David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek
Part 7
Charel Cilliers antwoordde niet. Hij knielde neder daar in het lager, en zwijgend volgde een ieder, mannen, vrouwen en kinderen zijn voorbeeld. En toen ging er een dankgebed op tot den God van Abraham, van Izaäk en van Jakob, die ook de God der Boeren was, voor de overwinning aan de belegerden geschonken, en de redding uit hunnen nood. De stem van den eerwaardigen, dapperen grijsaard sidderde van ontroering, en diep gevoel, terwijl hij het gebed deed en zijn nauw hoorbaar Amen ging verloren in het krachtig Amen! van zijne volgelingen. Zoo vochten die oude Voortrekkers; gedurende den strijd weerden zij zich als leeuwen; na den strijd was hun eerste gedachte om den Heer de glorie te geven van de overwinning.
HOOFDSTUK XII.
Het laat zich begrijpen, dat de Boeren vermoeid waren na de inspanning hunner krachten, en toch was er nog werk volop. Het was reeds twee uren en men had nog niets genoten. Eerst moest men dus den inwendigen mensch versterken, en dit werd dan ook spoedig gedaan.
Daarna moest men de gevallen vijanden begraven. Bijna dertienhonderd Zulu’s telde men dood, behalve een vijftig- of zestigtal gewonden. Deze werden doodeenvoudig afgemaakt, en hoewel er personen mogen zijn, die dit wreed mogen noemen, zoo moet men niet vergeten, dat het bloed der Boeren natuurlijk kookte, en ook dat er geen gelegenheid bestond voor hospitalen. De gewonden kregen dus een kogel voor den kop, en daarmeê was de zaak uit.
Een aantal diepe slooten werden toen spoedig gegraven, en daarin wierp men de dooden, die toen met aarde en steenen bedekt werden. Hierop werd het volk gezonden om het vee in den berg bij elkander te maken, en het terug te brengen.
Toen de nacht viel deed Charel Cilliers sterke wachten op eenigen afstand van het lager plaatsen, want men kon niet weten of de Zulu’s misschien geen nachtelijken aanval zouden wagen. In het lager sliep ook elk man met het geweer naast zich, en werden groote vuren den geheelen nacht aangehouden. Doch de nacht ging rustig voorbij en geen vijand vertoonde zich.
Den volgenden morgen vroeg liet Cilliers een dertigtal mannen opzadelen om hem te begeleiden naar de andere kampen, want men was angstig omtrent het lot der andere Emigranten. Toen men bij het kamp der Krugers kwam, bevond men dat ook de bewoners daarvan den vorigen dag een harden strijd hadden gehad, doch dat ook daar de Zulu’s waren afgeslagen, en dit met verlies van slechts een doode en twee gewonden aan de zijde der Boeren. Een aantal mannen uit dit kamp sloot zich bij Cilliers aan, en men trok naar het volgende lager, dat der De Klerks. Hier hadden de Boeren zwaar geleden; een zestal hunner was gedood en achttien waren gewond, en ware het niet dat het slechts een betrekkelijk gering aantal Zulu’s waren, die dit kamp hadden aangevallen, dan was de uitslag, waarschijnlijk anders geweest, want de ammunitie in dit kamp was juist aan het opraken, toen de Zulu’s de vlucht namen.
Nadat ook hier een twintigtal mannen zich bij den trein aangesloten hadden, vervolgde men in treurigheid, den weg naar het kamp der Botha’s; want hier wist men was er geen kans geweest voor de Emigranten om zich te verdedigen.
Het tooneel, dat zich dan ook hier voor de oogen van Cilliers en zijne metgezellen vertoonde, was dan ook een uiterst treurige. Het kamp was eene verwoesting. Gebroken en verbrande wagens lagen overal rond; de tenten waren tegen den grond geslagen; het huisraad lag kort en fijn op den grond en daartusschen lagen de lijken van mannen, vrouwen en kinderen allen gedood door de vreeselijke steek-assegaai der Zulu’s. Eenenveertig mannen, zesenvijftig vrouwen en eenhonderd vijfentachtig kinderen, allen blanken, waren daar ternedergestrekt, en behalve hen nog tweehonderd drieenvijftig kleurling-dienstboden. Een twintigtal Zulu’s hadden ook het leven bij den aanval ingeschoten. George Biggar, de jonge Engelschman van de Baai, die gekomen was om bezigheid met de Boeren te doen, lag dood op een hoop lijken. Het vreeselijkste van dit treurig schouwspel was dat een aantal dezer lijken vreeselijk verminkt waren.
