David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek
Part 4
Retief riep den heer Jan Meyer, om wien hij gezonden had, en deze verhaalde het gebeurde met Sikonyella’s volk. Zijn verklaring werd woord voor woord aan den Kaffer-kapitein door Willem vertaald.
„Wat zegt gij nu, Sikonyella?” vroeg Retief, toen de heer Meyer alles verteld had, wat hij wist.
„Ik kan niet daarvoor, als ander volk zeggen, dat zij tot mijn stam behooren. Hoe weet die baas, dat het Batlokua waren.”
„Sikonyella,” zeide Retief op scherpen toon, „dit helpt u niet om te liegen. Het spoor van het vee is gevolgd tot bij uwen berg, en gij hebt het vee van Dingaan. Dingaan heeft mij gelast, dat vee terug te krijgen, en ik eisch het van u op.”
„Ik heb geen vee van Dingaan,” zeide Sikonyella op stoutmoedigen toon, en hij stond op met zijn „induna’s.”
„Grijpt ze,” was het korte bevel van Retief en voor de drie Kaffers wisten, wat er gebeurde, waren zij tegen den grond geworpen en met riemen werden hunne handen op den rug gebonden.
Sikonyella stiet een Kafferkreet uit, en zijne volgelingen sprongen op. Tot hunne verwondering vonden zij zich echter plotseling omringd door de dertig jonge Boeren, die bedaard en stilletjes hen omsingeld hadden, zonder dat zij het bemerkt hadden. Dertig geweer-monden waren op hen gericht, en zij deinsden verschrokken terug, buiten staat hunnen Kapitein te helpen. Retief had zijne plannen goed beraamd en uitgevoerd.
„Bindt den Kapitein en de induna’s daar aan dien wagen vast,” beval Retief, opstaande.
„Willem, zeg aan Sikonyella, dat ik hem prisonnier zal houden totdat hij gewillig is Dingaans beesten af te leveren. En een spul van jullie moet daar die Kaffers bewaken,” vervolgde hij tot eenige der omringende Boeren. „Vijftien man is genoeg, maar jullie past op, dat er niet een wegloopt. De eerste de beste die probeert te ontsnappen, schiet jullie neer. Ik zal daarom die Kaffers wijzen, dat ons niet hullie speelgoed is.”
De bevelen van den Kommandant-Generaal werden streng opgevolgd. Sikonyella en de twee onderkapiteins werden stevig aan het achterwiel van een wagen vastgebonden, zoodat zij zich niet roeren konden, en David Malan ontving order om met een geladen geweer wacht over hen te houden.
De overige Kaffers werden omringd door een vijftiental Boeren en, op bevel van Retief, gaf Willem hun kennis, dat wanneer zij trachtten te ontsnappen, zij zonder genade zouden doodgeschoten worden, en dat zij hunne wapenen zoolang moesten afgeven. De verschrikte Batlokua begrepen, dat zij in een val waren, en gehoorzaamden dan ook zonder tegenstribbelen.
Voedsel werd hun verschaft, en toen zij zagen, dat men hen goed behandelde, hielden zij zich zeer rustig.
Sikonyella zelf had geen aangename gedachten. Hij wist, dat hij thans in de macht der Boeren was, en hij verzon te vergeefs naar middelen om een uitweg uit zijnen moeilijken toestand te vinden. Het ging hem geweldig legen de borst om Dingaans beesten af te geven, en aan den anderen kant vreesde hij, dat de Boeren een commando naar zijn kraal zouden zenden. Hij wist, dat in zijn afwezigheid zijn volk zou vluchten, want Ma Ntatisi was reeds oud, en zou niet meer in staat zijn om tegenstand te bieden.
Dan zou zijn volk weder moeten gaan rondzwerven, misschien zich opsplitsen, en zou hij, Sikonyella, zijn opperhoofdschap verliezen, en zelve weder een zwerveling worden, zoo hij niet een gevangene der Boeren zou blijven. Hij raadpleegde zijn twee „induna’s” maar deze waren niet in staat hem te helpen.
Men bracht de gevangenen vleesch en brood als voedsel, en hunne handen werden zoodanig los gemaakt, dat zij in staat waren te eten. De induna’s aten hun voedsel gretig, doch Sikonyella raakte niets aan, maar bleef in gedachten verzonken.
Dien geheelen dag en den geheelen nacht bleven de gevangenen aldus, en hoewel Willem, op bevel van Retief, gedurende dien tijd driemaal kwam vragen, wat het antwoord van Sikonyella was, bleef deze in een stijfhoofdig stilzwijgen volharden.
