David Malan: Een verhaal uit den Grooten Trek

Part 3

Chapter 34,103 wordsPublic domain

Het is de 18de November 1837, ’s avonds om negen uur, en inderdaad een prachtige avond. De dag was heet geweest, doch nu woei er een zachte koelte, en de bijna volle maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel. Buiten het kamp, bij de kralen, brandden er een aantal vuren, want de leeuwen zijn nog steeds brutaal en zouden, zonder zulke voorzorgen, licht een half dozijn ossen in het stof doen bijten. Derhalve is er ook steeds een wacht van eenige blanken bij de kralen, behalve verscheidenen van het volk. Op dezen avond is David Malan een van de wacht, en op het oogenblik stapt hij met het geweer op den schouder en een pijp in den mond rustig op en neer, tusschen het kamp en de kralen. Maar toch heeft hij ooren en oogen open, en het fijnste geritsel in het gras wordt door hem gehoord, en zelfs de vleermuizen ontsnappen zijne scherpe oogen niet. In het kamp is alles blijkbaar doodstil; hier en daar brandt nog een licht in een wagen, maar dat is dan ook al.

Daar hoort David den zachten tred van iemand, die door het gras uit de richting van het kamp komt. Hij laat echter zijn geweer rustig op den schouder rusten, want aan den voetval weet hij wie het is, en spoedig in den helderen maneschijn ziet hij een vrouwelijke gedaante naar hem toekomen.

„David,” roept eene zachte meisjesstem, en David blijft stilstaan. Een oogenblik later is Martje aan zijne zijde, en heeft hij haar een hartelijken kus gegeven.

„Mensche!” zeide David, „ik dacht dat je van avond niet zou komen, Martje. Jij hebt mij lang laten wachten.”

„Ik kon niet eerder komen, want Ma was nog niet aan slaap, en ik heb Mimi gevraagd om zoo lang op te zitten tot ik terug kom.”

De twee geliefden liepen op en neder onder allerlei zoet gekeuvel.

„Ik wonder wanneer Pa en Oom Piet komen,” zeide het meisje. „Ma is al recht angstig en ik word ook bang, dat hullie misschien een ongeluk is overgekomen.”

„Och wat,” zeide David lachend, „jullie vrouw-menschen wordt ook zoo gauw bang voor niks. Oom Pieter is zeker opgehouden in Natal, en het zal mij niets verwonderen, als hij ons goede tijding brengt, wanneer hij terugkomt. Ik wou dat ik met hem samen gegaan was.”

„Jij hebt ook geen stuk rust, David,” hernam het meisje. „Je wil altijd rondrijden en werkschaften.”

„Je wil toch niet, dat ik, net zooals een jong meisje, altijd bij het vuur moet zitten,” was het lachende antwoord van den jongen man. „Stil,” riep hij toen, „ik hoor iets.”

Beiden luisterden. „Dit is paardenruiters,” riep David, „en ik wed dit is Oom Pieter.”

Het paardengetrappel kwam nader, en spoedig, in het maanlicht, zag men een troepje ruiters die snel naar het kamp toekwamen.

Martje was thans weggesneld, zoo gauw hare beenen haar konden dragen, en David, zijn geweer in gereedheid houdende, riep: „Wie is daar?”

„Goede vrienden,” was het antwoord van eene zware mansstem, die David dadelijk herkende als de stem van Pieter Retief.

„O, is dat jij, David,” zeide de Kommandant-Generaal, toen hij nader kwam, en hij boog over den nek van het paard en schudde den jongen man de hand. „En hoe gaat het hier, nog alles frisch?”

„Ja Oom, dit gaat nog alles goed,” antwoordde de jongeling: „ons begon net bang te worden dat daar iets met jullie een ongeluk gekrijg had, omdat jullie zoo lang weg bleef.”