Een tijd lang stonden Cilliers en de zijnen in zwijgen dit alles aan te kijken. Tranen rolden langs de wangen van de meest geharde Boeren; sommigen weenden overluid. Maar spoedig begreep men dat het thans tijd van handelen was. Een aantal graven werden tusschen de puinhoopen uitgehaald, ten einde de laatste eer aan de verslagenen te bewijzen. De zeilen der tenten werden stuk gesneden om als lijkdoeken te dienen, en daarop begon men de lijken uit te zoeken, en ze zoo goed mogelijk in het zeil te wikkelen.
David Malan was onder degenen, die met Cilliers waren gekomen, en hij werkte hard samen. Hij was juist bezig om met een half dozijn anderen een hoop lijken weg te dragen, toen hij op eens een zucht hoorde. Hij keek nauwkeurig en luisterde. De zucht werd zacht herhaald, en scheen te komen van een jong meisje dat onder de lijken lag.
„Hier is een vrouw, die nog leeft,” riep de jongeling verbaasd uit, en op dit geroep kwamen er een tiental Boeren aangeloopen.
Men haalde het meisje van onder de lijken weg. Zij was vreeselijk gewond en had negentien assegaai steken ontvangen. Naast haar lag een tweede meisje en ook zij haalde nog adem, hoewel zij eenentwintig wonden had. Men haalde water voor de twee gewonden, maar zij waren niet in staat te drinken. Charel Cilliers was thans nader gekomen met Gert Maritz, en zij lieten uit een stukkene katel spoedig een draagbaar maken, en zonden de arme gewonden naar het naastbijzijnde kamp. Hier werden zij verpleegd, en de verwondering mijner lezers zal groot wezen, als ik hen hier vertel dat beiden het leven behielden. De namen dezer meisjes waren Johanna van der Merwe en Catharina Prinsloo.
Niettegenstaande de uiterste zorg door de Emigranten gebruikt, werd geen ander levend persoon gevonden, en men ging voort met de dooden te begraven. Den geheelen dag was men daarmede bezig en de zon was juist aan het ondergaan, toen de laatste schop aarde op de graven geworpen werd.
Charel Cilliers wilde eenige woorden tot de verzamelden spreken, toen iemand uitriep: „Daar kom vijf menschen te paard aan,” en allen wendden toen hunne oogen naar de aangewezen richting, vanwaar men de ruiters met snelheid zag aankomen.
Binnen weinige minuten waren zij bij de Boeren, en nu bleken het drie blanken en twee kleurlingen te zijn. De blanken waren de Eerwaarde Lindley, zendeling in Natal, en Richard Wood, en John Cane twee der Engelschen die in de Baai woonden. De kleurlingen waren hunne achterruiters. De Eerwaarde Lindley, die Hollandsch sprak, vroeg naar den leider der Boeren, en beiden Cilliers en Maritz traden voor.
„Ik zie dat gij hier een treurig tooneel hebt gehad,” zeide de heer Lindley, zijn oog over de verwoesting latende gaan.
Maritz deelde daarop het gebeurde mede, en de tranen biggelden langs de wangen van den zendeling, toen hij de treurige tijding vernam.
Na eenig zwijgen gaf hij antwoord: „Vrienden, Gods hand drukt zwaar op u, en het spijt mij dat ik uwe droefheid slechts vermeerderen moet. Ik en mijne vrienden zijn naar u gekomen, om u mede te deelen dat uw leider Pieter Retief met de zijnen op verraderlijke wijze door Dingaan vermoord is.”
En daarop deelde de heer Lindley het verhaal van dien moord aan de aanwezigen mede, zooals hij het vernomen had uit den mond van den heer Owen de zendeling te Umkungunhlovu, die den dag na den moord gevlucht was naar de zendelingsstatie bij de Baai.
