van David Malan en ik verzoek u om met mij mede te gaan naar de plaats van Johannes Joubert, gelegen aan de Mooirivier, eenige uren van Potchefstroom. Volg mij een oogenblik; ik ga u in een ziekenkamer brengen. Het gordijn van het venster is nedergelaten, en hoewel het nog vroeg in den dag (het is zoowat tien uur) is, heerscht er een halve schemer in de kamer. Op het bed ligt een zieke vrouw. Zij is niet meer jong, zooals gij bemerkt aan de diepe rimpels op haar gelaat; inderdaad is zij reeds achtenzestig jaar oud. De lijderes is blijkbaar zwaar ziek en aan de korte ademhaling, die zeer onregelmatig is, kan men bemerken dat de dood op den drempel van de deur staat, en weldra zal binnentreden om de ziel van deze vrouw op te eischen.

Aan de eene zijde van het bed staat de eigenaar der plaats, Frans Joubert, een man wiens haren ook reeds grijs zijn, en die dan ook reeds 63 zomers telt. Aan de andere zijde van het bed zit zijne vrouw Anna, terwijl aan het voeteneinde twee meisjes van bijna twintig jaar op de lijderes nederzien.

„Haar pols raakt heelemaal weg, Frans,” zegt tante Anna zachtjes; „zij zal net nu sterven.” Haar man antwoordt niet; hij ziet slechts neder op de zieke vrouw, en zijne gedachten houden zich bezig met gebeurtenissen, die vijftig jaren geleden plaats gevonden hebben. Wel was hij toen nog maar dertien jaar oud, doch toch staan hem die gebeurtenissen levendig voor den geest.

Plotseling richt de zieke vrouw zich snel op, alsof zij het bezit harer volle krachten met een tooverslag teruggekregen had.

„Wat is dit zuster,” vroeg tante Anna opstaande.

De zieke keek strak voor zich; de glazigheid harer oogen verdween; een liefelijke glimlach verspreidde zich om haren mond, en zij riep—„Ja David, ik kom.” Toen viel zij op de kussens terug.—Martje was dood.

AANTEEKENING

[1] Het volgende is een werkelijk gebeurd feit, mij eens door een ouden geloofwaardigen voortrekker verhaald, die zelf de hoofdrol er in speelde.