Dante en Beatrice, en andere verzen

Chapter 3

Chapter 33,480 wordsPublic domain

Onder de klok, elk in zijne steede, sliepen de strenge dooden. _In tenebris stravi lectulum_.... Eén voor één, onder den machtigen tooren, legden de leevenden hen. Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer, leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent. ..._et in polvere dormiam_. De klok omhoog toefde booven de stad.

Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden in de donk're klok beslooten stemmen fluistren, hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht. Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte. _Cor meum conturbatum est_--.... Dood--en de wolven van Vrees waarden in 't duister.

Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte, golfden rondom de klok, als in benauwen: "verlos ons, o gij die toeft!" "Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees," "Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!" "Hoort! gij leevende zielen," "hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen" ..._formido mortis cecidit super me_. "Dit is de doem des Doods en géén ontkomt."

"Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken," "de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden," "Dood duldt géén gezellen." "Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen," "zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig." "Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond" "langsaam zijn zwichtende vleesch." "Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten," "liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken." _Sicut umbra quum declinat_. Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.

Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen: "Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag" "van het getemperde leeven, gij die nog waakt," "hoort! het woord van den Dood:" "de gerechte sterft en ook de zondaars sterven," "Dood heeft maar één domein." --_Unus introitus est omnibus ad vitam_--.... "Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt," "of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt" "jagend naar lust of macht." "Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave", "vult met duister het brein, de handen met stof." ...--_et similis exitus_. "Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte."

"Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht," "tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?" _Sic et nos nati_--... "Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap." "--Maar alles vervalt den Dood--" "hem die in smart uit dit leeven verlost wordt" ..._continuo desivimus esse_. "Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"

Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer, ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels, onder de kalme sterren, plechtig en diep sprak de klok in de stilte: _Pax Deï_--... sprak het met God als alleen, in zeegening.

Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang, vreede als van hem wiens werk is voleindigd! Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht. Dank zij Goode! den geever, Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken, ... _quae exsuperat omnem sensum_. sprak het de zware klok in des middernachts diep.

De machtige stem, aan de stilte zich bindend, deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad in lange golven van klank. _Qui confidunt in Illo intelligent veritatem._ Hooge konde des Doods aan het Leeven.

Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend de sterren in hoogte oover hoogte, zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende. _In lumine tuo videbimus lumen._ En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.

Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht hoe het geluid van den Dood oover de stad hong in zeegening, het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden, alle gerechte zielen.

Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap, verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad. _Pax est electis Ejus_. En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.

Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders. Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd, de blijde ziel van den doode weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid, zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding, welkom de dierbare ziel tot den Vader. _Justorum autem animae_.... Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.

En hij die rouwde in wake, onder den tooren, hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare majestatische stilt' des begravenen Tijds. En de jaren van hem die gestorven was hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal in de woelende, vage, vervormende zee. De getelde jaren vielen en mengden zich met 't oneindig verleeden. ...._in manu Dei sunt_. de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.

Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend, hoorde hij en 't vloeyen aller wateren tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee, en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee, voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde. en hij zag van hem die gestorven was de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart, _Non tanget illos tormentum mortis_-- en floerslooze sterren opluikend om de aarde.

Toen in den tooren, onder der starren schare, booven de gescepterde dooden, de leevende werkers, elk in zijn leeger van ruste, zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende zorg en rust,--de Engel van Vreede onuitspreeklijk. _Pax in aeternum Deï_. Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.

[Footnote 1: Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood van haren vader, Bisschop van Londen.]

Vrees niet.

Lieve gezicht, met uw angstige oogen, vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek? Denk onzer minne geweldig vermoogen waar zooveel onrust en euvel voor week-- En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min ons sluit met haar getrouwe vleuglen in.

Had je mij altijd door, avond en morgen, bleef je mij ooveral eeuwig nabij, dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen-- waarom dan ben je nu angstig om mij? Vergeet je den veel liever Minnaar dan die nooit en nergens ons verlaten kan?

Op de heuvelen.

