David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek

Part 5

Chapter 53,972 wordsPublic domain

Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.

Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen, en dat hij volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27sten Februari als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief ten laatste er in toestemde.

Vroeg in den morgen van den 26sten Febr. kwamen er drie ruiters aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief den volgenden dag naar Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om te vertrekken.

HOOFDSTUK IX.

Martje zat dien morgen vroeg bij de tent van haren vader, en was bezig met vleesch in te zouten, toen haar Oom Joshua bij de tent kwam, en haar vertelde, dat Retief den volgenden dag naar Dingaan zou gaan.

Martje had reeds van het plan gehoord, en had ook vernomen, dat verscheidene der Emigranten er tegen waren. Men had gesproken over den wreeden Zulukoning, en enkelen hadden zelfs luid op gezegd dat Dingaan niet te vertrouwen was, en hij gemakkelijk Retief kon laten gevangen nemen, zoo nog niet iets ergers doen. Martje was dus al „bang gepraat,” en zij zeide dan ook dat zij het gevaarlijk vond, dat Oom Pieter zich zoo aan den Kafferkoning vertrouwde.

„Ach wat,” zeide Joshua Joubert, „ik geloof niet, dat Dingaan eenig kwaad voornemen heeft; en bovendien neemt Oom Pieter een groot escort van zestig man mede. David gaat ook samen.”

Martje schrok zoo hevig bij het hooren van deze tijding, dat zij het stuk vleesch uit hare handen op den grond liet vallen.

Oom Joshua lachte en Martje zeide:

„Ach neen, Oom Joshua speul maar met mij, David zal niet zoo mal wezen om zijn leven te gaan wagen op zoo’n tocht.”

„Neen, ik maak niet grapjes,” antwoordde Joshua Joubert. „Daar komt David zelf aan, en hij kan het je zeggen of ik waarheid spreek.”

David was dan ook in een minuut bij hen, en Martje vroeg hem dadelijk of dit waar was.

„Ja,” zeide David lachend. „Oom Pieter heeft mij gekozen, en ik ben er recht blij om. Ik wil ook eens graag zien, hoe Dingaan er uit ziet, en hoe die Kaffers den krijgsdans uitvoeren met al die zwarte ossen.”

„David jij is mal,” zeide het meisje met bevende stem. „Als die Kaffers jou doodmaakt, wat dan,” en bij die gedachte schoten haar de tranen in de oogen.

„Ach wat, Martje, jij is alweêr voor niks bang. Als Dingaan Oom Pieter had willen vermoorden, dan zou hij dit immers den eersten keer hebben gedaan. Bovendien, daar is net nou twee Engelschen uit Durban aangekomen, en die één kerel kent Dingaan al jarenlang, en zegt dat hij ons niets zal doen.”

Maar dit stelde Martje niet gerust en daar Oom Joshua juist wegging, begon zij haren minnaar te smeeken toch niet te gaan. David was in zijn hart jammer voor Martje, want hij zag dat zij werkelijk beangst was, maar hij trachtte haar aan het verstand te brengen, dat hij toch niet kon gaan om Retief te vragen of hij kon thuis blijven.

„Kijk, Martje,” zoo besloot hij, „als ik dat doe, dan zullen de anderen mij uitlachen en zeggen dat ik bang ben. En als een lafaard wil ik niet bekend staan. Oom Pieter heeft mij opgekommandeerd, en morgen vroeg ga ik met hem samen. Binnen veertien dagen ben ik terug, en dan kom ik vragen wanneer ons kan trouwen.”

En na deze woorden stapte David weg, na eerst in de gauwigheid een zoen te hebben gestolen.

Dien geheelen morgen dacht Martje over den tocht, en hoe meer zij er over dacht, hoe meer overmeesterde haar een voorgevoel dat er iets vreeselijks zou gebeuren.

Na het eten zat zij bij het vuur, waar het water voor de koffie kookte en haar gemoed schoot zoo vol, dat zij begon te weenen.

„Wat mankeer nooi Martje dan vandaag?” zeide eene vrouwenstem.