Den volgenden morgen vroeg, toen Willem weder aankwam, zeide Sikonyella, dat hij den Grooten Kapitein der Boeren wilde zien.
Retief kwam hierop naar den wagen.
„Zeg aan den Grooten Kapitein, dat ik Dingaan zijn beesten zal gaan halen en hen afleveren, als hij mij losmaakt,” zeide de slimme Sikonyella.
Doch Retief liet zich niet zoo gemakkelijk verschalken. Hij wist, dat als Sikonyella eens een vrij man was, hij noch hem, noch de beesten ooit weer zou zien.
„Neen,” antwoordde hij. „Gij zult hier blijven totdat de beesten hier zijn, en zoo ook de eene induna. De andere induna kan met de helft van uw volgelingen gaan om de beesten te halen. Ik zal hun twaalf dagen tijd geven, en als zij dan niet met de beesten hier zijn, kunnen zij er zeker van zijn, dat ik u, Sikonyella, zal laten doodschieten voor uw bedrog en verraderlijk gedrag.”
Het laatste dreigement, dat Retief zeker nooit uitgevoerd zou hebben, en dat hij alleen er bijvoegde om de zaken te bespoedigen, deed Sikonyella aschvaal worden, en hij haastte zich om te antwoorden dat hij tevreden was met Retiefs voorstel.
De eene induna werd nu losgemaakt, en was binnen het half uur met twintig der Batlokua vertrokken. Na hun vertrek gelastte Retief ook Sikonyella en den anderen onderkapitein los te maken, doch hij liet hen goed bewaken, en des nachts werden zij weder aan het wagenwiel vastgemaakt, op zulke wijze, dat zij op den grond konden slapen onder hunne karossen, maar er geen kans was om te ontsnappen, daar twee man bovendien de wacht over hen hielden.
Op den tienden dag kwam de induna terug met een troepje Batlokua, en leverde 683 beesten af, en daar Dingaan aan Retief gezegd had, dat het 700 beesten waren, nam Retief dit getal aan.
Sikonyella werd nu op vrije voeten gesteld. Voor zijn vertrek las Retief hem echter duchtig de les en waarschuwde hem, om nooit weer met verraad tegen de Boeren te gaan. „Maar,” zeide hij, „ten einde Sikonyella te bewijzen, dat ik hem thans vergeven heb en weder zijn vriend ben, geef ik hem dit paard als een geschenk.”
Een zeer goed paard werd toen aan den Kaffer-kapitein gegeven, die dan ook verklaarde, dat hij een fout had gemaakt en zulks nooit weer zou doen. Daarop reed Sikonyella naar huis, heel wat minder parmantig, als hij gekomen was. Hij had een les gehad, die hij niet spoedig zou vergeten, en inderdaad heeft hij zich nooit weer tegen de Boeren verzet.
Mogen er sommigen mijner lezers zijn, die het Retief kwalijk nemen, dat hij zoo hard met Sikonyella handelde, dan vraag ik hun doodeenvoudig om de omstandigheden in aanmerking te nemen, en als zij alles bedaard nagaan, dan zullen zij met mij de flinkheid en krijgslist van den Kommandant-Generaal bewonderen, evenals de Emigranten het toenmaals deden.
HOOFDSTUK VII.
Het is de avond van den 27sten December 1837 en wij gaan nog eens een kijkje nemen naar het kamp bij de Vetrivier. Wij zullen alles goed kunnen zien, want het is een heldere heerlijke avond, en hoewel de maan maar half is, geeft zij toch zooveel licht, dat men alles duidelijk kan uitmaken.
Hallo! wat is dit? Het kamp is weg. Geen tent zien wij; geen wagen; geen menschelijk wezen. Niets dan een paar oude verlaten veekralen, een groote aschhoop, en een aantal diepe wagensporen.
Retief en de zijnen zijn zeker vertrokken, zegt ge?
Wel, dat is zoo, en als gij met mij thans naar Winburg gaat zult gij hem daar zien.
Mijn hemel, wat een gewoel is er in Winburg! ’t Is reeds negen ure en gewoonlijk is het nieuw aangelegde dorpje tegen dien tijd doodstil, want Afrikaansche Boeren gaan vroeg naar bed en staan vroeg op. Maar heden avond branden er nog overal vuren, en ook de vetkaarsen in de tenten verspreiden nog hun somber flikkerend licht. En een geloop en een herrie is er, die ons verbaast.
„Jan, kom hier,” roept een mannenstem; „helpt jou Ma met die potten. Maak hullie goed aan die wagen vast.”