'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining, en de akkerkleeden, groen en geel geblokt, ik zag der wolken blindende verschijning, in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,

ik zag rondom, als de verstijfde omlijning van een azuuren hoogbewoogen zee, 't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning, tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.

Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,-- en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover, de kleine huisjes waar de menschen zijn.

Het was der aarde moederlijk ontmoeten d at mij beving met nameloos ontzag, 'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten, zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.

'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen, als 't kind het eerste woord uit moeders mond, terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen hel-stralend booven purpren horizont.

Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken in majestatisch kalme heemel-vlucht.

Toen keerde ik in,--en vond mijn ziel zóó vreugdig en mijn geluk met een zóó diep verschiet-- 'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig en een zoo onomfloerst genieten niet.

En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden, de hart-verlangens van mijn jongen tijd, mij eenmaal 't dierst?--wat macht'ger drang verhief den geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?

Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder, met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer, hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder, maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.

Thans moet ik noode wijder ruimten peilen, de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al, onweetend waar zij weer tot rust verwijlen wat nu haar voorig heil vervangen zal.

In wat hier helderst is kan 't oog niet staren, en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft, zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.

Het avondt zachtkens,--duizend, duizend wolkjes, als fijn blank schuim met glans van parelmoer, betrekken met hun raadselvolle kolkjes in stillen wenk den blauwen heemelvloer,

en ik berust.--De lichtstem der planeeten drong éven door, met de echo van een woord. Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten, niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.

Het Gebergte.

De bergen gingen schuil en er ontstonden sombre wolkvormen booven 't glanzig meer; die dreeven weiflend, wentlend heen en weer, stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden. Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak en de seréniteit der wouden brak!

Waar hoog met zilvren letters stond geschreeven der aarde schoonste en heiligste gedicht, in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht, was niet dan duister neevelgrauw gebleeven, dat onontraadseld, onverstaan, onttoog het woord der bergen aan mijn dorstend oog.

Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag, in heevige aandacht, 't spel der harmonieën van wit en grauw, bekleed door draperieën van zonbeglansde wolkenvacht, bezag, 't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen, en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,

als een droefschoone roep om weederzien, onder des heemels zacht verbleekend blauw. Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien. Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan de stem der zee, die zóó ontroeren kan;

maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven, en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag, dat ik onmachtig in beklemming draag 't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven. En dat bij 't glanslied van uw majesteit mijn hart verwelkt en om verzachting schreit.

Ik zocht in liedren, die de menschen zingen, wat zich het innigst aan uw schoonheid paart, maar er weerklinkt geen menschenzang op aard, die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen. En er ontstond een weemoed, die niet zweemt naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.

Ik klom toen hoog naar de bezonde weiden waar, opziend tot den blauwen ether, staan kelken van dieper-blauwe gentiaan, waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind, dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.

Daar is de waereld als een droomgezicht van licht en stilte,--booven 't sneeuwwit ronden zich donkerblauw des heemels diepste gronden, en alles laaft zich aan het gouden licht, tot van het schamel gras de teerste sprieten, in roerloos, onverzadelijk genieten.

Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver, en onderging de gloorie deezer wondren, ik hoorde huivrend de lawinen dondren in grim'gen afgrond,--en verwon den huiver, tot 'k immermeer verlangend werd te kennen en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.

Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning, de berg-storm los, als een verwoede hond, zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,-- en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning. Als bij het toornen van een reus, getergd, fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.

't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent, door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid, omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.-- En ik had niet begreepen,--niet geweend,-- mat waren al mijn vragen, al mijn beeden 't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.

Met al den last van leed, om niet gedragen, al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht, smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht, met al wat m' in verwondering doet vragen wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft, waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,--

met àl de in smart gekeetende gedachten, met al den twijfel, dien geen reede sust, met al de vragen, die in doffe rust 't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten, keerde ik weerom, zooals ik was gegaan, en trad met 't oud geduld de doodsche baan.