Tegen dezen tijd waren de andere wachten ook op de plaats aangekomen, en groetten de ruiters. Oom Jan Greyling, een goede, oude dikke kerel, was zoo verblijd, dat hij den Kommandant-Generaal weer zag, dat hij, uit pure opgewondenheid, zijn geweer in de lucht afschoot, en daarop ging het boms! boms! uit de andere drie geweren ook. In een oogenblik waren de lichten in het kamp aan het branden, en een twintigtal Boeren kwamen hard aangeloopen, met een angstig: „Wat is dit? Wat mankeer?” Toen zij uitvonden, wat het was, volgde er nog een aantal geweerschoten, en toen begeleidden allen de aangekomenen naar het kamp.

Nu vond er een gegroet en gezoen plaats, en een gevraag en gepraat, dat een mensch hooren en zien verging, en toen de vrouwen vernamen, dat de ruiters nog niet dien avond gegeten hadden, werden er vuren aangestoken, ketels gekookt en vleesch gebraden.

Het was Retief en de zijnen onmogelijk om op alle vragen te antwoorden, en hij zeide dan ook, dat hij overmorgen eene volksvergadering bij elkaar zou roepen en behoorlijk verslag geven van zijne reis, en tot zoolang moest men maar een beetje geduld hebben.

Dien avond was het over twaalven, toen er weder rust in het kamp was, en toen David kort daarop van zijne wacht afgelost werd, waren allen reeds in slaap, en kroop hij stilletjes in den wagen naast zijn neef Lang Hans, die reeds hard aan het snorken was.

Den volgenden morgen was het levendig in het kamp. Een aantal jonge Boeren, en ook eenige ouderen waren reeds vroeg bezig hunne paarden op te zadelen, teneinde kennisgevingen aan de verschillende kampen te brengen, dat den volgenden dag om één uur in den namiddag, er een groote vergadering zou plaats vinden te Winburg. Een tal van anderen waren gereed om het veld in te gaan, om wild te schieten, want natuurlijk moest er voor kost gezorgd worden voor allen, die de vergadering bijwoonden. Derhalve waren de vrouwen dan ook hard bezig met broodbakken en andere noodige toebereidselen te maken.