„Mimi,” roept een vrouwenstem, die gij dadelijk als die van Martje herkent, „moet niet daar staan gezels, maar help mij die kommetjes inpakken, en dan moet jij die koffieketeltje schoonmaak.”
„David, heb jij al die ossenriemen bij elkaar?”
„Ja Pa,” is het antwoord van David Malan.
„Jong, loop dan gauw naar oom Frans, en vraag hem of hij niet een plat vaatje voor mij kan leenen. Die een hier lekt banja, en daar is nou niet tijd om hem recht te maken.”
En zoo is het een geroep hier en een geroep daar, een geloop, een wertschaft, dat men geheel verward raakt.
En daar buiten het dorp is het bijna even erg. Zoowat negenhonderd wagens zijn daar verzameld, in lange rijen, en voor elke wagen ligt het trekgoed in gereedheid. Sommigen der wagens zijn blijkbaar nog niet in orde, want bij hen zijn er mannen aan het werk. Daar kapt een man nog bij een groot vuur een aantal jukschijven; hier zijn er twee bezig om een voortouw te herstellen; daar ginder zijn er drie bezig een wagen te smeren, en hier loopt een oude kerel rond, om te zien of hij niet een juk kan krijgen, want hij is er een kort, en heeft niet behoorlijk voor zijn goed gezorgd.
„Neef Piet, een van mijn voorossen heeft vandaag zeer gekrijg. Kan jij mij niet een vooros leen?”
„Ja, neef Andries, jij kan een krijg. Zeg maar voor zwager Willem, dat hij jou die roode vooros van mij kan geven. Maar pas op, hij is een beetje banja wijs, en jij moet een goede maat voor hem hebben, want hij trekt banja scherp.”
Bij de kralen is het niet minder levendig. Zij zijn te klein om al het vee te bevatten, dat er heden nacht is. Een twaalf- of vijftienhonderd ossen staan buiten of liggen op den grond te herkauwen; en daar ginder is er een groote troep paarden, terwijl daar bij de boomen een groot aantal schapen en bokken liggen te rusten. De ossen bulken, de koeien loeien, de paarden hinneken, de schapen blaeren, en daartusschen hoort men het geroep van het volk. Het geraas is oorverdoovend, en wij zullen maar liever het dorp weder binnengaan. Daar bij een groote tent staan een half dozijn mannen, en wij bemerken al dadelijk de forsche gestalte van den Kommandant-Generaal. Ook Charel Cilliers, Gert Maritz, Frans Joubert, Piet Uys en Hendrik Potgieter zijn daar.
„Neef Piet,” zegt Retief, „laat nu eens goed uwe gedachten gaan. Voor de laatste maal vraag ik je of je niet met ons wil samengaan?”
„Neen, oom Piet,” antwoordt Pieter Lavras Uys, „ik zal hier blijven. Het land hier bevalt mij goed, en ik geloof dat ik hier vreedzamer zal wonen dan in Natal. De Kaffers plagen ons hier niet, en geloof mij, oom Piet, gij zult in Natal moeilijkheden met Dingaan krijgen.”
Retief zucht en wendt zich tot Hendrik Potgieter.
„En jij, oom Hendrik?”
„Ik ben hier mijn eigen baas,” is het trotsche antwoord van Hendrik Potgieter; „ik hoef hier geen mensen naar de oogen te kijken, en ik woon hier rustig. Waarom zou ik nog verder voorttrekken?”
„Vrienden,” zegt Retief, „het zij zoo. Wij zouden graag uwe hulp hebben gehad, maar het is de wil des Heeren, dat wij moeten scheiden en wij buigen onder dien wil.”
„Kommandant,” valt Piet Uys snel in, „als gij of de anderen onze hulp ooit noodig hebt, en als gij in gevaar zijt, laat mij slechts een woord van u ontvangen, en ik zal daar zijn om u te helpen. Maar de omstandigheden zijn zoo, dat wij thans niet kunnen samen gaan.”
Retief weet, helaas! wat die omstandigheden zijn. De oude twist tusschen Potgieter en Maritz was weer uitgebroken, en waar Maritz heenging, wilde Potgieter niet. Maritz ging met Retief, dus bleef Potgieter. En Piet Uys had zich aan de zijde van Potgieter geschaard, omdat, naar hij voorgaf, ook Maritz hem beleedigd had. Het was de oude storie van jaloezie en nijd, die tusschen de Emigranten tweedracht deed ontstaan, en ongelukkig nog tot op dezen huidigen dag de oorzaak is waarom wij Afrikaners niet één machtige natie kunnen worden.