Dag zonder troost! dag van deemoediging, van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht, waarin het hart moet wenschen wat het ducht, en van 't geduchtste de bespoediging...... Totdat een nijpend lieve melodie de vale neevelwade scheurde.... en zie!--

En zie!--toch had de Onkenbre mij gewijd en mij een sprank geschonken van zijn krachten, zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd. 'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.

Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslooten voor teerder zangen mijn gestrenge mond? Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten, hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde den weeken harte-boodem dieper kliefde?

Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland! waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen met woud en wingert, rossig in den brand van warme zon,--waar blijde menschen gaan, waar stil en slank de popelreyen staan,

waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen, waar vriendlijk volk, geduldig en tevree, als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee, en Zondags dankt in onverstane psalmen,-- waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet als heerlijke oogenlust in ver verschiet,

maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;-- waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden, maar rust gevonde¯in liedren en gebeeden en schoone Zaligheid in alle leed.... Vergleeden leeven! droefheid zonder naam perst mij, als ik U zie, de lippen saam.

De droefheid van een vader, die vergrijsd in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend de pracht der bonte vizioenen prijst.-- O bittre glimlach om gewaande prachten! O Vuurhel der verwoestende gedachten!

De glimlach van een martlaar, die vóór de ooven in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint, en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind verrukt het spel der vlugge vlammen looven.... Gelukkig volk der blijde landen! weet dat al uw waarheid nog verwoesting heet.

Maar ook des vuurs vernietiging is schijn. Het kan de werking van 't bestaande wenden, maar niet des weezens vaste kern doen enden, of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn. Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan door wat nóg schooner is, en blijft bestaan.

En weet het, allen! die in zulke beemden van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt, dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden, het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren.... De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.

Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagt om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen, om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen, uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd. Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten, wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.

Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring, uw liefde haat, uw dankgebed een hoon, als vijand teegen vijand staat hun schoon oover het uwe, en stormen van verbastring zullen verdervend door uw waereld woeden-- als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.

Wreed is de Liefde van wat onverganklijk en hoog-verheeven is, en wreeder doet het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk, zoodat hij liefdeloos heet en verblind, naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.

En alle trouw aan Hem die niet vergaat, heet ontrouw onder menschen, die niet lijden wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden. Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad die na geduldig en hartstochtelijk dingen één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?

Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonen in klaren dag, in statig kalme pracht, als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht, nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen hun stralend Heil, omgord door sombre wouden---- Gij gaaft, Gebergte!--Ik nam, en zal behouden!

Goede Werking.

Veel kleine, nijdige dwazen wilden mijn kaarsjen uitblazen, toen werd het in mijn hand een machtige fakkelbrand.

Mijn Vrienden.

Ik droeg mijn baloorige vrienden 't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden. Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd, ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.

Op 't schande leeger, mij toegedacht, liggen ze zelf eens, niet heel zacht, en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht, van die zelfgespreide bedden in der eeuwigheid niet meer redden.

Dichter en Geleerde.

De Dichter is een neuswijs kind, dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt. Hij spreekt met bergen, maan en zon alsof dat alles leeven kon. De Dood zelf lijkt hem een bedrog, zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.

Maar de Natuurgeleerde doet juist het omgekeerde. Zijn heedendaagsche weetenschap is wonder-slim, en wonder-knap, want die verklaart, met wijsheid groot, het Leeven door den Dood.

Besluit.

De waereld scheen mij zoo droef-bevolkt en de weg der menschen zoo'n harde baan, dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt en kommer-beladen door 't leeven te gaan.

Maar ik schepte een licht verblijden uit een bronwel booven de tijden, daarmee wil ik voortaan enk'len der aandachtigsten besprenklen,

en de tijden doorschrijden met ligten tred, en ooveral waar ik mijn schreeden zet een lichtdrop plengen den droeven, maar niet in hun duisternis toeven.

INHOUD.

Bladz. Dante en Beatrice.

Inleiding 5 I-XIV 8 XV-XXV 25

Andere Verzen.

