Dante en Beatrice, en andere verzen
Chapter 1
Produced by Anna Tuinman, Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
DANTE EN BEATRICE
EN ANDERE VERZEN
DOOR FREDERIK VAN EEDEN.
AMSTERDAM
W. VERSLUYS
MCMXVII
TWEEDE DRUK.
DANTE EN BEATRICE.
INLEIDING.
De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eerste ontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan hebben--zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren--is niet te gelooven. Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen van Amor, die haar Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór 1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.
EERSTE DEEL.
I.
Een vizioen van wonderhoog genucht heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde en langs reeds winterige velden waarde, den dag, den nacht en weer den dag verlucht.
Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde, zacht snaterend in ongeziene vlucht.
Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders de vleugel-cier--als zij zich rustend zonnen op gloedbescheenen muur,--en zoo vol diep
geheimenis, alsof er uit de bronnen van alle licht en vreugde¯een lokstem riep:
Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.
II.
Een meisje¯in kleedje, heerelijk getint van zacht en zeedig rood, met wat sieraden als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden, het ranke lijfje¯omstrikt met blinkend lint,
zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden als heldre ster die vóór alle¯andren blindt, en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden om haar, als eene die elk 't minnigst vindt
en als de schoonste zonder spijt wil roemen, daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.
Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen, de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen
naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.
III.
Toen zag 'k twee felle donker-vuurige¯oogen, in streng en ernstig knapen-aangezicht, onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.
De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwicht voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht, 't éénige wat zij nog te zien vermoogen.
't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos, 't lieftallig weezen dat haar macht niet weet en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.
Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen, beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed... en zwijmt doodsbleek,--geslaag'ne voor altoos.
IV.
O meester, zag ik met mijn geest de bron des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden na eeuwen nog een dorre waereld voeden, die zulke weelde zelf niet baren kon?
Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon, drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden, nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.
Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht! Het kinderfeest, de blanke bloemenstad, de schoone maatschappij, nog jong en blijde--
Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.
V.
Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden dat allerteerste, allerzoetste leed?-- Door dagen vuurig en door nachten heet zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:
dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden, die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!.... en naar de zoete folter dieper beet hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.
Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf, den wonder-broozen kinderdroom wou breeken, dreef 't u van haar op verre weegen af, maar kon den innerlijken glans niet bleeken.
Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven, dien eersten luister liet gij u niet dooven.
VI.
Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held! ik kleine,¯in 't klein-gevoelend volk begraven-- maar toch!--wat zoeten drank van min zij gaven, mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,
naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven, kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld. Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt, heb ik voor alle tijden willen staven.
Uw stroom is majestatisch neergedonderd met wentelsprongen tot den blanken plas, maar als een zwoel, vermaledijd moeras houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.
En daar was géén, ik zeg u, die verstond de taal der stroeve plooyen om mijn mond.
VII.
Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór, en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen en hield het brandende¯aan de waereld vóór,
hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen gekend, verwonnen en als meteoor doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen, den menschen-volken tot belichtend spoor?
Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent, të eenzaam en të innig voor gedichten, hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament genageld en als richt-gesternt doen lichten?
Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend tot onzen God u, die weet, en zal richten.
VIII.
De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand en peilt met ingetrokken kop de gronden des heemels,--als verlangend naar zijn land terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.
Ik wacht in ootmoed, heilige gezant! Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden. Vertoef! en doe mij weeten en verkonden, eer gij ter opvaart weer de wieken spant.
Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen in zijner lied'ren goudenkoordig want en kon ter uwer woonsteê niet gelangen eer zij, die hij beminde,¯uit Liefde's hand zijn hart met al zijn bitterheid verteerde en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.
IX.
Het was dezelfde wonderbare vonk die oover mijnen opgang heeft geglommen, waaruit de groote gloeden zijn geklommen, die hij, de meester, onzer waereld schonk--
en die hem veilig voerde door de drommen van spooken in hun gruuwlijken spelonk, tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.
Zoozeer verscheiden zijn twee menschen niet door ééne Hand uit eender stof geweeven, of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...
O àl te machtig, àl te teer ontroeren! mijn hand ligt stil--kan 't schrijftuig niet meer voeren.
X.
Mijn hart heeft bitterheeden als de Dood en diepten waar geen woorden van gewagen, is daar wel Liefde sterk genoeg en groot, die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?
Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagen en leg het duisterst zonder deernis bloot, tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen: "Gedenk! Gedenk! Gedenk!--éér gij verstoot!"
Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomen den doodssnik van uw allerschoonste waan? en zijt gij vast de treeden opgegaan bestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?
Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deed zoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?
XI.
Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen de jonge ziel in haren opgang uit. Zij breekt den schors van waan die haar omsluit en neigt tot nadering aan vreemde dingen.
Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit baart zij dan teedre ranken, die 't omringen en gansch tot eigen-worden willen dwingen-- en geeft zich vangeling aan de¯eigen buit.
't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt wat aan een schaduw zich heeft willen hechten? En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.
Dan worden alle klanken, alle kleuren van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.
XII.
De schakel brak,--de Dood hield u gescheiden, het Leeven sleepte u op zijn deining voort, en, onder nieuwen liefde-groei versmoord, ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.
Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoord het heilig Wonder, dat Gelieven beiden door de¯eigen liefde¯elkaar tot God geleiden,-- en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.
Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel, wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden, verrukt alree door 't ongeveer bevroeden-- Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.
Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken, laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.
XIII.
Wat zegt het najaar dat de blaren strooit, het rul-geworden zomerloof doet zwijgen van voogellied,--en leevens-weeke twijgen met harde doodspracht van kristallen tooit?
Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen, door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid? Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid terwijl de welkende geslachten zijgen?
Er staat een boom, in lichten Hof geplant, zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len, zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand, zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len van voogelzang. Elk looverken een ziel versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.
XIV.
Ze noemen Liefde wat de ziel doet zieden in helle vreugde van een oogwenk duur, in lijden leevenslang,--met ieder uur zien ze haar vluchtige bekooring vlieden,--
een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuur in woestenij van donkre doods-gebieden, waar alle dingen zonder zin geschieden naar starre wet van ijzige natuur.
Maar Hij, die op vervaarlijken en verren boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam, kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,
Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht, die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht, en die de Zon beweegt en d'andre sterren.
TWEEDE DEEL.
XV.
't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden, 't zij dan zóó ongelijk van maat en macht, zijn telgen wij nochthans van één geslacht en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.
Als klank van verre kerk-klok in den nacht d'eenzamen dwaler oover duistre heiden vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden, waar hem de lang gederfde haardstee wacht,
zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid, bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden, mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,
en d'ooren van 't verlaten kindje hoorden met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep, dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.
XVI.
Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaar uw vlieten in de riet-bewassen zoomen, stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen, kalm ligt het vreedige gehuchtje daar
met toorenspitsje en moolentje, te droomen, breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar, die statig aandrijft uit de kimmen, waar het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.
Mijn Land van weide en rustloos winde-lied, gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet en niet de grootschheid van Ravenna's wouden,
mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaan wat in 't verganklijke niet kan vergaan, wat ons van 't aardsche leeven voegt te¯onthouden.
XVII.
Gij werdt gebannen uit uw vaderstad, gij moest het bittre brood der deernis eeten en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten, wat hulde en glans de vreemde voor u had,
en nimmer heeft één, zooals gij, geweeten hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad, herdenken van verlooren vreugde-schat, van vroegre banden ééns voor àl gereeten.
Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land mij booven allen dierbaar en gemeenzaam, waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,
en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!
Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld? Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?
XVIII.
Mijn hart smacht naar dat verre vaderland, waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen, toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen, zich ziel aan ziele spon met teedren band.
Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen, verhief zich ons verwonderde verstand, en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand en om terugkeer naar dat licht-heil vragen.
Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezen van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank van innigheid aan deeze zwakke zangen--
Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank, van een grootmachtig, triomfant verlangen--
mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.
XIX.
"_De Zeegenbrengster_" luidde uw naam, o milde, aan wie de waereld zooveel zeegen dankt, wier brooze leeven, marmervast verklankt, den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.
Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omrankt door vuurig lied,--één vriendlijk groeten tilde den Held in 't licht,--dat uw zacht aanschijn wilde nogmaals verlichten wie er doolt en wankt!
Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen, de stralende uitkomst angstig tegemoet. Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen! Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen! Hoe reiken zij de handen, om den zeegen van Liefde's minnelijken, zachten groet.
XX.
Men noemde u Beatrice, maar gij draagt heil'ger benaming, onbekend den veelen. Hij heet u "_Liefde_", wien de glans-tafreelen van uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,
die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelen van zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagt nog immer wat op aarde duldt en klaagt.-- Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?
Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in nood om uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden. Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijden uw blijde voet den drempel van den Dood?
Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne! Verhelder d'aard met uwen lach van minne!
XXI.
Gij, Alighieri, "_Glans der Eeuw_" geheeten, Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam, want _Liefde_ zaligt slechts met _Wijsheid_ saam en alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.
Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaam wie vreezen van de vrucht der kennis te eeten, en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeeten de kracht te keeren van uw vrijen Aâm.