Dien dag verloor David Malan bijna het leven en wel op de volgende wijze [1]. Hij was gaan jagen, en zag op een afstand een klein troepje mooie koodoo’s waarvan hij er graag een wilde hebben. Daar echter de koodoo’s zeer fijn zien en tamelijk wild waren, zag David rond naar eene gelegenheid om hen te bekruipen. Niet ver van hem was eene diepe sloot, die naar het scheen dicht achter de koodoo’s liep, en dit was dus eene schoone kans. David daalde dan ook met paard en al den steilen wal der sloot af, en bond toen zijn paard aan een sterken wortel vast. Hij zag naar zijn geweer, deed nieuw kruid in de pan, en sloop toen behoedzaam in de sloot voort, nu en dan voorzichtig over den wal loerende, om te zien hoever hij nog van het wild af was. Toen hij dit de derde keer deed, vond hij, dat hij nog meer dan driehonderd treden van hen af was, en dit was een veel te lang schot voor zijn ouden Sanna. Hij wilde juist weer in de sloot afdalen, toen hij, met het omdraaien van zijn hoofd, iets zag dat voor een oogenblik zijn bloed in de aderen deed verstijven. Op veertig treden afstands, tusschen het hooge gras lagen een zestal leeuwen, drie mannetjes en drie wijfjes. Zij lagen met hun achterlijf naar David toegekeerd, en schenen vast in den slaap. De naaste leeuw, een groot mannetje, lag half op zijne zijde. Zooals ik zeide, schrok David voor een oogenblik, maar dadelijk daarop kwam zijn jagersgeest hem te hulp en dacht hij, dat er hier een kans was om een leeuw te schieten, zoo prachtig als hij het maar ooit kon hebben. Hij sloop dan ook voorzichtig tegen den wal der sloot op, en mikte toen zeer precies op den naastbijzijnden leeuw. Het schot dreunde, en David gleed dadelijk den wal af, en laadde zoo snel mogelijk zijn geweer. Niets hoorende, kroop hij weder den wal op en loerde. De leeuw waarop hij korrel gevat had, lag roerloos dood, de andere vijf waren opgestaan, doch niet wetende, waar het schot vandaan kwam, stonden zij nog met hunne koppen van David weggekeerd. Op omtrent vijftig treê stond een ander mannetje, den kop hoog opgeheven, en de lucht insnuivende om den vijand te ruiken, doch gelukkig woei de wind in de richting van David. De jonge man legde zich bedaard op de knie en vuurde, korrel vattende op den achterkop des leeuws. Weder knalde het schot, en weder liep David den wal af en laadde zijn geweer. Doch nu schoot hem plotseling de gedachte in het hoofd, dat wanneer de leeuwen omsprongen en naar de sloot kwamen, hij een verloren man zou zijn, want tegen vier leeuwen op eens was hij niet opgewassen. Deze gedachte deed hem langer in de sloot blijven, dan hij anders zou gedaan hebben. Toen hij echter na verloop van vijf minuten niets zag of hoorde kroop hij nogmaals den wal op. Daar lag de tweede leeuw in den doodsstrijd, en gaf juist de laatste stuiptrekking, terwijl de vier andere leeuwen bezig waren om met groote sprongen zich te verwijderen. David keek hen na, totdat zij goed en wel achter een hoog randje verdwenen waren. Toen stapte hij naar de twee doode dierenkoningen en begon hen zoo snel mogelijk de huid af te stroopen, iets dat hem een volle twee uur bezighield. Toen hij dien avond thuis kwam in het kamp, bracht hij geen ander wild mee dan één springbok, maar in de plaats daarvan had hij twee prachtige leeuwenvellen.

Toen Martje van haar geliefden diens avontuur hoorde, was zij erg kwaad op hem voor zijne onvoorzichtigheid, maar die boosheid was spoedig over, toen zij hoorde dat een ieder, en zelfs haar vader den jongen man prees voor zijne onverschrokkenheid. Toen was zij, in plaats van kwaad, trotsch op haren jongen minnaar. En welk rechtgeaard Afrikaner meisje zou dit niet wezen?

HOOFDSTUK V.

„Het volk is koning,” dat hoort men nog heden dikwijls zeggen in de beide Republieken van Zuid-Afrika. Is dit in zekeren zin nog een waar woord, in den tijd van den Grooten Trek was het ongetwijfeld waar. Geen belangrijk besluit werd genomen zonder dat men het volk raadpleegde, en elke man, van 18 jaar en daarboven, had een stem in de Volksvergadering. Op zulk een Volksvergadering wil ik mijne lezers nu brengen, en dat wel op die, welke te Winburg gehouden werd twee dagen na de terugkomst van Pieter Retief van Natal.

Winburg was toenmaals nog geen behoorlijk opgemeten dorp. Het was nog een boerenkamp, maar er waren reeds verscheidene hartebeest huisjes opgetrokken, en er stond een aantal tenten. De wagens stonden in een wijden kring om het dorp, niet in echt lagerfatsoen, maar zoo, dat in een korten tijd men ze in een lager zou kunnen vormen.

Heden echter had men de wagens in een nauweren kring, buiten het eigenlijke kamp getrokken, en binnen de ruimte door hen ingesloten, zou de Volksvergadering plaats vinden. Er was een groot aantal Boeren aangekomen uit de omringende kampen, en Winburg was bijzonder levendig. Om tien uur vond er eene bijeenkomst plaats van de leiders, waarop men besprak, wat men voor het volk zou brengen, en welke plannen men ondersteunen zoude. Kommandant Potgieter was echter op deze vergadering niet tegenwoordig; hij was naar Thaba ’Nchu geweest en kwam eerst om twaalf uur te Winburg aan.