„Nu,” zeide Retief, „wij zullen elkander wel morgenochtend vroeg zien,” en met deze woorden wenschte hij en Frans Joubert de anderen „goeden nacht,” en stapten zij het kamp uit.
Retief kwam bij zijnen wagen, en na een oogenblik met zijn vrouw gesproken te hebben, riep hij: „Willem, zadel gauw voor Prins op.”
Vijf minuten later sprong de Kommandant-Generaal in den zadel, en reed door de lange rijen wagens, ten einde alles te bezien en de noodige orders te geven. Hier bij een wagen vindt hij een vijftal jonge Boeren, die rustig bij een vuur zitten te rooken.
„Arrie, kerels,” roept hij uit, „jullie krijg immers lekker. Dit is nou niet tijd om bij die vuur te zitten en pijp te rooken.”
„Ons is kant en klaar, oom Piet,” roept Abraham Greyling uit. „Ons wacht net voor die morgenster, en die ossen.”
„Dat is fluks,” zeide de Kommandant-Generaal, die dan ook zag dat de drie naastbijzijnde wagens in extra orde waren, gereed voor den trek.
Hij reed voort, doch hield plotseling zijn paard in. „Abraham,” riep hij, „ik heb twee adjudanten noodig voor den trek. Zal jij er een wezen?”
„Met pleizier, oom Piet,” was het gulle antwoord van Abraham Greyling, die nooit „neen” zeide, als er werk te doen was. De Kommandant reed voort.
„’n Avond, nicht Mita,” riep hij tot een fluksche dikke tante, die met een viertal dochters bezig was, om een spul goed in een wagenkist in te pakken.
„Heb je nog niet een koppie koffie, ik is banja dorst.”
„Oh ja, oom Pieter, daar is nog koffie,” en meteen schonk zij een kopje in voor Retief.
„Heeft oom Pieter niet voor Andries gezien,” vroeg tante Mita.
„Neen,” zeide Retief, „wat is er dan.”
„Ons, is drie ossen kort,” was het antwoord van nicht Mita, „en Andries heeft al den heelen avond rondgeloopen om ze ergens te leen te krijgen, maar hij kan er geen krijgen. Maar daar komt hij zelf aan,” zeide zij, op een korte, dikke boer wijzende, die langzaam en blijkbaar vermoeid aan kwam stappen.
Retief groette hem, en zeide: „Wel, neef Andries, heb je drie ossen gekregen?”
„Neen, oom Piet, en ik is nou zoo in die middel dat ik niet weet om wat te doen.”
„Ja, maar dit is jou eigen schuld, neef Andries,” sprak Retief op scherpen toon. „Jij had al lang voor die goed moeten zorgen, en nou kom jij op die laatste oogenblik, en hinder die menschen, als hullie bezig is. Jij moet beter voor jou goed zorgen.”
„Ja, oom Pieter, dit is wat ik hem ook gezegd had,” viel tante Mita in, die eigenlijk blij was, dat haar eenigszins luie en onverschillige man een goede schrobbeering kreeg.
„Abraham,” bulderde de zware basstem van Retief.
„Ja, oom,” klonk het uit de verte, en in een minuut tijd was Abraham Greyling op de plek.
„Toe, ik zal jou zoo maar inspan als adjudant,” zeide Retief lachend. „Hardloop, gauw naar oom Gert Maritz, en vraag hem of hij niet drie ossen zal leenen aan oom Andries hier. Ik zal voor hullie goed staan.”
Abraham liep als een haas weg, en Retief reed verder.
„’n Avond David,” zeide hij tot onzen held van dit verhaal, die bezig was om een grooten drievoet aan een wagen vast te maken. „Jij moet een van mijn adjudanten wezen. Abraham Greyling is de andere. Of wil jij liever op den wagen zitten bij Martje?” vroeg hij, half spottend.
„Neen, oom, ik blijf bij oom Pieter. Elk ding heeft zijn tijd. Dit ’s avonds tijds genoeg om bij die nooiens te kuier,” was het vroolijke antwoord van David Malan.