De arme Emigranten waren sprakeloos van droefheid. Geen man was er onder hen of hij had een familiebetrekking of een dierbaren vriend verloren, door den moord aan Retief en de zijnen aangedaan. Cilliers wenkte den zendeling en de twee Engelschen om met hen samen te gaan en in diepe stilte reed men naar de lagers terug. Bij elk lager scheidde het troepje mannen dat er behoorde, zich stil af, terwijl de overigen hunnen weg vervolgden. Het was laat in den avond toen Cilliers met hen die uit Retiefs lager waren gekomen, het hunne bereikte in gezelschap van den heer Lindley en de Engelschen. Het was op langzamen stap dat men het lager binnen reed, en de teruggeblevenen zagen dadelijk dat er iets vreeselijks gebeurd was. Doch toen de moord aan de Bushmansrivier en de dood van den Kommandant-Generaal en de zijnen in het lager bekend werd, toen ging er een geween en weeklachten op die hartverscheurend waren. De vrouwen en kinderen, vele waarvan thans weduwen en weezen waren, huilden bitterlijk; de mannen stom, stil en verslagen. Slechts een man scheen zijn tegenwoordigheid van geest te behouden, en dat was de Eerwaarde Lindley. Als een waardige volger van Christus ging hij van tent tot tent om troostwoorden te spreken tot de gebrokenen van harte, en hen te wijzen op den grooten Redder uit ellende. Over het algemeen hebben de Emigranten weinig op gehad met de zendelingen, maar eene groote uitzondering was voorzeker de Eerwaarde Lindley, een man die zich uitermate verdienstelijk heeft gemaakt aan de Boeren, en wiens naam dan ook door alle Afrikaners in eere behoort gehouden te worden. Het was een gevoel van dankbaarheid en eer voor de nagedachtenis van dien braven man, die de Boeren bewogen een dorpje in den Vrijstaat den naam van Lindley te geven. Moge zijn naam steeds in eere worde gehouden!
HOOFDSTUK XIII.
Den dag na het verhaalde in het vorige hoofdstuk lieten Cilliers en Maritz de andere lagers weten dat er op den daaropvolgenden dag eene groote volksvergadering bij Retiefs lager zou worden gehouden, en dat daarna de Eerwaarde Lindley godsdienstoefening zou houden.
Op den bepaalden dag, ’s morgens ten negen uren waren de Emigranten dan ook allen bij elkander en vond de volksvergadering plaats. Charel Cilliers werd weder eenstemmig tot Voorzitter gekozen, en na den heer Lindley gevraagd te hebben om in het gebed voor te gaan, die dit dan ook op zeer treffende wijze deed, sprak de oude held met diepe ontroering de vergadering toe, als volgt:
„Vrienden, wij zijn heden bij elkander gekomen om over gewichtige zaken te spreken. Het is nu zoowat een jaar geleden sinds wij de Kolonie verlieten, om van de dwingelandij der Engelsche Regeering verlost te worden. Maanden lang hebben wij rondgezworven en ten laatste scheen het alsof wij in dit schoone land rust zouden vinden. Maar heden, hoe treurig is het niet met ons gesteld. Onze geliefde Kommandant-Generaal ligt met zesenzestig onzer broeders dood bij Dingaans kraal, en op een paar uur afstand liggen een aantal onzer broeders en zusters die de slachtoffers van den Zulu-koning zijn geworden. Gevaren omringen ons aan alle kanten, en de Heer slechts weet of binnen een week een onzer nog levend zal zijn, want elk oogenblik kan de geheele Zulu macht op ons zijn. Onder zulke omstandigheden moeten wij thans beslissen wat ons te doen staat, en om de opinie van het volk te hooren is deze vergadering bijeengeroepen.”
Charel Cilliers ging zitten na deze weinige woorden gesproken te hebben, en daarop sprong een zekere Jan Grobbelaar op en zeide:
„Vrienden, ons is hier in dit land gekomen om vermoord te worden, en voor niets anders. Tegen de Zulu’s als zij ons aanvallen kunnen wij ons niet verweren. Onze ammunitie is bijna gedaan, en ik geloof dat niets anders voor ons overblijft als om zoo spoedig mogelijk onze wagens op te pakken, en terug te gaan naar de Kolonie. Liever nog onder de Engelschen dan om hier vermoord te worden.”
Een paar stemmen riepen uit: „Ons zeg ook zoo. Laat ons hier dit land uitgaan.”
Er ontstond thans plotseling eene ontroering in het lager, en in een oogenblik waren de vrouw van Pieter Retief en de vrouw van Hendrik De Wet, wiens man te Umkungunhlovu, en wiens zoon te Bushmansrivier gevallen waren, in het midden van de vergadering, bij de tafel waar Charel Cilliers zat.