Om twaalf uur gingen allen het middagmaal gebruiken, en toen men eenige pijpjes gerookt had, luidde er een klok om de menschen bij elkander te roepen, en spoedig was het in den wagenkring stampend vol. Een aantal Emigranten zaten op veldstoeltjes; de jongeren stonden meest. Op de voorkisten der wagens zaten de vrouwen en meisjes, die, hoewel zij niets te zeggen hadden, toch erg nieuwsgierig waren.

Aan de eene zijde van den kring stonden eenige tafels met stoelen er bij. Aan den eenen kant van die tafel stond een „tamai” inktkoker, waarbij een dozijn ganzenvederen lagen, die voor pennen moesten dienen, want stalen pennen waren toen nog niet in Zuid-Afrika bekend.

Juist om half twee trad Pieter Retief den wagenkring binnen, gevolgd door de Kommandanten Hendrik Potgieter, Gert Maritz en Piet Uys, en door de leden van den Volksraad Jan Gerrit Bronkhorst, Christiaan Jacobus Liebenberg, Pieter Greyling, Daniel Kruger, en Stephanus Janse van Vuuren.

Deze namen aan de tafels plaats, slechts den middelsten stoel onbezet latende.

Toen zij plaats hadden genomen en er eenige stilte was onder het publiek, stond Gert Maritz op en stelde voor, dat de heer Charel Cilliers als Voorzitter zou worden gekozen. Dit werd behoorlijk gesecondeerd door den heer Pieter Greyling, en met handengeklap aangenomen.

Oom Charel trad toen voor uit het publiek en nam den Voorzittersstoel in, dat wil zeggen den middelsten stoel.

Daarop werd voorgesteld, gesecondeerd en aangenomen, dat de heer Alfred Smith als Secretaris zou worden aangesteld. Deze was een schoolmeester, die met Pieter Retief was samengekomen, en ook als private Secretaris van dezen ageerde, zoodat hij onder de Emigranten de vaardigste met de pen was. Hij was reeds een bejaard man van omtrent zestig, en toen hij nu vooruittrad naar de plek waar de groote inktkoker en de pennen stonden, kon men zien, dat zijne haren reeds spierwit waren. Een der jongelingen haalde toen op zijn verzoek een half dozijn vellen blauw papier, voor het opschrijven der notulen.

Charel Cilliers gebood nu stilte, en zeide: „Laat ons den Heere Zijnen zegen afsmeeken.”

De mannen stonden op, en daar in de woestijn ging een gebed op tot den grooten Jehovah, Hem smeekende om wijsheid en leiding. Waarlijk onze voorouders waren niet ongodsdienstig, en niet ten onrechte vergeleken zij zich zelven met de Israëlieten van ouds.

Toen het eenigszins lange gebed geëindigd was met een krachtig „Amen,” begon de Voorzitter het doel der vergadering uit te leggen. Hij zeide, dat de Commandant Generaal onder de leiding des Heeren veilig en gezond was teruggekomen van zijne reis naar Natal, en nu daarvan verslag zou doen. Hij verzocht allen om ordelijk te zijn en goed te luisteren, en na daarop Retief opgeroepen te hebben, ging hij zitten.

Retief stond op en begon.