Het was Oû Anna, de oude dienstmeid van Frans Joubert. Zij was in der tijd reeds slavin geweest van den vader van Oom Frans; zij was op diens plaats geboren, en zij had al de kinderen van Oom Frans groot gemaakt; de oudste zoon Johannes, en Martje, en al de anderen waren door haar geabbaed. Toen de slaven vrij verklaard werden, bleef zij bij Oom Frans, en diende de familie trouw voort. Martje de „kleinnooi” was haar oogappel, en nu zij deze zag weenen, wilde zij weten wat er aan scheelde.

Martje vertelde haar dat David met Oom Pieter zou medegaan, en deelde al haar vrees mede. Zij zeide ook dat zij met haren minnaar gesproken had, maar dat deze niet wilde luisteren,

Oû Anna luisterde aandachtig, en zweeg toen eenigen tijd stil. Zij scheen plannen te maken.

„Kleinnooi, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij immers niet saamgaan,” zeide zij eindelijk.

„Neen, Ayah,” antwoordde het meisje: „maar hij is niet ziek; hij is zoo frisch als een paard. Ik wou dat hij een beetje ziek werd, dan zou hij zich misschien laten ompraten.”

Oû Anna zeide niets, maar stond op en ging weg. Zij stapte het lager uit, en liep stadig in de richting van de Blauwkrantzrivier. Hier begon zij zorgvuldig naar iets op den grond te zoeken, maar zij scheen het niet te kunnen vinden. Eindelijk gaf zij een kreet van blijdschap, en snelde naar een klein plantje met breede, vleezige bladeren. Zij haalde een oud mes te voorschijn en begon toen met alle macht de plant uit te graven. De wortel van de plant was een groote knol, die wel wat op een ui geleek, en het kostte Oû Anna eenigen tijd voor zij dien geheel uitgegraven had. Eindelijk had zij hem geheel en al uit, en verborg den grooten wortel toen in haar voorschoot, waarna zij al strompelend en bij zichzelve mompelend naar het kamp terugging. Daar aangekomen kreeg zij na eenig zoeken een ouden pot in handen, die blijkbaar door den eigenaar weggeworpen was, omdat de drie pooten er af waren. Oû Anna maakte toen een vuur, deed water in den pot, zette dien op het vuur, en begon den bolwortel in stukjes te snijden, en die in den pot te werpen. Zij zat daar geruimen tijd, en roerde van tijd tot tijd in het kokende water met een stokje. Ten laatste begon het water een lijmerig aanzien te krijgen, en het werd al dikker, en na eenig wachten nam de oude „ayah” ook den pot van het vuur en liet den inhoud koel worden. Hierop nam zij eenige stukken van de thans taaie stof en wrommelde het in een ouden lap.

Het was reeds drie ure in den middag toen zij bij de tent van haar baas terugkwam, waar zij Martje bezig vond om de middagkoffie te maken.

„Waar was jij al dien tijd, Oû Anna?” vroeg het meisje.

„Ik was zoo maar een beetje in die veld,” antwoordde de oude meid, terwijl zij op hare hurken ging zitten bij het meisje. Zij zat geruimen tijd zoo zwijgend, en scheen in gedachten verzonken.

„Kleinnooi zegt, als kleinbaas David ziek is, dan kan hij niet met baas Pieter samen gaan?” vroeg zij eindelijk.

„Natuurlijk niet,” zeide Martje verwonderd.

„Ik heb hier goed, kleinnooi, wat die kleinbaas zal ziek maken, als die kleinnooi een stukje in zijn koffie gooit.” En met die woorden rolde zij het oude lapje los, en wees het meisje het resultaat van haar koken.

„Neen, Oû Anna,” riep het meisje verschrikt uit, „dit is jullie toovergoed, en die kleinbaas zal daarvan doodgaan.”

„Ach neen, kleinnooi,” antwoordde Oû Anna: „ik ken die goed, en hebt dit banja gebruikt. Die kleinbaas zal net een beetje banja ziek worden, maar gauw beter worden.”

