Dante en Beatrice, en andere verzen

Chapter 2

Chapter 23,574 wordsPublic domain

worden nu teedre liedekens gebooren die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren. De wind die 't nachtland als een harpe streelt in maatgang met mijn stille liedjens speelt.

Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis het looverlied verstaat en 't zeegeruisch-- zal ik dan niet in sterker lijf herbooren den juubelzang der gouden sterren hooren?

Alles voor U.

Alles voor U,--wie is er nog betrouwbaar dan Hij die 't licht en de gesternten maakt, van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar, al wat ons lijf beroert en raakt is enkel een gedachte¯en teere droom? De breede zee met witbeschuimden zoom,

zilv'rig beglansd door vluchtige lichten, 't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken, wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?-- Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken de groote maaksels voor der schepslen oog. Het vaste veld, de luchte wolkenboog,

Gij denkt, gij zingt zë,--als een blijde knaap des morgens gaand langs glinsterende bronnen zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,-- zoo zingt Gij waerelden en zonnen, schrijdend langs schitterenden leevensvloed, door U geleid, ontvangen en gevoed.--

Alles voor U,--gij mijn getrouwe God, nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot, zoo weinig vrinden en zooveel verblinden-- 't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou tot U alleen, bron van begrijp en trouw.

Al wat ik nog aan lieven en aan leeven te geeven heb, 't is al, 't is al voor U, maar om Uw lieven wille kan ik geeven den menschen méér aan liefde, dan tot nú-- Schoon zij mij al niet danken of verstaan te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.

Hier is mijn hart,--ze noemden het ontrouw, het was zoo wispeltuurig en zoo grillig, verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw, toch is 't standvastig en gewillig. 't Zwierf als een schaap van weide op weide verder, volgend het roepen van onzichtbren herder.

Als een wit vlinderken ging 't welgemoed in zachte fladdervlucht door donker dal, en zocht met vagen schijn een stellig goed: Uw licht, Uw zoetheid ooveral,-- totdat het door de sombre denne-stammen, den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.

Hier zijn mijn oogen,--ach, zoo blind! zoo blind! Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd, als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt en roept: "een diamant!" en danst in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.-- Hier is mijn stem,--die om zoo kleine reeden

geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak. Zij deed de menschen luisteren en weenen, totdat zij steeg en sterker klanken sprak.... toen heeft zij onoprecht gescheenen,--.... Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat, neem Gij haar aan in haar oprechten staat.

Neem alle sieraad met uw zuivre handen, al wat er uitblonk van mijn weezen af, op úw altaar mag door úw vuur verbranden al wat mij trots en aanzien gaf. Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren-- maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.

Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden, ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft-- Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden, hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft. Hoe ik mijn Liefste¯om U alleen bemin, en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.

De Staf.

Onrust en donker alomme, Bang als een doove-en-stomme, tastend als blind ga ik omme-- Waar is mijn staf?

Ik lijd en moet veelen verdrieten, ik geniet ook en doe wel genieten, maar alle vreugd zie ik vlieten in een graf.--

Ik weet wat alleenig mij rust geeft, wat mijn angsten gesust heeft, als 't kind dat moeder gekust heeft vóór den nacht.

Dit is mijn staf--dat alle dingen zijn gedachten van een dierbaar, minnend Weezen gansch wáár, maar anders dan hun schijn. Weet ik dat goed--weg zijn mijn vreezen. Dan glijdt de vracht van dat onrustige van mij af. Dan voelt de blinde weer zijn staf Dat is de kus die moeder gaf aan 't kindekijn.

Maar vergeet ik het éven, dan heeft mijn staf mij begeeven. Wáár, wáár is hij gevallen? Niemand weet het van u allen, Geen één, geen één, en ik sta weer weifelend en alleen, bedenkend hoe toch alles vliet in het niet.

Mocht ik een Godsgaaf bedingen-- ik vroeg sterke herinneringen omtrent eeuwige dingen.

Aan de Groote Dichters.

Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen des Leevens, waar ons machteloos geslacht geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen vermoog' hun laag gedacht'.

Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden welvend uit diepten van een somber woud, den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden in schaduw droef en koud.

Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen, niet d'onze, maar der broederen rondom, die ons bestaan door eigen derving dragen, 't lijf der gerechten krom.

In zorgen gaan wij, Blijden van natuure, Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,-- dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure des meededoogens druk!

Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgen de zonbeglansde toppen van 't gebergt', ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgen waarmee de waereld tergt.

Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar, geen werk der waereld schoort het of genaakt de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar uw ziel haar woonstee maakt.

Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden, bóoven 't gevecht om ruimte¯en 't zwoegen om brood, leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden in weelden sterk en groot.

De waereld is een droom u, één uit velen, en niet de schoonste,--de verklankte schijn, 't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen van 't ongelijkbaar zijn.

Maar juist door macht dier zeldsame genade te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt, kleedt gij in wondre¯en óoverschoone wade al wat op aarde prijkt.

d'Oogappels groot en donker op de vonken van Gods verborgen wonderen gericht hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken een rijkdom lief en licht.

Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle, schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand, juist door dat vuur een luister hoog en helle aan 't heerlijk Vlaanderland.

Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd voor hunner liefde gloorie kan verzwinden met al haar heerlijkheid.

En voor een gouden woord van Dante's lippen een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm zien we¯al ons bangelijk getob verglippen als spook voor klokkengalm.

Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt, hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten midde¯in zijn kracht verlamd.

Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten de rechte waarde¯en zin van wat bestaat en wij wat van den heemel is niet meeten naar menschenmaat.

Shelley's Epipsychidion.

Een vuurstorm van vervoerende gedachten een woord vol flonkerende majesteit verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten en breekt des leevens vale eenvormigheid. Waar is een tweede woord als dit ontvaren aan menschenmond, in al der menschheid jaren?

Dit is geen teeder lied van liefde en leed, dit is geen mijmerende klacht van minne, het is een donderende vrijheidskreet en houdt het helderst vuur van wijsheid inne dat ziedend in der menschheid boezem lag en losbreekt met verbijsterenden slag.

Haar klank is uit geweldige geruchten van donder, zee en stormen saamgesteld, haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten, waarmee een meteoor den nacht doorsnelt, haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten, haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.

Het is een fonkelende lans gedreeven recht in den muil van goor en donker beest dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd. De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.

Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt en eindlijk, innerlijken drang betrouwend, den greet'gen hals ver van den rotskant strekt en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.

Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft heilige waarheid wel-betoomde woorden tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft der bliksemschichten helste, die doorboorden wat als een somber neeveldek bezwaart 't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.

Het is alsof een volk verworpen slaven roerloos gekneeveld ligt op donker land, het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven terwijl een vaal gewolk de lucht bespant-- maar één verrijst en doet door machtig wringen met luiden klank de bloed'ge boeyen springen.

Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht, en als een gloed-fontein met duizend kleuren maakt zijn geroep den veegen heemel licht en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren, 't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken, maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.

Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt gevoelloos in uw dof bestaan verlooren, weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt. Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken en uw verdoofde blikken glanzend maken.

Want niets heeft er vermoogen dan de Geest. Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen door wie nog kruipen, siddrend voor het beest. Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen. Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister, haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.

Stem van Génerzijds.

Het was zoo licht toen ik moest scheiden de spreeuwen kweelden luide en teer, en een onnoemelijk verblijden vervulde veld en atmosfeer.

Een plechtig en verblindend wonder verrees,--als waar 't voor 't eerst,--de zon, en bloem op bloem ontsloot zich onder haar zeegen, naar zij kracht gewon.

De waereld scheen verbaasd te ontwaken als vond haar 't licht voor d'eerste maal. 'k Zag zwaluwen hun nestjes maken en zwieren in den morgenstraal.

Ik zag de kiewiet om zijn jongen klapwieken met bezorgd gerucht-- ik hoorde hoe de meerlen zongen hun welkom in de luuwe lucht.

De wind bestreek de fonkel-vlieten, de golfjes plapperden in 't lisch, 't ging al van 't zoete licht genieten en blonk van dauw en ruischte frisch.--

Ik was niet angstig om te sterven, maar 't zag zoo luisterrijk op aard, als had al 't schoon, dat ik ging derven, zich in één uiterst uur vergaard.

Genooten goed, dat ging begeeven, had ik u wel genoeg bemind? Verheeven weelden van het leeven nam ik u dankbaar, als een kind?

Wist ik mijn korte leevenswijding te vieren als een heilig feest? Is mij 't ontwaren tot verblijding, 't bepeinzen tot een lust geweest?