„Vrienden en burgers! ik zal u zoo kort mogelijk vertellen van mijne reis. Zooals gij weet verliet ik mijn kamp op den 3den October, in gezelschap van een escort. Wij reden hiervandaan over de Drakensbergen, waarover wij met groote moeite een pas vonden. Toen wij den berg aan den anderen kant afgingen vonden wij voor ons een geheel andere wereld, veel prachtiger dan deze, volop water, prachtige rivieren, heerlijk gras en blijkbaar wonderlijk geschikt voor groot en klein vee. Op den 19den kwamen wij aan te Durban, dat aan de zee ligt. Hier wonen omtrent dertig Engelschen, die er een dorp aangelegd hebben, en verder een aantal kleurlingen. De Engelschen hebben ons bijzonder goed ontvangen, boden mij een adres aan, en waren erg in hun schik, toen zij hoorden, dat wij van plan waren ons in Natal te vestigen. Zij zonden dadelijk een boodschapper naar Dingaan om hem te doen weten, dat ik hem kwam bezoeken, en eenige dagen vertoefden wij toen te Durban. Op den 27sten gingen wij op weg naar Umkungunhlovu, de groote kraal van Dingaan, en twee der aanzienlijkste Engelschen, de heeren John Cane en Thomas Holstead begeleidden ons als gidsen en tolken, hetgeen ons zeer te pas kwam, daar zij goed met Dingaan bekend waren. Na eenige dagen reizens door een prachtig land kwamen wij bij de kraal van den Zulukoning. Dingaan ontving ons uitmuntend goed. Hij zeide dat hij blij was dat de blanken in zijne nabijheid zouden komen, en op mijne vraag, om ons dan een stuk grond bij de rivier de Tugela te geven, beloofde hij ons binnen een paar dagen een antwoord hieromtrent te geven, en verzocht ons zoolang zijne gasten te zijn. Gedurende dien tijd behandelde hij ons goed.

„Hij liet zijne regimenten krijgsdansen voor ons uitvoeren, en naar schatting waren er zeker twintigduizend man. Het snaakste van die krijgsdansen was, dat omtrent tweehonderd zwarte ossen met de regimenten samendansten, en net alles deden wat de krijgers deden. En wat mij zeer verwonderde was, dat Dingaan ons een honderd en tien schapen teruggaf, die hij zeide aan ons behoorden en die hij van Moselikatse had afgenomen, en aan de merken was het ons duidelijk, dat dit een deel van onze schapen was, die de Matabelen van onze menschen hadden geroofd. De schapen heb ik te Durban verkocht, omdat wij ze niet zoo ver konden aanjagen.

„Op den 8sten November liet Dingaan ons roepen door een zendeling, Owen genaamd, die bij hem woont. Hij liet toen den heer Owen een document aan ons voorlezen, waarin hij erkende gewillig te zijn, ons het gevraagde land te geven, op voorwaarde, dat wij het vee, dat sommige van de Emigranten van hem gestolen hadden, zouden teruggeven. Ik vroeg toen Dingaan, hoe hij wist dat het van onze menschen waren, die zijn vee gestolen hadden, en hij zeide, dat eenige der wachters de roovers hadden gezien, dat zij op gezadelde paarden reden en gekleed waren zooals blanke menschen, en ook geweren hadden. Ik antwoordde dat ik zeker was, dat geen onzer menschen aan den Natal kant van de bergen was geweest, maar Dingaan beweerde, dat als wij onschuldig waren, wij het gemakkelijk zouden kunnen bewijzen, en dat hij dus niet het land zou geven, voor hij het vee terug had. De heer Owen wilde toen, dat ik het document moest teekenen, maar zooals het luidde, wilde ik zulks niet doen, omdat ik daardoor erkend zou hebben dat onze menschen roovers waren. Na eenige woordenwisseling veranderde de heer Owen, de woorden „Boeren” in „menschen, die er uit zagen als de Emigranten,” en daarop teekende ik het document, voornamelijk omdat ik Dingaan niet wilde kwaad maken.