Des Leevens Kern 39 Koele Mei-dag 41 Schat mijns Harten 42 Looverlied 44 Alles voor U 46 De Staf 49 Aan de Groote Dichters 51 Shelley's Epipsychidion 54 Stem van Génerzijds 57 Minnezang 60 In memoriam 63 Zelfschouw 67 Julius Oldach 71 De Klok 73 Vrees niet 79 Op de heuvelen 80 Het Gebergte! 83 Goede Werking 91 Mijn Vrienden 92 Dichter en Geleerde 93 Besluit 94

De Rivier.

De zoomerzon uit violetten damp beglanst met kooperrooden schijn de blanke vloeden van den Rijn-- die gaan door 't volkrijk land in bochten breed en machtig-- de stille boomen ter weerskant staan aan den zacht-bewaasden zoom te spieglen als in droom.

Des diepsten Zelfs indachtig zie ik de groote pracht rondom-- zoek in der ziele kerngrond om, 't is daar al eeven prachtig. Wat kan er zijn nog bron van pijn?

Gij lieven allen die nog lijdt, om mijnentwil in droefheid zijt waar komt uw smart vandaan? Waart gij maar diep, maar diep gegaan in allerdiepste diepten des Zelfs, gij vondt er enkel pracht. Ik vond er enkel liefde.

Wat heeft u dan tot klacht gebracht? Bestaat er kwaad ook zonder haat?

Nu zie 'k der menschen wonderwerk de graauwe, goud-bekruiste kerk, een ruigt van spitsen, teer en sterk, aan bleeken horizont.

O menschen, hoe hebt gij 't gedaan 't Schoon wat ik in mijn binnenst vond zie 'k heerlijk voor mij staan.

't Betrouwen op Gods liefde en recht voor eeuwig, machtig uitgezegd in prachtbouw, fijn en hecht.

Laat, lieven, allen u verblijen, niet minder vast, niet minder schoon staat in de ziel uw heil'ge woon. Wat valt er nog te schreyen?

De Planeet.

Blank-glanzende planeet betuurt aandachtig weeder, strak-fonklend en teeder, mijn stillen avond-weg--alsof zij weet--

Gaat hare hooge baan, blij-beezig, zeer verheeven, zelf wel vol moeizaam leeven, doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.

Stelt mij mijn hart gerust,-- zóó hoog en zóó ontzachlijk! Scheen 't àl daar-éven hachlijk,-- mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.

Haar scherp gekijk behaagt wie eeven klaar durft schouwen, wiens blik niet zal verflaauwen door 't lastig leeven dat hij lachend draagt.

Als zij, mijn glans-planeet, draag ik een volk van zorgen, toch vindt mij elke morgen tot strengen gang in heldre vreugd gereed.

Wat bergt zij, wonder-ster, voor vreemd, gestaltrijk woelen? Kent zij mijn licht bedoelen? Eens ken ik 't hare--al is zij nóg zoo ver.

Mijn Bloemenpleegster.

Goede verzorgster van de blijde bloemen, die fleurig rond mij staan in elk seizoen, ik blijf uw naam met eender wijding noemen als toen.--

In veeler vrienden plaats vond ik een Vader, in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij, maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond nader dan gij.--

Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenen door glans dien gij niet kent en bijna vreest, doch hij vermooit van al ding om mij heenen ú 't meest.--

Door eigen leed alleen kunt gij mij deeren gij doet mij lief, al doet ge mij verdriet, ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeeren of niet.--

Zoo pleeg met mij in bloeme¯en kindren beiden de schoonheid waar ons beider hart in leeft, en wat ik u onwillig heb doen lijden, vergeef 't!--

VAN DE PASSIE-LOOZE LEELIE.

EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM.

Den eine Lilie blühet über Berg und Thal, an allen Enden der Erde. Wer da suchet der findet.

Boehme.

De Aanroep.

_Aan de schimmen van Beethoven en Bach._

O mijn Broeders, en mijn Heiligen! Mijn aldernaasten--bij God mijn bemiddelaars!

Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen, wie onder de leevenden kent mijn hart?

En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien, Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.

Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldig en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.

Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde, tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.

Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten, dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.

In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen, in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.

En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen niet aanraken, ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"