„Schaam jullie je niet?” riep Anna de Wet uit; „Is jullie mannen? Is daar niet bloed gevallen, dat gewroken moet worden? Zal jullie nou weggaan, en zal Pieter Retief en al onze mannen en kinderen daar bij Dingaans kraal liggen en om wraak schreeuwen naar den Goeden God? En zullen al die menschen bij Bushmansrivier vermoord zijn, en zal jullie niets doen om hunne moordenaars te straffen? Foei, Jan Grobbelaar, jij is een lafaard, en die wat saâm met jou schreeuw ook. Loopt! gaat terug! jullie mans, naar de Kolonie; wij vrouwens zullen hier blijven, en wij zullen zelf onze mans en bloedverwanten wreken.”
Een aantal vrouwen en meisjes schaarden zich nu bij de twee vrouwen en bewezen dat zij geheel met deze saamstemden.
Charel Cilliers had eenige moeite om de vrouwen tot bedaren te brengen, en toen hem dit gelukt was, en er weder stilte heerschte stond een eerwaardige oude man, Petrus Greyling, een der meest geachte Emigranten op, en vroeg of hij kon spreken, waarop hij zeide:
„Vrienden, ik ben een oude man, en ik heb veel in de wereld doorleefd, maar steeds heb ik een ding bevonden, en dat is, dat wij allen in de hand Gods zijn, en moeten buigen onder Zijnen wil. Wat de Heer doet is welgedaan, en drukt Zijn hand zwaar op ons, en kastijdt Hij ons dan doet Hij zulks om ons te straffen voor onze zonden, en ons tot bekeering te brengen. God heeft ons en ons volk thans zwaar beproefd, maar wie zal zeggen dat wij het niet verdiend hebben? Wie kan de menigte onzer zonden tellen? Doch de Heer kent die allen. Maar laten wij ons nederbuigen voor den Almachtigen, en laten wij Hem ootmoedig om vergiffenis vragen voor onze vele zonden, en God, die de Israëlieten in hunne diepste ellende niet verlaten heeft, zal ons ook niet verlaten, en de heidenen niet over ons laten triomfeeren. Laat ons thans tot God bidden, en Oom Charel zal ons in het gebed voorgaan.”
Eerbiediglijk namen allen de hoeden af: eerbiediglijk knielde men neder. In krachtige taal smeekte Charel Cilliers, zooals de Hoogepriester van Israël eens deed, den Almachtigen Schepper van Hemel en Aarde, om de zonden van dit Zijn volk te vergeven, en Zijn toorn niet op het te doen nederdalen. „Gij weet, O Heer onze ellende; Gij kent onze omstandigheden; geen hulp is er voor ons dan Gij alleen, O God! Wees ons dan genadig en verleen ons Uwe hulp, in den naam van onzen Verlosser, Uwen Zoon, Jezus Christus Amen!” Zoo sloot de brave leider zijn gebed, en daarop hief hij den 130sten psalm aan:
„Uit diepten van ellende.”
en men zong toen het eerste en het vierde vers van dat heilig gedicht.
Nadat eenige tijd zwijgend en stil was voorbijgegaan, gedurende welke een ieder met zijn gedachten scheen bezig te zijn, nam Cilliers weder het woord.
„Mannen, broeders,” zoo sprak hij: „ik wil u mijn gevoelens omtrent deze zaak in het kort mededeelen. Ik zelf gevoel dat wij dit land thans niet kunnen verlaten, zonder het bloed onzer geliefden gewroken te hebben. Doch wij zijn thans te zwak om tegen Dingaan op te rukken. Daarom zal ik voorstellen dat boden worden gezonden naar onze vrienden en broeders te Winburg. Toen wij vertrokken van Winburg, zeiden beide Kommandanten Potgieter en Uys, dat, als wij hen ooit noodig hadden zij ons zouden komen helpen, en ik ben zeker, dat als zij hooren in welken toestand wij zijn, zij dadelijk met alle beschikbare macht zullen overkomen. Ondertusschen echter moeten wij nog iets doen, en dat is wij moeten een Kommandant kiezen, want Retief is helaas! er niet meer om ons aan te voeren en te leiden. Ik beschouw dat er niemand beter geschikt is om Retiefs plaats in te nemen dan de heer Gert Maritz en daarom zal ik hem als Kommandant voorstellen. Als er natuurlijk andere voorstellen zijn, dan kunnen die thans gemaakt worden.”