„Dienzelfden dag keerden wij terug naar Durban, en gingen van daar op onzen weg naar huis. Kort aan de zijde van de Drakensbergen is er een kamp van eenige onzer Emigranten, waar Jan Meijer de kommandant van is. Oom Jan vertelde mij, toen ik daar den nacht doorbracht, dat eenige maanden geleden een troep volk zijn kamp voorbij kwam, met een spul Zulubeesten. Hij liet vragen, wie zij waren en zij zeiden, dat zij volk van Sikonyella waren en toen hij hen liet komen naar het kamp, en vroeg, waar zij die beesten kregen, zeiden zij, dat de beesten verdwaald waren geraakt, en dat zij hen van de andere zijde der bergen hadden gebracht. Oom Jan had sterke suspicie, dat die beesten gestolen waren, maar hij meende, dat het hem niet aanging, en dat hij niets te maken had met de ruzies tusschen de Kaffers zelve, en hij liet hen dus rustig met de beesten gaan. Toen Oom Jan mij vertelde, dat partij van die volk geweren hadden, en broeken en baatjes droegen, en ook op gezadelde paarden reden, toen wist ik, dat Sikonyella de dief van de beesten van Dingaan was.

„Nu ik terug ben, meen ik, dat het onze eerste plicht is, om aan mijne belofte aan Dingaan te voldoen, en dit is nu aan de vergadering om te beslissen, wat ons met Sikonyella zal doen, en hoe ons Dingaans beesten zal terugkrijgen. Krijg ons hulle, dan ben ik zeker, dat Dingaan ons een stuk grond zal geven, en doet hij dit, dan zijn wij verzekerd van rustig en goed in Natal te kunnen leven. Wij zullen dan ons eigen haven hebben en zijn dan geheel onafhankelijk van de Engelschen in de Kolonie.”

Na deze lange aanspraak, die ik hier zoo volledig mogelijk heb teruggegeven, ging Retief zitten. Charel Cilliers zeide toen, dat een ieder, die iets wenschte te zeggen, thans kon spreken.

De haastige Hendrik Potgieter was in een oogwenk op zijne beenen, en begon:

„Vrienden, ik denk wij zijn allen dankbaar aan den Kommandant-Generaal voor de fluksche wijze waarop hij zijne reis volvoerd heeft. Alleen lijkt dit mij, dat hij Dingaan te veel vertrouwt, en ik voor mijn part, ben niet zoo zeker, dat de Zulukoning zijn belofte zal houden. Ik heb nog nooit een Kaffer vertrouwd en ik vertrouw Dingaan ook niet. Wat Sikonyella aanbetreft, zal ik voorstellen, dat wij dadelijk een commando afzenden naar hem, om die beesten op te eischen en als hij ze niet opgeeft, moeten wij hem maar goed op zijn baatje geven, en het vee afnemen. Spulletjes maken met Kaffers geloof ik niet aan.”

Frans Joubert stond toen op en sprak: „Ik geloof dat Kommandant Potgieter een beetje te haastig is. Wij hebben nog maar suspicie op Sikonyella, maar geen vast bewijs. Als Sikonyella die beesten niet heeft, wat vang ons dan aan. Om een vijand te gaan maken van Sikonyella voor niets, dat zal niet gaan, want dan halen wij ons net moeilijkheden op den nek. Oom Hendrik was niet op Sikonyella zijn berg. Ik was daar, en ik kan hem verzekeren, dat er vele van onze menschen zullen vallen, voor wij die sterkte genomen hebben.”

Charel Cilliers nam toen het woord. „Ik stem geheel met den heer Joubert samen, en ik denk, dat ons eerst zachte middelen met Sikonyella behoort te nemen. Misschien heeft de Kommandant-Generaal een plan.”

„Ja,” zeide Pieter Retief, „ik heb een plan, en dit zal ik voorstellen. Ik zou een paar onzer mannen naar Sikonyella willen zenden om hem te zeggen, dat ik hem graag wil zien en hem verzoek naar ons kamp te komen. Ik ben zeker, dat hij komen zal, en als hij hier eenmaal is, dan weet ik wel raad met hem; ik zal hem doodeenvoudig hier houden, tot hij de beesten afgeleverd heeft.”