Als vaagde ik zwarte spinneraggen van oud en kostbaar schilderij, zag 'k onontgonnen vreugden lachen voor 't eerst van duistre spinsels vrij.--

O angst, o waan, o booze krankte der menschen, die ons elk besmet, die den hartstochtelijken dank te bewijzen onzen God, ons let,

die ons doet weifelen en doet ijzen en wroegen, klaaglijk en bedrukt, waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen omhoogvaart, juub'lend en verrukt.--

Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen, dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan: "verdrijf die schimmige demoonen" "die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"

"Hard drukt de spijt om noodloos lijden," "Om gloorie, door een waan gemist".....

De¯aard was zoo licht, toen ik moest scheiden, en zooveel schooner dan ik wist.--

Een Minnezang.

Vraagt ge mij zangen?--Maar wie maakte mijn leeven tot een harmonisch lied? Weinigen die de melodiëen er van verstaan, Maar gij toch wel?

Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren, alleen tusschen de zwarte, stille wolken, gansch alleen booven de duistere aarde,-- de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme-- hij waakt en zingt.

Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten, de duistere aarde luistert niet.

Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoening toen ik mat was van strijden, niet verslagen maar duldend zonder vreugde? Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte? Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid? Wie heeft mijn blijdschap hersteld?

Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken in alle donkere gangen des leevens. Maar door u heb ik Hem niet vergeeten. Verlangt ge nog meer?

Verzoenster! met u vond ik de zee de groote zee des vreedes-- en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard, zij het maar éven.

En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe, en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren, en uw geduld is het mijne geworden onder den zeegen uwer liefde.

Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen en hebben mijn hart en handen verlicht-- en de trage nevelen zijn opgeklaard van mijn voorhoofd.

Welk heerlijk wonder als de vlagen staken, als het gedonder der stormen ophoudt en de koude reegen niet meer striemt, als de zon door langsaam verzwindende wolken warmte zendt op het verstilde loof, als dan de reegenzware halmen zich rechten, en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken, en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water, schuchterlijk hèrbegint.

Ach, zoo zoet was het weeder opleeven onder den grooten zeegen uwer liefde, seedert zijn mijn dagen zangen geweest. Verlangt ge nòg meer?

Neem dan deeze ordelooze stroofen, ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat, hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te machtigen aandrang van zijn innigheid.

In Memoriam.

Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad, uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad, de pijlers breekend die niet konden schragen--

zachte, bescheiden broeder! teedre vrind! te vroeg gebooren kind van beeter tijden, waarin der menschen vluchtige uuren glijden met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,--

zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren, die in bedachtsaam en gerust bestaan, met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.

Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken, waar men den nooit-gezienen groet als vrind en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt-- werd gij geworpen in de neevelkolken

van dit verbijsterd en mislukt geslacht, van deeze warre tijden. Blij en goedig stonden uw oogen in 't begin en moedig toogt ge ten strijd met al uw kracht.

Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer, 't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer, ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,

want als een giftdamp vol miasmen, smoort den eedlen geest het kleine, lage leeven der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven, die spotten om oprecht en innig woord.

Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen, verweerloos, arme broeder! tot dien strijd, beklom u 't weeten uwer machtloosheid telken dag weer, met telkens weer vermannen.

Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed, door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar, gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar, bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.

Doch strijden moest ge¯of sterven! Niet gedoogd' uw diep gevoelig hart de koele rust des wèl-voldanen, die van veil'ge kust naar storm-geslagen schepelingen oogt.

Als een die oogenlid-loos en gebonden naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart, niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard, noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden--

Zooals een die in droom zijn huis in vlam ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren, de stem verstikt, aan alle leeden lam--

Zoo liet der waereld vale, vage nood u niet meer toe te waken of te slapen-- gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen-- wat bleef er uitkomst als de dood?

Dit is geen tijd voor teed'ren,--als de wagen van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,-- toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht 't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.

Was 't misdrijf?--Duister is Gods raad ons armen, ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot, rondom is argwaan, weifeling en spot,-- zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,

die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel? En wie van ons, bedreigden, durft het wraken zoo gij geen andre doortocht wist te maken voor uw bemoeyelijkte ziel?

De dag dringt in mij met dezelfde pijnen als die u folterden,--zoo ik nog sta, ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ, zou mij uw val dan zwakheid schijnen?

* * * * *

Toen kwam er rust,--de rustelooze wind suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen, waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen, uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.

Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt, en van ons die u minden.-- Zacht betreed ik nu met stillen dank de vreed'ge steede.

Zelf-Schouw.

Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan in donkerblauwe¯omnachting-- op dorp en duinland schijnt de maan-- in mijn bevreedigd hart vangt aan een diepe zelf-betrachting.