Doch Martje was en bleef bang. Wel vertrouwde zij de oude „ayah”, en zij was overtuigd dat deze David geen leed zou doen, maar toch had zij een afschuw van dat „toovergoed.”

Terwijl zij nog de zaak bij zichzelve beredeneerde kwam David juist aangestapt, en zoodra hij bij hen kwam, vroeg hij:

„Martje, heb je niet een koppie koffie voor mij?”

„Wacht, kleinbaas, ik zal voor kleinbaas gauw een kommetje koffie inschenk,” zeide Oû Anna snel en, opstaande, nam zij een vuil kommetje en verwijderde zich even om een doek te halen om het uit te wasschen, en toen zij terugkwam schonk zij spoedig de koffie in.

„Daar, kleinbaas, daar is die koffie. Dit is misschien die laatste kommetje koffie wat kleinbaas van mij krijg, want ik hoor dat kleinbaas met baas Pieter saam gaat.”

„Och wat, Oû Anna, hèt nooi Martje jou ook al bang gepraat,” zeide David terwijl hij het kommetje uit haar hand nam.

Martje was op eens doodsbleek geworden en toen

David schielijk het kommetje leeg dronk, gaf zij een schreeuw.

„Wat is dit, Martje,” riep David.

„Niks nie,” hernam het meisje op bevenden toon; „daar hêt net iets in mijn voet gesteek;” en zich vooroverbuigende, om hare verwarring niet te laten zien, keek zij naar hare veldschoentjes, alsof zij naar een doorn of zoo iets zocht.

„Sis, Oû Anna, jou koffie smaakt slecht van middag,” zeide David.

„Dit is die melk, baasje; dit is bokmelk en die bokken hêt zeker van die stinkboschjes gevreet,” zeide de oude ayah op geruststellenden toon.

David spoegde even op den grond, om den bitteren smaak uit den mond te krijgen, en na nog gezegd te hebben, dat hij niet meer van die koffie wilde hebben, stapte hij verder.

„Machtjes, kleinnooi! hoe kan die kleinnooi dan zoo schrik en schreeuw,” zeide de ayah, toen David buiten gehoor was.

„Ik was banja bang, Oû Anna,” antwoordde het meisje, „en als baas David nou iets overkom, zal ik banja kwaad met jou zijn.”

Tot antwoord lachte de oude meid slechts en ging toen weg.

Dien avond was David kant en klaar om met Pieter Retief den volgenden morgen vroeg te vertrekken, en hij bracht dus den avond door bij Martje. Hij was vroolijk en opgeruimd, doch het meisje was daarentegen zwaarmoedig. Telkens vroeg zij David of hij zich niet ziek voelde, en telkens kreeg zij het antwoord, dat hij „paerd-frisch” was.

Het was omstreeks 10 ure toen David zijn geliefde den goedennacht kus gaf, en toen zijn wagen opzocht. Martje ging ook naar bed, maar het was haar onmogelijk om te slapen. Zij was geheel verslagen en wist niet wat te denken of hoe te doen. Werd David niet ziek van het toovergoed van Oû Anna, dan zou hij met Pieter Retief samengaan, en Martje had een voorgevoel, dat zij hem dan nooit weder zou zien. En als hij inderdaad ziek werd, dan zou hij misschien kunnen sterven.

Zoo lag zij nog wakker in den inwendigen tweestrijd harer gedachten, toen zij op eens iemand hoorde hardloopen naar de tent.

„Martje, Martje,” riep de stem van Lang Hans Malan; „hêt jullie niet een beetje kruiden-brandewijn? David is op eens ziek geworden; hij heeft vreeselijke pijnen in zijn maag en doet niet anders dan vomeeren.”

Martje was in een oogenblik op en haalde een bottel kruiden voor den dag. Zij ging met Hans samen naar den wagen, waar ook reeds Davids vader en moeder waren. David scheen inderdaad ziek, en toen zij hem van pijn hoorde kermen, brak het arme meisje in snikken uit, zoodat men haar de bottel met brandewijn moest ontnemen, daar zij blijkbaar buiten staat was om iets goed te doen.

Dien ganschen nacht bleef de jonge man ziek en niets scheen hem eenige verlichting te geven.