Zoo rijdt de wakkere Kommandant-Generaal overal rond, hier een woord van lof sprekende, daar berispende, hier hulp verleenende, daar weder een grapje makende, en het is bijna twaalf uur als hij weder bij zijn wagen terugkomt, en na zijn paard aan Willem te hebben afgegeven, zich nedervleit op den katel in den wagen om eenige uren rust te hebben. En ook de andere Emigranten zoeken hunne legersteden, en spoedig is het dan ook tamelijk stil in Winburg. Doch ook maar voor een paar uur lang. De morgenster heeft nauwelijks hare verschijning gemaakt boven de oosterkim, of er komt weer leven in de brouwerij. Vuren worden aangestoken, en koffie wordt gereed gemaakt, en bij het eerste krieken van den dageraad hoort men het geroep van „Inspan, inspan,” dat van den eenen wagen tot den anderen herhaald wordt, totdat het den laatsten wagen bereikt. En nu is het woeliger dan ooit te voren. De vrouwen pakken zoo snel mogelijk, koffieketeltjes, kommetjes, en al het verder gebruikte weg, en schikken de wagens voor de lange reis terecht. De mannen, jong en oud, gaan naar de kralen, en hier ontstaat een oorverdoovend lawaai. Een ieder tracht zoo snel mogelijk zijn span ossen uit te jagen, en die bij zijn wagen te brengen. Hoe elkeen, uit die duizenden van ossen, weet wie zijn Zwartland, of Makman, of Wildeman is, is voor den aanschouwer onbegrijpelijk en toch vindt er, zelfs in dit half schemerlicht, geene vergissing plaats. Een uur daarna is elke wagen ingespannen.
Intusschen zijn zij, die met Uys en Potgieter te Winburg blijven, allen uit het dorpje gekomen, om de vertrekkenden te groeten. Menige handdruk, menig „God zegen je” wordt gewisseld; ook menige traan wordt gestort. En zoenen, wel die klappen zooals zweepen. En treurige harten zijn er, zooals bijvoorbeeld die van dien jongeling, die met den trek medegaat, en dat jonge meisje, die met hare ouders te Winburg achterblijft. Die twee zijn verloofd, maar het onverbiddelijk noodlot zal spoedig de Drakensbergen tusschen hen plaatsen, en misschien, ja misschien zien zij elkander nooit weder.
Maar ook de harten van ouderen zijn treurig, en zoo is het hart van Retief. Ernstig en zwijgend drukt hij de hand van Potgieter; maar een diepe zucht ontsnapt zijn mannelijke borst, als hij, met aangedanen stem den dapperen Piet Uys vaarwel zegt en Gods zegen toewenscht. Want Uys en hij hadden zoo menigmaal naast elkander gestreden, en hadden zoo dikwijls elkander in gevaar geholpen, dat het Retief nu wee om het harte wordt, om van zijn ouden kameraad te scheiden. Een plotselinge stilte ontstaat onder die groote menigte van menschen, als Charel Cilliers zijn hoed afneemt, en staande een innig gebed opzendt aan den grooten Heer der Legerscharen, en langs menige zonverbrande wang rolt een traan, als hij zijn plechtig „Amen” uitspreekt. En toen hoort men de stem van den ouden Frans Joubert, die invalt met het 6de vers van den prachtigen Psalm 84.
„Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, Is t’ allen tijd’ een zon en schild.”
En daar, in den stillen morgen, bij dat eenzame dorp, verheffen zich meer dan tweeduizend stemmen tot Jehovah, om Hem te kennen te geven, dat zij slechts op Hem vertrouwen. Misschien is nog nooit weer dat vers in Zuid-Afrika op die innige wijze en met dat gevoel gezongen als op dien morgen van den 28sten December 1837.
Het gezang is geëindigd, en een oogenblik stilte volgt. Dan springt Retief op zijn paard, en rijdt, gevolgd door Abraham en David, insgelijks te paard naar de voorste wagens. Een aantal jonge Boeren komen daar ook, en rijden tot op een kleinen afstand van de wagens, en blijven daar stilstaan, geschaard twee aan twee.
Retief kijkt een oogenblik achter en om zich, om te zien of alles in orde is. Dan zwaait hij zijn hoed en roept luid:
„Trek!” en zachtjes voegt hij er bij „en moge God onze Leider zijn.”
De ossen geven een ruk, de zware wagen kraakt in zijn assen en rolt dan langzaam voort, en wagen op wagen volgen.
De tocht naar Natal is begonnen.
HOOFDSTUK VIII.
Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10den Januari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief zond nu eenige klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; blijkbaar een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.
De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nog Ongeluks-krans.
Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den weg nog wat te verbeteren. Op den 16den Januari waren alle wagens de Drakensbergen overgetrokken, en had men geen ander ongeluk te betreuren dan het zooeven gemelde.
Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en de Bushmansrivieren. Hier besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.
Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.
Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te schieten, en ook moest voor het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het regelen van alles.
Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan hem het beloofde land zou toekennen.