De vergadering echter was blijkbaar van gevoelen dat de heer Cilliers de rechte weg ingeslagen had. Maritz werd dan ook gekozen als Kommandant, en het werd aan hem overgelaten om de boden naar Potgieter en Uys te zenden. Deze vroeg toen om vrijwilligers om zulks te doen, en een honderdtal mannen staken hunne handen op, waaruit de nieuwe Kommandant er vier koos.
De heer John Cane, die gebroken Hollandsch sprak, vroeg toen verlof om een paar woorden te zeggen en toen dit hem toegestaan werd, verklaarde hij, dat indien de Emigranten tegen Dingaan wilden optrekken, hij en de andere Engelschen in de Baai gereed waren om hen te helpen, en dat zij met een sterke macht der hun onderhoorige kleurlingen naar Umkungunhlovu zouden gaan van de eene zijde, terwijl de Boeren dit van de andere zijde konden doen, op die wijze zou men Dingaans macht verdeelen en zou hij gemakkelijker overwonnen worden.
Charel Cilliers bedankte den heer Cane voor zijn edelmoedig offer, en men besloot om zoodra men gereed was, de Engelschen in de Baai te doen weten wanneer men tegen Dingaan zou optrekken.
Na nog verdere discussie waarin onder anderen besloten werd, dat de andere Emigranten naar het lager van Retief zouden komen, daar men zich dan gezamenlijk beter kon verdedigen tegen eenigen aanval der Zulu’s verdaagde de vergadering.
Dien middag hield de Eerw. Lindley eene godsdienstoefening, waarin hij eene hartroerende toespraak tot de Boeren hield, en hen wees op het lot der Israëlieten in de woestijn, dat hij met het hunne vergeleek, voornamelijk daarop wijzende dat God Zijne getrouwen nooit verlaat maar hen steeds op de meest wonderbare wijze redt. Ook doopte hij een aantal kinderen. Ten slotte gaf hij te kennen dat hij verplicht was om den volgenden dag naar de zendelingsstatie terug te gaan, doch dat hij hoopte om na verloop van omtrent een maand terug te komen, en dat hij dan weder eene godsdienstoefening zou houden.
Na afloop der godsdienstige plechtigheid, ging David Malan naar oom Gert Maritz, en vroeg of de Eerw. Lindley ook huwelijken kon inzegenen.
„Ja David,” antwoordde Maritz, „ik zie niet in waarom hij dit niet zou kunnen doen, als hij net die formulier van onze kerk volgt. Dit is goed dat je daarover praat, want ik weet van een paar andere paren die ook willen trouwen, en ik zal er met oom Charel en nog een paar broeders over praten.”
„Dit is goed, oom,” zeide David, „maar oom moet toch als het u belieft niet zeggen dat ik met oom er over gesproken heb.”
Gert Maritz beloofde dit dan ook.
Vroeg den volgenden morgen reden twee troepjes ruiters het lager uit in verschillende richtingen. De heer Lindley en de zijnen reden zuidwaarts, en vier jonge Boeren met vier achterruiters, en eenige handpaarden, sloegen den noordelijken weg in over de Drakensbergen naar Winburg.
HOOFDSTUK XIV.
Potgieter en Uys deden niet lang naar zich wachten. Nauwelijks hadden zij de brieven van hunne stamgenooten ontvangen, of zij maakten zich voor den tocht gereed, en het viel hun geenszins moeielijk om de noodige manschappen bij elkander te krijgen. Tweehonderd fluksche kerels waren in een oogwenk gereed om hen te vergezellen en contributies in kruid en lood als ook geweren werden in menigte aangeboden. Daar er onder de Boeren aan de Natalzijde gebrek aan meel was, nam men ook een goede hoeveelheid er van samen, en zoo gebeurde het dat zeven wagens met de expeditie samen gingen.