Toen dan ook om vier uur in den morgen men zich gereedmaakte om Retief te vergezellen, was het duidelijk, dat David te ziek was om saam te gaan en Hans Malan bood zich in zijn plek aan, een aanbod, dat Retief graag aannam.

David morde en gromde, en gaf luid zijne ergernis te kennen, dat hij moest achterblijven, maar dat hielp nu niets. Hij gevoelde zelf, dat hij te ziek was.

Retief kwam hem nog even voor zijn vertrek zien, en zeide aan zijne vrouw, dat zij haar best voor hem moest doen.

Toen gaf hij haar den laatsten zoen, sprong te paard en reed weg, zich nog even omwendende om met zijn hand „goeden dag” te wuiven. Weinig dacht zijne arme vrouw, dat dit de laatste keer zou zijn, dat zij haren geliefden echtgenoot zag.

HOOFDSTUK X.

Waarde lezer, ik moet u thans verzoeken om mij (natuurlijk met behulp uwer verbeelding) te vergezellen naar Umkungunhlovu, de hoofdstad van den grooten koning der Zulu’s, Dingaan, en dit wel op den morgen van den 7den Februari 1838. Wij zullen niet de stad ingaan, maar ons op een randje stellen ten zuiden er van, vanwaar wij een goed uitzicht op de stad hebben. De zon is juist opgegaan en werpt hare eerste stralen op het landschap voor ons. Umkungunhlovu noemen wij een stad; in waarheid is het slechts een ontzettende Kafferkraal. Het bestaat uit twee ringmuren, een groote en een kleinere daarbinnen. Tusschen de twee ringmuren staan de ronde Kafferhutten, in regelmatige rijen, doch die welke in de twee rijen, die het dichtst bij den binnensten ringmuur staan, zijn grooter en hooger dan de anderen, want dat zijn de hutten der getrouwde krijgers van Dingaan, de zoogenaamde Ringkoppen of oudgedienden, die de keurbenden van de Zulustam uitmaken. De kleinere hutten worden bewoond door de jongere krijgers.

Binnen den tweeden ringmuur, aan het verste einde staan een tiental zeer groote hutten, waaronder vooral de middelste door hoogte uitmunt. Dit zijn de hutten van Dingaan en zijne vrouwen, want ik behoef u niet te zeggen, dat de Zulukoning aan veelwijverij doet.

Achter de hutten zijn de veekralen, waar gij een groot aantal der kleine, groot gehoornde koeien en ossen kunt zien, die gewoonlijk bekend zijn als Zulu’s.

Terwijl wij zoo staan te kijken, wordt het levendig in de stad. Een groot aantal manschappen verzamelen zich, en spoedig zien wij hen uittrekken. Er zijn vijf regimenten, twee met zwarte schilden en drie met witte schilden; de zwarte schilden zijn het teeken dat de dragers tot de Ringkoppen, de dappersten der dapperen behooren. Vooraan het hoofd van elk regiment loopt de kolonel, of zooals hij in het Zulusch heet de „Induna-enkoolu.” Een geweldige vederbos, die op zijn hoofd wuift, duidt ons zijn rang aan, doch ook hij draagt zijn schild en zijn assegaaien. In geregelden marsch en onder het zingen van een maatgevend krijgslied, rukt de bende of liever het leger voorwaarts, den weg inslaande naar Natal. Misschien ontmoeten wij hen later weer; voor het oogenblik zullen wij hen hunnen marsch laten voortzetten, en u eerst wat vertellen van den Zulustam. Inderdaad heeft die stam zulk een groote rol in de geschiedenis van Zuid-Afrika gespeeld, dat elke Afrikaner ten minste iets er van behoort te weten.