Ik ben wel een gezeegend wicht, doch weet dat niet gestadig,-- maar als ik stil mijn aandacht richt op 't innig zelf, komt steeds het Licht en wijst het mij genadig.

Geslingerd ben ik her en der, gedoold heb ik vervaarlijk-- doch schijnt mij mijn verheeven Ster na elk verdwalen minder ver en 't leeven min bezwaarlijk.

Een kleine en altijd heldre bron van glinsterende blijheid, verberg ik diep, en nooit verwon mij 't leed, als ik maar woonen kon, gerust, in haar nabijheid.

Doch 't wilde leeven lokt mij uit-- dan kamp en lijd ik deerlijk,-- tot ik weer hoor haar zacht geluid en als een bruidegom zijn bruid haar wéérvind, schoon en heerlijk.

Mijn arme lichaam, teer en broos, doe ik mij wèl serveeren.-- tot ik het eenmaal, leeg en voos, te rust zal leggen voor altoos, als afgedragen kleeren.

Mijn hart behoudt geen spijt of nijd, 't zoekt ook zijn lust niet grillig.-- Door onbesuisde teederheid heeft het wel veelen leed bereid, doch griefde 't niemand willig.

Mijn weezen heeft een tragen gang 't wil tijd, zich te bezinnen, 't vreest pijn te doen en mijmert lang, maar vaart dan plotsling uit, nooit bang iets hachlijks te beginnen.

Waarheid is mij, wat 't kindekijn de borsten zijn die 't voeden, doch weetend dat zij schoon moet zijn, vergrijp ik mij aan schoonen schijn vaak tot mijn handen bloeden.

En onontmoedigd, weederom zoek ik wat goed en eerzaam aan elk is, wien ik teegenkom-- want hoezeer onbesuisd en dom, toch ben ik niet onleerzaam.

Ik acht mij maar een kleine man, bedeesd en zwak van krachten,-- doch welke macht ter waereld kan verslaan wie stijgt op vleuglen van zijn godlijke gedachten?

't Liefst ging ik als een zorgloos kind aan vaders hand door 't leeven. Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind, zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind, om hem vertrouwelijk en blind mijn kinderhand te geven?

Toen moest ik wel, met zware dracht, den schijnbren hoogmoed dragen, alleenstaand met begrip en klacht,-- en aan de sterren van den nacht om eenen Vader vragen.

Mijn eigen, echte makelij doet veelen zich bedriegen, ze noemen 't spel en hoovaardij, en als ik eerlijk spreek en blij dan heeten ze 't me liegen.

Ik word geliefd, ik word gehaat,-- noch Eer is 't, noch Beschaming,-- want wie mijn weezen niet verstaat, hij raakt mij niet, maar mint of smaadt een pop, met mijn benaming.

Mijn Vader maakte mij gewis aldus, opdat ik leere hoe ijl der menschen oordeel is, en ik mij van hun ergernis tot Zijn vertroosting keere.

Julius Oldach.

Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania so stolz die Krone und so hoch den Busen, errang sie doch den Ehrenpreis der Musen für Poësie und Musika.-- Jedoch es schien gar Manchem unterdessen als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.

Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen ein weihe-volles Leben ohne Schmach, und es umspült der göttlich klare Bach, der Seelen Labsal, ihre Eichen. Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben, nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.

Es brüstet sich zwar mancher Genius den Holbein und den Dürer zu ersetzen, doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzen für Kaulbach und Cornelius? Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder-- doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".

Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand, nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand, sodass die biederen Teutonen den Bismarck hundertmal in Erze giessen, und Julius Oldach arm krepiren liessen.

Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick, er hat gemalt wie die von Gott erhellten und seiner Seele ungeheure Welten gedrängt auf tellergrosses Stück. Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt, es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".

Nicht doch!--es hat kein Mensch noch so volkommen gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich. Wer war's der an Verwegenheit ihm glich und siegreich ist davongekommen? Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus. Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.

Nach tausend Jahr und abertausend Jahren da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten, ob's Krieger oder Krämer waren.... doch schmählich wird die blinde Welt genannt die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.

De Klok[1].

Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.-- Omlaag in de glinstrende gangen der stad dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes. Peillooze nacht toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren. _Posuït me in tenebris_--... Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...

Ver beneeden raasde de storm van Londen, de ondiepe storm onzes leevens onder afgronden van eeuwige stilte. ..._et in umbra, mortis_. In de donkre tooren hing de klok en wachtte.