Vaar als een frissche wind de velden oover, de vuuren aller Liefde wakker aan! doe aller Harten Vlammen samenslaan! en vaag den Heemel schoon met éénen toover!
dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richt en schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.
XXII.
De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral, doet dreunend òp de gouden heemeldeuren, en de verborgen duisternissen scheuren door 't verre daveren van haar geschal,
dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren, dan bloeit de leelie in het diepste dal, dan stort zich, als een gouden waterval, vreugde in het hart van allen die daar treuren.
Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand, voor haar handheffing zwicht de vale ellende, waar zij haar wèl-betoomde rossen mende gloeit al het leevende in haar stralenbrand.
En als de bloem naar d'ongenaakbre Zon wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.
XXIII.
Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troont dan uw goud-vleugelige zangen steegen, en dat de ziel langs nog benarder weegen 't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,
en dat alom daarbuiten is geleegen de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont, en dat Gehenna geen verschrikking toont zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.
Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waan waar, door een schijn verblijd, wij armen allen verspeelen ons kortstondige bestaan, om lachend in den muil des Doods te vallen?
En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht, maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.
XXIV.
Wie eens uw watervelden heeft aanschouwd o zee! waaroover zilvren glanzen glijen en zag uw eindelooze golvenrijen aanstrijken van de kimme, grijs en goud,
wie ééns met uwer blauwe woestenijen schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd, en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud, d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,
hoe kan die anders dan in smachtend dulden de droefheid ondergaan van enger sfeer? Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden. Hij wil de wijdheid der verlaten kusten als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.
XXV.
't Is niet om mij, 't is om ons droef geslacht dat nog die wonde branden blijft hierbinnen, want ik moet haten teevens en beminnen en liefde blijven geeven waar 'k veracht.
Zoo was Hij niet, die met gelijke kracht geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen, en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.
Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag, wèl ongewis nog en in hachlijk beeven, maar voorboô van een ruimer, schooner leeven dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.
Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen, dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.
DES LEEVENS KERN.
Des Leevens Kern.
Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd, en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.
Het Leeven spreekt nu met een klare stem. Als 't carrillon des morgens van een tooren, dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.
Elk lijden waan, zonder bestand noch duur, elk pijntje¯een wenk en richtvonk onzer weegen, de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.
En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader digt bij mij, digt, den dag, den nacht--den nacht, liever dan 't liefst en dan het naaste nader, de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.
Nu zie ik weer geranium en linde met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt en zee en duin, die ik als kind zóó minde mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.
Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden! wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden, dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.
Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen, 'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.
Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden, niemand moog danken, nochthans blijft de lust, om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden, ik ken het zoete werk om zoeter rust.
Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht, geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen die zich ontvouwen voor het reegenvocht.
Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden, geen meerder weetenschap en doet u nood: blijf 's Leevens kern betrouwen--en de Dood met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.
Koele Mei-dag.
De blindend-blanke hagelwolken drijven trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament en dreigen met hun schaduw te verstijven de schuchtre kindren van de jonge lent.
Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig, gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik, door den van toorn gebolden stoet onmachtig groet lieve zon de beidende¯aard tersluik.
Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen, de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover met tintellooverkes van teeder groen.
De koekoek roept getrouw het voorjaar uit, de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven schalt nachtegalenslag en lijsterfluit, en alom zeegeviert het lichte leeven.
De schat mijns harten.
Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte, Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem, Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens Wisslend geflonker.
Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst? Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven? Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken 't Nameloos wonder?! ............................................................. ............................................................. Het is mijn ster, het is de sterke liefde, die niemand kan verstaan en niemand ziet, die alom heerscht, die al vertroost wat griefde, die stralend schoon uit alle dingen schiet.
Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt, die zacht als water door geen kracht bezwijkt, den Satan slaat en voor demoonen veiligt, die immer buigend booven bergen reikt.
Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend in duldsaam beeven uitzag in den nacht, toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend, beweezen haar onnoemelijke macht,
Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen, spijt aller schijndeugd, spot of hindernis, daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen en zacht voor Liefde's kindren is. ............................................................. ............................................................. Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte, Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens, Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer, eeuwig waarachtig.
Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken, d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?" Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent voelend verlossing.
Het looverlied.
Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan van groote boomen die in duister staan, weer naar hun machtig nachtgezang te luistren hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.
In langen winter zongen barre twijgen een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen was angstig in den Januari-mist.-- Maar 't loover kwam toch weer--en hoor nu is 't
als een gelukkig volk dat zeegezingt. Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt fijn geschalmei van voogels in de verte-- zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte
dat door de zwarte bladerschimmen kijkt en met haar vaag beweegen komt en wijkt. Ik ga door looverlied en sterreschijn blij en gerust. Ook in mijn kleine brein