Omtrent het jaar 1790 woonde er ten noorden van de Tugela een Kafferstam, de Abatetwa genaamd, wiens koning den naam van Jobe droeg. De oudste zoon van dezen, Dingiswayo geheeten, heeft een wonderlijken levensloop gehad, zoo romantisch, dat waarschijnlijk zijn levensgeschiedenis den Engelschen schrijver Rider Haggard heeft aangespoord om hem den held van zijn bekenden roman, King Solomon’s Mines te maken. Dingiswayo werd namelijk door zijn vader verdacht van pogingen om den troon te bemachtigen, en Jobe besloot dus om zijn gevaarlijken zoon uit den weg te ruimen. Doch met behulp van zijne zusters wist Dingiswayo de wraak van zijnen vader te ontkomen en zocht hij zijn heil in de vlucht. Na lange rondzwervingen kwam hij eindelijk binnen de grenspalen der Kolonie en vertoefde waarschijnlijk in de nabijheid van Graaff-Reinet. Hier zag hij de Engelsche soldaten die in 1799 door Generaal Dundas naar de grenzen werden gezonden, en wat hem bijzonder trof was de wonderlijke krijgstucht die er in dit leger heerschte, en de gemakkelijkheid waarop gedisciplineerde soldaten zich in massa’s bewogen. Hij deed zooveel mogelijk onderzoek naar de redenen hiervan en het gaf hem veel te denken, wanneer hij die Engelsche soldaten vergeleek met de ruwe wilde krijgsbenden van zijn eigen natie.

Ondertusschen kreeg Dingiswayo bericht dat zijn vader overleden was, en dat de Abatetwa, die niet wisten waar Dingiswayo was, den naasten erfgenaam tot hun koning hadden verkozen. Toen hij dit vernam zond hij bericht aan zijn volk dat hij zou komen, en werkelijk verscheen hij ook in zijn vaderland, gezeten op een fraai paard. De Abatetwa hadden nog nooit dit dier gezien, en dit feit, te zamen met de zekerheid, waarmede zij Dingiswayo herkenden, maakte dat hij spoedig in het bezit van zijn rechtmatigen troon was.

Het eerste werk van den nieuwen koning was om Europeesche krijgstucht in zijn leger in te voeren. Hij vormde regimenten, stelde officieren aan, en leerde de manschappen oefeningen maken, en toen ze eenigszins in orde waren, begon hij krijg te voeren tegen zijne naburen, waarin hij duidelijk bewees, welk een groot voordeel hij aan zijnen kant had.

Eenige jaren daarna kwam er een vluchteling bij Dingiswayo aan, namelijk Tshaka, de zoon van Senzangakona, het opperhoofd van den kleinen Zulustam. Deze had evenals Dingiswayo in vroegere dagen moeten vluchten voor zijnen vader, en misschien was het daarom dat de koning der Abatetwa hem vriendelijk opnam en hem een plaats in zijn leger gaf. Tshaka begreep terstond het nut van de indeeling van Dingiswayo’s leger, en door bekwaamheid en dapperheid werd hij spoedig de meest geachte aanvoerder in dat leger. Toen nu Senzangakona stierf, deed Dingiswayo de Zulu’s Tshaka als hun koning erkennen. Toen voerde Tshaka ook krijgstucht onder de Zulustam in, en maakte hij zelfs vele verbeteringen op het systeem van Dingiswayo, en binnenkort waren de Zulu’s een heldhaftige natie geworden. Zoolang Dingiswayo leefde, had Tshaka vrede met hem, doch na zijn dood viel Tshaka den Abatetwa-stam aan, versloeg hen, deed hunnen koning dooden, en lijfde den stam bij den zijne in. Van af dien tijd voerde Tshaka een reeks bloedige oorlogen met zijn naburen, waarin hij steeds als overwinnaar optrad, en zoo duurde het niet lang of de Zulunatie was de machtigste stam in het oosten van Zuid-Afrika, en zijne legers drongen zelfs voort tot aan de Bashee-rivier, en bedreigden de Kaapkolonie.

In 1828 werd Tshaka vermoord door twee zijner half-broeders Dingaan en Umthlangana. Daarna vermoordde Dingaan op zijne beurt Umthlangana met eigen hand, en na eenige gevechten met zijne andere broeders, bemachtigde hij den Zulutroon.

Tshaka was een wreed koning geweest, maar hij was talentvol en wist gebruik te maken van de talenten van anderen. Dingaan daarentegen was sluw, arglistig en bezat eene nog dierlijker wreedheid dan Tshaka.