Pieter Uys ondersteunde dit voorstel, en nadat eenige verdere sprekers hunne goedkeuring er aan gehecht hadden, werd het dan ook met algemeene stemmen aangenomen. Aangezien er niets meer te doen was, verzocht de heer Charel Cilliers aan den schoolmeester Alfred Smith om de notulen voor te lezen, en toen deze in orde werden bevonden, werden zij door Voorzitter en Secretaris geteekend. Daarna sloot de Voorzitter de vergadering met een ernstig gebed, den Heer dankende voor Zijnen bijstand en Hem biddende dien nog verder te verleenen aan Zijn volk.

Tien minuten daarna was de wagenkring ledig en stonden de Emigranten overal in het kamp Winburg in groepjes met elkander te praten en koffie te drinken.

HOOFDSTUK VI.

Den volgenden morgen, bij het krieken van den dag, waren Lang Hans Malan, en Johannes Joubert, Martjes oudste broeder, op weg naar Sikonyella om Retiefs boodschap over te brengen. Willem, de getrouwe van Retief, was bij hen als tolk.

Zes dagen later waren zij terug, en brachten de tijding, dat Sikonyella zou komen. En werkelijk, op den 2den December zag men een groote troep ruiters in een stofwolk gehuld, op het kamp te Winburg aanrijden, en men zond dadelijk kennis aan Retief, die dan ook een uur daarna Winburg inreed aan het hoofd van een veertigtal der zijnen.

Sikonyella was vergezeld van twee zijner „induna’s” en een dertigtal volgelingen. Retief liet hem weten dat hij en zijne twee „induna’s” binnen het kamp konden komen, maar de volgelingen buiten moesten blijven. Ten einde echter den Kafferkapitein niet onnoodig achterdochtig te maken, liet Retief een tafel en eenige stoelen brengen, dicht bij het einde van het kamp, waar Sikonyella zijn volgelingen kon zien. Deze waren van hunne paarden afgeklommen, die zij toen kniehalterden, terwijl zij zelven in een klompje op hunne hurken gingen zitten. Allen waren met schild, assegaai en strijdbijl gewapend.

Piet Retief nam plaats aan de tafel, tezamen met Piet Uys en Charel Cilliers, terwijl de andere Emigranten zich achter hen schaarden. Ter rechterzijde van de tafel, op een distantie van vijftig treden, stonden een dertigtal jonge Boeren, met het roer in de hand.

Sikonyella en zijn twee „induna’s” naderden tot op een voet of twaalf van de tafel, en zetten zich toen neder op een vel, dat voor hen op den grond was geplaatst.

„Kapitein Sikonyella,” begon Retief, „ik heb u laten roepen en ik ben blij dat gij aan mijn verzoek hebt gehoor gegeven.”

Willem, die weder als tolk ageerde, vertaalde dit.

„Wat wil de groote Kapitein der Boeren van mij hebben, dat hij mij zoo’n langen weg laat rijden?” vroeg Sikonyella, die blijkbaar erg gestoord was.

„Sikonyella, dit is een zeer ernstige zaak waarover ik u wil zien. Gij weet, dat eenigen tijd geleden ik een verbond van vriendschap met u gemaakt heb en nu vind ik uit, dat gij geen vriend der Boeren zijt.”

„Wat heb ik gedaan, dat de groote Kapitein zoo iets kan zeggen?” vroeg Sikonyella op een zeer verbaasden toon.

„Gij hebt vee van Dingaan gestolen,” vervolgde Retief, „en om suspicie op de Boeren te gooien hebt gij die beesten langs een onzer kampen gedreven.”

„Ik heb geen vee van Dingaan gestolen,” zeide Sikonyella op brutale wijze. „Hoe zal ik, een arme kapitein, het wagen om iets te nemen van den grooten, machtigen Dingaan,” vervolgde hij op den meest onschuldigen toon. „Ben ik dan de eenigste kapitein hier; zijn daar niet Maroko, Tawane en Moshesh. Misschien heeft Moshesh dit gedaan; hij is een machtig Kapitein, en is niet bang voor Dingaan. Ik weet van Dingaans beesten niets af.”