Op den 7den Maart trokken de twee Kommandanten met hunne manschappen het lager bij Blauwkrantzrivier binnen, en eenige dagen later kwamen ook de wagens, die men achtergelaten had aan. Potgieter en Uys waren diep getroffen toen zij al de bijzonderheden van den moord van Retief en van het kamp der Botha’s hoorden, en Uys zwoer een duren eed dat hij het bloed van zijn trouwen vriend en strijdmakker zou wreken. Men begon dadelijk plannen te maken om tegen Dingaan op te trekken, maar nu kwam, ongelukkig, de oude jaloerschheid onder de leiders weer voor den dag. Maritz als Kommandant der Emigranten in Natal, beschouwde zich gerechtigd om aan het hoofd der expeditie tegen Dingaan te staan, doch hiervan wilde noch Potgieter noch Uys iets weten, en toen de koppige Maritz op zijn recht bleef staan, dreigden de andere twee om met de hunnen naar Winburg terug te gaan. Te vergeefs trachtte Charel Cilliers en anderen om vrede te bewaren; Maritz voelde zich in zijn eer gekrenkt, en daar een sterke partij der Emigranten op zijn hand was, weigerde hij volstrekt toe te geven. Eenige zeer ergerlijke tooneelen vonden plaats, en ten laatste werd de zaak aan het volk verwezen. Op de vergadering voor dit doel gehouden, werden er eenige warme discussies over de zaak gevoerd, maar ten laatste kwam men tot eene schikking. Gert Maritz zou in het lager blijven als Kommandant. Potgieter en Uys zouden gezamenlijk tegen Dingaan optrekken, doch ieder zou het bevel over zijn eigen afdeeling voeren. Zij zouden zooveel mogelijk samenwerken, maar de een zou onder den ander niet staan.
Terwijl deze onaangename twisten aan den gang waren, was er eene groote eenigheid tusschen de twee hoofdpersonen in dit verhaal, David Malan en Martje Joubert, en die eenigheid was zoo groot, dat zij besloten om door de Eerw. Lindley bij zijn eerstkomend bezoek één te worden gemaakt. Jacobus Malan en diens vrouw gaven graag hunne toestemming tot hun huwelijk en ook oom Frans en zijne vrouw hadden er niets op tegen. Het is onnoodig om hier te zeggen, dat er geen groote preparaties voor het huwelijk werden gemaakt; en dat van bruids-tabbertjes en strooimeisjes, die thans zoo gewoon, zelfs bij de Boeren-huwelijken zijn, geen sprake was. Eerstens had men in dien goeden ouden tijd niet zulke gekheden in het hoofd, en bovendien waren de omstandigheden er niet naar. Doch het zwart zijden tabbertje, waarin Martje’s moeder gehuwd was, werd voor den dag gehaald, van den bodem uit Tante’s kist, en werd een beetje veranderd, om het Martje van pas te maken. En oom Jacobus zwarte kistkleeren werden door Davids moeder insgelijks wat veranderd om als trouwpak voor den zoon te dienen. Men was overeengekomen, dat hoewel David en Martje in hun eigen tent zouden slapen, zij bij Martje’s ouders zouden inwonen, en aldaar zouden eten, want Martje kon nog moeilijk door hare moeder gemist worden.
Op den 17den Maart kwam de Eerw. Lindley inderdaad naar het lager terug, en nog dienzelfden avond hield hij kerk. Voor hij echter de godsdienstoefening begon gaf hij kennis, dat de volgende paren zich in het huwelijk wilden begeven (hier las hij de namen van zes paartjes voor), en dat zoo iemand eenige objecties had tegen zulke huwelijken hij of zij daar en dan moest opstaan, en de objecties opgeven. Doch niemand was er, die objecties had en daarop stond Gert Maritz op en verklaarde, dat namens het volk der Emigranten hij toestemming tot de huwelijken gaf. Deze eenvoudige wijze volgde men, daar de toestanden niet geschikt waren voor het loopen van drie geboden, zooals de oude wet eigenlijk vereischte.
Den volgenden morgen om tien ure was er een heel leven in het lager, om de inzegeningen der huwelijken te zien, en wij, die thans zoo hoog op onze beschaafdheid en (ik wou bijna zeggen Engelsche) manieren roemen, zouden zeker heel wat gelachen hebben om de kleedij van bruidegoms en bruids. Doch dat kwam er niet op aan; de liefde was er toen even goed (en misschien in zuiverder mate) als zij er thans is.
De Eerw. Lindley zegende de zes huwelijken in volgens het formulier der Hollandsche Kerk, en alvorens den zegen uit te spreken, sprak hij een paar zeer ernstige woorden tot de jonggetrouwden. Hij wees er op hoe vooral in de tegenwoordige omstandigheden, man en vrouw elkander ter zijde moesten staan; en hoe zij toch nooit moesten vergeten om gezamenlijk God te bidden hen en de hunnen te zegenen. Meer dan ooit had men thans den zegen des Allerhoogsten noodig.