Na dit kort overzicht van de geschiedenis der Zulu’s moet ik u, waarde lezer, nogmaals vragen om mij te vergezellen naar dat kopje ten westen van Umkungunhlovu. Reeds aan den voet er van schrikken wij, want hier en daar zien wij doodsbeenderen en doodshoofden. Ja, dat is een akelige plek waarheen ik u breng, het is de plaats des Doods, de plaats waar Dingaan al zijne slachtoffers doet vellen. Maar volg mij en dan zal ik u nog iets wijzen. Kijk eens hier, daar liggen een aantal lijken, blijkbaar kort geleden gedood, want er is nog geen spoor van ontbinding te zien. „Wat,” roept gij verbaasd uit, „maar dit zijn immers blanken.”

Inderdaad, het zijn blanke menschen, die hier dood liggen, en gij kent hen ook. Hier ligt de arme sterke Hans Malan, een geweldige wond op zijn hoofd wijst u, dat met een kirie zijn schedel verbrijzeld werd. Daar, dicht bij hem ligt Thomas Holstead, de Engelsche gids, insgelijks met verbrijzelden schedel. En zoo telt gij vijfenzestig blanken, allen dood op dien vreeselijken kop en zoo wat dertig kleurlingen. Behoef ik u te vertellen, dat dit Retief en de zijnen zijn, die hier vermoord liggen? Maar waar is Retief zelve?

Gaat even hier ter zijde. Daar ligt hij, dood en mishandeld. Zijn dood lichaam is opengesneden; zijn hart en zijn lever zijn uitgehaald, en liggen daar ginder op den weg naar Natal begraven. Hij is het eenigste lijk, dat aldus mishandeld is; de anderen liggen zooals zij gevallen zijn; zelfs geen kleedingstuk is hen van het lijf genomen, ook niet van Retief, om wiens schouder een veldflesch en een bladzak hangen.

Treurige plaats voorwaar! Eene plaats die heilig behoort te zijn voor alle Afrikaners; eene plaats waar een grafteeken behoort opgericht te zijn.

Maar laat ik u in het kort vertellen, hoe Retief en de zijnen hunnen dood vonden.

Pieter Retief en zijn escort, geleid langs den kortsten weg door den heer Thomas Holstead kwamen op den 3den Februari 1838 te Umkungunhlovu aan. Dingaan ontving hen bijzonder vriendelijk en prees de Boeren zeer voor hun gedrag in zake het vee van Sikonyella. Slechts zeide hij dat het hem speet dat Retief niet den Roover-kaptein had samengebracht. Hierop liet hij weder spiegelgevechten en krijgsdansen houden door de Zuluregimenten, en verschafte zijne bezoekers rijkelijk voedsel. Den volgenden dag trok de heer Owen, de zendeling, een document op, waarin Dingaan een groot stuk grond van de Tugela tot aan de Umzinvubu rivier aan de Boeren ter bewoning afstond. Dit document werd toen door Dingaan met zijn merk voorzien, en drie Boeren zoowel als drie der groote Raadsheeren van den Zulukoning teekenden het of plaatsten er hun merk op als getuigen.

Geheel tevreden met den uitslag van zijn bezoek, en met niets dan dankbaarheid in zijn hart voor Dingaan, vertoefde Retief nog den 5den Februari te Umkungunhlovu. Op den morgen van den 6den maakte hij zich gereed om te vertrekken. De paarden waren opgezadeld en Retief en de zijnen wilden thans Dingaan groeten. Deze deed hun weten dat zij in den binnensten ringmuur konden komen, maar dat zij hunne geweren buiten moesten laten. Een groot aantal der Boeren waren onwillig dit te doen, want zij vreesden verraad, maar de heer Holstead, die een gesprek met eenige der Zulu-induna’s gehad had, verklaarde dat geen vreemdeling toegelaten werd om gewapend in tegenwoordigheid van den Zuluvorst te verschijnen. Daarna lieten de Boeren hunne geweren bij hunne paarden.